Now showing items 1-20 of 11124

    • Toward optimisation of water use efficiency in dryland pastures using carbon isotope discrimination as a tool to select plant species mixtures.

      Pronger, J; Campbell, D I; Clearwater, M J; Mudge, P L; Rutledge, S; Wall, A M; Schipper, L A (2019-05-15)
      Pastoral agriculture is important for supplying global demand for animal products but pasture productivity is often water limited. Increased plant diversity has been shown to increase water use efficiency (ω) and productivity under water limitation but the optimal mix of species varies spatially, dependent on climate, soil type, and plant water requirements. Consequently, a cost-effective method to screen for high ω plant species and mixes in situ at farm scale is needed. Using carbon isotope discrimination (∆
    • Monitoring of pork liver and meat products on the Dutch market for the presence of HEV RNA.

      Boxman, Ingeborg L A; Jansen, Claudia C C; Hägele, Geke; Zwartkruis-Nahuis, Ans; Tijsma, Aloys S L; Vennema, Harry (2019-05-02)
      The aim of the present study was to assess pork liver and meat products present on the Dutch market for the presence of hepatitis E virus (HEV) RNA. HEV RNA was detected in 27.3% of 521 products sampled from Dutch retail stores in 2016. 12.7% of livers were positive for HEV RNA (n = 79), 70.7% of liverwurst (n = 99), 68.9% of liver pate (n = 90), but in none of the pork chops (n = 98), fresh sausages (n = 103) or wild boar meat (n = 52). The highest level of HEV RNA contamination was observed in a liver (reaching up to 1 × 10
    • Per- and polyfluoroalkyl substances (PFASs) in food contact materials

      Bokkers, B; van de Ven, B; Janssen, P; Bil, W; van Broekhuizen, F; Zeilmaker, M; Oomen, AG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-04-15)
      Voedselcontactmaterialen zijn verpakkingsmaterialen voor levensmiddelen en gebruiksartikelen zoals pannen, servies en bakvormen. PFAS'en worden in deze materialen gebruikt omdat ze vet afstoten. Het blijkt dat sommige PFAS'en die in papier en karton zitten, in voedsel terecht kunnen komen. Hier zitten ook stoffen bij die niet in het voedselcontactmateriaal mogen worden gebruikt. Op dit moment is er onvoldoende informatie beschikbaar om van deze PFAS'en een betrouwbare blootstellingsschatting en risicobeoordeling te maken. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM. Het RIVM vermoedt dat deze PFAS'en in voedselcontactmaterialen zijn terechtgekomen omdat ze als onzuiverheid in de stoffen zitten waarmee papier en karton wordt behandeld (uitgangsstof). Ook kunnen diverse PFAS'en afbreken tot deze stoffen. Daarnaast is niet bekend of onzuiverheden en afbraakproducten van PFAS'en vrijkomen uit voedselcontactmaterialen van siliconen of rubber. Aanbevolen wordt te onderzoeken of de hoeveelheid PFAS'en die uit voedselcontactmaterialen in voeding kan komen, schadelijk is voor de gezondheid. In dit onderzoek moet de nadruk liggen op de stoffen in papier en karton en wat daaruit in voedsel kan terechtkomen. Het gaat dan vooral om PFAS'en zoals PFOA. De regulering van de toelating van voedselcontactmaterialen is complex georganiseerd, en slechts gedeeltelijk geharmoniseerd. Het RIVM raadt aan waar mogelijk aandacht te schenken aan uniforme, geharmoniseerde regulering van de toelating van stoffen in voedselcontactmaterialen in Europa. Het RIVM raadt ook aan om oude beoordelingen van PFAS'en opnieuw te bekijken, omdat de afgelopen jaren nieuwe informatie over de schadelijkheid van deze verbindingen beschikbaar is gekomen.
    • Cosmetovigilance in the Netherlands 2017-2018

