Now showing items 1-20 of 11437

    • Inductively coupled plasma-mass spectrometry in biodistribution studies of (engineered) nanoparticles

      Krystek, P; Cirtiu, CM; Braakhuis, H; Park, M; de Jong, W (2919-04-18)
    • Interim 2017/18 influenza seasonal vaccine effectiveness: combined results from five European studies

      Rondy, M; Kissling, E; Emborg, HD; Gherasim, A; Meijer, A; van den Brink, S; van der Hoek, W; Goderski, G; Wijsman, L; Bagheri, M; et al. (2019-12-12)
    • Interaction of zero valent copper nanoparticles with algal cells under simulated natural conditions: Particle dissolution kinetics, uptake and heteroaggregation.

      Arenas-Lago, Daniel; Monikh, Fazel Abdolahpur; Vijver, Martina G; Peijnenburg, Willie J G M (2019-11-01)
      Some metal-based engineered nanoparticles (ENPs) undergo fast dissolution and/or aggregation when they are released in the environment. The underlying processes are controlled by psychochemical/biological parameters of the environment and the properties of the particles. In this study, we investigated the interaction between algal cells and zero valent copper nanoparticles (Cu0-ENPs) to elucidate how the cells influence the dissolution and aggregation kinetics of the particles and how these kinetics influence the cellular uptake of Cu. Our finding showed that the concentration of dissolved Cu ([Cu]dissolved) in the supernatant of the culture media without algal cells was higher than the [Cu]dissolved in the media with algal cells. In the absence of the cells, dissolved organic matter (DOC) increased the dissolution of the particle due to increasing the stability of the particles against aggregation, thus increasing the available surface area. In the presence of algae, Cu0-ENPs heteroaggregated with the cells. Thus, the available surface area decreased over time and this resulted in a low dissolution rate of the particles. The DOC corona on the surface of the particles increased the heteroaggregation of the particles with the cells and decreases the uptake of the particles. Our findings showed that microorganisms influence the fate of ENPs in the environment, and they do so by modifying the dissolution and aggregation kinetics of the Cu0-ENPs.
    • Geluidmonitor 2018 : Meting en validatie van geluidproductie door rijkswegen en spoorwegen

      Welkers, D; Bergmans, D; Joosten, E; den Hollander, H (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-10-15)
      Gemeten en berekende geluidniveaus over 2017 zijn met elkaar vergeleken. De gemeten geluidniveaus langs rijkswegen lagen gemiddeld 2 decibel hoger dan de berekende waarden. Langs het spoor waren de gemeten en berekende geluidniveaus gemiddeld hetzelfde. Dit beeld komt overeen met de resultaten van de jaren 2013-2016. Zowel bij rijks- als spoorwegen varieert op sommige trajecten de mate waarin de berekende en gemeten geluidniveaus verschillen. Eind 2019 presenteert het RIVM een rapport waarbij de achtergrond van de bevindingen uit de Geluidmonitor 2018 is onderzocht. De weg- en spoorbeheerder, Rijkswaterstaat en ProRail, berekenen elk jaar hoeveel geluid het verkeer op de weg en het spoor maakt. Het RIVM toetst elk jaar met metingen de resultaten van de berekeningen. Zowel deze validatie als de berekeningen zijn een verplichting vanwege de Wet milieubeheer. Deze monitor bevat de door het RIVM gemeten geluidniveaus in 2018. De weg- en spoorbeheerder maken de berekeningen over 2018 in de tweede helft van 2019 openbaar. Deze berekeningen worden in de Geluidmonitor 2019 vergeleken met de gemeten geluidniveaus in 2018. Deze monitor verschijnt in 2020.
    • Standaardtijd, zomertijd en gezondheid : Literatuuronderzoek naar gezondheidseffecten van verschillende tijdinstellingen

