Now showing items 1-20 of 13004

    • Pure neural leprosy-mind the diagnosis.

      Brandsma, W; Post, E; Wagenaar, I; Alam, K; Shetty, V; Husain, S; Prakoeswa, CRS; Shah, M; Tamang, KB (2021-11-23)
    • Op weg naar een Grondstoffen Informatie Systeem (GRIS): data koppelen op waarde geschat. Proof of concept koppelen van datasets over kritieke materialen en materiaalstromen in de circulaire economie

      van Bruggen, AR; de Jongh, LA; Mosterd, R; Rietveld, E; Rijksen, EJT (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-05-04)
      Nederland streeft naar een circulaire economie in 2050. Daarin worden minder grondstoffen gebruikt en worden ze zo veel mogelijk opnieuw gebruikt. Om te weten in hoeverre dit ook echt gebeurt is het RIVM bezig met de ontwikkeling van een Grondstoffen Informatie Systeem (GRIS). Dit systeem verzamelt informatie over grondstoffen, wie ze waarvoor gebruikt in de Nederlandse economie, en hoe groot de voorraden zijn. Het GRIS maakt het mogelijk om informatie over grondstoffen op te slaan en te koppelen. Deze koppeling geeft nieuwe inzichten, bijvoorbeeld in welke sectoren grondstoffen zitten en of ze kunnen worden hergebruikt. Er is nu een pilot uitgevoerd. Doel hiervan is om inzicht te krijgen of het waardevol is om data in een grondstoffensysteem bij elkaar te brengen, en wat belangrijk is voor het ontwerp hiervan. De pilot maakt duidelijk welke informatie nog nodig is voor een grondstoffensysteem en in welke vorm. Met deze informatie kunnen de data van systemen beter op elkaar aansluiten. Voor de pilot zijn twee informatiebronnen aan elkaar gekoppeld om daar ervaring mee op te doen. Het zijn de monitor over materiaalstromen in Nederland en de data van ‘kritieke materialen’. Dit zijn materialen die maar in kleine hoeveelheden beschikbaar zijn, zoals bepaalde metalen, en tegelijkertijd belangrijk zijn om bepaalde producten te maken. Door de koppeling werd duidelijk waar ‘fouten’ in de data van de twee systemen zaten. Het kost veel tijd om die eruit te halen. De pilot maakte ook duidelijk dat voor het GRIS een goede samenwerking nodig is van de organisaties die de informatiebronnen maken. Ook is expertise nodig om de data op waarde te kunnen schatten. De monitor over materiaalstromen in Nederland is van het CBS. De monitor van kritieke materialen is van TNO en het ministerie van Economische Zaken (EZK). Het RIVM is door het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) gevraagd om het systeem te ontwikkelen.
    • Open Science in Regulatory Environmental Risk Assessment.

      Brock, Theo Cm; Elliott, Kevin C; Gladbach, Anja; Moermond, Caroline; Romeis, Jörg; Seiler, Thomas-Benjamin; Solomon, Keith; Peter Dohmen, G (2021-04-29)
    • Beoordeling kosteneffectiviteit van maatregelen om de uitstoot van ZZS naar lucht te beperken

