Now showing items 1-20 of 12910

    • Risico’s van rook door branden van Li-ion-batterijen

      van Veen, NW; Koppen, A; van Putten, EM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-04-16)
      Li-ion-batterijen zitten vaak in bijvoorbeeld telefoons, elektrische auto’s en fietsen. Vanwege de overgang naar duurzame energie zal dit type batterij steeds vaker worden gebruikt. Hierdoor wordt ook de kans gro-ter dat ze bij een brand betrokken raken. Li-ion-batterijen bevatten che-mische stoffen en zware metalen die kunnen vrijkomen als de batterijen verbranden. Een voorbeeld daarvan is het gevaarlijke fluorwaterstof. Over de risico’s van deze stof in rook was nog onvoldoende bekend. Blootstelling aan deze stof kan gevaarlijk zijn. Daarom zijn brandexperi-menten uitgevoerd om eigenschappen van de rook beter te begrijpen en wat dat betekent voor brandweerpersoneel. De concentratie fluorwater-stof in rook daalt in de praktijk snel doordat het zich bindt aan bijvoor-beeld rookdeeltjes, wanden en vloeren. Het gevaar van fluorwaterstof in de rook neemt daarom sneller af dan verwacht. Wel raken de oppervlak-ken in de ruimte van de brand hiermee vervuild. Zo komt het ook op de kleding van brandweerpersoneel dat in deze rook werkt. Het grootste risico voor brandweerpersoneel is huidschade als de huid in contact kom met fluorwaterstof. Het kwetsbaarste onderdeel van brand-weerkleding is de balaclava, een soort bivakmuts die beschermt tegen de hitte. De balaclava blijkt fluorwaterstof uit rook niet volledig tegen te houden. Hoewel de fluorwaterstof niet bij elke Li-ion brand een groot ri-sico is voor brandweerpersoneel, is het wel zinvol om er rekening mee te houden. Dit kan door voorzorgsmaatregelen te nemen. Voorbeelden zijn de balaclava na de brand snel afdoen en de huid schoonspoelen als deze na een brandweerinzet pijnlijk aanvoelt. Het RIVM heeft de experimenten met de Veiligheidsregio Noord- en Oost-Gelderland uitgevoerd. De gezondheidsrisico’s zijn beoordeeld in samenwerking met het Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum (NVIC). Er bestaan al interventiewaarden om te kunnen inschatten wan-neer er gezondheidsrisico’s zijn voor de bevolking als er bij een brand fluorwaterstof vrijkomt.
    • Feitenrapportage grondwaterkwaliteitsmeetnetten

      Claessens, J; Wit, M; Wattel, E (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-04-15)
      In Nederland worden via meerdere meetnetten gegevens over de kwaliteit van het grondwater verzameld. Hiermee worden concentraties van verschillende stoffen gemeten, waaronder nitraat. Naast een landelijk meetnet heeft elke provincie een eigen meetnet. Zij gebruiken hierbij ook een deel van de landelijke putten; het verschilt per provincie in welke mate. Op hoofdlijnen zijn de resultaten over nitraat van het landelijke meetnet en de provinciale meetnetten hetzelfde, maar er zijn ook verschillen, zeker regionaal. Om het landelijk beleid over de grondwaterkwaliteit te kunnen verantwoorden en te evalueren zijn eenduidige cijfers over de concentraties nodig. Het RIVM beveelt aan om de manier van werken landelijk te verbeteren. De meetnetten hebben verschillende doelen. Het landelijke meetnet, het Landelijk Meetnet Grondwaterkwaliteit (LMG), wordt onder andere gebruikt voor de verplichte Europese rapportage over nitraat. De meetnetten van de provincies leveren gegevens voor regionale doelen en voor de verplichte Europese rapportage voor de Kaderrichtlijn Water (KRW). Over het algemeen is de dataset van het LMG consistent. De dataset van de provinciale meetnetten zijn dat minder, vooral doordat er minder vaak wordt gemeten. Statistisch onderzoek is nodig om aan te kunnen geven hoe bruikbaar de provinciale gegevens zijn voor de verschillende landelijke toepassingen. Het RIVM doet aanbevelingen om de kwaliteit van de data en het beheer ervan te verbeteren; de provincies werken hier al aan. Deze bevindingen blijken uit een feitenrapportage van het RIVM over de monitoring van de grondwaterkwaliteit in Nederland. De rapportage beschrijft de verschillen en overeenkomsten in de manier waarop de meetnetten zijn ingericht (wie doet wat) en hoe ze worden uitgevoerd (waar, welke stoffen en wanneer). Vanwege de Europese verplichtingen is hierbij vooral gekeken naar de meststof nitraat.
    • Tussentijdse resultaten Gezondheidsonderzoek in de IJmond