      Zantinge, EM; van Kerkhof, LWM; de Bruijn, ACP; Oostlander, AE; Dollé, MET (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-10-15)
      Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM Samenvatting De Europese Commissie heeft in 2018 voorgesteld dat alle lidstaten een vaste tijdinstelling kiezen voor het hele jaar, en dus niet meer wisselen tussen standaardtijd (wintertijd) en zomertijd. Het RIVM heeft een internationaal literatuuronderzoek uitgevoerd naar de effecten op de gezondheid van deze twee tijdinstellingen, inclusief de effecten van de wisselingen. Het blijkt beter te zijn voor de volksgezondheid wanneer Nederland het hele jaar door de standaardtijd zou aanhouden. In Nederland wisselen we nu twee keer per jaar tussen de standaardtijd en zomertijd. Direct na de wisselingen slapen mensen slechter; vooral direct na de wisseling naar de zomertijd slapen mensen korter. Ook zijn er gezondheidseffecten te zien na de wisselingen. Zo komen er meer hartinfarcten voor direct na de wisseling naar de zomertijd. Zulke directe effecten treden niet meer op bij een vaste tijdinstelling voor het hele jaar. Vooral zonlicht heeft invloed op het bioritme van de mens - het moment waarop we 's ochtends wakker worden en 's avonds slaperig. Het is voor de volksgezondheid dan ook het beste om een tijd in te stellen die aansluit op het natuurlijke dag- en nachtritme op aarde. Dat betekent een instelling waarbij de zon vroeg opkomt, wat het geval is bij de standaardtijd. Wanneer we het hele jaar door zomertijd instellen, is dat voor de gezondheid minder gunstig dan het hele jaar door standaardtijd. Dit blijkt uit studies naar slaap- en gezondheidsaspecten, zoals slaapduur en -kwaliteit, overgewicht, het aantal mensen met kanker, en de levensverwachting in het algemeen. Voor de volksgezondheid zou het zelfs nog beter zijn als Nederland de tijd rond de nulmeridiaan in Greenwich (Engeland) het hele jaar door instelt; dat is 1 uur vroeger dan onze standaardtijd. De huidige standaardtijd voor Nederland is sinds de Tweede Wereldoorlog wettelijk ingesteld, hoewel het geografisch gezien in de zone van de nulmeridiaan ligt. Dit literatuuronderzoek is in opdracht van het ministerie van VWS uitgevoerd. De studies waarop deze conclusies zijn gebaseerd, gaan over andere landen dan Nederland.
    • Toepassing van antibiotica en alternatieven; Kansen en belemmeringen

      Leonardo Alves, TM; de Vries, CGJCA; David, S; Weda, M (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-10-10)
      Om te voorkomen dat bacteriën ongevoelig worden voor antibiotica, is het belangrijk dat zorgprofessionals ze alleen voorschrijven als ze echt nodig zijn. En het liefst alleen voor de bacterie die de infectie veroorzaakt. Maar het gewenste antibioticum is niet altijd op voorraad. Patiënten krijgen dan een ander antibioticum, dat soms tegen meer soorten bacteriën werkt dan nodig is. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM. Onderzocht is of er belemmeringen zijn voor goed gebruik van antibiotica in de eerstelijnszorg; zorg waar mensen zelf zonder verwijzing naartoe kunnen gaan. Om te bepalen of een antibioticum zin heeft, is het belangrijk om te testen of een infectie wordt veroorzaakt door een bacterie of virus. Bij een virusinfectie werken antibiotica niet. Uit gesprekken met zorgprofessionals blijkt dat de kosten van een test geen reden zijn om van de test af te zien. Als een patiënt ernstig ziek is, kan niet altijd op de uitslag van een test worden gewacht en wordt gelijk een antibioticum voorgeschreven. Sommige antibiotica worden niet volledig vergoed; de patiënt moet dan zelf een bedrag bijbetalen. Dit kan oplopen tot enkele tientallen euro's. Toch zien de geïnterviewde experts niet dat dit een belemmering is voor patiënten. Het gemak van een éénmaal daagse, korte kuur weegt vaak zwaarder dan de bijbetaling. In de wetenschappelijke literatuur zijn enkele alternatieve middelen beschreven die niet geregistreerd zijn als medicijn, maar wel worden gebruikt tegen infecties. Zoals Cranberry-capsules om urineweginfecties te voorkomen. Er zijn nog weinig goede wetenschappelijke studies uitgevoerd om te kijken of deze middelen echt goed werken. Er zijn ook kansen om het ontstaan van ongevoeligheid voor antibiotica verder tegen te gaan, zoals het ontwikkelen van nieuwe diagnostische tests, het slimmer inzetten van bestaande antibiotica en de ontwikkeling van geneesmiddelen met een ander type werking dan antibiotica. Daarnaast is het belangrijk dat zorgprofessionals kritisch blijven kijken naar het voorschrijven van antibiotica.
    • Twelve years of pneumococcal conjugate vaccination in the Netherlands: Impact on incidence and clinical outcomes of invasive pneumococcal disease.