      Woutersen, M (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-04-12)
      Cosmetica zijn in principe veilig maar kunnen soms huidklachten veroorzaken, zoals roodheid en jeuk. Het RIVM beheert sinds 2009 een systeem waarin deelnemende dermatologen ongewenste en allergische reacties na gebruik van cosmetica kunnen registreren (CESES, Consumer Exposure Skin Effects and Surveillance). In het afgelopen jaar meldden de dermatologen vooral klachten op het gezicht en de handen na gebruik van make-up, huid- of gezichtsverzorgingsproducten en haarproducten. De meest gestelde diagnose is contactallergie. Geurstoffen en (meth)acrylaten veroorzaakten de meeste allergische reacties. Dit blijkt uit een overzicht van de 53 meldingen die binnen CESES tussen 1 oktober 2017 en 31 december 2018 zijn afgerond. Om te bepalen welk ingrediënt de klacht veroorzaakt, voeren dermatologen bij deze patiënten een allergieonderzoek uit, indien nodig met specifieke ingrediënten uit het verdachte product. Geurstoffen vormen een diverse groep stoffen. Relatief veel geurstoffen hebben allergene eigenschappen. Ook in vorige jaren werden veel gemelde klachten veroorzaakt door geurstoffen. (Meth)acrylaten worden veel gebruikt in nagelproducten. Ze vormen een hard laagje na polymerisatie, bijvoorbeeld na blootstelling aan UV-licht. De monomeren kunnen een allergie veroorzaken als ze in contact komen met de huid. Het aantal reacties veroorzaakt door (meth)acrylaten is hoger dan in voorgaande jaren. Ongeveer de helft van deze meldingen betrof klachten bij professionals door gebruik van nagelproducten (bijvoorbeeld nagelstylistes). In vergelijking met voorgaande jaren zijn er minder meldingen van klachten veroorzaakt door isothiazolinonen. Dit komt waarschijnlijk door de aanscherping van de Europese Cosmetica wetgeving ter beperking van het gebruik van methylisothiazolinone (MI) met ingang van begin 2018. Er zijn drie meldingen van reacties op tatoeages. In alle drie de gevallen ging het om een reactie op rode inkt. In geen van de gevallen kon het allergene bestanddeel worden gevonden. VWS heeft besloten CESES eind 2018 te beëindigen. Onderzocht wordt of er een andere manier voor dermatologen is om ongewenste huidreacties veroorzaakt door cosmetica en mogelijk andere consumentenproducten te kunnen blijven monitoren.
    • Zout-, suiker- en verzadigd vetgehalten in voedingsmiddelen : RIVM Herformuleringsmonitor 2018

      ter Borg, S; Brants, H; de Klein, RJ; Toxopeus, I; Westenbrink, S; Milder, I (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-04-11)
      Het Nederlandse voedingsbeleid is erop gericht om het voor consumenten gemakkelijk te maken voor gezonde producten te kiezen. Dat gebeurt onder andere door producenten te stimuleren om de hoeveelheid zout, suiker en verzadigd vet in voedingsmiddelen te verlagen. Het RIVM brengt daarom elke twee jaar in kaart hoeveel zout, suiker en verzadigd vet in het aanbod van voedingsmiddelen in supermarkten zit. Voor een aantal productgroepen hebben producenten afspraken gemaakt over maximale gehalten. Het RIVM inventariseert ook hoeveel producten aan deze afspraken voldoen. Het percentage producten dat in 2018 op of onder de afgesproken maximum gehalten uitkwam, varieert. Voor zout is dat bij 85 procent van de vleeswaren het geval, bij 58 procent van de vleesconserven, bij 68 procent van de soepen en bouillons en bij 71 procent van de sauzen. Voor verzadigd vet zit 94 procent van de vleeswaren en 72 procent van de cakes die bereid zijn met margarine op of onder het gestelde maximum. De afspraken over de maximale gehalten vloeien voort uit het Akkoord Verbetering Productsamenstelling dat het ministerie van VWS in 2014 heeft gesloten met de brancheorganisaties van voedingsmiddelenindustrie, supermarkten, horeca en catering om de samenstelling van voedingsmiddelen te verbeteren. De afspraken gelden voor een klein deel van het productaanbod. Door voor meer producten afspraken te maken en/of bestaande afspraken aan te scherpen, kan meer resultaat worden behaald. Om de productsamenstelling te volgen is in 2018 een nieuwe werkwijze ontwikkeld. Daardoor kan op basis van deze monitor niet worden gezegd of de gehalten door de jaren heen zijn gedaald en in welke mate. De nieuwe werkwijze maakt gebruik van productgegevens in de Levensmiddelendatabank. Dit is een database met productgegevens die door supermarkten en fabrikanten worden aangeleverd. Door de nieuwe werkwijze zijn gegevens over veel meer producten beschikbaar (ruim 50.000 producten) dan voorheen. Bij eerdere 'monitors' zijn onder andere metingen van de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA) gebruikt. Voor sommige productgroepen kan met gegevens van de Levensmiddelendatabank niet worden bepaald of producten aan het afgesproken maximum voldoen. Bijvoorbeeld omdat de afspraak gaat over toegevoegde suikers terwijl alleen informatie over het totale suikergehalte aanwezig is.
    • Bestrijdingsmiddelen en omwonenden : Samenvattend rapport over blootstelling en mogelijke gezondheidseffecten