      Elberse, JE; Mennen, MG; Hoogerbrugge, R; Mooibroek, D; Zoch, JP; Dusseldorp, A; Janssen, N (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-04-14)
      Het RIVM onderzoekt de luchtkwaliteit en de gezondheid van bewoners in de IJmond in Noord-Holland. In deze omgeving zijn er activiteiten die het milieu belasten, zoals zware industrie van Tata Steel. Omwonenden maken zich zorgen welke effecten deze activiteiten hebben op hun gezondheid. Zij hebben het gevoel dat de luchtkwaliteit op sommige uren of dagen (pieken) slecht is waardoor zij acute klachten ervaren, zoals hoesten, benauwdheid of prikkende ogen. Acute klachten komen snel op en gaan vaak snel weer weg. Uit onderzoek van het RIVM blijkt inderdaad dat de luchtkwaliteit vaker matig tot onvoldoende is in de IJmond. Ook blijkt dat er in de IJmond meer acute gezondheidsklachten worden gemeld bij de huisarts dan in andere industriegebieden en op het platteland. Deze klachten, die het Nivel bij huisartsen heeft verzameld, zijn bijvoorbeeld benauwdheid, hoofdpijn, misselijkheid en pijn op de borst. Dit onderzoek geeft géén antwoord op de vraag wat de oorzaak is van de gezondheidsklachten. In de omgeving van Tata Steel komen vaker hogere concentraties fijnstof (PM10) voor dan in delen van Nederland zonder zware industrie. Het RIVM heeft dit met de GGD Amsterdam inzichtelijk gemaakt door aan te geven wat de concentraties fijnstof per dag en per uur zijn, waar normaal gesproken de nadruk ligt op het gemiddelde per jaar. Zo is het duidelijker wanneer en hoe vaak de concentraties fijnstof hoger zijn. Voor dit onderzoek is fijnstof gekozen als graadmeter voor de luchtkwaliteit. Fijnstof wordt op verschillende plekken in de IJmond gemeten en er is veel bekend over de effecten ervan op de gezondheid. Een studie onder omwonenden zou meer inzicht kunnen geven of er een verband is tussen de luchtkwaliteit en de acute gezondheidsklachten. Omwonenden zouden hiervoor langere tijd in een dagboek kunnen bijhouden op welke dagen zij bepaalde klachten hebben. Volgens het RIVM is zo’n onderzoek haalbaar. De provincie Noord-Holland moet afwegen of zo’n panelonderzoek ook wenselijk is.
    • Rapportage verkennende Expertconsultatie ‘Veranderingen in de veehouderij en mogelijke effecten op volksgezondheid en milieu’

