Now showing items 1-20 of 9893

    • Geluidmonitor 2020. Meting en validatie van geluidproductie door rijkswegen en spoorwegen

      Kok, A; Mabjaia, N; van Loon, RVA; den Hollander, H (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-01-24)
      De weg- en spoorbeheerders, Rijkswaterstaat en ProRail, berekenen sinds 2013 elk jaar hoeveel geluid het verkeer op de weg en het spoor maakt. Het RIVM toetst met metingen deze berekeningen. Dit is verplicht voor de Wet milieubeheer. De Geluidmonitor 2020 vergelijkt de gemeten en berekende geluidniveaus op rijks- en spoorwegen van het jaar 2019. De gemeten geluidniveaus langs rijkswegen lagen in 2019 gemiddeld bijna 3 decibel hoger dan de berekende waarden. Dit verschil was in 2019 iets groter dan in eerdere jaren. De verwachting dat auto’s op rijkswegen minder geluid zouden maken door het gebruik van stillere banden sinds 2016, komt daarmee nog niet uit. Een andere verklaring van het relatief grote verschil kan zijn dat bij de meetlocaties ouder asfalt ligt dan op de meeste andere plaatsen in Nederland. Ouder asfalt geeft meer geluid. Langs het spoor waren de gemeten en berekende geluidniveaus gemiddeld hetzelfde in 2019. Dit beeld is hetzelfde als tussen 2013 en 2018. Wel kan per traject, zowel bij rijks- als spoorwegen, het verschil tussen de berekende en gemeten geluidniveaus variëren. De Geluidmonitor 2020 geeft ook de resultaten van de metingen van 2020. De maatregelen vanwege de uitbraak van het coronavirus SARS-CoV-2 hebben invloed gehad op het gemeten geluid. Door bijvoorbeeld thuiswerken, de avondklok en aangepaste dienstregeling op het spoor reden er minder auto’s op de weg en minder treinen. Ook ging in 2020 de maximumsnelheid overdag op alle Rijkswegen naar 100 km per uur. Daardoor was er minder geluid. Hoe dat precies uitpakt in vergelijking met berekeningen over 2020 wordt in de volgende geluidmonitor duidelijk. De weg- en spoorbeheerder maken de berekeningen over 2020 in de tweede helft van 2021 openbaar. Deze worden in de volgende geluidmonitor vergeleken met de gemeten geluidniveaus in 2020. De Geluidmonitor 2021 verschijnt in 2022.
    • De gevolgen van de coronapandemie voor de gezondheid en het welzijn van de jeugd. Een systematische literatuurstudie

      Bosmans, M; Marra, E; Alblas, E; Baliatsas, C; de Vetten, M; van Gameren, R; Schulpen, S; Moleman, Y; Bhattathiri, G; Gerbecks, J; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-01-24)
      De uitbraak van het coronavirus en de maatregelen die daarvoor zijn genomen, hebben veel impact op de volksgezondheid. De komende vijf jaar wordt deze impact onderzocht in de Integrale Gezondheidsmonitor COVID-19. Het eerste resultaat van dit meerjarige onderzoek is een literatuurstudie van nationaal en internationaal onderzoek van het Nivel en het RIVM. Hierin is gekeken wat er in de wetenschappelijke literatuur al bekend is over de gevolgen van de coronapandemie voor de fysieke en mentale gezondheid van de jeugd (0 tot 25 jaar). De literatuurstudie kijkt naar zes thema’s: fysieke gezondheid, behoefte aan zorg, mentale gezondheid, sociale effecten; overige effecten en risico- en beschermende factoren. Daarnaast is onderzocht welke factoren de jeugd kunnen beschermen tegen negatieve gevolgen, en welke de problemen juist groter maken. De onderzochte internationale studies gaan over de periode tot het najaar van 2020. De Nederlandse studies nemen ook het voorjaar van 2021 mee. Uit de studies blijkt dat de coronacrisis voor veel jongeren een negatieve invloed heeft gehad op de fysieke en mentale gezondheid. Veel jongeren zijn minder gaan bewegen, ongezonder gaan eten en hadden vaker last hadden van klachten als depressie, angsten en eenzaamheid. Jongeren die al mentale of lichamelijke problemen hadden, hebben meer negatieve gevolgen ervaren van de coronacrisis. Door de crisis werden hun bestaande problemen erger. Andere factoren die de negatieve gevolgen van de coronacrisis vergroten zijn armoede en problemen in gezinnen. De invloed van de crisis is groter als jongeren verschillende problemen tegelijk hebben. Het onderzoek laat ook zien dat jongeren minder vaak naar een zorgverlener gingen voor fysieke of mentale klachten terwijl de behoefte aan mentale zorg juist toenam. Tegelijkertijd laat de studie zien dat jongeren veerkrachtig zijn; in ieder geval in het begin van de crisis. Velen hadden in de onderzochte periode (ruwweg het eerste jaar van de crisis) geen of weinig klachten, of de klachten namen weer af nadat maatregelen werden versoepeld. Jongeren gaven daarnaast aan dat ze minder druk of prikkels ervoeren tijdens lockdowns en dat ze dat prettig vonden. Ook konden de onderlinge contacten binnen gezinnen verbeteren. Het is uit dit onderzoek onduidelijk wat de effecten op de lange termijn zijn. In het algemeen is meer aandacht nodig voor preventie om gezondheidsproblemen te voorkomen en de jeugd veerkrachtig te maken en houden. En daarbij speciale aandacht te hebben voor kwetsbare groepen. Dit onderzoek werd uitgevoerd voor de Integrale Gezondheidsmonitor COVID-19. Het netwerk Gezondheidsonderzoek bij Rampen (GOR) – dat bestaat uit de lokale GGD’en, GGD GHOR Nederland, RIVM, het Nivel en ARQ Nationaal Psychotrauma Centrum – voert deze monitor uit. Dit project wordt gesubsidieerd door ZonMw namens het ministerie van VWS.
    • Onderzoek naar de herkomst van neergedaald stof en stoffen in de lucht in de IJmond regio

