Now showing items 21-40 of 12796

    • Outbreak of Central American born Shigella sonnei in two youth camps in Belgium in the summer of 2019.

      Van den Bossche, An; Ceyssens, Pieter-Jan; Denayer, Sarah; Hammami, Naïma; van den Beld, Maaike; Dallman, Timothy J; Mattheus, Wesley (2021-02-11)
    • Association of fatal myocardial infarction with past level of physical activity: a pooled analysis of cohort studies.

      Hansen, Kim Wadt; Peytz, Nina; Blokstra, Anneke; Bojesen, Stig E; Celis-Morales, Carlos; Chrysohoou, Christina; Clays, Els; De Bacquer, Dirk; Galatius, Søren; Gray, Stuart R; et al. (2021-02-10)
    • Particle number-based trophic transfer of gold nanomaterials in an aquatic food chain.

      Abdolahpur Monikh, Fazel; Chupani, Latifeh; Arenas-Lago, Daniel; Guo, Zhiling; Zhang, Peng; Darbha, Gopala Krishna; Valsami-Jones, Eugenia; Lynch, Iseult; Vijver, Martina G; van Bodegom, Peter M; et al. (2021-02-09)
      Analytical limitations considerably hinder our understanding of the impacts of the physicochemical properties of nanomaterials (NMs) on their biological fate in organisms. Here, using a fit-for-purpose analytical workflow, including dosing and emerging analytical techniques, NMs present in organisms are characterized and quantified across an aquatic food chain. The size and shape of gold (Au)-NMs are shown to control the number of Au-NMs attached to algae that were exposed to an equal initial concentration of 2.9 × 1011 particles mL-1. The Au-NMs undergo size/shape-dependent dissolution and agglomeration in the gut of the daphnids, which determines the size distribution of the NMs accumulated in fish. The biodistribution of NMs in fish tissues (intestine, liver, gills, and brain) also depends on NM size and shape, although the highest particle numbers per unit of mass are almost always present in the fish brain. The findings emphasize the importance of physicochemical properties of metallic NMs in their biotransformations and tropic transfers.
    • Development of a quantitative chemical risk assessment (QCRA) procedure for contaminants of emerging concern in drinking water supply.

      Cantoni, Beatrice; Penserini, Luca; Vries, Dirk; Dingemans, Milou M L; Bokkers, Bas G H; Turolla, Andrea; Smeets, Patrick W M H; Antonelli, Manuela (2021-02-09)
    • Association Between Infection and Colon Cancer: A Nationwide Registry-based Cohort Study.

      Duijster, J W; Hansen, Jørgen V; Franz, Eelco; Neefjes, Jacques J C; Frisch, Morten; Mughini-Gras, Lapo; Ethelberg, Steen (2021-02-08)
    • The role of aircraft noise annoyance and noise sensitivity in the association between aircraft noise levels and medication use: results of a pooled-analysis from seven European countries.

      Baudin, Clémence; Lefèvre, Marie; Babisch, Wolfgang; Cadum, Ennio; Champelovier, Patricia; Dimakopoulou, Konstantina; Houthuijs, Danny; Lambert, Jacques; Laumon, Bernard; Pershagen, Göran; et al. (2021-02-05)
      A significant association was found between aircraft noise levels at night and antihypertensive medication only in the UK (OR = 1.43, 95%CI 1.19-1.73 for a 10 dB(A)-increase in Lnight). No association was found with other medications. Aircraft noise annoyance was significantly associated with the use of antihypertensive medication (OR = 1.33, 95%CI 1.14-1.56), anxiolytics (OR = 1.48, 95%CI 1.08-2.05), hypnotics and sedatives (OR = 1.60, 95%CI 1.07-2.39), and antasthmatics (OR = 1.44, 95%CI 1.07-1.96), with no difference between countries. Noise sensitivity was significantly associated with almost all medications, with the exception of the use of antasthmatics, showing an increase in ORs with the level of noise sensitivity, with differences in ORs among countries only for the use of antihypertensive medication. The results also suggested a mediating role of aircraft noise annoyance and a modifying role of both aircraft noise annoyance and noise sensitivity in the association between aircraft noise levels and medication use.
    • The Role of Peridomestic Animals in the Eco-Epidemiology of Anaplasma phagocytophilum.

