• The usefulness of Gasterosteus aculeatus -the three-spined stickleback- as a testorganism in routine toxicity tests

      van den Dikkenberg RP; Canton JH; Mathijssen-Spiekman EAM; Roghair CJ (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1989-04-30)
      De stekelbaars (Gasterosteus aculeatus) is een algemeen voorkomende vissoort in Europa, grote delen van Azie en Noord-Amerika in veel typen wateren. De gevoeligheid van de stekelbaars voor enkele toxische stoffen is vergeleken met een viertal (inter)nationaal erkende (tropische) vissoorten. Uit dit vergelijkende onderzoek bleek dat de stekelbaars net zo gevoelig en soms zelfs gevoeliger was dan de andere vier vissoorten. Op grond van deze resultaten, zijn algemeen voorkomen in wateren van de gematigde zone en het feit dat de stekelbaars makkelijk te kweken is wordt aanbevolen de stekelbaars op te nemen als aanbevolen toetsorganisme in OECD-guidelines en EG-testmethoden.<br>
    • A user friendly spreadsheet program for calibration using weighted regression. User&apos;s Guide

      Gort SM; Hoogerbrugge R; LOC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-03-31)
      Een gebruiksvriendelijke computer spreadsheet voor calibratie doeleinden is beschreven. Deze spreadsheet (ontwikkeld met behulp van Microsoft Excel) stelt niet-statistici, zoals analytische chemici, in de gelegenheid om gewogen lineaire regressie toe te passen. Verschillende calibratiefuncties en variantiemodellen zijn beschikbaar. De berekende calibratiefunctie met betrouwbaarheidsintervallen en residuen worden tevens grafisch weergegeven. F-testen worden toegepast om keuzes te kunnen maken tussen "simpele" en meer "complexe" calibratiefuncties. Maximum likelihood kan worden gebruikt om twee variantiemodellen te vergelijken. De traceerbaarheid van de gevolgde calibratieprocedure kan worden verkregen door middel van een ingebouwde LOG-functie.<br>
    • User guide for MIDAS

      Heisterkamp SH; Downs AM; Poos MJJC (1990-07-31)
      Abstract niet beschikbaar
    • User&apos;s manual METROPLOT

      de Vries WJ; Sauter FJ (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1988-04-30)
      Het Metroplot programama verwerkt de uitvoer van een numeriek stromingsprogramma tot grafische uitvoer in de vorm van plaatjes van isolijnen, snelheidsvelden of stroombanen. Metroplot is geschreven voor het eindige elementenpakket Metropol, maar kan ook gebruikt worden voor andere numerieke programma's.<br>
    • User&apos;s manual METROPOL. Mathematical description

      Sauter FJ (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1987-06-30)
      In dit rapport wordt een wiskundige beschrijving gegeven van de theorie voor het computer-programma METROPOL. Dit programma simuleert grondwaterstroming met variabele dichtheid en is gebaseerd op de eindige elementenmethode. De basisvergelijkingen voor grondwaterstroming worden gegeven en de wiskundige technieken om deze vergelijkingen op te lossen worden beschreven. Daarnaast worden technieken als netwerkgeneratie en het berekenen van stroombanen besproken.<br>
    • USES 2.0, The Uniform System for the Evaluation of Substances, version 2.0 ; supplement to EUSES

      Linders JBHJ; Jager DT (eds.); CSR; ECO (1997-08-31)
      Dit interimrapport beschrijft het risicobeoordelingssysteem voor landbouw- en niet-landbouwbestrijdingsmiddelen. Het zal worden geintegreerd met het European Union System for the Evaluation of Substances, EUSES 1.0, tot USES 2.0, de tweede versie van het Uniforme Beoordelingssysteem voor Stoffen. Dit rapport is primair bedoeld als tussenstap in de programmeer- en testfase van USES 2.0.
    • USES 2.0, The Uniform System for the Evaluation of Substances, version 2.0 ; supplement to EUSES