      Elberse, JE; Mooibroek, D; Teeuwisse, S; Mennen, MG; Hoogerbrugge, R (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-01-21)
      Inwoners van de IJmond zijn bezorgd over de stoffen die ze inademen en over stofdeeltjes die ze in hun omgeving zien liggen. Ze willen graag weten waar deze stoffen vandaan komen, vooral op dagen dat zij de luchtkwaliteit als ongezond ervaren. De provincie Noord-Holland heeft het RIVM gevraagd onderzoek te doen naar de bronnen. Voor de stoffen in de lucht is informatie gebruikt uit het luchtmeetnet in de IJmond en over de uitstoot van stoffen in de milieujaarverslagen en de Emissieregistratie. Voor de stoffen op de grond is eerder onderzoek van het RIVM hierover in de leefomgeving rond het terrein van Tata Steel (metalen en PAK) gebruikt. Al deze informatie geeft een indruk welke bronnen bijdragen aan de stoffen in de lucht en op de grond. Het lijkt erop dat bronnen op het terrein van Tata Steel een belangrijke bijdrage leveren aan onder meer fijnstof, metalen en PAK in de IJmondregio. Uit analyse blijkt dat PAK en metalen in het neergedaalde stof voor een aanzienlijk deel afkomstig zijn van verschillende processen voor de staalproductie. Ook komen ze van op- en overslag van materialen op het terrein van Tata Steel, die worden gebruikt bij de staalproductie. Deze analyses geven niet genoeg informatie over de precieze bijdragen van deze en andere bronnen aan de PAK en metalen in de stofdeeltjes. Ook blijkt uit berekeningen met een verspreidingsmodel dat de gemeten en berekende bijdrage door Tata Steel aan de hoeveelheid fijnstof in de leefomgeving goed met elkaar overeenkomen. Maar de gemeten hoeveelheden metalen en PAK zijn (veel) hoger dan was verwacht op basis van berekeningen met data van de milieujaarverslagen, respectievelijk de Emissieregistratie. Deze gegevens over de uitstoot lijken niet volledig te zijn aangeleverd. Om hier goed inzicht in te krijgen beveelt het RIVM aan om de informatie over de uitstoot van bronnen op het terrein van Tata Steel te verbeteren en deze op een transparante manier te ontsluiten. Ten slotte blijkt van de PAK en metalen in het fijnstof, gemeten in de IJmond, dat een aanzienlijk deel afkomstig is van activiteiten op het terrein van Tata Steel. Dit volgt uit een analyse van de samenstelling van het fijnstof. Fijnstof is een mengsel van meerdere stoffen. Bronnen stoten deze stoffen in verschillende verhoudingen uit. Aan de hand van de verschillende verhoudingen kon het RIVM twee categorieën van bronnen relateren aan het terrein van Tata Steel.
    • Datahandboek Monitor Leren van Ongevallen. Technische rapportage ter ondersteuning van analisten bij de Nederlandse Arbeidsinspectie en het RIVM

      Lammers, M; van Kampen, J (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-01-20)
      Het RIVM heeft met de Nederlandse Arbeidsinspectie (NLA) en het ministerie van SZW de Monitor Leren van Ongevallen ontwikkeld (MLvO). De monitor maakt het mogelijk om snel en makkelijk data over ernstige ongevallen te verzamelen die door de Inspectie zijn onderzocht. De resultaten geven inzicht in oorzaken van dit soort ongevallen. Op basis daarvan kunnen beleidsmakers maatregelen nemen om ze te voorkomen. De data voor de MLvO wordt verzameld via de vragenlijstsoftware Survalyzer. In deze vragenlijst beantwoorden inspecteurs vragen over ernstige arbeidsongevallen die zij hebben onderzocht. Het RIVM heeft nu een handboek gemaakt voor mensen die de gegevens uit de MLvO gebruiken, zoals analisten, technici en onderzoekers. Het handboek beschrijft de inhoud van de MLvO, de typen ongevallen, een aantal specifieke variabelen, hoe de namen van variabelen zijn gemaakt en welke antwoorden mogelijk zijn bij bepaalde vragen in de vragenlijst. De MLvO is een opvolger van de Storybuilder database. Deze database wordt sinds 2015 niet meer gevuld met nieuwe ongevallen. Een apart RIVM-rapport licht de inhoud van de MLvO verder toe en laat zien hoe de monitor tot stand is gekomen (rapportnummer 2021-0122).
    • Learning from serious occupational accidents in the Netherlands. Developing a new monitoring system from 17 years of accident data

      van Kampen, J; Lammers, M (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-01-20)
      Ongevallen op het werk komen nog regelmatig voor. Deze ongevallen hebben ernstige gevolgen voor de slachtoffers, hun familieleden, collega’s en voor de bedrijven of organisaties waar de ongevallen gebeuren. Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW), de Nederlandse Arbeidsinspectie (NLA) en het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) werken samen om van deze ongevallen te leren. Dat helpt om ze te voorkomen. Voor dit doel worden sinds 2003 gegevens over ernstige ongevallen geanalyseerd en opgeslagen met de zogenoemde Storybuilder-methode. In 2018 besloot SZW om deze aanpak te vernieuwen, waarna de ‘Monitor Leren van Ongevallen’ is ontwikkeld. In deze monitor vullen arbeidsinspecteurs gebruiksvriendelijke vragenlijsten in. Hierdoor hoeven RIVM-onderzoekers niet meer handmatig dossiers met informatie over ernstige ongevallen te analyseren. Het RIVM legt in dit rapport uit waarom deze vragenlijst is gemaakt, en hoe dat is gedaan op basis van historische gegevens uit de Storybuilder-methode. Het was belangrijk dat de nieuwe vragenlijst gebruikersvriendelijk en betrouwbaar is. Daarom heeft het RIVM hiervoor samengewerkt met experts, en hebben inspecteurs de vragenlijst getest. De vragenlijst van de nieuwe monitor is sinds 1 januari 2020 een vast deel van het werk van de arbeidsinspecteurs. In 2020 zijn gegevens verzameld over 1.602 ernstige arbeidsongevallen. In de komende jaren worden steeds meer gegevens verzameld. De geleerde lessen kunnen worden gedeeld met het publiek, bijvoorbeeld via de website www.lerenvoorveiligheid.nl. De gegevens worden ook gebruikt door de arbeidsinspectie en om, zo nodig, beleid te ontwikkelen. Er gebeuren veel verschillende soorten arbeidsongevallen en de manier waarop we (veilig) werken verandert ook. Het RIVM adviseert daarom de vragenlijst goed bij te houden.
    • Overzicht kwaliteitsbeoordeling beschermende middelen in de COVID-19-crisis