      Montforts, MHMM; Bodar, CWM; Smit, CE; Wezenbeek, JM; Rietveld, AG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-04-11)
      In de landbouw wordt regelmatig met bestrijdingsmiddelen gewerkt. Omwonenden maken zich zorgen of dit een risico vormt voor hun gezondheid. Een consortium van kennisinstituten heeft gemeten in hoeverre omwonenden van bollenvelden in contact komen met bestrijdingsmiddelen. Uit dit Onderzoek Blootstelling Omwonenden (OBO) blijkt dat zij bestrijdingsmiddelen binnenkrijgen. Dit kan het gevolg zijn van het gebruik van deze middelen in de omgeving, maar andere bronnen, zoals voedsel, kunnen daar ook aan bijdragen. Van de onderzochte bestrijdingsmiddelen overschreden de gemeten gehalten in de lucht of urine geen risicogrenzen. Maar volgens het RIVM moeten eventuele gezondheidsrisico's van omwonenden voor alle gebruikte bestrijdingsmiddelen preciezer worden ingeschat. Restanten van bestrijdingsmiddelen die op de onderzochte bollenvelden zijn gebruikt, zijn teruggevonden in de buitenlucht rond woningen in de buurt. Ook in het stof op de deurmat en in het huisstof zaten resten. Daarnaast zijn ze aangetroffen in de urine van omwonenden van bloembollenvelden, zowel bij volwassenen als bij kinderen. Dit was ook het geval in de urine van mensen die op meer dan 500 meter afstand van agrarische velden woonden. Bij bollentelers en hun gezinsleden zijn hogere concentraties bestrijdingsmiddelen gemeten dan bij andere omwonenden. De OBO-resultaten laten zien dat de blootstelling aan de onderzochte middelen niet te laag wordt ingeschat in de huidige toelatingsbeoordeling. Wel kan de beoordelingsmethode worden verbeterd met nieuwe kennis die het OBO heeft opgeleverd. Dit betreft onder andere kennis over de manier waarop bestrijdingsmiddelen zich verspreiden via de verwaaide druppels van spuitvloeistof (drift), via verdamping en via huisstof. Ook moet rekening worden gehouden met de totale blootstelling van meerdere bestrijdingsmiddelen, en moeten dus alle teeltsoorten en bestrijdingsmiddelen in een gebied worden meegenomen. Naar aanleiding van de zorgen van omwonenden is in 2018 een verkenning uitgevoerd naar de gezondheidssituatie van omwonenden van landbouwgrond. Toen is onderzocht of zij vaker dan niet-omwonenden bepaalde gezondheidsproblemen hebben. Er kwamen geen gezondheidsproblemen naar voren die samenhingen met de bollen-teelt. Er waren wel indicaties voor gezondheidsproblemen in andere teelten. Het RIVM vindt het daarom nodig om een brede werkgroep te laten verkennen of en hoe nader gezondheidsonderzoek ingevuld kan worden. Dan zou ook naar andere aandoeningen en klachten moeten worden gekeken, zoals effecten op cognitieve ontwikkeling of autisme, dan in de verkenning mogelijk was. Ook verdient de gezondheid van kwetsbare groepen, zoals kinderen jonger dan 16 weken, speciale aandacht. Het RIVM pleit voor de oprichting van een kennisplatform waar mensen terecht kunnen met vragen over gewasbescherming en gezondheid. Ook ondersteunt het RIVM het streven naar een duurzame landbouw waarbij het gebruik van bestrijdingsmiddelen wordt beperkt.
    • Modellen om de humane blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen te berekenen: een stand van zaken

      te Biesebeek, JD; van Klaveren, JD; Rietveld, AG; Wezenbeek, JM; Komen, CMD (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-04-11)
      Mensen kunnen op twee manieren worden blootgesteld aan gewasbeschermingsmiddelen: tijdens of na het gebruik van deze middelen, en via resten van deze middelen die ze via voeding binnenkrijgen. Iedereen wordt blootgesteld via voeding. De blootstelling tijdens of na het gebruik geldt voor vier groepen: degenen die de middelen gebruiken, de mensen die in de gewassenteelt werken, degenen die zich buiten het terrein bevinden (zoals fietsers), en de omwonenden van landbouwgrond. Met modellen wordt voor al deze groepen berekend hoe groot de blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen is. Het RIVM heeft een overzicht gemaakt van de rekenmodellen die sinds begin 2000 in Nederland zijn gebruikt. Daaruit blijkt dat de modellen de afgelopen jaren zijn verbeterd en op Europees niveau meer zijn geharmoniseerd. De modellen voor de blootstelling via voeding zijn verder ontwikkeld dan die van de blootstelling tijdens of na het gebruik. Dit komt mede doordat er veel gegevens zijn over de voedselconsumptie en over de concentraties van resten van gewasbeschermingsmiddelen in verschillende voedingsmiddelen. Voor de blootstelling tijdens of na het gebruik zijn veel minder gegevens beschikbaar. Veel van het huidige onderzoek is erop gericht om dat te verbeteren. Voor beide soorten modellen wordt eraan gewerkt om de beoordeling van risico's van blootstelling aan mengsels van stoffen te verbeteren. Hetzelfde geldt voor de risico's van de totale blootstelling aan een stof vanuit verschillende bronnen. Het RIVM onderstreept het belang om beide aspecten zo snel als mogelijk een plek te geven in de risicobeoordeling van gewasbeschermingsmiddelen.
    • Analytical approaches for characterizing and quantifying engineered nanoparticles in biological matrices from an (eco)toxicological perspective: old challenges, new methods and techniques.