      Vestjens, Stefan M T; Sanders, Elisabeth A M; Vlaminckx, Bart J; de Melker, Hester E; van der Ende, Arie; Knol, Mirjam J (2019-10-08)
    • The extent of carbapenemase encoding genes in public genome sequences

      I Janse; A Swart; M Visser; R Beeloo; L Schouls; E van Duijkeren; MWJ van Passel (2019-10-03)
    • Epidemiologische data van Ziekten van het botspierstelsel en bindweefsel: Achtergrondrapport voor Programma Zinnige Zorg

      Eysink, PED; Poos, MJJC; Gijsen, R; Kommer, GJ; van Gool, CH (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2019-10-03)
      Many people in the Netherlands suffer from disorders of the bones, joints and muscles. The causes of these musculoskeletal disorders are diverse and they are often unknown. However, those who suffer from these disorders may have problems at work and in their daily lives. At request of Zorginstituut Nederland, RIVM has compiled an overview of the incidence of ten musculoskeletal disorders in the Netherlands. In addition, RIVM has described how frequently people with these disorders use care services and what the cost of this care is - both now (2017) and in the future (2030). Zorginstituut Nederland specified which ten disorders were included. Due to the ageing of the population, the number of people with diseases associated with old age, such as osteoarthritis and gout, will increase between 2017 and 2030. In 2017, almost 480,000 people in the Netherlands suffered from gout. This number will increase by 20 percent by 2030 to 580,000. Furthermore, due to our ageing population, more people will make use of care as a result of musculoskeletal disorders. The number of people who visited a medical specialist and a hospital due to rheumatoid arthritis in 2017 was almost 90,000 greater than any other musculoskeletal disorder. Due to demographic changes, this number will increase further to 102,000 people (13.9 percent increase). The use of care for other disorders is rising much less quickly. For example, the number of visitors to hospitals and medical specialists for a common shoulder disorder (shoulder syndrome) will increase by 4.1 percent from 83,800 in 2017 to 87,300 in 2030. This modest increase is because shoulder syndrome mainly affects middle-aged people rather than the elderly. The total population of middle-aged people will remain about the same in the coming years. Our ageing population means that the costs of caring for musculoskeletal disorders will increase. For example, the cost of hospital care and medical specialists for gout will increase by 24.2 percent, from 14.2 million in 2017 to 17.6 million in 2030. This overview is a background report for the 'Zinnige Zorg' Programme of Zorginsituut Nederland. The programme systematically examines whether the basic health insurance package contains unnecessary or ineffective forms of care. In this way, Zorginstituut Nederland is promoting accessible and affordable healthcare.
    • Continuous flow electrosorption-microbial fuel cell system for efficient removal of oxytetracycline without external electrical supply.

      Zhao, Wenjun; Qu, Jiao; Zhou, Yangjian; Zhao, Jianchen; Feng, Yong; Guo, Cuicui; Lu, Ying; Zhao, Yahui; Peijnenburg, Willie J G M; Zhang, Ya-Nan (2019-10-01)
    • HPV16 whole genome minority variants in persistent infections from young Dutch women.

      Lagström, Sonja; van der Weele, Pascal; Rounge, Trine Ballestad; Christiansen, Irene Kraus; King, Audrey J; Ambur, Ole Herman (2019-10-01)
    • A Novel Approach to Optimize Vitamin D Intake in Belgium through Fortification Based on Representative Food Consumption Data.

      Moyersoen, Isabelle; Devleesschauwer, Brecht; Dekkers, Arnold; Verkaik-Kloosterman, Janneke; de Ridder, Karin; Vandevijvere, Stefanie; Tafforeau, Jean; Van Oyen, Herman; Lachat, Carl; van Camp, John (2019-10-01)
    • Marktontwikkeling en leveringszekerheid voor medische radionucliden : Aanvulling op RIVM rapport 2019-0101