      Hartendorp, ATP; Venhuis, BJ; Keizers, PHJ (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-01-19)
      Het RIVM heeft tussen maart en oktober 2020 de kwaliteit beoordeeld van medische hulpmiddelen en persoonlijke beschermingsmiddelen. Voorbeelden van medische hulpmiddelen zijn mondmaskers, isolatiejassen en -schorten, en handschoenen. Persoonlijke beschermingsmiddelen zijn onder andere ademhalingsbeschermingsmiddelen. Deze producten zijn in Nederland centraal ingekocht om medewerkers in de zorg te beschermen tegen besmetting met het coronavirus SARS-CoV-2. Door de schaarste op de wereldmarkt werden producten ingekocht die voorhanden waren. Vanwege de ernstige tekorten was er geen tijd voor een volledige kwaliteitsbeoordeling volgens de geldende normen. Het RIVM heeft daarom met veldpartijen een kortere beoordelingsprocedure opgezet die de normen zoveel mogelijk benaderde. Deze procedure is gaandeweg verder ontwikkeld. Een aanzienlijk deel van de beoordeelde producten voldeed niet aan de kwaliteitseisen, vooral de ademhalingsbeschermingsmiddelen (FFP2- en KN95-maskers) en de mondmaskers (chirurgische maskers (type IIR)). Van de ademhalingsbeschermingsmiddelen voldeed 22 procent aan de gestelde eisen. Van de beoordeelde mondmaskers was 14 procent van voldoende kwaliteit. Van de beoordeelde handschoenen was 62 procent van voldoende kwaliteit. Van de beoordeelde isolatiejassen en -schorten voldeed 76 procent aan de gestelde eisen. Voorbeelden van hoe de beoordeelde producten niet voldeden aan de kwaliteitseisen waren ademhalingsbeschermingsmiddelen die niet goed aansloten op het gezicht en daardoor niet volledig beschermden tegen virusdeeltjes. Of isolatiejassen en handschoenen die niet waterdicht bleken te zijn. Ook kon de kwaliteit van producten binnen eenzelfde lading sterk verschillen, hoewel ze volgens de verpakkingen hetzelfde waren. Het RIVM heeft de producten getest en beoordeeld in opdracht van het ministerie van VWS. De kwaliteitsbeoordeling gold als advies voor het ministerie van VWS en later het Landelijk Consortium Hulpmiddelen (LCH), dat de middelen inkocht. Mede op basis van dit advies besloot het LCH over aankoop en uitgifte van de hulpmiddelen. Het LCH bepaalde welke hulpmiddelen door het RIVM werden beoordeeld.
    • Veilig werken en de nacht. Een verkenning van feiten, oorzaken en kansen

      van Kampen, J; Sol, V; Jansen, T (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-01-17)
      In Nederland werken ongeveer 1,3 miljoen mensen soms of regelmatig ’s nachts. Het is bewezen dat werknemers die een groot deel van hun leven in de nacht werken een grotere kans hebben om slaapproblemen, diabetes en hart- en vaatziekten te krijgen dan mensen die alleen overdag werken. Er is nog weinig bekend over de invloed van werken in de nacht op de veiligheid op de werkvloer. In de internationale wetenschappelijke literatuur zijn er aanwijzingen dat de kans op een ernstig ongeval in de nacht iets groter is dan overdag. Dat lijkt vooral door vermoeidheid te komen. Het RIVM heeft verkennend uitgezocht of dat ook voor Nederland geldt. Het aantal ernstige arbeidsongevallen ’s nachts is in Nederland lager dan overdag: ongeveer 5,5 procent van de ernstige arbeidsongevallen is gebeurd tussen 23:00 en 07:00 uur. Er blijkt niet genoeg informatie te zijn over het werk dat mensen ’s nachts doen om conclusies over de kans op een ongeval te trekken. Wel weten we dat een van de drie ernstige ongevallen die ’s nachts plaatsvinden in drie sectoren voorkomen. Het gaat om de sectoren ‘Vervaardigen van voedingsmiddelen’, ‘Vervoer over land’ en ‘Opslag en dienstverlening voor vervoer’. In deze sectoren wordt relatief veel ’s nachts gewerkt. Ook is het type ongeval anders dan overdag. Zo komen in verhouding ’s nachts meer ongevallen met machines voor en overdag meer ongevallen met ladders. Dit heeft waarschijnlijk te maken met het soort werk dat ’s nachts wordt gedaan. Bedrijven nemen allerlei maatregelen zodat werknemers ’s nachts veilig kunnen werken. Zo zijn er wettelijke afspraken over de maximale werktijden en minimale rusttijden. Sommige organisaties nemen extra maatregelen. Ze proberen bijvoorbeeld werkschema’s gezonder en veiliger te maken of de risico’s van het werk op een andere manier te beperken. Het RIVM gaat onderzoeken welke maatregelen bedrijven hiervoor nemen. Ook om te kijken hoe mensen gezond én veilig in de nacht kunnen werken.
    • Impactanalyse Actualisatie AERIUS Calculator en Monitor 2021