      Abdolahpur Monikh, Fazel; Chupani, Latifeh; Vijver, Martina G; Vancová, Marie; Peijnenburg, Willie J G M (2019-04-10)
      To promote the safer by design strategy and assess environmental risks of engineered nanoparticles (ENPs), it is essential to understand the fate of ENPs within organisms. This understanding in living organisms is limited by challenges in characterizing and quantifying ENPs in biological media. Relevant literature in this area is scattered across research from the past decade or so, and it consists mostly of medically oriented studies. This review first introduces those modern techniques and methods that can be used to extract, characterize, and quantify ENPs in biological matrices for (eco)toxicological purposes. It then summarizes recent research developments within those areas most relevant to the context and field that are the subject of this review paper. These comprise numerous in-situ techniques and some ex-situ techniques. The former group includes techniques allowing to observe specimens in their natural hydrated state (e.g., scanning electron microscopy working in cryo mode and high-pressure freezing) and microscopy equipped with elemental microanalysis (e.g., energy-dispersive X-ray spectroscopy); two-photon laser and coherent anti-Stokes Raman scattering microscopy; absorption-edge synchrotron X-ray computed microtomography; and laser ablation-inductively coupled plasma mass spectrometry (LA-ICP-MS). The latter group includes asymmetric flow field flow fractionation coupled with ICP-MS and single particle-ICP-MS. Our review found that most of the evidence gathered for ENPs actually focused on a few metal-based ENPs and carbon nanotube and points to total mass concentration but no other particles properties, such as size and number. Based on the obtained knowledge, we developed and presented a decision scheme and analytical toolbox to help orient scientists toward selecting appropriate ways for investigating the (eco)toxicity of ENPs that are consistent with their properties.
    • Gezondheid in de IJmond II : Monitoring medicijngebruik 2007-2015

      Houthuijs, DJM; Marra, M; de Vries, WJ; Aben, JMM; Swart, WJR; Schipper, CMA (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-04-09)
      De verstrekking van medicatie voor bepaalde aandoeningen in de regio IJmond lijkt verband te houden met de uitstoot van fijn stof door Tata Steel. Er zijn nog te veel onzekerheden om te kunnen concluderen dat de uitstoot de directe oorzaak is. Zo is er geen rekening gehouden met leefstijlfactoren die invloed hebben op de medicijnverstrekking, zoals overgewicht en roken. Het gaat om medicijnen voor een verhoogde bloeddruk, diabetes en hartaandoeningen. Er zijn geen aanwijzingen dat er meer medicatie voor luchtwegaandoeningen wordt voorgeschreven. Dit blijkt uit de tweede monitor van het RIVM, waarin gegevens over het medicijngebruik van omwonenden in de jaren 2007 tot en met 2015 zijn onderzocht. De monitor maakt deel uit van een langetermijnonderzoek naar de gezondheid van omwonenden. Dit is in 2009 in gang gezet naar aanleiding van zorgen van omwonenden over de risico's van de uitstoot van luchtverontreiniging door Tata Steel. Het RIVM heeft dat jaar de samenhang tussen de uitstoot van stoffen door Tata Steel, lokale milieukwaliteit en de gezondheid van bewoners onderzocht. Daaruit bleek dat door de bijdrage van Tata Steel aan de fijnstofniveaus in de lucht iets meer gezondheidsklachten bij omwonenden kunnen optreden. Ook bleek dat er in de IJmond relatief meer mensen longkanker hebben, maar het was niet mogelijk om dit zonder meer aan de uitstoot van Tata Steel toe te schrijven. De eerste monitor, waarvan de resultaten in 2014 verschenen, betrof het medicijngebruik van bloeddrukverlagende middelen en luchtwegmedicatie in de periode 2006-2010. Daarin vond het RIVM geen verband tussen de blootstelling aan luchtverontreiniging door Tata Steel en het gebruik van bloeddrukverlagende medicatie door volwassenen. Dit gold ook voor het gebruik van luchtwegmedicatie door volwassenen en jongeren. De methode van onderzoek was destijds minder gedetailleerd dan in de tweede ronde. Beide monitors zijn in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Water (IenW) uitgevoerd. Het RIVM onderzocht het medicatiegebruik. GGD Kennemerland rapporteerde namens de gemeenten in de regio over gegevens uit de lokale gezondheidsmonitor. Zij publiceerden ook de belangrijkste bevindingen over het medicatieonderzoek in maart 2018. Eventuele effecten van grafietregens zijn in deze tweede monitoringsronde niet onderzocht.
    • Risicogrenzen GenX (HFPO-DA) voor grond en grondwater