      Post, PM; Hogerwerf, L; Lebret, E (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-04-08)
      Het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) schreef in 2018 een visie over hoe de landbouw in de toekomst duurzaam kan worden. Het doel is om een ‘gesloten voedselkringloop’ te maken waardoor veeteelt het milieu minder belast. Bijvoorbeeld door ander voer te gebruiken, en mest op het eigen bedrijf te gebruiken als grondstof voor veevoer. Een overgang naar een kringlooplandbouw brengt mogelijk ook ongewenste effecten mee, bijvoorbeeld voor de volksgezondheid. Het RIVM heeft daarom experts met verschillende achtergronden gevraagd welke effecten zij zowel op het milieu als op de gezondheid verwachten. Deze verkenning geeft een eerste indruk van verwachte effecten en dilemma’s bij een overgang naar duurzame veehouderijen. Ze kan daarmee een aanzet geven tot een brede maatschappelijke dialoog over oplossingen. De experts vergeleken onder andere vier voorbeelden van veehouderijen die kringlooplandbouw nastreven met gangbare bedrijven. Deze bedrijven hielden bijvoorbeeld andere koeienrassen of vleeskuikenrassen, gebruikten ander voer of hadden andere stallen. Het aantal dieren bleef ongeveer hetzelfde. Wat deze bedrijven anders doen heeft volgens experts een beperkt positief effect op het milieu en de volksgezondheid. Daarmee lijken de onderzochte veranderingen onvoldoende te helpen om doelen voor bijvoorbeeld klimaat, stikstof of fijnstof te halen. Ook hebben de veranderingen soms nadelen. Wanneer bijvoorbeeld mest wordt hergebruikt, kunnen stoffen uit mest en ziekteverwekkers zich opstapelen in het milieu, in dieren en in dierlijk voedsel.
    • Microbiota-associated risk factors for asymptomatic gut colonisation with multi-drug-resistant organisms in a Dutch nursing home.

      Ducarmon, Quinten R; Terveer, Elisabeth M; Nooij, Sam; Bloem, Michelle N; Vendrik, Karuna E W; Caljouw, Monique A A; Sanders, Ingrid M J G; van Dorp, Sofie M; Wong, Man C; Zwittink, Romy D; et al. (2021-04-07)
    • Het peilen van veiligheidsbeleving en informatiebehoeften van omwonenden rond chemieclusters. Belevingsonderzoek Chemelot

      Neuvel, JMM; Zonneveld, M; Claassen, L; Versluis, S; Dijkstra, WA; Vegt, KR; Boomsma, C; Elberse, JE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-04-06)
      In Limburg ligt een grote groep chemiebedrijven bij elkaar, Chemelot. Het RIVM heeft onderzocht hoe veilig mensen die in de buurt wonen, zich voelen. Dat gevoel verschilt: mensen die dichter bij Chemelot wonen, voelen zich vaker onveilig dan mensen die verder weg wonen. Ook ervaren zij meer hinder en hebben ze meer behoefte aan informatie. Omwonenden kunnen zich onveilig voelen als de situatie anders is dan ‘normaal’. Bijvoorbeeld bij een vreemd geluid, een bruine rookpluim, of als er gevaarlijke stoffen vrijkomen. Dit gevoel van onveiligheid trekt meestal weg als de situatie weer normaal is. Het gevoel van veiligheid hangt samen met het vertrouwen dat mensen in de overheid en Chemelot hebben: hoe groter het vertrouwen, hoe veiliger mensen zich voelen. Iets meer dan de helft van de omwonenden heeft vertrouwen in de veiligheidsmaatregelen die worden genomen. Minder dan de helft van de omwonenden vertrouwt erop dat Chemelot en overheden tijdig, eerlijk en open communiceren over de veiligheid in de omgeving. Bewoners, vooral de mensen die dicht bij Chemelot wonen, willen graag informatie over wat ze kunnen doen bij een ongeval of hoe ze worden gewaarschuwd. Ze willen dat ook over normale activiteiten die te merken zijn in de omgeving, zoals onderhoud. Toch gaan mensen vaak niet actief op zoek naar deze informatie. De mensen die dat wel doen, begrijpen de informatie niet altijd en vinden vaak niet wat ze zoeken. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM. Het RIVM heeft een werkwijze ontwikkeld om te peilen hoe mensen die in de buurt van chemiebedrijven wonen, de veiligheid beleven. Hiervoor is een vragenlijst gemaakt en is met (groepen) omwonenden gesproken. De werkwijze geeft een goed beeld van de veiligheidsbeleving en kan daarom als basis voor peilingen rond andere chemiebedrijven worden gebruikt. Aanvullende vragen zijn nodig om aan te sluiten bij de lokale thema’s en behoeften.
    • Inventarisatie aanvullende maatregelen Nationaal Preventieakkoord. Mogelijke vervolgstappen richting de ambities voor 2040