      Marra, WA; Hazelhorst, SB; Jonkers, S; Schram, JM; Stolwijk, GJC; Nguyen, TNP; Aalbers, M (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-01-13)
      Het RIVM beheert het rekeninstrument AERIUS dat berekent en monitort hoeveel stikstof er in Nederland op de bodem neerkomt. Overheden en initiatiefnemers van projecten berekenen met AERIUS Calculator de uitstoot van stikstof en de neerslag ervan op Natura 2000-gebieden. AERIUS Monitor geeft overheden inzicht in de actuele en verwachte stikstofdepositie in de Natura 2000-gebieden en de overbelasting door stikstof. Calculator en Monitor ondersteunen de vergunningverlening en beleidsvorming. Deze berekeningen en monitoringsinformatie moeten accuraat zijn, zodat beleidsmakers en vergunningverleners de actuele, juiste inzichten hebben om beslissingen te kunnen nemen. Daarom worden elk jaar de nieuwste inzichten en actuele gegevens over de natuur en stikstofbronnen in AERIUS verwerkt. Deze actuele gegevens kunnen verschillen van de vorige versie van Calculator en Monitor en kunnen daardoor tot andere uitkomsten leiden. Om te kijken wat de aanpassingen betekenen heeft het RIVM deze impactanalyse gemaakt. Hiervoor zijn de belangrijkste verschillen en het effect daarvan in beeld gebracht. In de versie 2021 zijn onder andere de zogeheten emissiefactoren geactualiseerd. AERIUS Calculator gebruikt deze emissiefactoren om de stikstofuitstoot van een project te bepalen. Daarnaast rekent Calculator 2021 de depositie tot een afstand van maximaal 25 km van de bron, volgend op de laatste regelgeving. Door deze aanpassingen levert een berekening een andere uitkomst. Het RIVM produceert jaarlijks nieuwe depositiekaarten die nu beschikbaar zijn in AERIUS Monitor. Verder zijn de grenzen van de stikstofgevoelige natuur in de Natura 2000-gebieden geactualiseerd (de zogeheten habitatkaart). Door deze aanpassing veranderen de locaties waar AERIUS Calculator mee rekent (de relevante hexagonen). Daarnaast zorgen deze wijzingen dat het berekende oppervlakte niet-overbelast stikstofgevoelige natuur wijzigt.
    • EURL-Salmonella Proficiency Test Food 2021. Detection of Salmonella in liquid whole egg

      Diddens, RE; Mooijman, KA (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-01-12)
      In 2021 organiseerde het Europese Unie Referentie Laboratorium voor Salmonella (EURL-Salmonella) een ringonderzoek voor de Salmonellabacterie in vloeibaar ei. Alle deelnemende Nationale Referentie Laboratoria voor Salmonella (NRL’s-Salmonella) hebben een goede score behaald voor het EURL-Salmonella ringonderzoek Voedsel 2021. Sinds 1992 zijn de NRL’s voor Salmonella van de Europese lidstaten verplicht om elk jaar hun kwaliteit te laten toetsen met zogeheten ringonderzoeken. Met een van de ringonderzoeken wordt gecontroleerd of de NRL’s de Salmonella-bacterie in voedsel kunnen aantonen; dit keer in vloeibaar ei. De laboratoria hebben een verplichte, internationale erkende analysemethode gebruikt om Salmonella in monsters vloeibaar ei aan te tonen. Elk laboratorium kreeg een pakket toegestuurd met monsters die besmet waren met twee verschillende concentraties Salmonella Enteritidis of zonder Salmonella. De monsters zijn op het laboratorium van het EURL-Salmonella kunstmatig besmet met Salmonella. In totaal deden 33 NRL’s-Salmonella mee aan dit ringonderzoek: 28 NRL’s van 27 lidstaten van de Europese Unie en 5 NRL’s van andere Europese landen. Het EURL-Salmonella is gevestigd bij het Nederlandse Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM).
    • Ambulancezorg Rijtijdenmodel - actualisatie 2021

      Kommer, GJ; de Vries, L; Etemad-Ghameshlou, Z; Ferreira, J; Mohnen, SM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-01-11)
      Het RIVM heeft het rijtijdenmodel voor de spoedeisende ambulancezorg geactualiseerd. Dit gebeurt elke vier jaar. Dit model schat de rijtijd die een ambulance gemiddeld nodig heeft om met spoed naar een locatie te rijden. Hiervoor gebruiken we feitelijk gemeten snelheden van ambulances van juli 2019 tot en met juni 2020. Voor de meeste wegtypen (denk aan snel- en hoofdwegen en voetgangersgebieden) zijn de gemiddelde gemeten snelheden lager dan in de vorige meetperiode (2015-2016). Gemiddeld gezien is de rijtijd van ambulances in heel Nederland met 0,8 minuten langer geworden, zowel binnen als buiten de bebouwde kom. Daarom geeft het nieuwe rijtijdenmodel voor veel trajecten langere rijtijden dan het oude rijtijdenmodel uit 2016. Onderzoek naar de oorzaak van de lagere snelheden viel buiten de vraagstelling. Wel is van twee bijzondere gebeurtenissen vanaf maart 2020 onderzocht wat de invloed is op de gemiddelde snelheden van ambulances: de gedeeltelijke lockdown in verband met de corona-pandemie en de begrenzing van de maximum snelheid op snelwegen overdag tot 100 km per uur. Er werd voor beide gebeurtenissen geen effect gevonden. Bij elke actualisatie wordt gekeken of de met het model geschatte rijtijden nog beter kunnen aansluiten bij de werkelijke rijtijden. Dit keer is gekeken of een andere regio-indeling voor ambulances en minder tijdsblokken (alleen binnen of buiten de spitsuren) beter zijn. Deze varianten blijken de werkelijke rijtijden net zo goed te voorspellen als het model uit 2016. Het RIVM heeft daarom besloten het model niet te veranderen en alleen de gemiddelde snelheden te actualiseren. Het RIVM gebruikt het rijtijdenmodel voor de spoedeisende ambulancezorg voor verschillende bereikbaarheidsanalyses in de spoedeisende zorg.
    • Gendergelijkheidsplan