      Linders JBHJ; Jager DT; CSR; ECO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1997-08-31)
      This interim report describes the updated risk assessment system for agricultural and non-agricultural pesticides. It will be integrated with the European Union System for the Evaluation of Substances, EUSES 1.0, into USES 2.0, the second version of the Uniform System for the Evaluation of Substances. The report is primarily made as preparation to the programming and testing of USES 2.0.
    • UV straling in Nederland: indicatie van de invloed van een verandering in ozonkolom

      de Leeuw FAAM; Slaper H (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1989-07-31)
      Een modela voor stralingsoverdracht in de atmosfeer is toegepast om een indicatie te krijgen van de toekomstige ontwikkelingen van UV-straling op grondniveau als gevolg van veranderingen in ozonkolom. Bij vergelijking van het hier gebruikte model met (schaarse) metingen en met ander theoretisch werk, wordt een redelijke overeenstemming gevonden. Metingen in Nederland en Zweden worden door het model enigszins onderschat. Bij vergelijking met ander theoretisch werk is echter geen sprake van een systematische onderschatting. Een afname in ozonkolomdichtheid leidt tot een toename in UV-intensiteit die des te sterker is voor kortere golflengten. De toename in effectieve dosis is afhankelijk van het veronderstalde actiespectrum. Mondiale 2-dimensionale modellen voorspellen dat bij een ongewijzigd beleid t.a.v. de emissies van chloorfluorkoolwaterstoffen de ozonkolom met circa 10% is afgenomen omstreeks het jaar 2035. Voor deze situatie wordt de toename in effectieve dosis geschat op 11-19% (0.2-0.4% toename per jaar). De trend in UV-belasting die het gevolg is van verandering in ozonkolomdichtheid kan zowel versterkt als verzwakt worden door simultaan optredende veranderingen in meteorologische parameters (bijvoorbeeld bewolking) en/of concentraties aan aerosol en andere sporegassen.<br>
    • UV-straling en gezondheid : Probleemveld en kennisbasis bij het RIVM

      Slaper H; van Dijk A; den Outer P; van Kranen H; Slobbe L; VLH; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-06-29)
      Jaarlijks krijgen meer dan 51.000 mensen in Nederland te horen dat ze huidkanker hebben en overlijden ruim 900 mensen aan de gevolgen ervan. Sinds 1990 is het aantal gevallen verviervoudigd. Deze stijging is veel sterker dan bij andere vormen van kanker, en een verdere stijging dreigt (met een factor 2 tot 5). De gevaarlijkste vorm van huidkanker komt in Nederland relatief vaak voor, en binnen Europa behoort Nederland tot de koplopers. Blootstelling van de huid aan UV-straling is de voornaamste oorzaak van het ontstaan van huidkanker, en dan vooral door onverstandig zongedrag. De vergrijzing en de aantasting van de ozonlaag blijken slechts een deel van de toename aan huidkanker te verklaren. Het blootstellingsgedrag lijkt de hoofdrol te spelen en daarbij zijn het dragen van minder bedekkende kleding, meer vrije tijd en langere (zon/strand) vakanties van belang, maar ook klimaatverandering en het gebruik van kunstmatige UV-bronnen voor bruining dragen mogelijk bij. De belangrijkste manier om huidkanker te voorkomen is dan ook ervoor te zorgen dat de huid niet verbrandt door de zon of zonnebank. Maar ook zonder te verbranden kan de huid beschadigd raken. Daarom is het verstandig om de huiddelen die veelvuldig worden blootgesteld extra te beschermen en om daarbij rekening te houden met de zonkracht en de duur van het verblijf in de zon. Bij een hoogstaande (zomer)zon tussen 11 en 16 uur is meer bescherming nodig dan 's morgens vroeg en in de namiddag. Behalve aan huidkanker draagt UV-straling bij aan de vorming van staar en veroorzaakt het huidveroudering en sneeuwblindheid. Het is niet wenselijk om de zonblootstelling volledig te vermijden, omdat UV-blootstelling van de huid ook de voornaamste bron is van vitamine D. Deze vitamine is essentieel voor gezonde botten en spieren. Bovendien zijn er aanwijzingen dat vitamine D de kans op darmkanker kan verkleinen. Momenteel is er een felle wetenschappelijke discussie gaande welke hoeveelheid vitamine D de meeste gezondheidswinst oplevert. De kosten van de medische behandeling van huidkanker bedragen naar schatting circa 325 (250-400) miljoen euro per jaar. De kosten voor de behandeling van door UV veroorzaakte staar, worden geschat op 75-150 miljoen euro per jaar. De kosten zijn grotendeels vermijdbaar door verstandiger (zon)gedrag. De actuele zonkrachtmetingen (www.rivm.nl/zonkracht) en betere kennis over (ontwikkelingen in) blootstellingsgedrag en gezondheidseffecten dragen bij aan een goede voorlichting en preventie. Er is alle reden de kennisopbouw met betrekking tot UV-stralingsbescherming te versterken.
    • UVB and infectious diseases: exposure assessment by means of a retrospective questionnaire for epidemiological study. Presentation of first results