      van Giessen, A; Douma, E; Kuijpers, T; Nawijn, E; van Gestel, I; Pees, S; Koopman, N; de Pon, E; Boer, J (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-04-06)
      In 2018 is het Nationaal Preventieakkoord gesloten, met daarin afspraken om roken, problematisch alcoholgebruik en overgewicht terug te dringen. Het RIVM schatte toen in dat de afspraken niet genoeg zijn om in 2040 de ambities voor problematisch alcoholgebruik en overgewicht te halen. Op verzoek van het ministerie van VWS heeft het RIVM onderzocht welke extra maatregelen ingezet kunnen worden om problematisch alcoholgebruik en overgewicht verder te verminderen. Het heeft hiervoor literatuuronderzoek gedaan en geïnventariseerd welke maatregelen volgens experts impact hebben. Op basis daarvan is voor zowel problematisch alcoholgebruik als overgewicht een top 10 van maatregelen gemaakt. Om ervoor te zorgen dat minder mensen overgewicht hebben staan in de top 10 onder andere maatregelen om ongezonde producten duurder te maken en gezonde producten goedkoper. Voorbeelden zijn belasting heffen op dranken waar suiker in zit en de BTW op producten uit de Schijf van Vijf afschaffen. De experts stellen ook voor om met werkgevers strengere afspraken te maken over gezond eten op de werkvloer. Verder adviseren ze om op minder plaatsen fastfood te verkopen. Ook voor problematisch alcoholgebruik staan er een aantal prijsmaatregelen in de top 10. Zo raden de experts aan om de accijns te verhogen, een minimumeenheidsprijs voor alcohol in te voeren en om kortingsacties te verbieden. Daarnaast adviseren ze om geen reclame te maken voor alcohol op plaatsen waar veel jongeren komen, zoals op sportverenigingen. Een ander advies is alcohol alleen nog bij slijters te verkopen. Meer voorlichting over de schadelijke effecten van alcohol wordt ook aangeraden. Er is in dit onderzoek niet gekeken naar de haalbaarheid van de maatregelen. Bijvoorbeeld of er genoeg geld of draagvlak is. Daarnaast is een doorrekening van de maatregelen nodig om te bepalen in hoeverre de ambities uit het NPA hiermee binnen bereik komen.
    • CPE en colistine resistentie

      Dierikx, C; Gijsbers, E; van Duijkeren, E; Hengeveld, P; Meijs, A (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-04-06)
      Tegen bepaalde type bacteriën werken antibiotica niet meer. Ze zijn daar resistent tegen geworden. Voorbeelden zijn colistine-resistente bacteriën. Deze bacteriën kunnen in de ontlasting van mensen, vee, en huisdieren zitten en in vlees. Het RIVM heeft voor het eerst onderzocht hoe vaak deze resistente bacteriën voorkomen bij de Nederlandse bevolking. Van 661 mensen is de ontlasting onderzocht. Colistineresistente bacteriën kwamen bij 36 mensen voor. De gegevens zijn als controle gebruikt voor de AREND-studie. Daarin is onder andere onderzocht of colistine-resistente bacteriën even vaak bij dierenartsen en hun assistenten voorkomen dan bij de bevolking. Dat blijkt het geval te zijn. Antibioticaresistente bacteriën kunnen in de darmen zitten van gezonde personen of dieren zonder dat zij daar last van hebben. Maar ze kunnen ook infecties veroorzaken. Infecties door deze bacteriën zijn moeilijker te behandelen met antibiotica. De bacteriën worden onder andere via de ontlasting of via besmet voedsel verspreid. Een goede hygiëne is dan ook belangrijk om besmetting te voorkomen.
    • Face-touching behavior as a possible correlate of mask-wearing: A video observational study of public place incidents during the COVID-19 pandemic.

