• Workability of the guidance documents for the category or read-across approach for selected groups of chemicals

      Rila JP; Bos PMJ; Hulzebos E; Hakkert BC; SEC; SIR (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2007-03-19)
      De huidige internationale richtsnoeren om chemische stoffen van vergelijkbare structuur groepsgewijs te toetsen op mogelijke risico's hebben meer toelichting nodig om ze goed te kunnen toepassen. Dat blijkt uit een onderzoek van het RIVM naar de bruikbaarheid van deze richtsnoeren. Aanleiding voor het RIVM-onderzoek is de nieuwe Europese wetgeving voor productie, handel en gebruik van chemische stoffen (REACH), die halverwege 2007 in werking treedt. Die schrijft voor dat 30.000 chemische stoffen getoetst moeten worden op mogelijke gevaren. Om het grote aantal chemicalien te kunnen toetsen, zijn diverse dierproefvrije methoden ontwikkeld, zoals QSARS, in vitro-methoden en de categorie- of read-acrossbenadering. Van slechts een beperkt aantal chemische stoffen is bekend welke fysisch-chemische en toxicologische kenmerken ze vertonen; denk daarbij bijvoorbeeld aan huidirritatie, oplosbaarheid in water, afbreekbaarheid in het milieu. De categorie- of read-acrossbenadering maakt gebruik van beschikbare stofinformatie om chemische stoffen met een vergelijkbare structuur waarvoor weinig van deze data beschikbaar zijn, toch te kunnen toetsen. De huidige richtsnoeren voor deze benadering kunnen worden gebruikt als basisdocument. Enkele verbeterpunten zijn gewenst in de verdere ontwikkeling van de REACH-richtlijnen. Belangrijk aandachtspunt daarbij is een heldere definitie van de categorieen die voor read-acrossbenaderingen worden gebruikt om te voorkomen dat ongelijkwaardige data worden vergeleken. Die onderbouwing en een heldere documentatie van gegevens voor deze benadering bepalen in hoge mate de bruikbaarheid van het nieuwe systeem.
    • Workshop Omgevingskwaliteit

      Poll R van; Kamp I van; LBM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2002-01-03)
      During a short workshop the concept of 'quality' was presented and discussed from four different perspectives: a health care, a socio-cultural, a socio-psychological, and an environmental perspective. It was concluded that there still exists a major gap between theory (rather abstract) and practice (mainly data-driven). Furthermore it was considered important to maintain the distinction between the subjective (e.g. perceived environmental quality) and the objective (e.g. measurable, countable) features of the quality concept. Regarding the goals the concept should serve an analysis of environmental policy goals was suggested. Finally, it was concluded that clear-cut definitions of environmental quality were still lacking. This workshop will be continued in 2001. It will focus on the quality of the (urban) residential environment. Next to the health and environmental perspective other perspectives will be discussed.
    • Workshop Omgevingskwaliteit

      van Poll R; van Kamp I; LBM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2002-01-03)
      Tijdens een korte workshop over het begrip kwaliteit werd het begrip (omgevings)kwaliteit vanuit vier perspectieven (gezondheidszorg, sociaal-psychologisch, sociaal-cultureel en milieukunde) toegelicht. De belangrijkste uitkomsten van de discussie naar aanleiding van de presentaties waren de constatering dat er een kloof bestaat tussen theorie (te abstract) en praktijk (te zeer data-gestuurd). Verder werd bij het begrip omgevingskwaliteit van belang geacht een duidelijk onderscheid te handhaven tussen subjectieve (ervaren omgevingskwaliteit) en objectieve (telbaar, meetbaar) aspecten. Ook werd gewezen op het belang van een beleidsdoelanalyse (welk(e) doel(en) moet het begrip dienen). Slotconclusie was de constatering dat eenduidige begrips- en operationele definitie van (omgevings)kwaliteit nog steeds ontbreekt. In het najaar van 2001 wordt een vervolg op deze workshop georganiseerd. Deze workshop zal zich meer toespitsen op de kwaliteit van de leefomgeving waarbij naast gezondheid en milieu andere invalshoeken aan bod zullen komen.<br>
    • Workshop Postlaunch Monitoring &apos;Functional Foods&apos;, waar ligt de rol van sector VCV?