      Termorshuizen F; Garssen J; Maas JJ; Goettsch WG; Matthijsen J; Houweling H; Loveren H van; CIE; LPI; LSO (1999-02-01)
      Met het doel om een effect vast te stellen van alledaagse niet-experimentele blootstelling aan UVB op het immuunsysteem is een twee jaar retrospectieve vragenlijst betreffende blootstelling aan zonlicht en gebruik van zonnebank afgenomen bij de HIV-genfecteerde deelnemers van de cohortstudie onder homoseksuele mannen van de GG&GD in Amsterdam. De zelf-gerapporteerde gegevens (aantal uur, kleding, activiteit, land en seizoen) gedurende vakanties, beroep en vrije tijd maken een schatting van de individuele blootstelling mogelijk. In dit rapport worden de resultaten van de vragenlijst gepresenteerd. In een toekomstig artikel/ rapport worden de resultaten gepresenteerd van het onderzoek naar het verband tussen expositie aan UVB en het ziektebeloop van HIV naar AIDS. Dit zal dan een van de eerste epidemiologische studies zijn naar het effect van alledaagse blootstelling aan UVB op het immuunsysteem. In totaal hebben 73 deelnemers de vragenlijst ingevuld. Zij rapporteerden 191 vakantieperiodes, waarvan 89 in zonnige landen tussen 400 Noorder- and 250 Zuiderbreedte. Alhoewel het grootste aantal van de gerapporteerde uren blootgesteld (70%) blootstelling in de vrije tijd betrof, nam dit aandeel af ten gunste van blootstelling in de vakantieperiodes na weging van deze uren voor het effect van breedtegraad & seizoen en kleding & activiteit op de dosis UVB. Verder werd in de vakantieperiodes de hoogste gemiddelde blootstelling per dag gezien. Het betrekken van het effect van breedtegraad & seizoen in de schatting van de individuele blootstelling had nauwelijks invloed op de classificatie van deelnemers met betrekking tot hun blootstelling. Dit was in tegenstelling tot het betrekken van het effect van kleding & activiteit. Een duidelijke correlatie tussen de blootstelling aan UVB en de rapportage van zonverbranding kon worden vastgesteld. Deze correlatie was zwakker binnen de groep deelnemers die rapporteerden vaak zonnebrand-creme te gebruiken. Geen correlatie tussen blootstelling en de rapportage van een episode van labiale herpes simplex (koortsblaasjes) kon worden vastgesteld. Uit vergelijking van antwoorden gegeven op vergelijkbare vragen bleek dat deelnemers dikwijls niet in staat zijn consistente informatie betreffende hun blootstelling aan zonlicht en gebruik van zonnebank te verschaffen. Wij concluderen dat deze twee jaar retrospectieve vragenlijst niet toereikend is om tot een valide en precieze schatting van de individuele blootstelling te komen. Echter, we mogen aannemen dat herinnering van vakantieperiodes zowel met betrekking tot het seizoen als het land van bestemming redelijk goed mogelijk is. Deze kortdurende periodes met een hoge blootstelling zijn waarschijnlijk zeer belangrijk voor de vaststelling van het effect van UVB op het immuunsysteem. De duidelijke verandering van de classificatie van de deelnemers met betrekking tot hun expositie door het effect van kleding & activiteit in de individuele expositie-schatting te betrekken kan erop wijzen dat het betrekken van deze gedragskarakteristieken van groot belang is voor een valide meting van de expositie. Echter, het afzwakken van de correlatie tussen blootstelling en het rapporteren van zonverbranding suggereert dat een zekere mate van onzekerheid en misclassificatie werd gentroduceerd door het betrekken van dit effect. Dit kan ook geleid hebben tot een vermindering van de validiteit van de expositie-schatting. We kunnen ervan uitgaan dat een prospectieve studie, in welke deelnemers gevolgd worden onder intensieve begeleiding, een betere schatting van de individuele blootstelling mogelijk maakt
    • V3-serotyping programme evaluated for HIV-1 variation in the Netherlands and Curacao