      Rutgers, M; Brand, E; Janssen, PJCM; Marinkovic, M; Muller, JJA; Oomen, AG; Otte, PF; Swartjes, FA; Verbruggen, EMJ (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-04-09)
      De GenX-technologie wordt gebruikt om onder andere coatings te produceren, zoals Teflon. Hierbij komt de stof HFPO-DA (2,3,3,3-tetrafluor-2-(heptafluoropropoxy) propaanzuur, of FRD902/FRD903) vrij. Deze stof is giftig en verspreidt zich naar lucht, oppervlaktewater, bodem en het grondwater. In opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat heeft het RIVM risicogrenzen bodem en grondwater voor HFPO-DA bepaald. Op basis van risicogrenzen kunnen overheden bepalen of de kwaliteit van de grond en het grondwater een risico vormt voor mens en milieu, en of maatregelen nodig zijn. Daarnaast kunnen de risicogrenzen worden gebruikt voor beslissingen over hergebruik van grond die vrijkomt bij activiteiten voor de bouw of infrastructuur. De risicogrenzen voor grond en grondwater zijn bepaald volgens de methodiek die ook wordt gebruikt om de normen van de Wet Bodembescherming en het Besluit Bodemkwaliteit af te leiden. Het uitgangspunt is mens, plant en dier te beschermen bij een blootstelling vanuit grond en grondwater. Een van de berekende risicogrenzen geeft een indicatie voor ernstige bodem of grondwaterverontreiniging (INEV). De hoogte van de andere risicogrenzen is afhankelijk van de wijze waarop de bodem wordt gebruikt. Het gaat om de volgende bodemfuncties: wonen met tuin; moestuin en volkstuin; plaatsen waar kinderen spelen; landbouw; natuur; groen met natuurwaarden; overig groen, bebouwing, infrastructuur en industrie. Door een gebrek aan betrouwbare basisgegevens over HFPO-DA zijn de risicogrenzen 'voorlopig'. Voor de beoordeling van nieuwe stoffen zoals HFPO-DA zijn meer gegevens nodig, een beoordelingsmethodiek die toegesneden is op de specifieke eigenschappen van deze stoffen, en een handelingskader om risico's te beperken.
    • Regelgeving conventionele en radioactieve afvalstoffen: vergelijking van begrippen en voorschriften

      Goemans, P; van der Schaaf, M; Folkertsma, E (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-04-05)
      Bij handelingen met radioactief materiaal kunnen rest- en afvalstoffen ontstaan. Voor het beheer van deze afvalstoffen geldt verschillende wet- en regelgeving. Dat zijn in ieder geval voorschriften voor radioactieve afvalstoffen (Kernenergiewet) en conventionele afvalstoffen (Wet milieubeheer). Met het oog op de ambities van het kabinet richting een circulaire economie in 2050, worden restmaterialen die voorheen als afval werden gezien, steeds vaker als grondstof (her)gebruikt. Om te kunnen bepalen welke wettelijke voorschriften voor deze materialen gelden, is het onder andere belangrijk om te weten wanneer het om een radioactieve (afval)stof gaat en wanneer om een conventionele (afval)stof. Dit vraagstuk kan in de praktijk tot onduidelijkheden leiden, bijvoorbeeld bij toezicht en handhaving of bij de selectie van geschikte routes om materialen te verwerken of beheren. In deze eerste verkenning beschrijft het RIVM een aantal observaties ten aanzien van de wet- en regelgeving. Hiervoor is een overzicht gemaakt van de basisbegrippen in de wet- en regelgeving voor conventioneel en radioactief afvalbeheer, de belangrijkste voorschriften die daaraan zijn verbonden en de verschillen daartussen. Hieruit blijkt onder andere dat het onderscheid tussen radioactieve (afval)stoffen en conventionele (afval)stoffen niet altijd helder is. De verkenning is uitgevoerd in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS). De ANVS kan de verkenning gebruiken bij nadere beleidsvorming over radioactief afvalbeheer. In een vervolgonderzoek wordt onder andere geïnventariseerd in hoeverre de verschillen tussen conventioneel en radioactief afvalbeheer vanuit de praktijk als probleem worden ervaren.
    • Generic Guidance to Quantitative Microbial Risk Assessment for Food and Water