      de Jong N; Ocke MC; CVG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2003-08-19)
      Op 18 december 2002 werd er binnen de sector Voeding en ConsumentenVeiligheid van het RIVM een workshop gehouden met als doelstelling de positie en de gewenste taken van de sector in een Postlaunch Monitoring (PLM) systeem voor 'functional foods' in kaart te brengen. PLM dient ervoor om systematisch de (onverwachte) effecten van 'functional foods' te kunnen monitoren nadat de voedingsmiddelen op de markt gekomen zijn onder vrije condities van gebruik. PLM moet zich in eerste instantie richten op veiligheidsaspecten, maar er kunnen ook effectiviteitsvraagstukken binnen PLM behandeld worden. Effecten waar postlaunch naar gekeken kan/moet worden zijn bijvoorbeeld: cumulatieve effecten, interactie-effecten, lange termijn effecten en effecten in risicogroepen. Er waren in totaal 18 deelnemers van de verschillende afdelingen van de sector aanwezig. De discussie was opgedeeld in 3 deelonderwerpen: 1) moeten we ons binnen PLM richten op 'functional foods', op 'novel foods' of op beide categorieen?2) moeten we ons binnen PLM richten op veiligheid of op zowel veiligheid als effectiviteit?3) voor welke PLM fasen liggen er taken voor de sector?Consensus werd bereikt over het feit dat PLM activiteiten binnen de sector zich moeten richten op veiligheid op het niveau van stoffen. Dientengevolge was het niet meer aan de orde of deze stoffen tot de functionele categorie en/of novel categorie behoren. De sector ziet vooral taken op het gebied van actieve rooksignalering/blootstellingsonderzoek, inschatting van de relevantie van de rook/blootstelling, kwantificeren van de rook/blootstelling en de kwantitatieve afweging van gezondheidsverlies versus -winst. De activiteiten zullen uitmonden in advisering. Voor die PLM taken die bedrijfsmatig uitgevoerd kunnen en moeten worden zou de sector graag de evaluatie op zich willen nemen.<br>
    • Workshop Postlaunch Monitoring 'Functional Foods', waar ligt de rol van sector VCV?

      Jong N de; Ocke MC; CVG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2003-08-19)
      In December 2002 the RIVM's Nutrition and Consumer Safety Division held a workshop aimed at defining its position and future tasks in a Post-launch Monitoring (PLM) system for functional foods, which is yet to be developed. Here, (unexpected) effects of the use of functional foods after marketing and under customary conditions would be monitored systematically. PLM should focus primarily on safety aspects; however, efficacy questions could also arise within the PLM system. Effects that could be studied after launching foods on the market are, for example, cumulative, interactive, long-term and risk-group oriented. In total, 18 participants representing the different centres within the division contributed to the discussion, which was split into three parts under the following questions :1) Should we focus on functional foods, novel foods or both within PLM?2) Should we focus on safety aspects only, or on safety as well as efficacy? 3) To what PLM tasks can the division contribute?Consensus was reached on what the focus of the PLM activities would be, i.e. safety aspects on the substance level. Consensus also made the need to discuss further about functional food, novel food or combined focus (part 1 of the discussion) superfluous. The division would prefer special focus to be given to tasks like active 'smoke' detection/exposure studies, assessment of the relevance of 'smoke'/exposure in terms of public health, quantification of the 'smoke'/exposure and quantitative evaluation of positive and negative public health effects. Division research results will be used to advise the Dutch government. In addition, the division would like to be able to evaluate the PLM activities carried out by industry.
    • Zeer Zorgwekkende Stoffen : Screening op aanwezigheid in het milieu

      van Leeuwen LC; ICH; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2015-11-25)
      De Nederlandse overheid pakt Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS) met voorrang aan. Het RIVM heeft daarom onderzocht welke stoffen binnen de ZZS direct aandacht vragen. Dat is het geval als ze vrijkomen of in Nederland in het milieu aanwezig zijn. Bij het merendeel van de onderzochte ZZS kan dat niet op voorhand worden uitgesloten. Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS) zijn gevaarlijk voor mens en milieu, bijvoorbeeld omdat ze kankerverwekkend kunnen zijn, het voortplantingsproces kunnen schaden of zich in de voedselketen kunnen ophopen. Voorbeelden van ZZS zijn het oplosmiddel benzeen en broomhoudende vlamvertragers. Doel van het overheidsbeleid is om deze stoffen zoveel mogelijk uit de Nederlandse leefomgeving te weren. Dit gebeurt onder meer door ZZS door minder gevaarlijke stoffen te vervangen, of door in vergunningen regels te stellen om lozingen op water en uitstoot naar de lucht te beperken. Voor Nederland relevante ZZS vragen als eerste aandacht. Deze stoffen worden gemeten in het milieu, of komen mogelijk vrij als gevolg van productie en gebruik, of ze ontstaan en komen vrij als onbedoeld bijproduct. Ze kunnen op allerlei plaatsen worden ingezet in de keten van ontwikkeling, productie en gebruik van producten en op uiteenlopende manieren. Dit maakt het moeilijk om aan te geven welke specifieke stoffen of stofgroepen direct aandacht vanuit het beleid vragen om zo risico's voor mens en milieu te verminderen. Het RIVM draagt daarom verschillende suggesties voor vervolgonderzoek aan. Dit betreft onder andere onderzoek naar de beleidsmogelijkheden om mogelijke risico's verder te beperken van ZZS in het algemeen, en de groep (grondstoffen voor) kleurstoffen in het bijzonder. Ook stelt het RIVM voor om de diverse prioriteringsmethoden die nu voor verschillende categorieën stoffen bestaan (zoals consumentenproducten en stoffen op de werkvloer) te combineren. Op die manier zou preciezer kunnen worden aangegeven welke ZZS voor Nederland relevant zijn. Op verzoek van de opdrachtgever zijn voor deze screening uitsluitend openbare bronnen over stoffengegevens gebruikt en is de industrie niet om bedrijfsgevoelige informatie gevraagd.
    • Zeer Zorgwekkende Stoffen in de circulaire maakindustrie