      Lesiczka, Paulina Maria; Hrazdilová, Kristýna; Majerová, Karolina; Fonville, Manoj; Sprong, Hein; Hönig, Václav; Hofmannová, Lada; Papežík, Petr; Růžek, Daniel; Zurek, Ludek; et al. (2021-02-05)
    • Dutch shared savings program targeted at primary care: Reduced expenditures in its first year.

      Hayen, Arthur; van den Berg, Michael Jack; Struijs, Jeroen Nathan; Westert Gert, Gerard Pieter (2021-02-05)
    • Next Generation HGVS Nomenclature Checker.

      Lefter, Mihai; Vis, Jonathan K; Vermaat, Martijn; den Dunnen, Johan T; Taschner, Peter E M; Laros, Jeroen F J (2021-02-04)
    • Gebruiksvoorschrift Storybuilder-MHC : Wijze waarop kenmerken van incidenten met gevaarlijke stoffen bij majeure risicobedrijven worden ingevoerd in Storybuilder-MHC

      Kooi, ES; Manuel, HJ; Mud, ML; Wolting, AG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-02-03)
      Sinds 2009 analyseert het RIVM oorzaken en omstandigheden van incidenten en ongevallen met gevaarlijke stoffen bij chemische bedrijven. Het RIVM verzamelt hierover een groot aantal kenmerken en analyseert die vervolgens met het model Storybuilder-MHC. Het RIVM heeft nu een gebruiksvoorschrift gemaakt dat beschrijft welke informatie voor de analyses wordt gebruikt. Ook staat erin hoe de kenmerken van de incidenten in het model worden vastgelegd. Het gebruiksvoorschrift zorgt ervoor dat incidenten op dezelfde manier worden geanalyseerd. De analyses zijn bedoeld om ontwikkelingen en patronen in incidenten te ontdekken. De inzichten helpen inspecteurs bij hun werk. Bedrijven kunnen inzichten uit de analyses gebruiken om ongevallen te voorkomen. De analyses worden in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) uitgevoerd. Storybuilder-MHC bevat onder andere kenmerken over het soort bedrijf (zoals raffinaderij), het type incident (bijvoorbeeld vrijgekomen gevaarlijke stoffen), de oorzaken van het incident en de kenmerken van het slachtoffer en zijn letsel (zoals de ernst ervan). De analisten halen deze informatie uit rapporten die zijn opgesteld door de Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Inspectie SZW) of de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OvV). Zij leggen kenmerken per incident vast. Storybuilder-MHC is een onderdeel van het analysemodel Storybuilder. Hierin analyseert het RIVM oorzaken en omstandigheden van ernstige arbeidsongevallen bij bedrijven.
    • The importance of supplementary immunisation activities to prevent measles outbreaks during the COVID-19 pandemic in Kenya.

      Mburu, C N; Ojal, J; Chebet, R; Akech, D; Karia, B; Tuju, J; Sigilai, A; Abbas, K; Jit, M; Funk, S; et al. (2021-02-03)
    • Current challenges in the detection and analysis of falsified medicines.

      Bakker-'t Hart, Ingrid M E; Ohana, Dana; Venhuis, Bastiaan J (2021-02-03)
    • Mental Wellbeing and General Health in Adolescents with Asthma: The PIAMA Birth Cohort Study.

      van der Laan, Sabine E I; de Hoog, Marieke L A; Nijhof, Sanne L; Gehring, Ulrike; Vonk, Judith M; van der Ent, Cornelis K; Wijga, Alet H (2021-02-03)
    • The effect of occupational exposure to ergonomic risk factors on osteoarthritis of hip or knee and selected other musculoskeletal diseases: A systematic review and meta-analysis from the WHO/ILO Joint Estimates of the Work-related Burden of Disease and Injury.