      Teunis, P; Schijven, JF (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-04-04)
      Ziekteverwekkers, die in water en voedsel voorkomen, kunnen mensen ziek maken. De kans hierop wordt met risicoschattingen berekend. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) heeft richtlijnen opgesteld waarin staat hoe deze risicoschattingen moeten worden uitgevoerd. Het RIVM heeft dit achtergronddocument gemaakt met de meest recente kennis over deze risicoschattingen en de nieuwste rekenmethoden. De WHO en de Food and Agricultural Organization (FAO) zullen de informatie gebruiken om de richtlijnen voor microbiologische risicoschattingen (Quantitative Microbial Risk Assessment of QMRA) voor water en voedsel te actualiseren. De informatie is bruikbaar voor mensen die werken met risicoschattingen voor water- en voedselveiligheid. Een voorbeeld van de recente ontwikkelingen is een methode die het mogelijk maakt om risicoschattingen op een standaard en uniforme manier uit te voeren als er weinig of onzekere gegevens beschikbaar zijn (Bayesiaanse analyse). Verder reikt het RIVM alternatieven aan voor het gebruik van DALY's (Disability Adjusted Life Year) als maat bij 'uitbraken' van ziekten. DALY's drukken de schade of het ongemak uit (ziektelast) van verschillende ziektes, inclusief ziekten die micro-organismen via voedsel en water veroorzaken. Bij uitbraken, wanneer meerdere mensen ziek worden van dezelfde ziekteverwekker, is deze methode minder geschikt. Ook is computersoftware beschikbaar als hulpgereedschap voor het uitvoeren van risicoschattingen en ook voor training en onderwijs. Het RIVM geeft criteria voor zulke software tools en voorbeelden van bestaande, algemeen beschikbare QMRA-tools. Het RIVM is collaborating centre for Risk Assessment of Pathogens in Food and Water van de WHO.
    • Predictors of stunting with particular focus on complementary feeding practices: A cross-sectional study in the northern province of Rwanda.

      Uwiringiyimana, Vestine; Ocké, Marga C; Amer, Sherif; Veldkamp, Antonie (2019-04-01)
      The aim of this study was to review the factors associated with stunting in the northern province of Rwanda by assessing anthropometric status, dietary intake, and overall complementary feeding practices. This was a cross-sectional study with 138 children 5 to 30 mo of age. A structured questionnaire was used to collect information on sociodemographic characteristics of each mother and child and breastfeeding and complementary feeding practices. Anthropometric status was assessed using height-for-age z-scores for children and body mass index for caregivers. Dietary intakes were estimated using a 24-h recall. Multiple linear and logistic regression models were performed to study the predictors of height-for-age z scores and stunting. There was a 42% stunting prevalence. Prevalence of continued breastfeeding and exclusive breastfeeding were 92% and 50%, respectively. Most children (62%) fell into the low dietary diversity score group. The nutrient intake from complementary foods was below recommendations. The odds of stunting were higher in children >12 mo of age (odds ratio [OR], 1.18; 95% confidence interval [CI], 1.08-1.29). Exclusive breastfeeding (OR, 0.22; 95% CI, 0.10-0.48) and deworming tablet use in the previous 6 mo (OR, 0.25; 95% CI, 0.07-0.80) decreased significantly the odds of stunting in children. Also, the body mass index of the caretaker (β = 0.08 kg/m Interventions focusing on optimal nutrition during the complementary feeding stage, exclusive breastfeeding, and the use of deworming tablets have the potential to substantially reduce stunting in children in the northern province of Rwanda.
    • Test sensitivity of a commercial serine protease digestion kit for the detection of Trichinella spiralis and Trichinella pseudospiralis larvae in pig muscle.

      Franssen, F; Johne, A; van der Giessen, J; Nöckler, K; Mayer-Scholl, A (2019-04-01)
      The reference method for Trichinella detection at meat inspection is the magnetic stirrer method (MSM) utilising HCl-pepsin for pooled sample digestion. Due to availability and quality issues with pepsin, alternative digestion methods are being offered, such as the Priocheck Trichinella AAD kit (T-AAD), based on serine endopeptidase digestion. In this study the T-AAD kit was compared to the reference method. Minced pork samples were spiked with T. spiralis muscle larvae (ML) with- and without capsule or T. pseudospiralis ML, and analysed with both tests. Test results of individually spiked test samples were analysed by generalised linear modelling. The T-AAD test kit was comparable to the reference method for the qualitative detection of T. spiralis in pigs, but not quantitatively. Overall, 94% of spiked T. spiralis were recovered using MSM against 75.2% when using T-AAD (p < 0.0001). Using the MSM 80.0% of spiked T. pseudospiralis were recovered against 20% with the T-AAD (p < 0.0001). Based on our experience with the T-AAD kit, we strongly recommend validating the method on site prior to introduction into routine diagnostic laboratories, but this will not alleviate the poor test sensitivity of the T-AAD for the detection of T. pseudospiralis.
    • A DFT/TDDFT study on the mechanisms of direct and indirect photodegradation of tetrabromobisphenol A in water.