      van Kuppevelt, MA; Klingenberg, A (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2019-10-30)
      De Nederlandse overheid wil ervoor zorgen dat in 2050 zo veel mogelijk producten en materialen opnieuw worden gebruikt. Hiervoor is een overgang nodig naar een circulaire economie. Een onderdeel van de economie is de zogeheten maakindustrie. Hierin worden producten gemaakt van onder andere metalen en kunststoffen. Dit zijn allerlei producten, van elektrische fietsen tot graafmachines. Om de maakindustrie circulair te krijgen moet duidelijk zijn welke materialen en producten hierin worden gebruikt. Het ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) en TNO hebben daarom een overzicht gemaakt van de belangrijkste grondstoffen, materialen en producten van de maakindustrie. In veel van deze grondstoffen, materialen en producten blijken Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS) te zitten. Die stoffen zijn uiterst schadelijk voor mens en milieu, waardoor de materialen en dergelijke waar ze in zitten mogelijk niet kunnen worden hergebruikt. Ook blijkt vaak informatie te ontbreken over welke stof waar precies in zit. Dit blijkt uit aanvullend onderzoek van het RIVM. Het overzicht van ZZS in de producten en materialen van de maakindustrie is niet compleet vanwege de korte doorlooptijd van het RIVM-onderzoek. Het RIVM beveelt aan dat de overheid en de maakindustrie vervolgonderzoek (laten) uitvoeren. Het RIVM adviseert ook een betere informatievoorziening over ZZS op te zetten. ZZS kunnen in de grondstoffen zitten of om functionele redenen aan producten worden toegevoegd. De Nederlandse overheid wil het gebruik van ZZS minimaliseren zodat materialen veilig kunnen worden hergebruikt in een circulaire economie.
    • Zeer Zorgwekkende Stoffen: prioriteringsopties voor beleid

      de Poorter LRM; van Leeuwen LC; MSP; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2016-12-12)
      Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS) worden door de Nederlandse overheid met voorrang aangepakt, omdat ze gevaarlijk zijn voor mens en milieu. Voorbeelden zijn stoffen die kankerverwekkend zijn of de voortplanting belemmeren. Momenteel zijn ongeveer 1400 van dit soort stoffen bekend en op een lijst geplaatst. Vergunningverleners en het ministerie van IenM hebben echter behoefte aan een handzamere ZZS-lijst, met een nadere prioritering die nauwer aansluit bij de Nederlandse situatie. Deze focus is echter lastig aan te brengen, wijst RIVM-onderzoek uit. Voor Nederland ontbreekt voor de meeste ZZS eenvoudig toegankelijke informatie over productie, gebruik en emissies. Dit vormt een belemmering om ZZS aan te wijzen waar extra aandacht voor nodig is, bijvoorbeeld via een aanpak bij de bron of via het stimuleren van onderzoek naar veilige alternatieven. Het RIVM doet daarom aanbevelingen om meer grip op deze stoffen te krijgen, zoals een nationaal stoffenregistratiesysteem, waarin wordt vastgelegd welke ZZS in omloop zijn in Nederland. Deze aanbevelingen zijn onder andere gebaseerd op twee analyses naar mogelijkheden om focus aan te brengen in de lijst van ZZS-stoffen. De eerste analyse bouwt voort op de lopende RIVM-projecten over 'nieuwe en opkomende risico's van stoffen'. Deze bieden een goede systematiek om nieuwe risicovolle stoffen te identificeren, maar ook voor deze stoffen ontbreekt kennis over het gebruik in Nederland. De tweede analyse laat zien dat voor een deel van de ZZS-kleurstoffen en grondstoffen voor kleurstoffen geen Europese wetgeving bestaat met specifieke eisen om emissies in te perken. Deze stoffen zijn in principe kandidaten voor een gerichter ZZS-beleid. Het RIVM vraagt daarnaast aandacht voor (vervangende) stoffen die (nog) niet als ZZS zijn aangemerkt vanwege een gebrek aan data, maar waarover een soortgelijke zorg bestaat op basis van hun chemische structuur en gebruik.
    • Zeeschepen: metingen van chemische stoffen in brandstoffen en rookgassen :