      Hulshof, Carel T J; Pega, Frank; Neupane, Subas; Colosio, Claudio; Daams, Joost G; Kc, Prakash; Kuijer, Paul P F M; Mandic-Rajcevic, Stefan; Masci, Federica; van der Molen, Henk F; et al. (2021-02-02)
      In total eight studies (4 cohort studies and 4 case control studies) met the inclusion criteria, comprising a total of 2,378,729 participants (1,157,943 females and 1,220,786 males) in 6 countries in 3 WHO regions (Europe, Eastern Mediterranean and Western Pacific). The exposure was measured using self-reports in most studies and with a job exposure matrix in one study and outcome was generally assessed with physician diagnostic records or administrative health data. Across included studies, risk of bias was generally moderate. Compared with no or low exposure (<2 h per day), any occupational exposure to ergonomic risk factors increased the risk of acquiring MSD (odds ratio (OR) 1.76, 95% confidence interval [CI] 1.14 to 2.72, 4 studies, 2,376,592 participants, I2 70%); and increased the risk of acquiring OA of knee or hip (OR 2.20, 95% CI 1.42 to 3.40, 3 studies, 1,354 participants, I2 13%); Subgroup analysis for MSD found evidence for differences by sex, but indicated a difference in study type, where OR was higher among study participants in a case control study compared to study participants in cohort studies.
    • Multi-use disease models : A blueprint for application in support of health care insurance coverage policy and a case study in Diabetes Mellitus

      Wang, J; Pouwels, X; Ramaekers, B; Frederix, G; van Lieshout, C; Hoogenveen, R; Li, X; de Wit, GA; Joore, M; Koffijberg, H; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-02-01)
      Zorginstituut Nederland adviseert de minister van VWS onder andere over vergoedingen van medicijnen en andere behandelingen in het basispakket van de ziektekostenverzekering. Het Zorginstituut gebruikt daarvoor onder andere dossiers van medicijnenfabrikanten waarin zij de gezondheidswinst en kosten inschatten op basis van beslismodellen. Met deze beslismodellen wordt bekeken of medicijnen en andere behandelingen op de lange termijn effect hebben op de gezondheid. Bijvoorbeeld wat een betere bloedsuikerspiegel bij mensen met diabetes betekent voor complicaties, zoals hart- en vaatziekten en amputaties. Ook brengt het model de kosten van een behandeling met een nieuw medicijn in kaart. Denk aan de kosten van het medicijn zelf, maar ook besparingen omdat het medicijn de kans op complicaties met hoge behandelkosten kan verkleinen. Op dit moment beoordeelt het Zorginstituut voor bijna elk medicijn of behandeling een dossier waarvoor een apart beslismodel is gebruikt. Hierdoor zijn de effecten van verschillende medicijnen voor dezelfde ziekte niet goed te vergelijken. Daarnaast is het Zorginstituut veel tijd kwijt om de kwaliteit van elk beslismodel te toetsen. Het is daarom aantrekkelijk om voor elke ziekte één model te hebben, de zogenaamde meervoudig gebruik-modellen. Hiermee kunnen betere en consistentere beslissingen genomen worden. Het RIVM heeft met de universiteiten van Twente, Maastricht, Groningen en Utrecht verkend hoe het Zorginstituut met meervoudig gebruikmodellen kan gaan werken. Mede op basis van dit rapport beslist het Zorginstituut of en hoe zij verder gaan met meervoudig gebruikmodellen. Bovendien is een meervoudig gebruik beslismodel gemaakt voor diabetes en als casus uitgewerkt. Het RIVM heeft vijf business cases ontwikkeld om het werken met meervoudig gebruik-modellen op te zetten, en de voor- en nadelen beschreven. In deze opties verschillen de rol en verantwoordelijkheid van betrokken partijen, zoals het Zorginstituut, onderzoeksinstituten en consultancy bureaus. Het gaat daarbij over vragen als wie eigenaar is van het model, wie verantwoordelijk is voor het onderhoud en de opslag van resultaten, en wie aansprakelijk is bij fouten. Daarnaast komt aan de orde wat een dergelijk model moet kunnen en hoe flexibel het moet zijn voor aanpassingen.
    • Kansen en risico's van DNA-zelftesten