      Liebst, Lasse S; Ejbye-Ernst, Peter; de Bruin, Marijn; Thomas, Josephine; Lindegaard, Marie R (2021-04-05)
    • Options for imaging cellular therapeutics in vivo: a multi-stakeholder perspective.

      Helfer, Brooke M; Ponomarev, Vladimir; Patrick, P Stephen; Blower, Philip J; Feitel, Alexandra; Fruhwirth, Gilbert O; Jackman, Shawna; Pereira Mouriès, Lucilia; Park, Margriet V D Z; Srinivas, Mangala; et al. (2021-04-05)
    • Integrative transnational analysis to dissect tuberculosis transmission events along the migratory route from Africa to Europe.

      Martínez-Lirola, Miguel; Jajou, Rana; Mathys, Vanessa; Martin, Anandi; Cabibbe, Andrea Maurizio; Valera, Ana; Sola-Campoy, Pedro J; Abascal, Estefanía; Rodríguez-Maus, Sandra; Garrido-Cárdenas, Jose Antonio; et al. (2021-04-05)
    • Inflammatory response in human alveolar epithelial cells after TiO NPs or ZnO NPs exposure: Inhibition of surfactant protein A expression as an indicator for loss of lung function.

      Jiménez-Chávez, A; Solorio-Rodríguez, A; Escamilla-Rivera, V; Leseman, D; Morales-Rubio, R; Uribe-Ramírez, M; Campos-Villegas, L; Medina-Ramírez, I E; Arreola-Mendoza, L; Cassee, F R; et al. (2021-04-03)
      The increasing use of metal oxide nanoparticles (MONPs) as TiO2 NPs or ZnO NPs has led to environmental release and human exposure. The respiratory system, effects on lamellar bodies and surfactant protein A (SP-A) of pneumocytes, can be importantly affected. Exposure of human alveolar epithelial cells (A549) induced differential responses; a higher persistence of TiO2 in cell surface and uptake (measured by Atomic Force Microscopy) and sustained inflammatory response (by means of TNF-α, IL-10, and IL-6 release) and ROS generation were observed, whereas ZnO showed a modest response and low numbers in cell surface. A reduction in SP-A levels at 24 h of exposure to TiO2 NPs (concentration-dependent) or ZnO NPs (the higher concentration) was also observed, reversed by blocking the inflammatory response (by the inhibition of IL-6). Loss of SP-A represents a relevant target of MONPs-induced inflammatory response that could contribute to cellular damage and loss of lung function.
    • Variability of in vivo potency tests of Diphtheria, Tetanus and acellular Pertussis (DTaP) vaccines.

      Stalpers, Coen A L; Retmana, Irene A; Pennings, Jeroen L A; Vandebriel, Rob J; Hendriksen, Coenraad F M; Akkermans, Arnoud M; Hoefnagel, Marcel H N (2021-04-03)
    • Stikstofeffecten van criteria ten behoeve van de Landelijke Beëindigingsregeling Veehouderijlocaties