      Mooij M; Gerlofs-Nijland ME; Swart DPJ; IMG; mev (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2010-08-30)
      In opdracht van de VROM-Inspectie heeft het RIVM in 2008 de chemische samenstelling vastgesteld van brandstoffen en rookgassen van zeeschepen op de Westerschelde en het Noordzeekanaal. Hieruit blijkt dat stookolie meer zwavel en zware polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) bevat dan gasolie. Het gemiddelde zwavelgehalte in brandstoffen was voor schepen varende op stookolie hoger dan voor schepen varende op gasolie (1,6% versus 0,13%). Voor schepen die aan de wal lagen en hun hulpmotoren of generatoren op gasolie hadden draaien, was het gemiddelde zwavelgehalte in de brandstof 0,21%. In vergelijking met twee jaar geleden is het zwavelgehalte in stookolie gedaald van 2,2 naar 1,6 , in lijn met het beleid. Aan de stofdeeltjes in de rookgassen van schepen kleven allerlei verontreinigingen. De resultaten van de metingen van stofgebonden PAK in de rookgassen van zeeschepen die op stookolie varen waren groter dan in de rookgassen van schepen die op gasolie varen. De meeste stofgebonden elementen in de rookgassen van schepen waren groter bij schepen die op stookolie varen dan die op gasolie varen. Maar dit geldt niet voor alle verontreinigingen. De fijnstoffracties in rookgassen bleek voor 70 massaprocent uit de ultrafijne fracties (PM0,1) te bestaan, voor 28% uit de fijne fracties (PM00,1-2,5) en voor 2% uit de zogeheten coarse fracties (PM2,5-10). De ultrafijne fracties zijn schadelijker voor de gezondheid omdat ze kleiner zijn en dus dieper in de luchtwegen terecht kunnen komen. De rookgassen zijn verder nog onderzocht op de zwaveldioxideuitstoot. De gemiddelde emissie zwaveldioxide in rookgassen was 15 gram per seconde. Het onderzoek is de laatste van een reeks van drie, die in zowel 2006, 2007 en 2008 in een gelijke setting uitgevoerd zijn. Vanaf 2007 werd onderzoek naar fijn stof in rookgassen daaraan toegevoegd.
    • Zeewierconsumptie in Nederland

      Dinnissen, C; Nawijn, E; Brants, H; van Rossum, C (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2021-05-10)
      De indruk bestaat dat steeds meer mensen in Nederland zeewierproducten eten. Sushi is de bekendste vorm, maar zeewier zit in verschillende producten. Er was nog weinig bekend over om hoeveel mensen het gaat. Het RIVM heeft dat nu voor het eerst onderzocht. Daaruit blijkt dat ongeveer een kwart van de Nederlandse bevolking regelmatig producten met zeewier eet. De meeste zeewier wordt gegeten in de vorm van chips/kroepoek of wraps met zeewier, noedels op basis van zeewier, zeespaghetti en zeewiersalade. Zeewier wordt door alle lagen van de bevolking gegeten. Hoogopgeleiden, mensen die meer dan modaal verdienen, bewoners van steden en jongvolwassenen eten dit in verhouding vaker. Mensen die dit soort producten eten, krijgen per dag 0,05 gram zeewier per kilogram lichaamsgewicht binnen. Omgerekend naar gedroogd zeewier is dit 0,5 gram per dag (beide hoeveelheden zijn medianen). Het verschilt sterk per persoon hoeveel en hoe vaak ze zeewier eten. Het RIVM heeft dit onderzoek in opdracht van de NVWA gedaan. De NVWA gaat de resultaten gebruiken om de voedselveiligheid van producten met zeewier te beoordelen. Aan dit onderzoek hebben 2710 mensen tussen de 1 en 80 jaar meegedaan. Hen (of de verzorgers van jonge kinderen) is gevraagd hoe vaak zij zeewier eten en in welke vorm. 632 mensen gaven aan zeewier te hebben gegeten in de vier weken voorafgaand aan de enquête.
    • Zeldzame aarden in drinkwater en drinkwaterbronnen

      Verweij W; van den Velde-Koerts T; de Boer JLM; Mennes W (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1994-01-31)
      A survey has been carried out to measure the concentrations of rare earth elements in drinking water and its cources in the Netherlands. Rare earth elements occur in the earth's crust and, by weathering, also in surface water and groundwater. In surface water rare earth elements were found in concentrations up to 1000 ng/L. In drinking water produced from surface water no concentrations above the detection limits were found. In many of the groundwater samples no rare earth elements were found at all. In a few samples, however, high concentrations of up to 30,000 ng/L were measured. No correlation was found between high concentrations and low pH, although this is sometimes suggested in the literature. High concentrations of rare earth elements were only found in phreatic water with low bicarbonate content collected at a relatively low depth. During purification the concentrations decreased to nearly zero at a few pumping stations, but remained high at a few others. The toxicological data on rare earth elements were evaluated, resulting in indicative admissible concentrations. A comparison, showed that at two of the twenty investigated pumping stations one or more indicative admissible concentrations were exceeded. A more detailed assessment of the concentrations of rare earth elements in Dutch drinking water and its sources is recommended.<br>
    • Zeldzame aarden in ruw en rein water van freatische grondwaterwinningen