      Roobol, LP; de Waard, IR (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-09-30)
      Het RIVM heeft aanvullend onderzoek gedaan naar de leveringszekerheid van diagnostische en therapeutische radionucliden voor Nederland en naar de effecten van het niet bouwen van de Pallas reactor, de beoogde opvolger van de HFR. Radioactieve stoffen kunnen worden gebruikt om een diagnose te stellen. Ook kunnen ze verschillende soorten kanker behandelen of pijn bestrijden bij terminale patiënten, zogenoemde therapeutische radionucliden. De meeste medische radionucliden worden in Europa gemaakt in zes kernreactoren, waarvan er één in Nederland staat (de HFR). Op één reactor na zijn deze installaties op gevorderde leeftijd en zullen ze vroeg of laat moeten sluiten. De markt is op dit moment fragiel: als één grote reactor of één van de gespecialiseerde laboratoria onverwacht uitvalt, kunnen op wereldschaal leveringsproblemen ontstaan. Bij een onverwachte uitval kunnen de overige reactoren de vraag lang niet altijd opvangen, wat de leveringszekerheid voor de wereld (en dus ook voor Nederland) vrij onzeker maakt. Dat geldt zowel voor diagnostische als therapeutische radionucliden. De vraag naar molybdeen-99/technetium-99m in de wereld zal op de lange termijn stijgen. Geschatte percentages variëren van 5% tot 8% jaarlijkse stijging van de vraag in de opkomende economieën. De groei in de omzet van de therapeutische isotopen zal veel hoger zijn. Bij een vraaggroei voor lutetium-177 van 7% per jaar bijvoorbeeld zijn er al binnen vijf jaar tekorten te verwachten. Om de productieketen van medische radionucliden toekomstbestendig te maken, is een overgang nodig naar een prijsstelling nodig die alle kosten in de keten dekt. In het afgelopen jaar is er meer duidelijkheid gekomen over de aanbodkant van de productie van medische radionucliden. Er zijn initiatieven gaande in Duitsland, Frankrijk en België om de bestaande productiecapaciteit voor medische radionucliden te vergroten en nieuwe capaciteit te bouwen. Zelfs wanneer al deze initiatieven slagen, zullen zij echter niet de productiecapaciteit kunnen vervangen van de reactoren in België (BR2) en Nederland (HFR) die op termijn gaan sluiten. De Europese Commissie heeft onlangs de voorzieningszekerheid van medische radio-isotopen laten onderzoeken. Die studie concludeert dat het, ondanks de genoemde initiatieven, nodig is in de EU nóg een reactor te bouwen om de EU zelfvoorzienend te laten blijven en tekorten op wereldschaal te voorkomen. De studie wijst Pallas hiervoor aan als de gerede kandidaat om de benodigde productiecapaciteit in de komende decennia te garanderen. Nederland is in de unieke positie dat een groot deel van de leveringsketen binnen eigen land aanwezig is: van onderzoek en ontwikkeling, via productie van radionucliden tot de verwerking daarvan tot radiofarmaceutische producten. Hierdoor heeft Nederland ook een goede positie om het land te blijven waar nieuwe radiofarmaceutische producten ontwikkeld worden. De nabijheid van academische ziekenhuizen, een reactor, gespecialiseerde laboratoria dragen daaraan bij. Mocht de HFR sluiten zonder dat de Pallas-reactor wordt gerealiseerd, dan verliest Nederland haar positie binnen die leveringsketen. De kans is dan groot dat de radiofarmacie haar werk van Petten naar het buitenland zal verplaatsen. Daarnaast zal dit grote en negatieve gevolgen hebben voor de (lokale) werkgelegenheid in de nucleaire sector: een derde van de mensen die in Nederland in de nucleaire sector werken en ongeveer 1000 bij toeleveranciers zullen hun baan verliezen. De nucleaire kennisinfrastructuur zal hieronder lijden. Ook vervallen dan de diensten die vanuit Petten worden geleverd aan de nucleaire industrie, andere industrietakken en overheden. Aanvulling In Amerika wordt gebouwd aan het SHINE-project. Deze installatie is een gevorderd nieuwbouwproject voor het maken van onder meer molybdeen-99. SHINE heeft besloten om ook een vestiging in Europa te openen. Waar deze vestiging zal komen staat nog niet vast, dat zou in Nederland kunnen zijn. De Europese fabriek wordt een kopie van de Amerikaanse. SHINE geeft zelf aan dat deze tweede fabriek in Europa in 2025 al grote hoeveelheden molybdeen-99 op de markt zal kunnen brengen. Dit is mogelijk wat optimistisch. Naast molybdeen-99 beoogt het SHINE-concept ook het radionuclide jodium-131 te leveren, dat is een therapeutisch radionuclide voor de behandeling van schildklierkanker. SHINE geeft zelf aan binnenkort lutetium(-177)chloride te kunnen leveren, waarbij het lutetium in reactoren wordt bestraald. Op de langere duur verwacht SHINE deze bestraling ook met hun eigen apparatuur te kunnen doen. We verwachten niet dat met het SHINE-concept binnen tientallen jaren mogelijk zal zijn het hele palet aan reactor-geproduceerde medische radionucliden te maken. Het SHINE-concept is daarmee geen complete vervanging van een reactor die medische radionucliden maakt.
    • Chemische samenstelling van vijftig stookoliemonsters 2017-2018