      Verhoeven, JK; Jansen, NMH; de Blaeij, A; de Boer, LM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-04-28)
      Bedrijven in Nederland zijn verplicht de uitstoot van vervuilende stoffen te beperken. Voor Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS) geldt een zogeheten minimalisatieplicht. Dit betekent dat bedrijven de uitstoot van ZZS zo ver mogelijk terug moeten brengen naar nul. Bedrijven nemen daarom maatregelen om uitstoot te voorkomen of deze zo klein mogelijk te houden. De minimalisatieplicht gaat verder dan de maatregelen die al moeten worden genomen om de wettelijke emissiegrenswaarden te bereiken (best beschikbare technieken). Deze maatregelen kosten geld. Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) heeft het RIVM gevraagd een methode te ontwikkelen waarmee de vergunningverlener kan beoordelen of minimalisatiemaatregelen om de uitstoot te verlagen kosteneffectief zijn. Deze ‘kosteneffectiviteit’ kan worden gebruikt bij de afweging van maatregelen. Het RIVM adviseert om als basis de methode te gebruiken die al bestaat om kosteneffectiviteit te bepalen. Daarnaast zijn zogenoemde referentiewaarden nodig. Referentiewaarden geven een niveau aan tot waar maatregelen om ZZS-emissies te minimaliseren kosteneffectief zijn. Het RIVM geeft een advies over de hoogte van referentiewaarden voor ZZS (in euro’s per kilo verminderde uitstoot). Het voorstel is om voor de referentiewaarden een minimale en maximale waarde vast te stellen. Het RIVM geeft marges aan voor zowel deze onder- als bovengrens. IenW kan op basis van dit onderzoek de referentiewaarden voor ZZS-emissies naar lucht bepalen. Het RIVM adviseert om het gebruik van de kosteneffectiviteitsmethode de komende vijf jaar te volgen en te evalueren welk effect deze aanpak in de praktijk heeft. Zo kan onder andere worden nagegaan tegen welke kosten de minimalisatiedoelstelling wordt gerealiseerd.
    • Recently acquired HIV infections and associated factors among men who have sex with men diagnosed at Dutch sexual health centres.

      Slurink, Isabel; van Aar, Fleur; Parkkali, Saara; Heijman, Titia; Götz, Hannelore; Kampman, Karlijn; van Weert, Yolanda; van Benthem, Birgit; van de Laar, Thijs; Op de Coul, Eline (2021-04-28)
    • Prognostic models for predicting the risk of foot ulcer or amputation in people with type 2 diabetes: a systematic review and external validation study.

      Beulens, Joline W J; Yauw, Josan S; Elders, Petra J M; Feenstra, Talitha; Herings, Ron; Slieker, Roderick C; Moons, Karel G M; Nijpels, Giel; van der Heijden, Amber A (2021-04-27)
    • Population-based serology reveals risk factors for RSV infection in children younger than 5 years.

      Andeweg, Stijn P; Schepp, Rutger M; van de Kassteele, Jan; Mollema, Liesbeth; Berbers, Guy A M; van Boven, Michiel (2021-04-26)
    • Het effect van Maatschappelijk Verantwoord Inkopen door de Nederlandse overheid in 2017-2018

      Dekker, E; Hollander, A; de Valk, E; van Bruggen, A; Zijp, M (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-04-23)
      De landelijke en decentrale overheden willen bij de aanschaf van producten, werken en diensten het milieu zo min mogelijk belasten. Ook willen ze de markt stimuleren om producten en diensten te leveren die minder belastend zijn voor het milieu. Verder willen ze zoveel mogelijk mensen met bijvoorbeeld lichamelijke of geestelijke beperkingen (‘met afstand tot de markt’) aan het werk krijgen. Dit heet Maatschappelijk Verantwoord Inkopen (MVI). In 2017 en 2018 had deze manier van inkopen vaker effect, zowel voor het milieu als voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt. Dit blijkt uit een overzicht van het RIVM. Door maatschappelijk verantwoord inkopen in 2017 en 2018 wordt er 5,9 Mton minder CO2 uitgestoten dan wanneer dat niet gebeurt. Dit is te vergelijken met de hoeveelheid die ongeveer 300.000 Nederlandse huishoudens elk jaar uitstoten. Ook is er 46.281 kilogram minder stikstofoxiden uitgestoten dan in de vorige onderzochte periode, 2015-2016. Voor fijnstof is dat 164.212 kilo minder. Daarnaast is 292 ton aan grondstoffen bespaard en is er 5 Mton aan CO2 gecompenseerd door bossen aan te planten. Verder is er 1203 fte aan werk gerealiseerd voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt en als stageplaats. Voor het onderzoek zijn vijftien productgroepen bekeken in zes clusters. Het gaat om: Transport, Energie, Kantoorfaciliteiten, Kantoorgebouwen, Grond-, weg- en waterbouw, en ICT-informatie communicatietechnologie. Deze productgroepen zijn gekozen, omdat daarbij het meeste effect van deze manier van inkopen wordt verwacht.
    • Paints and microplastics. Exploring the possibilities to reduce the use and release of microplastics from paints. Feedback from the paint sector