      Verweij W; Velde-Koerts T van der; Ritsema R; Mons MN; LWD; LAC (1995-12-31)
      Bij 36 drinkwaterpompstations (alle freatische grondwaterwinningen) is ruw en rein water bemonsterd en geanalyseerd op een zevental zeldzame aarden. Het doel was de omvang van een eerder geconstateerd probleem beter in kaart te brengen. In ruw water werden bij achttien van de 36 pompstations een of meer van de geanalyseerde elementen aangetroffen ; bij vijf van deze achttien werden alle of op een na alle geanalyseerde elementen aangetroffen. Bij drie pompstations kwamen in het ruwe water een of meer zeldzame aarden voor in concentraties boven de Indicatieve Toelaatbare Concentraties (ITC's), op toxicologische gronden afgeleide waarden. Voorkomen van zeldzame aarden in ruw grondwater lijkt daarmee een structureel verschijnsel te zijn. In rein water werden bij acht van de 36 pompstations een of meer van de geanalyseerde elementen aangetroffen ; bij twee van deze acht ging het om meer dan een element. Geen enkel element werd aangetroffen in concentraties boven de ITC's. Dit betekent dat bij de meeste pompstations zeldzame aarden worden verwijderd tijdens de zuivering. De hoogte van de concentraties zeldzame aarden in het ruwe water kunnen goed verklaard worden uit de pH van het ruwe water. Bij een lagere pH van het grondwater lossen er meer zeldzame aarden op. Depositie van verzurende stoffen op de bodem kan dan ook, afhankelijk van de hydrologische omstandigheden en de bodemsamenstelling, leiden tot een stijging van de concentraties zeldzame aarden in het ruwe grondwater. Bij pH-waarden beneden circa 5.5 kunnen yttrium, lanthaan en cerium verwacht worden in concentraties hoger dan de ITC's. Het verdient aanbeveling bij dergelijke pH-waarden zeldzame aarden te meten in ruw en rein water om te kunnen beoordelen of aanvullende maatregelen nodig zijn, bijvoorbeeld in de zuivering.
    • Zicht (krijgen) op Zeer Zorgwekkende Stoffen in een circulaire cconomie : Concretisering van een monitoringsstrategie

      van Bruggen, AR; de Boer, LM; Heens, F; Spanbroek, NM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-01-21)
      De Nederlandse overheid streeft naar een volledig circulaire economie in 2050. Daarin worden grondstoffen steeds opnieuw gebruikt zodat er zo min mogelijk afval is. Maar in hergebruikte materialen kunnen schadelijke stoffen zitten. Het is daarom belangrijk te weten of het hergebruikte product of gerecycled materiaal veilig is voor mens en milieu. Een voorbeeld van schadelijke stoffen zijn stoffen met zeer zorgwekkende eigenschappen (ZZS). Ze kunnen bijvoorbeeld kanker veroorzaken of de voortplanting belemmeren. Soms bevatten materialen en producten ZZS die inmiddels verboden zijn. Als deze producten of materialen worden hergebruikt of gerecycled, kunnen ze eruit vrijkomen en in omloop blijven. Het is niet makkelijk om een volledig overzicht te krijgen van ZZS in producten of materialen. Er zijn heel veel soorten ZZS die in heel veel verschillende materialen en producten zitten. Het RIVM heeft een opzet gemaakt voor een methode om de risico's van ZZS in een circulaire economie te achterhalen. Met deze methode kan worden ontleed op welke plek in 'de keten' van productie, gebruik en afvalverwerking ZZS kunnen zitten en waar ze risico's veroorzaken. Met deze inzichten kan bijvoorbeeld in beeld worden gebracht hoe de overheid en het bedrijfsleven zich (kunnen) inzetten om materialen veilig te verwerken. Twee voorbeelden (piepschuim in woningen en minerale olie in voedselverpakkingen) zijn uitgewerkt om de methode te testen. Beleidsmakers kunnen de methode gebruiken om beleid op te stellen voor de circulaire economie. Het RIVM beveelt aan om de uiteindelijke monitor samen met beleidsmakers en het bedrijfsleven te ontwikkelen. Dat vergroot de kans om een veilig hergebruik te garanderen. Dit onderzoek is onderdeel van de integrale circulaire economie rapportage (ICER) en is in opdracht van het Planbureau voor de Leefomgeving uitgevoerd.
    • Zicht op zorg in de Drinkwatervoorziening: de distributie