      Wang, Se; Wang, Zhuang; Hao, Ce; Peijnenburg, Willie J G M (2019-04-01)
      Tetrabromobisphenol A (TBBPA) is the most widely used commercial brominated flame retardant. However, the mechanisms underlying the photodegradation of TBBPA remain unclear. Here we use density functional theory and time-dependent density functional theory to examine the photodegradation of the two species of TBBPA in water: TBBPA (neutral form) and TBBPA
    • Optimizing molecular surveillance of mumps genotype G viruses.

      Bodewes, Rogier; van Rooijen, Kristel; Cremer, Jeroen; Veldhuijzen, Irene K; van Binnendijk, Rob (2019-04-01)
      Mumps viruses continue to cause sporadic cases and outbreaks in countries with a high vaccination coverage for mumps. Molecular surveillance of mumps viruses can be supportive to elucidate the origin and transmission routes of mumps virus in case of an outbreak. Currently, molecular surveillance is worldwide primarily focused on sequencing of the small hydrophobic (SH) gene. However, few studies have already shown that additional genes or regions contribute to the resolution of the sequence data in such a way that mumps cases that seem to be linked to the same source on basis of the SH sequence, appear to be linked to another source or chain of transmission. Notably, this sequence information was recently extracted from the hemagglutinin-neuraminidase (HN) and fusion (F) genes (total 3364 nucleotides), or from the sum of the three non-coding regions (NCRs; total 1954 nt) between the nucleocapsid protein, phosphoprotein, matrix protein and F protein, but also from the complete genome. Here, sequence data from NCRs were compared with that of the HN and F gene, using mumps genotype G viruses detected in the Netherlands between 2010 and 2018. Results of this study indicate that NCRs sequence data provided similar or slightly better sequence resolution compared to the HN and F genes for most viruses. For molecular surveillance of currently circulating mumps genotype G viruses is sequencing of SH in combination with NCRs currently a useful approach.
    • The antimicrobial resistome in relation to antimicrobial use and biosecurity in pig farming, a metagenome-wide association study in nine European countries.

      Van Gompel, Liese; Luiken, Roosmarijn E C; Sarrazin, Steven; Munk, Patrick; Knudsen, Berith E; Hansen, Rasmus B; Bossers, Alex; Aarestrup, Frank M; Dewulf, Jeroen; Wagenaar, Jaap A; Mevius, Dik J; Schmitt, Heike; Heederik, Dick J J; Dorado-García, Alejandro; Smit, Lidwien A M (2019-04-01)
      Previous studies in food-producing animals have shown associations between antimicrobial use (AMU) and resistance (AMR) in specifically isolated bacterial species. Multi-country data are scarce and only describe between-country differences. Here we investigate associations between the pig faecal mobile resistome and characteristics at the farm-level across Europe. A cross-sectional study was conducted among 176 conventional pig farms from nine European countries. Twenty-five faecal samples from fattening pigs were pooled per farm and acquired resistomes were determined using shotgun metagenomics and the Resfinder reference database, i.e. the full collection of horizontally acquired AMR genes (ARGs). Normalized fragments resistance genes per kilobase reference per million bacterial fragments (FPKM) were calculated. Specific farm-level data (AMU, biosecurity) were collected. Random-effects meta-analyses were performed by country, relating farm-level data to relative ARG abundances (FPKM). Total AMU during fattening was positively associated with total ARG (total FPKM). Positive associations were particularly observed between widely used macrolides and tetracyclines, and ARGs corresponding to the respective antimicrobial classes. Significant AMU-ARG associations were not found for β-lactams and only few colistin ARGs were found, despite high use of these antimicrobial classes in younger pigs. Increased internal biosecurity was directly related to higher abundances of ARGs mainly encoding macrolide resistance. These effects of biosecurity were independent of AMU in mutually adjusted models. Using resistome data in association studies is unprecedented and adds accuracy and new insights to previously observed AMU-AMR associations. Major components of the pig resistome are positively and independently associated with on-farm AMU and biosecurity conditions.
    • Health Policy Performance in 16 Caribbean States, 2010-2015.