      Bleeker, A; Wilmot, MJ; Bijsterbosch, J (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-04-02)
      Een van de regelingen die moeten bijdragen aan een structurele oplossing van de stikstofproblematiek is de Landelijke Beëindigingsregeling Veehouderijlocaties (Lbv). Het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) wil hiermee de uitstoot van stikstof door landbouwbedrijven verminderen, en daarmee de neerslag van stikstof op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Landbouwbedrijven (melkvee-, varkens- en pluimveehouders) kunnen zich vrijwillig aanmelden om met subsidie hun bedrijf te beëindigen. LNV werkt nog uit welke bedrijven voor de regeling in aanmerking komen. Het is hierbij van belang in welke volgorde de aanmeldingen worden geselecteerd. Hiervoor wil het ministerie weten wat het effect van verschillende opties om bedrijven te selecteren is op de uitstoot en neerslag van stikstof in Nederland. Het RIVM heeft het effect van vier opties uitgerekend. Ook is gekeken wat de kosten per gereduceerde hoeveelheid neerslag voor de verschillende opties zijn. LNV wil bovendien een ‘drempelwaarde’ instellen voor de grootte en het type landbouwbedrijf dat zich kan aanmelden. Hiervoor heeft het RIVM enkele drempelwaarden doorgerekend. De eerste optie kijkt naar de totale uitstoot van stikstof van een bedrijf. Het idee is dat de totale uitstoot in Nederland kan afnemen door bedrijven die veel stikstof uitstoten te sluiten. Bij de tweede optie wordt niet naar de uitstoot gekeken, maar naar de hoeveelheid stikstof die op de bodem neerslaat. De derde optie kijkt naast de uitstoot en neerslag naar het effect van een lagere neerslag op het aantal overschrijdingen van de zogeheten kritische depositiewaarde (KDW) in een natuurgebied. Deze waarden geven aan hoeveel stikstof er maximaal in een natuurgebied mag neerslaan zonder de natuur te schaden. Ten slotte is gekeken op welke plekken in Nederland er grote behoefte is aan bouwprojecten die stikstof uitstoten, zoals de aanleg van woningen en wegen. Vanuit die gedachte wordt gekeken in hoeverre de beëindiging van bedrijven dat mogelijk kan maken. De resultaten van de opties zijn niet alleen in absolute zin met elkaar vergeleken, maar ook ruimtelijk. Voor de tweede optie wordt in alle opzichten de grootste reductie in de neerslag van stikstof bereikt, en dan met name regionaal. Dit hoeven echter niet de regio’s te zijn waarbij met die reductie de overbelasting van de KDW in belangrijke mate wordt teruggebracht. Daar zit dan ook met name het verschil met de derde optie. Daar wordt namelijk een beperktere extra depositiereductie gerealiseerd, maar dat wel in Natura2000-gebieden waarin de overbelaste situatie sneller oplosbaar is. Voor de vierde optie is er landelijk weliswaar een lagere reductie dan bij de tweede optie, maar wordt de depositiereductie dan wel gerealiseerd op locaties waar behoefte is aan stikstofruimte ten behoeve van economische ontwikkeling.
    • High infection secondary attack rates of SARS-CoV-2 in Dutch households revealed by dense sampling.

      Reukers, Daphne F M; van Boven, Michiel; Meijer, Adam; Rots, Nynke; Reusken, Chantal; Roof, Inge; van Gageldonk-Lafeber, Arianne B; van der Hoek, Wim; van den Hof, Susan (2021-04-02)
    • Quantitative Microbial Risk Assessment for Airborne Transmission of SARS-CoV-2 via Breathing, Speaking, Singing, Coughing, and Sneezing.

      Schijven, Jack; Vermeulen, Lucie C; Swart, Arno; Meijer, Adam; Duizer, Erwin; de Roda Husman, Ana Maria (2021-04-01)
      A risk assessment model, AirCoV2, for exposure to SARS-CoV-2 particles in aerosol droplets was developed. Previously published data on droplets expelled by breathing, speaking, singing, coughing, and sneezing by an infected person were used as inputs. Scenarios encompassed virus concentration, exposure time, and ventilation. Newly collected data of virus RNA copies in mucus from patients are presented.
    • What influences the outcome of active disinvestment processes in healthcare? A qualitative interview study on five recent cases of active disinvestment.