      Faber, M; Marinković, M; de Valk, E; Waaijers-van der Loop, SL (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-04-22)
      Microplastics zijn kleine kunststofdeeltjes die bestaan uit polymeren. Deze deeltjes komen in het milieu terecht, waar ze schadelijk kunnen zijn voor dieren en planten. Microplastics zitten onder andere in verf. Door vaste polymeren (primaire microplastics) aan verf toe te voegen ontstaan verflagen die oppervlakten kunnen bedekken en beschermen. Ze komen eruit vrij als gedroogde verflagen verweren of worden geschuurd. Dan noemen we ze secundaire microplastics. Het RIVM heeft een brede groep van belanghebbenden uit de verfsector gevraagd wat zij doen om de uitstoot van microplastics uit verf te beperken. De verfsector blijkt zich ervan bewust te zijn dat microplastics problemen kunnen geven in het milieu. Maar ze zijn er niet actief mee bezig om de uitstoot te verkleinen. Volgens hen is de uitstoot niet te voorkomen. De polymeren zijn nodig om een verflaag aan te brengen die oppervlakten langdurig bedekt en beschermt. Er bestaan nog weinig verfproducten zonder polymeren. Deze zijn (nog) niet geschikt voor alle toepassingen van verf. De verfsector heeft wel indirect maatregelen genomen die de uitstoot verkleinen. Zo hebben ze verf ontwikkeld die veel langer goed blijft en blijft zitten; bijna twee keer zo lang. Ook geeft de sector aan dat professionele schilders maatregelen nemen om de uitstoot van verfdeeltjes en stof tijdens het werk te verminderen. Zo gebruiken zij standaard een apparaat dat schuursel opvangt tijdens het schuren. Voor doe-het-zelf klussers is onbekend of zij ook zulke maatregelen nemen en of dat mogelijk is. Ook spoelen doe-het-zelf klussers kwasten met verf op waterbasis af onder de kraan. Dit is niet wenselijk. Het is nu niet duidelijk hoeveel microplastics worden uitgestoten tijdens de productie, het gebruik en de afvalverwerking van verf. Het is wenselijk dat hierover meer gegevens beschikbaar komen om maatregelen te kunnen nemen. Bijvoorbeeld door metingen in het milieu. Daarnaast is het belangrijk dat de hele keten nadenkt over maatregelen om de uitstoot te verminderen.
    • Recommendations for respiratory syncytial virus surveillance at national level.

      Teirlinck, Anne C; Broberg, Eeva K; Berg, Are Stuwitz; Campbell, Harry; Reeves, Rachel M; Carnahan, AnnaSara; Lina, Bruno; Pakarna, Gatis; Bøås, Håkon; Nohynek, Hanna; et al. (2021-04-22)
    • Ending risk-group HBV vaccination for MSM after the introduction of universal infant HBV vaccination: A mathematical modelling study.

      Xiridou, Maria; Visser, Maartje; Urbanus, Anouk; Matser, Amy; van Benthem, Birgit; Veldhuijzen, Irene (2021-04-22)
    • Methodology for the calculation of emissions from product usage by consumers, construction and services

      visschedijk, A; Meesters, JAJ; Nijkamp, MM; Koch, WWR; Jansen, BI; Dröge, R (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-04-21)
      Nederland rapporteert elk jaar nationaal en internationaal welke verontreinigende stoffen in de lucht terechtkomen door het gebruik van producten. Het gaat bijvoorbeeld om oplosmiddelen uit cosmetica, luchtverfrissers, spuitbussen, verf, en stoffen die vrijkomen bij het stoken van hout en het afsteken van vuurwerk. De Emissieregistratie berekent op basis van internationale richtlijnen voor de relevante stoffen hoeveel ervan in de lucht vrij komt. Het RIVM heeft nu de methoden die de Nederlandse Emissieregistratie gebruikt, geactualiseerd en beschreven. De methoden worden elk jaar bijgesteld volgens de meest actuele wetenschappelijke inzichten. De emissiegegevens zijn openbaar via de website emissieregistratie.nl. De gegevens worden gebruikt voor de rapportages die vanwege internationale verdragen verplicht zijn, zoals het Kyoto-protocol, de EU-Emissieplafonds (NEC-Directive) en de Convention on Long-range Transboundary Air Pollution (CLRTAP). Deze rapportage vormt ook de basis voor de (internationale) reviewers die de Nederlandse rapportages aan de EU en VN valideren.
    • Informative Inventory Report 2021. Emissions of transboundary air pollutants in the Netherlands 1990–2019