      Jonker N; Lips F; Versteegh JFM; Kouwe PM; de Jonge JT; LWD (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1999-08-30)
      In 1999 is een onderzoek uitgevoerd bij alle waterleidingbedrijven die beschikken over een distributiesysteem naar de kwaliteit van het organisatorische proces rondom de distributie (proceskwaliteit). Een betrouwbare bedrijfsvoering bij de drinkwatervoorziening is in het belang van de volksgezondheid. De bedrijfsvoering is gebaat bij de aanwezigheid van duidelijke organisatorische regels, procedures, methoden en processen. De mate van zekerstelling van de proceskwaliteit voor het bedrijfsonderdeel distributie is beoordeeld met als referentie het beoogde streefbeeld van de Inspectie Milieuhygiene. De drinkwatersector is sinds 1991 zelf actief bezig om de interne proceskwaliteit te verbeteren aan de hand van de kwaliteitsborgingsnorm NEN-EN-ISO 9001. De opzet van het kwaliteitszorgsysteem dient bij alle bedrijven rond het jaar 2000 te zijn voltooid. Dit is een van de beleidsdoelstellingen uit het Beleidsplan Drink- en Industriewater Voorziening (BDIV) van VROM. Het rapport geeft een beschrijving van de kwaliteit van de bedrijfsvoering en geeft tevens een beeld van de voortgang van het introductieproces van het kwaliteitszorgsysteem. Het onderzoek heeft zich gericht op een breed scala van zorg- en waarborgingsaspecten bij de technische inrichting, onderhoud, veiligheid, hygiene, automatisering en milieuvoorzieningen. De resultaten geven aan dat de meeste bedrijven een kwaliteitszorgsysteem geheel of gedeeltelijk geomplementeerd en operationeel hebben. Implementatie van een kwaliteitssysteem verdient de blijvende aandacht, certificering dient te worden gestimuleerd. Slechts een beperkt aantal bedrijven heeft een milieuzorgsysteem geheel of gedeeltelijk operationeel. Implementatie en certificering van een milieuzorgsysteem vereist de nodige aandacht van de bedrijven. De Inspectie Milieuhygiene zal beide aspecten nadrukkelijk onder de aandacht van de bedrijven brengen. Het blijkt dat 89% van de gevraagde c.q. vereiste procedures bij meer dan de helft van de waterleidingbedrijven aantoonbaar aanwezig is. Hieruit valt op te maken dat het merendeel van de bedrijven hard bezig is om het vereiste niveau tijdig te bereiken. Enkele onderdelen van de procesbesturing en -automatisering verdienen nog de nodige aandacht.<br>
    • Zicht op zorg in de drinkwatervoorziening: de zuivering

      Versteegh JFM; van Gaalen FW; Groen L; LWD (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1997-04-30)
      In 1996 is een onderzoek uitgevoerd naar de interne proceskwaliteit bij 49 productielocaties van drinkwaterbedrijven. Een betrouwbare bedrijfsvoering bij de drinkwatervoorziening is in het belang van de volksgezondheid. De bedrijfsvoering is gebaat bij duidelijke organisatorische regels, procedures, methoden en processen. De mate van zekerstelling van de proceskwaliteit voor het bedrijfsonderdeel zuivering is beoordeeld met als referentie het beoogde streefbeeld van de Inspectie Milieuhygiene. De drinkwatersector is sinds 1991 zelf actief bezig geweest om de interne proceskwaliteit te verbeteren. Dit rapport beschrijft de kwaliteit van de bedrijfsvoering en de voortgang van het introductieproces van het kwaliteitssysteem. Het onderzoek heeft zich gericht op een breed scala van zorg- en waarborgingsaspecten bij de technische inrichting, onderhoud, veiligheid, hygiene, automatisering en milieuvoorzieningen. Het resultaat toont aan dat er tussen de bedrijven grote verschillen in de kwaliteitsborging van de bedrijfsvoering bestaan. De tussentijdse evaluatie van een proces dat nog in ontwikkeling is, is hier mede de oorzaak van. Op de traditioneel sterke punten van de bedrijfstak, een goede techniek en een goede analytische zorg voor het drinkwater, valt weinig af te dingen. Een moderne bedrijfsvoering vereist echter meer. De pompstations waar het kwaliteitssysteem operationeel is, hebben relatief vaker de werkzaamheden vastgelegd in procedures. Voor de meeste pompstations moet nog het nodige werk verricht worden om het vereiste niveau te bereiken. Op enkele onderdelen van de procesbeheersing zijn zelfs zodanige afwijkingen gevonden dat deze bij voorrang om afhandeling vragen.<br>
    • Ziekenhuisopname en poliklinische behandeling in relatie tot ozonconcentraties in de buitenlucht ; een voorbeeldstudie van meta-regressie-analyse