      Rigter, T; Jansen, ME; van Klink-de Kruijff, IE; Onstwedder, SM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-01-29)
      Met een DNA-zelftest kunnen mensen zelf vaststellen of ze aanleg hebben voor bepaalde aandoeningen. Voorbeelden zijn de ziekte van Alzheimer, borstkanker, hoge bloedruk, en gevoeligheid voor gluten. Consumenten bestellen deze tests vaak online, sturen meestal hun speeksel op en krijgen vervolgens de uitslag thuisgestuurd. Dit gebeurt meestal zonder tussenkomst van een arts. De gedachte is dat mensen op basis van de uitslag gezonder gaan leven of eerder medische hulp inschakelen, en zo het risico op het ontstaan van ziektes verkleinen. Uit verkennend onderzoek van het RIVM blijkt echter dat er geen wetenschappelijk bewijs is dat DNA-zelftesten de gezondheid echt verbeteren, bijvoorbeeld doordat mensen gezonder gaan leven. Maar het RIVM vindt ook geen bewijs dat mensen ongezonder gaan leven als zij horen dat zij een relatief laag risico hebben om een bepaalde ziekte te krijgen. De aanbieders van de tests geven vooral informatie over eventuele voordelen van zo'n test. Het RIVM adviseert dat de consument onafhankelijke ondersteuning krijgt, bijvoorbeeld in de vorm van een keuzehulp, om een weloverwogen keuze te kunnen maken. Een mogelijk voordeel van een DNA-zelftest is dat mensen laagdrempelig genetische informatie kunnen krijgen. Deze informatie kan ook gebruikt worden voor onderzoek. Een nadeel is dat er privacy problemen kunnen ontstaan bijvoorbeeld als niet duidelijk is dat gegevens voor onderzoek worden gebruikt. Ook realiseren consumenten zich vaak niet welke gevolgen een uitslag kan hebben. Familieleden kunnen bijvoorbeeld ongewild informatie krijgen over hun gezondheid, omdat zij voor een deel hetzelfde DNA hebben. Nader onderzoek is nodig over hoe de consument evenwichtige informatie kan krijgen en op welke manier die informatie bij de consument terecht kan komen. Verder moeten artsen op de hoogte zijn van de (on)mogelijkheden en risico's van DNA-zelftesten. Wetenschappelijk onderzoek wijst er op dat ze nu onvoldoende weten wat zij kunnen doen als een consument met een uitslag van een zelftest bij hen komt. Momenteel is handhaving op deze producten moeilijk omdat er verschillende wetten gelden voor de verschillende aspecten van het aanbod (privacy, reclame, diagnostiek). Bovendien verandert het aanbod aan tests snel en zitten de aanbieders van de zelftesten vaak buiten Nederland of zelfs Europa. Daar zijn de voor Nederland geldende wetten soms niet van toepassing of moeilijk te handhaven. Het RIVM beveelt aan veranderingen in het aanbod en relevante wetgeving de komende jaren in de gaten te houden. Op deze manier kan beleid waar nodig worden geëvalueerd en bijgesteld.
    • Should treatment of low-level rifampicin mono-resistant tuberculosis be different?

      Gopie, F A; Commiesie, E; Baldi, S; Kamst, M; Kaur, D; de Lange, W C M; Pinas, P S; Stijnberg, D; Wongsokarijo, M; Zijlmans, C W R; et al. (2021-01-29)
      We collected demographic and clinical characteristics and treatment outcome of TB patients from May 2012-December 2018 and performed a univariate and multivariate analysis to assess possible associations with resistance to rifampicin. Secondly, we conducted whole genome sequencing on all available Mycobacterium tuberculosis isolates that had a rifampicin resistance in the Xpert MTB/RIF test and performed phenotypic DST on selected isolates.
    • Annual report Surveillance of influenza and other respiratory infections in the Netherlands: winter 2019/2020