      Wever, D; Coenen, PWHG; Dröge, R; Geilenkirchen, GP; van Huijstee, J; 't Hoen, M; Honig, E; te Molder, RAB; Smeets, WLM; van Zanten, MC; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-04-21)
      In 2019 is 6,4 kiloton minder ammoniak uitgestoten dan in 2018. Dit komt vooral door ontwikkelingen in de landbouw. Zo werden er minder melkvee en mestvarkens gehouden en kwamen er meer varkensstallen die minder ammoniak uitstoten. De totale ammoniak uitstoot van 123 kiloton in 2019 ligt onder het maximum van 128 kiloton dat op basis van EU-regelgeving voor Nederland geldt. Dit blijkt uit de definitieve inventarisatie tot 2019 van luchtverontreinigende emissies. De emissies van fijnstof zijn toegenomen. Dit komt doordat de uitstoot van het zogeheten condenseerbaar fijnstof in de Emissieregistratie is toegevoegd aan de hoeveelheid fijnstof (vaste deeltjes) uit houtstoot voor sfeerverwarming. Hierbij worden twee soorten fijnstof uitgestoten: de vaste stofdeeltjes, waaronder roet, en het condenseerbaar fijnstof. Deze nieuwe bron is met terugwerkende kracht toegevoegd vanaf 1990. Over de hele periode (1990-2019) blijft de fijnstofuitstoot overigens afnemen. De uitstoot van stikstofoxiden en zwaveldioxide daalden licht ten opzichte van 2018 met respectievelijk 6,5 en 2,0 kiloton. De emissies van beide stoffen liggen onder het vastgestelde maximum van respectievelijk 260 en 50 kiloton. De lagere uitstoot van stikstofoxiden komt onder andere door de strengere eisen aan de uitstoot door personenauto’s en vrachtverkeer. Ook zijn energiecentrales minder steenkool gaan gebruiken. Minder zwaveloxiden komt vooral doordat raffinaderijen steeds meer op gas stoken in plaats van op olie, met een schonere uitstoot (rookgasreiniging). Dit en meer staat in de zogeheten Informative Inventory Report rapportage (IIR) die het RIVM in samenwerking met diverse partnerinstituten jaarlijks op verzoek van het ministerie voor Infrastructuur en Waterstaat (IenW) opstelt. Nederland gebruikt de analyses om beleid te onderbouwen en om in internationaal verband te rapporteren over de ontwikkeling van de emissies en in hoeverre de emissies onder de afgesproken maximale hoeveelheden (emissieplafonds) blijven. De voorlopige emissiecijfers over 2019 zijn al in het najaar van 2020 gepubliceerd.
    • Indicatoren E-healthmonitor 2021-2023 en doelstellingen voor e-health