      Broekman, MH (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-09-30)
      In 2017 en 2018 zijn in opdracht van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) brandstofmonsters van 50 zeeschepen in de Rotterdamse haven onderzocht. Het ging om schepen die van buiten Europa kwamen. De ILT wil duidelijkheid over de chemische samenstelling van stookolie om te kunnen beoordelen of de uitstoot van zeeschepen een risico vormt voor het milieu. Nadat laboratoria de chemische samenstelling hebben bepaald, heeft het RIVM deze meetresultaten geanalyseerd en geïnterpreteerd. De chemische samenstelling van de stookolie laat voor een aantal stoffen een normaal beeld zien. Zo voldoet de concentratie zwavel in alle monsters aan de norm. Wel blijkt de stookolie schadelijke stoffen te bevatten en stoffen die als zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) zijn aangemerkt. In Europa is afgesproken om deze stoffen geleidelijk aan niet meer te gebruiken. De aangetroffen zeer zorgwekkende stoffen zijn onder andere lood(verbindingen), trichlooretheen en cyclododecatrieen en mogen niet in stookolie zitten. De schadelijke polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK's), zoals naftaleen en benzo(a)pyreen, zitten in stookolie omdat ze van nature in ruwe aardolie voorkomen. Deze stoffen zijn echter in zeer hoge gehalten in de stookolie van enkele zeeschepen aangetroffen, waardoor de samenstelling van deze olie anders is dan verwacht. De samenstelling van stookolie kan doorgaans sterk variëren, wat vooral door het productieproces komt. Ruwe aardolie wordt in een raffinaderij verhit en afgekoeld om verschillende soorten aardolieproducten te maken. Aan de restantolie die na dit proces 'overblijft', worden organische vloeistoffen toegevoegd om deze ook als stookolie te kunnen gebruiken. Hoewel dit bijmengen nodig is, is het vaak niet duidelijk welke stoffen hiervoor worden gebruikt en of ze daarvoor zijn toegestaan. De gemeten afwijkingen in de brandstofmonsters kunnen er op duiden dat de olie met ongewenste vloeistoffen is bijgemengd.
    • What is the optimal testing strategy for oropharyngeal Neisseria gonorrhoeae in men who have sex with men? Comparing selective testing versus routine universal testing from Dutch STI clinic data (2008-2017).

      van Liere, Geneviève A F S; Dukers-Muijrers, Nicole H T M; Wessel, Sophie Kuizenga; Götz, Hannelore M; Hoebe, Christian J P A (2019-09-26)
    • Verspreiding van GenX stoffen in het milieu : Metingen in Nederland 2013-2018