      Reukers, DFM; van Asten, L; Brandsema, PS; Dijkstra, F; Hendriksen, JMT; van der Hoek, W; Hooiveld, M; de Lange, MMA; Niessen, F; Teirlinck, AC; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-01-28)
      Griepepidemie De griepepidemie in de winter van 2019/2020 was mild en duurde 5 weken. Dat is korter dan het gemiddelde van tien weken in de afgelopen 25 jaar. De laatste twee weken van de griepepidemie, de eerste helft van maart 2020, vielen samen met het begin van de COVID-19-epidemie in Nederland. Naar schatting hebben tussen oktober 2019 en mei 2020 400.000 mensen de griep gehad. Ongeveer 74.000 mensen gingen naar de huisarts met griepachtige klachten. Mensen zijn vooral ziek geworden van het type A-griepvirus. Tijdens de epidemie stierven er 600 mensen meer dan verwacht in deze periode. Deze 'oversterfte' hangt waarschijnlijk samen met de griep. Mensen die een griepprik hebben gekregen, hadden in het griepseizoen 48 procent minder kans om griep te krijgen. De effectiviteit van het vaccin is ongeveer hetzelfde als in vorige griepseizoenen. COVID-19 epidemie in Nederland In deze rapportage zijn de gegevens over COVID-19 meegenomen voor de duur van het griepseizoen, tot en met 17 mei. Op 27 februari 2020 is de eerste COVID-19-patiënt in Nederland bevestigd. Sindsdien zijn veel mensen besmet met het nieuwe coronavirus (SARSCoV-2) dat de ziekte COVID-19 veroorzaakt. Tussen 27 februari en 17 mei 2020 heeft de GGD 43.993 mensen met COVID-19 gemeld, met een piek van 7794 meldingen in de week van 6 april. In deze eerste golf zijn 11.095 patiënten opgenomen in het ziekenhuis en zijn er 9600 mensen meer overleden dan normaal. Meldingsplichtige luchtweginfecties Sommige luchtweginfecties moeten bij de GGD worden gemeld. De GGD kan ze dan intensief volgen en als het nodig is op tijd actie nemen om te voorkomen dat ze zich verder verspreiden. Het aantal meldingen van psittacose is in 2019 sterk gestegen naar 91, het hoogste aantal sinds 2010. Het aantal gemelde gevallen van legionella (566) tuberculose (759) en Q-koorts (18) bleef stabiel. Q-koorts, psittacose en legionella uiten zich meestal in de vorm van longontstekingen. De werkelijke aantallen liggen hoger dan de gemelde. Mensen met een longontsteking worden vaak niet getest, waardoor de ziekteverwekker niet bekend is.
    • Corrigendum: Adrenoleukodystrophy Newborn Screening in the Netherlands (SCAN Study): The X-Factor.

      Barendsen, Rinse W; Dijkstra, Inge M E; Visser, Wouter F; Alders, Mariëlle; Bliek, Jet; Boelen, Anita; Bouva, Marelle J; van der Crabben, Saskia N; Elsinghorst, Ellen; van Gorp, Ankie G M; et al. (2021-01-28)
    • Staat Drinkwaterbronnen

      van Driezum, IH; Beekman, J; van Loon, A; van Leerdam, RC; Wuijts, S; Rutgers, M; Boekhold, S; Zijp, MC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-01-26)
      In Nederland wordt drinkwater gemaakt van grond- en oppervlaktewater. Het RIVM heeft in kaart gebracht wat de kwaliteit van het water van deze bronnen is en hoeveel er beschikbaar is om drinkwater van te maken. Beleidsmakers van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) gebruiken de resultaten voor nieuw beleid. In meer dan de helft van de 216 winningen in Nederland zijn nu, of in de nabije toekomst, problemen met de waterkwaliteit of de beschikbare hoeveelheid. In 135 van de winningen worden namelijk stoffen gevonden die dit ongezuiverde water vervuilen. Door de droogte van de laatste jaren is het minder vanzelfsprekend geworden dat er in sommige seizoenen genoeg water is. Ook zorgt de droogte ervoor dat de concentraties vervuilende stoffen hoger zijn. Hierdoor moeten drinkwaterbedrijven meer doen om er schoon drinkwater van te maken. Waterschappen, provincies en gemeenten en de Rijksoverheid hebben de afgelopen jaren veel gedaan om de kwaliteit van de drinkwaterbronnen te verbeteren. Maar de kwaliteit is nog niet zoals gewenst en is de afgelopen jaren niet merkbaar verbeterd. Het doel is om met eenvoudige zuiveringstechnieken drinkwater uit de bronnen te kunnen maken. Het kost tijd voordat een maatregel een effect heeft. Dat is een van de redenen waarom de effecten van de genomen maatregelen nog niet zichtbaar zijn bij de drinkwaterbronnen. Daarnaast worden de effecten niet op dezelfde manier gemonitord en vastgelegd als de gegevens over de waterwinningen. Meer zicht krijgen op de effecten is belangrijk om op tijd extra maatregelen te kunnen nemen als dit nodig is. Daarnaast is meer duidelijkheid nodig tussen de landelijke en decentrale overheden wie waarvoor verantwoordelijk is en wat partijen van elkaar kunnen verwachten. Zij hebben een belangrijke taak om de waterkwaliteit voor de toekomst veilig te stellen.