      Aardoom, JJ; van Deursen, L; Rompelberg, CJM; Standaar, LMB; Suijkerbuijk, AWM; van Tuyl, LHD; Versluis, A; Wouters, MJM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-04-21)
      Het ministerie van VWS zoekt naar mogelijkheden om de zorg betaalbaar en toegankelijk te houden, en de kwaliteit te verbeteren. E-health, oftewel digitale zorg op afstand, geeft daar mogelijkheden voor. Het ministerie van VWS wil weten in hoeverre de zorg tussen 2021 en 2023 digitaler wordt en welke effecten dat heeft op patiënten en zorgverleners. E-health is heel divers en kan breed worden ingezet. Voorbeelden zijn consulten met huisartsen via videobellen, gezondheidsapps voor patiënten, en websites met informatie over medische zorg. Het RIVM ontwikkelt een monitor om de overgang van onderdelen van de zorg naar e-health met cijfers in kaart te kunnen brengen. Het RIVM doet dat samen met het Nivel en het National eHealth Living Lab (NeLL). De monitor geeft aan wie e-health gebruikt en waarvoor. Ook geeft hij aan waarom digitale hulpmiddelen wel of niet worden gebruikt en hoe het gebruik bevalt. Voor de monitor hebben de drie organisaties nu uitgezocht welke gegevens nodig zijn om het gebruik van e-health in de zorg te kunnen meten, de zogeheten indicatoren. Een voorbeeld is in welke mate huisartsen e-health gebruiken, of in welke mate burgers een online afspraak maken bij een ziekenhuis. Daarnaast is beschreven welke indicatoren zijn gekozen, om welke meetgegevens het precies gaat en hoe gegevens kunnen worden verkregen. Sommige meetgegevens zijn ook in de vorige monitor tot en met 2019 verzameld. Op deze manier kunnen de ontwikkelingen door de jaren heen worden gevolgd. Daarnaast hebben het RIVM, Nivel en NeLL op verzoek van het ministerie van VWS doelen voor e-health omschreven. Het gaat onder andere om een betere kwaliteit en organisatie van de zorg, meer eigen regie van de patiënt over de zorg, aandacht voor preventie, en ondersteuning van personeel in de zorg. De E-healthmonitor kan laten zien hoe deze doelen zich ontwikkelen.
    • Methodology for estimating emissions from agriculture in the Netherlands. Calculations for CH4, NH3, N2O, NOx, NMVOC, PM10, PM2.5 and CO2 using the National Emission Model for Agriculture (NEMA) – Update 2021

      van der Zee, T; Bannink, A; van Bruggen, C; Groenestein, K; Huijsmans, J; van der Kolk, J; Lagerwerf, L; Luesink, H; Velthof, G; Vonk, J (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-04-21)
      Nederland rapporteert elk jaar nationaal en internationaal hoeveel stoffen de landbouw uitstoot naar de lucht. Het gaat om alle stoffen uit de landbouw die in de Emissieregistratie voorkomen. Denk aan broeikasgassen en stoffen die luchtverontreiniging veroorzaken, zoals ammoniak en fijnstof. De emissieberekeningen worden uitgevoerd op basis van internationale richtlijnen. De uitstoot wordt berekend met het National Emission Model for Agriculture (NEMA), dat in Nederland is ontwikkeld. Het NEMA berekent de uitstoot van stoffen voor bijvoorbeeld stallen, mestopslag, en het gebruik van mest. Het NEMA wordt ook gebruikt om emissies zoals methaan uit verschillende dieren en mest te berekenen. Dit model wordt elk jaar aangepast aan de nieuwste wetenschappelijke inzichten. Dit keer zijn de methoden beschreven die voor verschillende stoffen worden gebruikt, en de wijzigingen die zijn doorgevoerd. Dit keer zijn onder andere de zogeheten emissiefactoren voor bepaalde emissiearme stallen aangepast. Uit nieuwe inzichten blijkt dat er meer stikstof uit stallen vrijkomt dan eerder werd gedacht. De emissiefactor voor de uitstoot van de bemesting van grasland blijkt juist kleiner. De gegevens over de uitstoot zijn openbaar via de website emissieregistratie.nl. Ze worden gebruikt voor rapportages die vanwege internationale verdragen verplicht zijn, zoals het Kyoto-protocol, de Europese Emissieplafonds (NEC-Directive) en de Convention on Long-range Transboundary Air Pollution (CLRTAP). Dit rapport is ook de basis voor de reviewers die de Nederlandse rapportages aan de Europese Unie en Verenigde Naties valideren.
    • Greenhouse gas emissions in the Netherlands 1990–2019