      Y van Rede (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-12-22)
      Het RIVM neemt deel aan Horizon Europe, het onderzoeks- en innovatieprogramma van de Europese Unie. Dit programma stelt eisen aan gendergelijkheid in onderzoek en innovatie. Het verplicht organisaties om vanaf 2022 een gendergelijkheidsplan te hebben om voor een subsidie in aanmerking te komen. Het RIVM heeft zo’n plan opgesteld. Daarin laat het RIVM zien dat het werkt aan een gelijke verhouding tussen het aantal mannen en vrouwen. Het doet meer dan dat door diversiteit breed te omschrijven. Het gaat voor het RIVM om alle aspecten waardoor medewerkers met elkaar kunnen verschillen. Een gendergelijkheidsplan heeft vier verplichte elementen, waaraan het RIVM voldoet. Als eerste moet het moet een openbaar document zijn, waaruit blijkt dat de organisatie zich inspant voor gendergelijkheid. Het RIVM zal het plan online plaatsen. Als tweede moet blijken welke middelen worden ingezet om de doelen op te zetten, te implementeren en te monitoren. Hiervoor is een projectgroep Diversiteit & Inclusie en een groep ambassadeurs gevormd die zich inzet om het onderwerp beter bespreekbaar en kenbaar te maken. De projectgroep werkt aan een strategisch meerjarenplan Diversiteit & Inclusie voor de periode 2022-2025. Als derde moet de dataverzameling en monitoring zijn beschreven. Met die informatie wordt gendergelijkheid gemeten en zo nodig bijgestuurd. Er is hiervoor onder andere een nulmeting gedaan over inclusiviteit onder medewerkers in 2021. De resultaten worden gebruikt om dit te verbeteren. Ten slotte moet het RIVM laten zien hoe het investeert om gendergelijkheid te ontwikkelen en onder de aandacht te brengen. Het biedt hiervoor trainingen en opleidingen aan die te maken hebben met diversiteit en inclusie.
    • A literature study on the toxicokinetics of structural analogues of the mycotoxin deoxynivalenol

      AD van den Brand; MJB Mengelers (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-12-16)
      Mensen kunnen via graanproducten, zoals brood en koekjes, stoffen binnenkrijgen die gemaakt zijn door schimmels. Deze stoffen noemen we mycotoxinen. Als de concentratie mycotoxinen te hoog is, kan dat schadelijk zijn voor de gezondheid. Dit kan bijvoorbeeld diarree of overgeven veroorzaken. Het RIVM heeft eerder een model gemaakt dat kan berekenen hoeveel van één soort mycotoxine (deoxynivalenol) we via voedsel binnenkrijgen en vervolgens uitplassen. Dit model is bijzonder omdat er alleen metingen in urine voor nodig zijn. In urine kun je mycotoxinen aantonen die in graanproducten niet altijd meetbaar zijn. Op dit moment worden de hoeveelheden mycotoxinen die mensen binnenkrijgen geschat met informatie over gemeten gehaltes in graanproducten, in combinatie met hoeveel ervan wordt gegeten. Het RIVM wil het model nog verder ontwikkelen om het bruikbaar te maken voor andere mycotoxinen in voedsel. Het RIVM heeft daarom in de wetenschappelijke literatuur gezocht voor welke mycotoxinen dat mogelijk is. Dat blijkt voor twee soortgelijke mycotoxinen te kunnen: T2 toxine en HT2 toxine. Ook voor deze mycotoxinen kan het RIVM de relatie berekenen tussen de hoeveelheid die we ervan binnenkrijgen op basis van wat er via urine wordt uitgescheiden. Voor dit onderzoek is informatie verzameld hoe verschillende mycotoxinen zich in dieren ‘gedragen’. Bijvoorbeeld hoe snel zij in het lichaam worden afgebroken en in de urine terechtkomen. Deze kennis bestaat niet over het gedrag van deze mycotoxinen in mensen. Dit onderzoek is gedaan in opdracht van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). De NVWA controleert met steekproeven de concentratie mycotoxinen in granen en andere voedselproducten. Het model kan meer inzicht geven in de concentratie waar mensen aan blootstaan.
    • Referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg 2021

      GJ Kommer; P Engelfriet; E over; J de Sousa Jorge Ferreira; SM Mohnen (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-12-16)
      Het RIVM berekent elk jaar hoeveel ambulances in Nederland in het jaar daarop nodig zijn. In 2022 zijn dat er op werkdagen overdag 652, 10 meer dan in 2021. Op werkdagen in de avond zijn 13 auto’s meer nodig, op werkdagen in de nacht 2 minder dan in 2021. Het ‘referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg’ berekent het aantal ambulances waarmee de ambulancezorg in Nederland kan worden uitgevoerd. Dit model is gebaseerd op een aantal uitgangspunten voor de Nederlandse ambulancezorg. Voorbeelden zijn de tijd na een melding waarbinnen een ambulance ter plaatse moet zijn en de spreiding van de standplaatsen over het land. De berekening wordt normaal gesproken gemaakt op basis van het aantal ambulanceritten en de duur ervan in het jaar ervoor. Dit keer zijn de gegevens gebruikt van de jaren 2015 tot en met 2019. De gegevens over 2020 zijn niet gebruikt omdat het aantal ritten in dat jaar lager was dan verwacht door de uitbraak van het coronavirus SARS-CoV-2. Ook duurde een rit in 2020 gemiddeld langer dan verwacht. Het RIVM heeft op drie verschillende manieren het feitelijk aantal ritten van 2020 gecorrigeerd en ??n methode als de beste aangewezen. Het ministerie van VWS, de Ambulancezorg Nederland (AZN) en Zorgverzekeraars Nederland (ZN) hebben dit advies overgenomen. Het RIVM heeft deze methode vervolgens gebruikt in het referentiekader-2021. De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) gebruikt de uitkomsten van het referentiekader in haar rekenmodel om de regionale budgetten te bepalen.
    • Innovating the integration of ecological and human health Risk Assessment: Connecting concepts and cases (IRAC) - Identification phase, parallels and integration