      Verstraeten, Soraya P A; van Oers, Hans A M; Mackenbach, Johan P (2019-04-01)
      To determine whether Caribbean states vary in health policy performance in 11 different areas; to explore the association with sociodemographic, economical, and governance determinants; and to estimate the potential health gains of "best-practice" health policies. We selected 50 indicators that included data on mortality (latest available, 2010-2015), intermediate outcomes, and policy implementation to calculate a state's health policy performance score. We related this score to country characteristics and calculated the potential number of avoidable deaths if the age-specific mortality rates of best-performer Martinique applied in all states. We found large differences in health policy performance among Caribbean states. Martinique, Cuba, and Guadeloupe had the highest performance scores, and Guyana, Belize, and Suriname the lowest. Political affiliation, religious fractionalization, corruption, national income, and population density were associated with health policy performance. If the mortality rates of Martinique applied to all Caribbean states, an overall mortality reduction of 12% would be achieved. Differences in health outcomes between Caribbean states are partly attributable to variations in health policy implementation. Our results suggest that many deaths can be prevented if Caribbean governments adopt best-practice policies.
    • Evaluating progress towards triple elimination of mother-to-child transmission of HIV, syphilis and hepatitis B in the Netherlands.

      Visser, Maartje; van der Ploeg, Catharina P B; Smit, Colette; Hukkelhoven, Chantal W P M; Abbink, Frithjofna; van Benthem, Birgit H B; Op de Coul, Eline L M (2019-03-29)
      In 2014 the World Health Organisation (WHO) established validation criteria for elimination of mother-to-child transmission (EMTCT) of HIV and syphilis. Additionally, the WHO set targets to eliminate hepatitis, including hepatitis B (HBV). We evaluated to what extent the Netherlands has achieved the combined WHO criteria for EMTCT of HIV, syphilis and HBV. Data of HIV, syphilis and HBV infections among pregnant women and children (born in the Netherlands with congenital infection) for 2009-2015, and data required to validate the WHO criteria were collected from multiple sources: the antenatal screening registry, the HIV monitoring foundation database, the Perinatal Registry of the Netherlands, the national reference laboratory for congenital syphilis, and national HBV notification data. Screening coverage among pregnant women was > 99% for all years, and prevalence of HIV, syphilis and HBV was very low. In 2015, prevalence of HIV, syphilis and HBV was 0.06, 0.06 and 0.29%, respectively. No infections among children born in the Netherlands were reported in 2015 for all three diseases, and in previous years only sporadic cases were observed In 2015, treatment of HIV positive pregnant women was 100% and HBV vaccination of children from HBV positive mothers was > 99%. For syphilis, comprehensive data was lacking to validate WHO criteria. In the Netherlands, prevalence of maternal HIV, syphilis and HBV is low and congenital infections are extremely rare. All minimum WHO criteria for validation of EMTCT are met for HIV and HBV, but for syphilis more data are needed to prove elimination.
    • Harmonized methodology to assess chronic dietary exposure to residues from compounds used as pesticide and veterinary drug.

      Arcella, Davide; Boobis, Alan; Cressey, Peter; Erdely, Holly; Fattori, Vittorio; Leblanc, Jean-Charles; Lipp, Markus; Reuss, Rainer; Scheid, Stefan; Tritscher, Angelika; Van der Velde-Koerts, Trijntje; Verger, Philippe (2019-03-28)
      Risk assessments for pesticide and veterinary drug residues in food are performed respectively by the Joint FAO/WHO Expert Meeting on Pesticide Residues (JMPR) and the Joint FAO/WHO Expert Committee on Food Additives (JECFA). The models used by the two Committees to assess chronic dietary exposure are based on different data and assumptions which may be confusing, particularly for risk managers, when the same compound is used to treat plants and animals. This publication details the results of combined chronic dietary exposure assessments for eight compounds used both as pesticide and veterinary drugs. It compares the results from models in use by JMPR and JECFA with those from national estimates performed by 17 countries. Results show that the JECFA model is better reflecting less than lifetime dietary exposure by considering consumption of children and high consumers. The JMPR model is a suitable model for estimating average chronic (lifetime) exposure to residues present in widely and regularly consumed staple commodities. However, it is suitable neither for estimating children's exposure nor more generally for assessing less than lifetime dietary exposure. In order to select the appropriate exposure model related to the occurrence of adverse effects i.e. effects occurring over less-than-lifetime or effects occurring only over lifetime, this paper proposes criteria to match the toxicological profile of the compound and the appropriate exposure scenarios. These approaches will continue to be harmonized to ensure the most scientifically sound basis for the risk assessment for pesticides and veterinary drug residues and consequently for other chemicals in food.