      Ruyssenaars, PG; Coenen, PWHG; Rienstra, JD; Zijlema, PJ; Arets, EJJM; Baas, K; Dröge, R; Geilenkirchen, G; 't Hoen, M; Honig, E; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-04-21)
      In 2019 is de totale uitstoot van broeikasgassen in Nederland met 3,2 procent gedaald ten opzichte van 2018. Deze daling komt vooral doordat er minder kolen zijn gebruikt om elektriciteit te produceren. De totale uitstoot van broeikasgassen naar de lucht wordt uitgedrukt in CO2-equivalenten en bedroeg in 2019 180,7 miljard kilogram. Het jaar 1990 geldt als referentiejaar (basisjaar) voor de te halen doelstellingen. De uitstoot in 1990 bedroeg 220,5 miljard kilogram CO2-equivalenten. Ten opzichte van het basisjaar is de uitstoot gedaald met 18 procent. De uitstoot van CO2 alleen, ligt 5,6 procent onder het niveau van het basisjaar. De uitstoot van de andere broeikasgassen (methaan, distikstofoxide en gefluoreerde gassen) is sinds 1990 met 53 procent gedaald. Dit blijkt uit de definitieve inventarisatie van broeikasgasemissies die het RIVM jaarlijks op verzoek van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) opstelt. Met deze inventarisatie voldoet Nederland aan de nationale rapportageverplichtingen voor 2021 van het Klimaatverdrag van de Verenigde Naties (UNFCCC), van het Kyoto Protocol en van het Bewakingsmechanisme Broeikasgassen van de Europese Unie. De voorlopige emissiecijfers over 2019 zijn al in het najaar van 2020 gepubliceerd. De inventarisatie bevat verder analyses van ontwikkelingen in de uitstoot van broeikasgassen tussen 1990 en 2019, een analyse van de belangrijkste bronnen die broeikasgassen uitstoten (‘sleutelbronnen’), evenals de onzekerheid in de berekening van hun uitstoot. Daarnaast zijn de gebruikte berekeningsmethoden en databronnen beschreven. Ten slotte bevat het een overzicht van het kwaliteitssysteem en de manier waarop de Nederlandse Emissieregistratie de berekeningen controleert.
    • Methodology report on the calculation of emissions to air from the sectors Energy, Industry and Waste as used by the Dutch Pollutant Release and Transfer Register

      Honig, E; Montfoort, JA; Dröge, R; Guis, B; Baas, K; van Huet, B; van Hunnik, OR; van den Berghe, ACWM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-04-21)
      Nederland rapporteert elk jaar nationaal en internationaal hoeveel stoffen door de sectoren Industrie, Energieopwekking en Afvalverwerking (ENINA) worden uitgestoten naar de lucht. Het gaat om alle stoffen die in de Emissieregistratie voorkomen en relevant zijn voor ENINA. Denk aan broeikasgassen, verzurende stoffen en stoffen die grootschalige luchtverontreiniging veroorzaken. Het RIVM heeft de methoden waarmee de uitstoot wordt berekend, geactualiseerd en beschreven. De methoden worden elk jaar bijgesteld volgens de meest actuele wetenschappelijke inzichten. De emissieberekeningen worden uitgevoerd op basis van internationale richtlijnen. De emissiegegevens zijn openbaar via de website emissieregistratie.nl. De gegevens worden gebruikt voor de rapportages die vanwege internationale verdragen verplicht zijn, zoals het Kyoto-protocol, de EU-Emissieplafonds (NEC-Directive) en de Convention on Long-range Transboundary Air Pollution (CLRTAP). De rapportage is ook de basis voor de (internationale) reviewers die de Nederlandse rapportages aan de EU en VN valideren.
    • Mortality, neurodevelopmental impairments, and economic outcomes after invasive group B streptococcal disease in early infancy in Denmark and the Netherlands: a national matched cohort study.

      Horváth-Puhó, Erzsébet; van Kassel, Merel N; Gonçalves, Bronner P; de Gier, Brechje; Procter, Simon R; Paul, Proma; van der Ende, Arie; Søgaard, Kirstine K; Hahné, Susan J M; Chandna, Jaya; et al. (2021-04-21)
    • Cost-effectiveness of maternal immunization against neonatal invasive Group B Streptococcus in the Netherlands.

      Hahn, Brett A; de Gier, Brechje; van Kassel, Merel N; Bijlsma, Merijn W; van Leeuwen, Elisabeth; Wouters, Maurice G A J; van der Ende, Arie; van de Beek, Diederik; Wallinga, Jacco; Hahné, Susan J M; et al. (2021-04-21)