      de Knecht, J; Marinkovic, M; Dang, Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-12-16)
      Er bestaan aparte methoden om risico’s van stoffen voor mensen en voor het milieu te beoordelen. Hoewel beide methoden risico’s beoordelen, gebruiken ze andere testmethoden en verschillen de doelen (denk aan effecten op organen bij mensen versus effecten op groepen dieren in het milieu). Toch kan de kwaliteit van een risicoanalyse van een stof beter worden als de resultaten van beide typen risicobeoordelingen worden samengevoegd. Dan kunnen de methoden nog beter aangeven voor welke stoffen de overheid met voorrang beleid moet maken. Ook zijn er mogelijk ook minder dierproeven nodig. Het RIVM heeft daarom de verschillen en overeenkomsten van de risicobeoordelingen voor mens en milieu in kaart gebracht. Hieruit blijkt dat ze vergelijkbare gegevens en modellen gebruiken om te voorspellen hoeveel van een stof in het milieu terechtkomt en aan welke hoeveelheid stoffen mens en dier worden blootgesteld. De hoeveelheden die in verschillende diersoorten terechtkomen zijn echter niet gelijk. Als we diersoorten met elkaar willen vergelijken, is het noodzakelijk om de gehaltes te kennen die in het dier of de mens zitten. Om deze gehalten in een proefdier te bepalen, kunnen modellen worden gebruikt die nabootsen hoe het proefdier stoffen opneemt, verdeelt, verteert en uitscheidt. Lange tijd was er in de wetenschap weinig bekend over de manier waarop stoffen schadelijke effecten veroorzaken in proefdieren en of dat bij verschillende diersoorten op dezelfde manier gebeurt (werkingsmechanisme). De kennis hierover neemt de laatste jaren sterk toe. Wanneer de werking voldoende overeenkomt, kunnen testresultaten van de ene naar de andere soort worden doorvertaald. De resultaten zouden dan kunnen worden gecombineerd met modellen die aangeven hoe een dier op een interne dosis van een stof reageert. Dit kan ook helpen de resultaten van andere (reageerbuis) testmethoden te vertalen naar de reactie in cellen en in het hele organisme.
    • Radioactiviteitsmetingen aan ‘negatieve ionen’-consumentenproducten

      PN Brandhoff (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-12-16)
      Van producten met ‘negatieve ionen’, zoals sieraden en slaapmaskers, zeggen verkopers dat ze de gezondheid verbeteren. Maar deze producten kunnen radioactieve stoffen bevatten die zogeheten ioniserende straling uitzenden. Deze straling kan weefsel en DNA beschadigen, wat schadelijk is voor de gezondheid. De drager van de sieraden staat aan deze straling bloot. In de Verenigde Staten mogen deze producten daarom inmiddels niet meer worden verkocht. Op verzoek van de ANVS heeft het RIVM onderzoek gedaan aan 10 negatieve ionen-producten. De aanleiding was een signaal van een inwoner van Nederland dat negatieve ionen-producten radioactieve stoffen kunnen bevatten. Het RIVM heeft uitgezocht of dit echt zo was, en aan welke stralingsdosis de huid blootstaat als iemand het product draagt. Alle 10 producten bevatten meer radioactiviteit dan volgens de wet is toegestaan. De drager van de producten staat hierdoor via de huid bloot aan een extra dosis straling. Ook kan niet worden uitgesloten dat bijvoorbeeld de huid rood wordt op de plek waar het product wordt gedragen. In de wet staat dat er geen radioactiviteit in consumentenproducten mag zitten, tenzij daarvoor een rechtvaardiging is afgegeven. Dat is niet het geval voor deze producten. Rechtvaardiging betekent dat blootstelling aan ioniserende straling alleen is toegestaan als de voordelen opwegen tegen de mogelijke gezondheidsschade.
    • Monitoringsrapportage NSL 2021. Stand van zaken Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit

      de Smet, PAM; Visser, S; Geijer, MG; Valster, NL; Huitema, MS; Wesseling, JP; Groot Wassink, H; Sanders, A (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-12-15)
      In het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) werken de overheden sinds 2009 samen om de luchtkwaliteit te verbeteren. De monitor is onder andere bedoeld om te kijken of Nederland de Europese grenswaarden haalt en of extra maatregelen nodig zijn om ze toch zo snel mogelijk te halen. Het RIVM rapporteert elk jaar over stikstofdioxiden en fijnstof in de lucht. Uit de monitoringsrapportage 2021 blijkt dat de luchtkwaliteit in 2020 verder is verbeterd. Voor het eerst voldoet Nederland voor wegverkeer aan de Europese grenswaarden voor stikstofdioxide. Dat komt omdat de concentraties stikstofdioxide bij de verkeerswegen in 2020 in heel Nederland onder deze grenswaarden liggen. Voor fijnstof is dat net niet zo. In Velsen ligt in 2020 een klein stuk weg van 100 meter niet onder de grenswaarde; dat is wel het geval langs wegen in de rest van Nederland. Op enkele woonlocaties in gebieden met intensieve veehouderijen worden de grenswaarden van fijnstof ook nog overschreden. De lage concentraties voor stikstofdioxide en fijnstof komen onder andere door de maatregelen vanwege de uitbraak van het coronavirus SARS-CoV-2 in 2020. Er was daardoor binnen en buiten Nederland minder verkeer en economische activiteit, en dus minder uitstoot. Dit effect is waarschijnlijk tijdelijk. Het is niet duidelijk of dat helemaal verdwijnt als de maatregelen worden opgeheven. De verwachting is wel dat de luchtkwaliteit de komende jaren verder verbetert doordat verkeer, industrie en veehouderijen minder stikstofdioxide en fijnstof uitstoten. Zo worden nieuwe auto’s steeds schoner of zijn ze elektrisch. Ook komen er steeds meer ‘lage-emissie zones’ in steden. Hier mogen bijvoorbeeld nog maar een beperkt aantal brandstofauto’s rijden of alleen elektrische auto’s. Schone lucht is belangrijk voor de volksgezondheid. Ook bij concentraties onder de Europese grenswaarden is luchtverontreiniging nog schadelijk. Daarom heeft de overheid het Schone Lucht Akkoord (SLA) opgesteld om de luchtkwaliteit in Nederland tot 2030 nog verder te verbeteren. De rijksoverheid, provincies en diverse gemeenten hebben daar afspraken over gemaakt. Nederland voldoet voor stikstofdioxide in 2020 aan de advieswaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) uit 2005. Voor fijnstof is dat niet zo. In september 2021 maakte de WHO nieuwe, lagere advieswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof bekend. In grote delen van Nederland liggen de concentraties hier boven. Het is aan de overheid om te bepalen of en hoe Nederland hieraan wil voldoen.
    • The environmental impact of EUR 85 billion in annual procurement by all Dutch governments. A study that helps to prioritise in sustainable public procurement (SPP)

      Steenmeijer, MA; van der Zaag, JD; Corts, JC; Tauber, JM; Hollander, A; van den Berg, T; van der Zande, CPL; Zijp, MC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-12-15)
      In de overgang naar een circulaire economie wil de Nederlandse overheid ook zelf het milieu minder belasten. Daarvoor is het nodig om inzicht te hebben in welke producten en diensten die de overheid inkoopt veel impact op het milieu hebben. Het RIVM heeft daarom uitgezocht hoeveel overheidsorganisaties in totaal uitgeven, aan welke producten en diensten en wat de milieu-impact daarvan is. Dit is gedaan voor 2019. Met de informatie kan de overheid gericht keuzes maken om de milieu-impact te verkleinen. De Nederlandse overheid heeft in 2019 voor 85 miljard euro producten en diensten ingekocht. Dit is 12 procent van de totale inkoop van producten en diensten in Nederland. De klimaatimpact hiervan is zo’n 12 procent van de totale impact van Nederlandse consumptieve bestedingen: zo’n 22 mega ton CO2-equivalenten. Naast de klimaatimpact is naar twee andere thema’s gekeken: het landgebruik dat nodig is om producten te maken en het gebruik van grondstoffen. De inkoop van de overheid omvat zo’n 13 procent van het minerale grondstoffenverbruik en 5 procent van het landgebruik van alle inkoop in Nederland. Het onderzoek laat zien dat de overheid via haar inkoop ook zelf veel kan bijdragen om de energietransitie en circulaire economie te realiseren, én het verlies aan biodiversiteit terug te dringen. Bij dit onderzoek is gekeken naar milieu-impacts in de hele keten die nodig is om het product of de dienst te leveren: de productie, het transport en de verwerking van afval. De milieu-impacts verschillen sterk per productgroep. Met de aanleg en het onderhoud van gebouwen en wegen blijkt de bouw veel effect te hebben op alle drie de thema’s. De productgroepen energie en transport hebben veel effect op het klimaat. Wat betreft landgebruik draagt catering veel bij. Op het grondstoffenverbruik hebben onder andere machinerie en elektronica veel effect. Het RIVM heeft dit overzicht in samenwerking met de adviesbureaus Metabolic en Purfacts gemaakt. Zij hebben gekeken naar de inkoop van de rijksoverheid, provincies, gemeenten, waterschappen, scholen, academische ziekenhuizen en speciale-sectorbedrijven. Ontwikkelen van de methode stond centraal.
    • Herziene versie: De milieu-impact van de jaarlijkse 85 miljard euro aan inkoop door alle Nederlandse overheden

      Steenmeijer, MA; van der Zaag, JD; Corts, JC; Tauber, JM; Hollander, A; van den Berg, T; van der Zande, CPL; Zijp, MC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-12-15)
      Dit rapport is een herziene versie van RIVM-rapport 2021-0087. In de overgang naar een circulaire economie wil de Nederlandse overheid ook zelf het milieu minder belasten. Daarvoor is het nodig om inzicht te hebben in welke producten en diensten die de overheid inkoopt veel impact op het milieu hebben. Het RIVM heeft daarom uitgezocht hoeveel overheidsorganisaties in totaal uitgeven, aan welke producten en diensten en wat de milieu-impact daarvan is. Dit is gedaan voor 2019. Met de informatie kan de overheid gericht keuzes maken om de milieu-impact te verkleinen. De Nederlandse overheid heeft in 2019 voor 85 miljard euro producten en diensten ingekocht. Dit is 12 procent van de totale inkoop van producten en diensten in Nederland. De klimaatimpact hiervan is zo’n 12 procent van de totale impact van Nederlandse consumptieve bestedingen: zo’n 22 mega ton CO2-equivalenten. Naast de klimaatimpact is naar twee andere thema’s gekeken: het landgebruik dat nodig is om producten te maken en het gebruik van grondstoffen. De inkoop van de overheid omvat zo’n 13 procent van het minerale grondstoffenverbruik en 5 procent van het landgebruik van alle inkoop in Nederland. Het onderzoek laat zien dat de overheid via haar inkoop ook zelf veel kan bijdragen om de energietransitie en circulaire economie te realiseren, én het verlies aan biodiversiteit terug te dringen. Bij dit onderzoek is gekeken naar milieu-impacts in de hele keten die nodig is om het product of de dienst te leveren: de productie, het transport en de verwerking van afval. De milieu-impacts verschillen sterk per productgroep. Met de aanleg en het onderhoud van gebouwen en wegen blijkt de bouw veel effect te hebben op alle drie de thema’s. De productgroepen energie en transport hebben veel effect op het klimaat. Wat betreft landgebruik draagt catering veel bij. Op het grondstoffenverbruik hebben onder andere machinerie en elektronica veel effect. Het RIVM heeft dit overzicht in samenwerking met de adviesbureaus Metabolic en Purfacts gemaakt. Zij hebben gekeken naar de inkoop van de rijksoverheid, provincies, gemeenten, waterschappen, scholen, academische ziekenhuizen en speciale-sectorbedrijven. Ontwikkelen van de methode stond centraal.
    • Effect van verschillende ventilatie-hoeveelheden op aerogene transmissie van SARS-CoV-2. Risicoschatting op basis van het AirCoV2-model