      de Kort, MJ; de Jong, CJ; Ng-A-Tham, JEE; Verhoeven, JK; Boon, PE; Verschoor, AJ (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-09-25)
      De GenX-technologie wordt gebruikt om stoffen te maken, fluorpolymeren. Deze stoffen worden onder andere gebruikt om coatings voor antiaanbaklagen te maken. Bij het GenX-proces kunnen stoffen vrijkomen die moeilijk afbreken en makkelijk in water oplossen (FRD-903, FRD-902). Daardoor verspreiden deze stoffen zich snel in het milieu en zijn ze er niet meer makkelijk uit te verwijderen. Via het milieu kunnen de stoffen ook in de voedselketen terechtkomen. Er bestaan zorgen over de mogelijke effecten van GenX-stoffen op mens en milieu. Om de verspreiding van GenX-stoffen zo veel mogelijk te beperken is het belangrijk om te weten waar deze stoffen in Nederland in het milieu zitten. Daarom heeft het RIVM de beschikbare metingen naar GenX-stoffen over de periode 2013-2018 verzameld. Uit de metingen blijkt dat de stoffen voorkomen op de plekken waar de GenX-technologie wordt gebruikt (in Dordrecht). Daarnaast zijn ze gevonden op plekken waar de halffabricaten en afval van het GenX-proces worden verwerkt (in de provincies Noord-Brabant en Zeeland). Een landsdekkend beeld ontbreekt. Mogelijk zijn er nog andere bronnen waardoor GenX-stoffen in het milieu terechtkomen. De gevonden gehalten zijn soms hoger dan de (voorlopige) risicogrenzen voor deze stoffen. Dit geldt zowel voor metingen in oppervlaktewater en grond als in grondwater. Dit betekent niet dat er meteen risico's zijn. Wel kan een overschrijding een reden zijn om er verder onderzoek naar te doen. Metingen van GenX-stoffen beperken zich nu tot die delen van Nederland waar de GenX-stoffen naar verwachting voorkomen. Er lopen initiatieven om stoffen uit de PFAS-groep, waar de GenX-stoffen onder vallen, op verschillende plekken verspreid over Nederland te meten. Hiermee wordt mogelijk duidelijk waar deze stoffen nog meer voorkomen en uit welke (andere) bronnen ze komen. Dit kan helpen om eventuele risico's beter te kunnen beheersen. De effectiefste manier om risico's te beheersen van stoffen die slecht te verwijderen zijn uit het milieu, is de uitstoot bij de bron aan te pakken.
    • QSAR-based estimation of SSD parameters - an exploratory investigation.

      Hoondert, Renske; Oldenkamp, Rik; de Zwart, Dick; van de Meent, Dik; Posthuma, Leo (2019-09-25)
      Ecological risk assessments are hampered by limited availability of ecotoxicity data. The present study aimed to explore the possibility of deriving SSD (species sensitivity distribution) parameters for non-tested compounds, based on simple physicochemical characteristics, known SSDs for data-rich compounds and a QSAR-type approach. The median toxicity of a data-poor chemical for species assemblages significantly varies with values of the physicochemical descriptors, especially when based on high quality SSD data (either from acute EC50 s or chronic NOECs). Beyond exploratory uses, we discussed how the precision of QSAR-based SSDs can be improved to construct models that accurately predict the SSD-parameters of data poor chemicals. The current models show that the concept of QSAR-based SSDs supports screening-level evaluations of the potential ecotoxicity of compounds for which data are lacking. This article is protected by copyright. All rights reserved.
    • Indicatieve waterkwaliteitsnormen voor gewasbeschermings-middelen : Normvoorstellen voor 28 stoffen

      Smit, CE; Keijzers, R (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-09-24)
      Het RIVM doet voorstellen voor zogeheten indicatieve waterkwaliteitsnormen voor een aantal bestrijdingsmiddelen. Waterbeheerders meten de meeste van deze stoffen, maar er bestaan nog geen normen voor. Dit maakt het moeilijk het beleid voor de waterkwaliteit te evalueren en probleemstoffen aan te pakken. De nieuwe indicatieve normen geven waterbeheerders een eerste indruk of zij zich zorgen moeten maken over stoffen die zij in hun gebied vinden. Het RIVM heeft de voorgestelde normen vergeleken met meetgegevens uit 2017. Op basis hiervan zal bijna de helft van de stoffen naar verwachting de norm niet overschrijden. Voor de overige stoffen is dat niet zeker, omdat precieze gegevens ontbreken. Voor acequinocyl, azadirachtine-A, bifenazaat, pyrethrine, pyridalyl en tribenuron-methyl is een betere analysemethode nodig. Dit om de lage concentraties van de stoffen die bij de voorgestelde norm horen, te kunnen meten. Bij de indicatieve normen is rekening gehouden met de mate waarin mensen aan de stoffen worden blootgesteld als zij vis en visproducten eten. Dit is van belang voor stoffen die zich ophopen in vis of schadelijk kunnen zijn voor mensen. Toch bepalen in bijna alle gevallen de directe effecten op waterorganismen de hoogte van de indicatieve norm. Voor het insecticide spirotetramat is de afgeleide waarde onzeker, omdat voor deze stof de goede testen ontbreken. Indicatieve normen zijn gebaseerd op informatie uit een klein aantal databases. De bronnen van deze gegevens worden niet uitgebreid gecontroleerd. Daardoor heeft een indicatieve norm meer onzekerheden dan een gedegen norm, waarbij wel alle informatie wordt bekeken. Bij een overschrijding van een indicatieve norm kan zo'n uitgebreidere normbepaling nauwkeuriger aangeven of er een risico is.