      Preller EA; Hollander AEM de; Heisterkamp SH; Lezenne Coulander C de; CCM (1996-10-31)
      Deze analyse werd uitgevoerd als voorbeeldstudie ten behoeve van de ontwikkeling en evaluatie van een protocol voor meta-regressie-analyse van observationeel epidemiologisch onderzoek, met inbegrip van statistische procedures voor Empirisch Bayesiaanse analyse. De methode beschrijft blootstelling-responsrelaties als een functie van studiekarakteristieken. Op deze wijze is een formele beoordeling mogelijk van heterogeniteit in de studieresultaten als gevolg van verschillen in studiekenmerken, bijvoorbeeld met betrekking tot de onderzoekspopulatie, de definitie van blootstelling of gezondheidseindpunten of de aanwezigheid van verstorende variabelen (confounders). De voorbeeldstudie laat duidelijk zien dat meta-analyse van observationeel onderzoek een nuttig instrument kan zijn bij het maken van formele, kwantitatieve literatuuroverzichten, waarbij subjectiviteit zoveel mogelijk wordt uitgesloten. Aggregatie van beschikbare studie-uitkomsten laat een statistisch significante toename zien van het risico op ziekenhuisbezoek of poliklinische behandeling van 12% bij een toename van de ozonconcentratie van 100 mug/m3 als 8-uursgemiddelde (95% BI: 7-18%). De analyse geeft voorts aanwijzingen dat het effect van ozonepisoden het sterkst is bij kinderen ; de respons voor poliklinische behandeling wegens luchtwegaandoeningen (in de Nederlandse situatie zal dit waarschijnlijk tevens bezoek aan de huisarts omvatten) lijkt sterker dan voor ziekenhuisopname. Tegelijkertijd optredende deeltjesvormige luchtverontreiniging lijkt slechts een geringe invloed op de associatie te hebben.
    • De ziekte van Parkinson in Nederland. Ontwikkelingen in de kennis van de epidemiologie, etiologie en mogelijkheden voor preventie

      Harteloh PPM; VTV (1994-10-31)
      Gezien de gestegen prevalentie van chronische ziekten in Nederland is er een toegenomen behoefte aan overzichten over de nieuwste ontwikkelingen in de kennis. Het voor u liggende rapport geeft een overzicht van de huidige kennis over een aantal aspecten van de ziekte van Parkinson. Nadruk ligt daarbij op de epidemiologie van de ziekte van Parkinson in Nederland, de etiologie van het ziektebeeld en de mogelijkheden voor preventie door interventie op leefstijlfactoren. De ziekte van Parkinson is een chronische ziekte waaraan naar schatting op basis van registratie in de huisartspraktijk tussen de 13.500 en 35.000 personen lijden. De huisarts registreert jaarlijks ongeveer 1.700 nieuwe gevallen van de ziekte van Parkinson. De eerste resultaten van een bevolkingsonderzoek in Nederland onder personen van 55 jaar en ouder tonen een prevalentie van 11 per 1.000 mannen (95%-betrouwbaarheidsinterval 7-16) en 15 per 1.000 vrouwen (95%-betrouwbaarheidsinterval 11-19), hetgeen overeenkomt met 15.300 mannen en 26.300 vrouwen. De ziekte van Parkinson is daarmee een regelmatig voorkomende ziekte onder ouderen. De ziekte van Parkinson wordt veroorzaakt door een combinatie van factoren zoals genetische aanleg, veroudering, en omgeving. Het huidige onderzoek geeft geen eenduidige aanwijzing over een genetische etiologie. Aan omgevingsfactoren in de vorm van een virus, metalen of andere toxische stoffen wordt in combinatie met veroudering een belangrijke rol toegekend. Over de invloed van leefstijlfactoren op het ontstaan van de ziekte van Parkinson is nog niet veel (met zekerheid) bekend. Associaties met roken, voeding (vitamine E) en lichamelijke activiteit worden onderzocht. Veel onderzoek speelt zich op biologisch niveau af waar ook de belangrijkste aangrijpingspunten voor therapeutisch ingrijpen zijn gelegen. De oorzaak van de ziekte van Parkinson is vooralsnog onbekend. Screening op grote schaal lijkt, gelet op de criteria van Wilson en Jungner, momenteel niet zinvol. Hoewel ervan wordt uitgegaan dat de ziekte van Parkinson een pre-klinisch stadium heeft en er, zij het nog niet op grote schaal toepasbare, redelijk betrouwbare screeningsinstrumenten voorhanden zijn, is het arsenaal aan therapeutische mogelijkheden momenteel nog te smal om screening aan de bevolking aan te bieden. Het is dan ook moeilijk om algemene maatregelen op het niveau van primaire of secundaire preventie aan te bevelen. Wat betreft tertiaire preventie gericht op leefstijlfactoren lijken fysiotherapie en logopedie zinvol. Complicaties als vallen en slikstoornissen kunnen erdoor worden voorkomen en het welzijn van de patient wordt erdoor vergroot. De verschillende vormen van in aanmerking komende fysiotherapie dienen echter nog op doeltreffendheid en doelmatigheid getoetst te worden. Een gerichte onderzoeksinspanning om dit te realiseren kan worden aanbevolen.
    • De ziekte van Parkinson in Nederland. Ontwikkelingen in de kennis van de epidemiologie, etiologie en mogelijkheden voor preventie