      Bartels AA; Schijven J; Delmaar JE; Duizer E (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-12-15)
      Het RIVM heeft berekend wat het effect is van verschillende hoeveelheden ventilatie van binnenruimten op 'aerogene transmissie' van het coronavirus SARS-CoV-2. Aerogene transmissie betekent besmettingen met het virus via kleine druppels (aerosolen) die over een grotere afstand dan anderhalve meter en over langere tijd kunnen blijven zweven in de lucht. Ventileren helpt om aerogene transmissie te beperken. Bij ventileren wordt continu verse buitenlucht aan een ruimte toegevoerd waardoor de lucht in een binnenruimte wordt ververst. Vanwege een goed binnenklimaat moeten alle gebouwen in Nederland, waaronder woningen, aan de minimale ventilatie-eisen van het Bouwbesluit voldoen. Het blijkt dat ventilatie volgens de minimale eisen van het Bouwbesluit 2012 voor bestaande gebouwen de kans op aerogene transmissie flink verkleint in vergelijking met niet-ventileren. Nog meer ventileren maakt de kans nog kleiner, maar het effect daarvan is minder groot. Ventilatie neemt het risico op aerogene transmissie nooit helemaal weg. Ook bij heel veel ventilatie, waarbij de binnenlucht bijvoorbeeld elke 2 minuten helemaal wordt ververst, blijft een kans bestaan dat het virus op deze manier wordt overgedragen. Het RIVM heeft voor bepaalde publieke binnenruimtes berekend welk effect ventilatie naar verwachting heeft op het aantal mensen dat ziek wordt. Voorbeelden zijn een nachtclub, een kleine en een grote concertzaal, een klaslokaal, een kantoorruimte en een supermarkt. Ventilatie verkleint het verwachte aantal zieken het meest in de nachtclub en beide concertzalen. Het onderzoek geeft handvatten om beleidskeuzes te maken. Het is niet mogelijk om op basis van de resultaten aan te geven welk risico acceptabel is en wat een optimale hoeveelheid ventilatie is. Hiervoor zijn andere afwegingen nodig tussen aanvaardbare risico’s en eisen aan comfort, de kosten van aanschaf en onderhoud, en energiegebruik. Het is een beleidskeuze om te bepalen welk risico na deze afwegingen acceptabel wordt gevonden. Het gaat in dit onderzoek alleen om het risico op besmetting via aerogene transmissie. Het gaat niet om andere manieren waarop mensen besmet kunnen raken, zoals besmetting binnen anderhalve meter afstand (directe transmissie).
    • Methode voor het bepalen van hoogblootgestelde gebieden in Nederland. Ondersteuning. Schone Lucht Akkoord (SLA)

      Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-12-15
      De Nederlandse overheid wil de luchtkwaliteit verbeteren en heeft hiervoor in 2020 het Schone Lucht Akkoord (SLA) gesloten met gemeenten en provincies. In sommige delen van Nederland staan mensen bloot aan hogere concentraties luchtverontreinigende stoffen (fijnstof en stikstofdioxide). De Gezondheidsraad adviseerde in 2018 extra maatregelen te nemen om de luchtkwaliteit te verbeteren in deze 'hoogblootgestelde gebieden'. Om daarover te kunnen beslissen, moet eerst duidelijk worden waar deze gebieden precies liggen. Het RIVM heeft een methode ontwikkeld om te kunnen bepalen welke gebieden hoogblootgesteld zijn in Nederland. De onderzoekers hebben hiervoor vier criteria ontwikkeld. Deze zijn in overleg met het rijk, provincies, gemeenten (de SLA-partners) en de werkgroep Lucht van de GGD bepaald. De SLA-partners moeten kiezen hoe ze deze criteria invullen. Inmiddels zijn de keuzes voor drie criteria gemaakt: jaartal waarmee de luchtconcentraties worden vergeleken, grootte van het gebied, en de effecten waarnaar wordt gekeken. Het vierde criterium schrijft voor dat beleidsmatige keuzes moeten worden gemaakt over wat haalbaar en gewenst is om de gezondheid door een schonere lucht te verbeteren. Het blijkt niet mogelijk om dat criterium op basis van objectieve, inhoudelijke overwegingen in te vullen. Er kan daardoor nu nog geen overzicht worden gemaakt van hoogblootgestelde gebieden in Nederland. Hier is meer onderzoek voor nodig. De SLA-partners willen daarom eerst proberen de luchtkwaliteit in mogelijke hoogblootgestelde gebieden te verbeteren door zich daar samen voor in te spannen. De partners willen dit in een aantal pilots verder uitzoeken. Het liefst in gebieden in Nederland waar de luchtvervuiling meer invloed op de levensduur van mensen heeft dan in andere gebieden. Dat zijn bijvoorbeeld gebieden met veel industrie of intensieve veehouderij, in steden met veel verkeer, en bij havens. Met deze kennis kan ook de methode worden verfijnd. Het RIVM heeft de methode in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) gemaakt.