      Rotteveel, Adriënne H; Lambooij, Mattijs S; van de Rijt, Joline J A; van Exel, Job; Moons, Karel G M; de Wit, G Ardine (2021-04-01)
    • Cijfermatige onderbouwing RIVM Langetermijn Verkenning Stikstofproblematiek

      Bleeker, A (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-03-29)
      Te veel stikstof op de bodem is schadelijk voor de kwaliteit en variatie van de planten en dieren in de Natura 2000-gebieden in Nederland. Zogeheten kritische depositiewaarden (KDW) geven aan hoeveel stikstof in een gebied maximaal op de bodem mag terechtkomen. In veel gebieden worden de kritische depositiewaarden nog overschreden. De belangrijkste bronnen die stikstof uitstoten zijn landbouw, industrie en verkeer. De Nederlandse overheid zoekt naar oplossingen om de overschrijdingen zo veel mogelijk te verminderen. Daarom is het RIVM gevraagd om via berekeningen te onderzoeken of daarvoor een ideale ‘mix’ van maatregelen bestaat. Het gaat dan om een mix van lokale, nationale of zelfs internationale maatregelen om de stikstofuitstoot te beperken. Uit dit onderzoek blijkt dat het per regio verschilt hoe deze mix er precies uit moet zien. Hier is dus niet één antwoord op te geven. Eerst moet duidelijk worden welke bronnen een Natura 2000-gebied het meest belasten, hoeveel er uit het buitenland komt, en welke bronnen lokaal bijdragen aan de uitstoot. De resultaten van de berekeningen van het RIVM kunnen helpen om daar meer inzicht in te krijgen. De berekeningen maken in ieder geval duidelijk dat de uitstoot in Nederland flink lager moet worden om de kritische depositiewaarden in natuurgebieden zo min mogelijk te overschrijden. De maatregelen die Nederland hierbij zelf kan nemen, zijn voor sommige gebieden niet genoeg. Dat is vooral zo langs de grens met België en Duitsland. Het RIVM heeft de berekeningen gemaakt voor de ‘Lange Termijn Verkenning Stikstof (LTVS)’. Deze verkenning wordt uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV).
    • Implications of the school-household network structure on SARS-CoV-2 transmission under school reopening strategies in England.

      Munday, James D; Sherratt, Katharine; Meakin, Sophie; Endo, Akira; Pearson, Carl A B; Hellewell, Joel; Abbott, Sam; Bosse, Nikos I; Atkins, Katherine E; Wallinga, Jacco; et al. (2021-03-29)
    • Changes in Invasive Pneumococcal Disease Caused by Serotype 1 Following Introduction of PCV10 and PCV13: Findings from the PSERENADE Project.

      Bennett, Julia C; Hetrich, Marissa K; Quesada, Maria Garcia; Sinkevitch, Jenna N; Knoll, Maria Deloria; Feikin, Daniel R; Zeger, Scott L; Kagucia, Eunice W; Cohen, Adam L; Ampofo, Krow; et al. (2021-03-27)
      Streptococcus pneumoniae serotype 1 (ST1) was an important cause of invasive pneumococcal disease (IPD) globally before the introduction of pneumococcal conjugate vaccines (PCVs) containing ST1 antigen. The Pneumococcal Serotype Replacement and Distribution Estimation (PSERENADE) project gathered ST1 IPD surveillance data from sites globally and aimed to estimate PCV10/13 impact on ST1 IPD incidence. We estimated ST1 IPD incidence rate ratios (IRRs) comparing the pre-PCV10/13 period to each post-PCV10/13 year by site using a Bayesian multi-level, mixed-effects Poisson regression and all-site IRRs using a linear mixed-effects regression (N = 45 sites). Following PCV10/13 introduction, the incidence rate (IR) of ST1 IPD declined among all ages. After six years of PCV10/13 use, the all-site IRR was 0.05 (95% credibility interval 0.04-0.06) for all ages, 0.05 (0.04-0.05) for <5 years of age, 0.08 (0.06-0.09) for 5-17 years, 0.06 (0.05-0.08) for 18-49 years, 0.06 (0.05-0.07) for 50-64 years, and 0.05 (0.04-0.06) for ≥65 years. PCV10/13 use in infant immunization programs was followed by a 95% reduction in ST1 IPD in all ages after approximately 6 years. Limited data availability from the highest ST1 disease burden countries using a 3+0 schedule constrains generalizability and data from these settings are needed.