      Harteloh PPM; VTV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1994-10-31)
      Since chronic diseases are becoming more prevalent in our society, there is a growing need for state-of-the-art reviews of developments in the knowledge of etiology, determinants and prevention of chronic diseases. This report is about Parkinson's disease. It is focused on the epidemiology of Parkinson's disease in the Netherlands, the etiology and determinants of the disease and possibilities of primary, secondary or tertiary prevention, especially in relation to life-style. In the Netherlands it is estimated that there are about 13.500 to 35.000 persons with Parkinson's disease and that every year 1.700 new cases of Parkinson's disease are diagnosed. These estimates are based on registration in general practice. In a population sample of elderly persons (55+) there appeared to be 11 per 1.000 men (95%-confidence interval 7-16) and 15 per 1.000 women (95%-confidence interval 11-19), which means 15.300 men and 26.300 women with Parkinson's disease. It makes Parkinson's disease one of the more common diseases in the elderly. A variety of factors contribute to the development of Parkinson's disease. These factors include combinations of genetic predisposition, aging and environment, and could vary between persons. To date the results of genetic research are inconclusive. So, many investigators postulate an important role for environmental factors in the development of Parkinson's disease. Proposals for specific putative environmental factors include viruses, metals and toxins. Smoking has often been reported to be less common in Parkinson's disease, and this has also been proposed to relate to its etiology. However, the cause of Parkinson's disease is unknown. Also there is not much knowledge of life-style as a cause of Parkinson's disease. Physical exercise and food constituents such as vitamin E might have a protective effect, but more research is still needed.Primary and secondary preventive measures aimed at life-style factors are hard to formulate. Tertiary prevention might be possible because physical exercise or speech therapy could prevent complications such as falling and swallowing the wrong way. The several possibilities still have to be examined on effectiveness and efficiency. More research on this topic is recommended.
    • Ziektelast en kosten van letsel door geweld

      Snijders BEP; Gommer AM; Haagsma JA; Panneman MJ; Polinder S; van Beeck EF; VVG; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2016-06-30)
      Ziektelast is het verlies van gezondheid binnen een bevolking door ziekte en vroegtijdig overlijden. Tot nu toe is de ziektelast van 'letsel door geweld' alleen uitgedrukt als het aantal mensen dat hierdoor vroegtijdig overlijdt. De lichamelijke en psychische gevolgen van letsel door geweld, zonder dat er sprake is van overlijden van het geweldsslachtoffer, zijn nog niet in de ziektelast opgenomen. Door dit wel te doen stijgt de totale ziektelast van letsel door geweld met 73 procent. Vier vijfde van deze stijging is toe te schrijven aan lichamelijk letsel en een vijfde aan de psychische gevolgen (PTSS en depressie) voor de slachtoffers van geweld. Dit blijkt uit een onderzoek over de periode 2009-2013 dat in opdracht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en Veiligheid en Justitie (VenJ) is uitgevoerd. De berekeningen geven een beter beeld van de ziektelast van letsel door geweld. De uitkomsten van de nieuwe berekeningen blijven een onderschatting van de werkelijke cijfers doordat informatie ontbreekt, zoals gegevens over slachtoffers die niet op de eerste hulp zijn geregistreerd. De ziektelast van letsel is berekend voor twee typen geweld met het motief van de dader als onderscheid: expressief geweld (uiting gevoelens, 54 procent) en instrumenteel geweld (gericht op (im)materiële voordelen, zoals geld en macht; 12 procent). Van het resterende deel van de ziektelast is niet bekend om welk type geweld het gaat. De ziektelast van letsel door geweld vormt in Nederland 3 procent van de ziektelast van alle letsels, zoals verkeersongevallen, blessures en suïcidepogingen. Dit percentage is vergelijkbaar met dat van andere Europese landen. Deze vergelijking is gebaseerd op cijfers van de Global Burden Disease (GBD), een internationale studie naar ziektelast. Schattingen van de medische- en verzuimkosten als gevolg van lichamelijk letsel door geweld bedragen in de onderzochte periode (2009-2013) jaarlijks gemiddeld respectievelijk 30 miljoen en 66 miljoen. De geschatte kosten voor de psychische gevolgen van letsel door geweld (PTSS en depressie) zijn aanzienlijk lager ( 5,2 miljoen). Hierbij zijn de kosten van leed als gevolg van bedreiging (een veelvoorkomende vorm van geweld) niet meegenomen, noch de maatschappelijke kosten voor de omgeving (familieleden, getuigen). Het onderzoek is onder regie van het RIVM uitgevoerd door het Erasmus Universitair Medisch Centrum Rotterdam (Erasmus MC) en de Stichting VeiligheidNL.