      Wolf F de; Akker R van den; Valk M; Bakker M; Goudsmit J; Loon AM van; VIR; UVA/HRL (1995-01-31)
      Doel van het onderzoek was om inzicht te verkrijgen in de antigene en genetische variatie van het in Nederland en Curacao circulerende humane immunodeficientie virus type 1 (HIV-1). De genetische variatie tussen HIV-1 isolaten is aanzienlijk. De genetische variatie doet zich vooral voor op een vijftal gebieden van het deel van het virale genoom, dat codeert voor het externe envelop eiwit gp120 van HIV-1. Van deze vijf gebieden is het derde variabele domein (V3) gelegen tussen aminozuur-positities 269 en 331 van gp120 het meest uitvoerig bestudeerd. Van de Nederlandse serummonsters reageerde 54.8% specifiek tegen een van de peptiden p108, p109 of p110, welke representatief zijn voor het genotype B. Voor wat betreft de monsters afkomstig uit Curacao werd een vergelijkbaar resultaat gevonden, met dit verschil dat ten opzichte van de Nederlandse monsters een relatief hoge frequentie van serum reactiviteit tegen p110 werd gevonden. Op grond van de serologische reactiviteit in het V3 gebied kan worden geconcludeerd dat in de periode 1988 - 1990 in Nederland en Curacao subtype B HIV-1 varianten het meest prevalent waren. De V3-loop reactiviteit bleek vergelijkbaar met die gemeten in de Amsterdamse cohortstudies onder homoseksuele mannen en druggebruikers. De resultaten van de specifieke antistofreactiviteit werd in het algemeen bevestigd door de resultaten van het V3 sequentie-onderzoek, maar subtiele sequentieverschillen tussen de V3 loop reactiviteit en circulerend viraal V3 werden in een aantal gevallen aangetoond. Aanbevolen wordt in 1995 een tweede survey uit te voeren, te meer daar inmiddels meer bekend is over verschillende subtypen van HIV-1 en recent het zogeheten subtype O is beschreven.
    • V3-serotyping programme evaluated for HIV-1 variation in the Netherlands and Curacao

      Wolf F de; Akker R van den; Valk M; Bakker M; Goudsmit J; Loon AM van; VIR; UVA/HRL (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-01-31)
      To obtain insight into the variation of the HIV-1 V3 neutralization domain of variants circulating in the Netherlands, 126 Dutch, 70 Curacao and 45 African serum samples from HIV-1 infected individuals were screened for antibody reactivity to a set of 16 to 17 mer synthetic peptides, representing the central part of the V3-loop of gp120 of HIV-1 variants circulating in the US, Europe and Africa. These peptides were used in an ELISA and antibody reactivity to the peptides was compared to the actual amino acid sequence of viral RNA circulating in a subset of the same serum samples. In conclusion, we found a relatively high genetic and antigenic homogeneity of the V3 gene of HIV infections in the Netherlands and Curacao during the years 1988-1990. Antibody reactivity to synthetic V3 peptides, as well as sequence analysis confirmed the prevalence of B subtype HIV-1 among the Dutch and Curacaon samples and the prevalence of A/D subtypes among the Tanzanian samples. Screening of HIV-1 positive serum samples for genetic typing by using a set of well defined synthetic V3 peptides appeared to be feasible. In combination with molecular analysis (V3 sequencing and/or hetroduplex mobility assay) of this method can be applied to obtain insight in changes in genetic and antigenic variation of HIV-1 in a population: changes within subtype B HIV-1 variants, as well as introduction of other (new) HIV-1 variants can this be surveyed. This is of importance to obtain insight in the (molecular) epidemiology of HIV-1 as well as with respect to the development and the eventual use of an HIV-1 vaccine.
    • Vaardigheidseisen voor veilig toepassen van medische technologie in de ziekenhuiszorg : Een praktijkverkenning

      de Vries CGJCA; Pot JWGA; Koudijs-Siebel EA; Geertsma RE; van Drongelen AW; PRV; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2014-03-21)
      In de zorg neemt het gebruik van complexe medische technologie, zoals een operatierobot, toe. Veilig gebruik hiervan vereist speciale vaardigheden van zorgverleners. Daarom heeft het Ministeris van VWS het RIVM gevraagd aanbevelingen voor vaardigheidseisen op te stellen, die aansluiten bij de activiteiten van ziekenhuizen en beroepsgroepen. Bevindingen Uit deze verkenning is het beeld ontstaan dat ziekenhuizen en beroepsgroepen zich bewust zijn dat de vaardigheden voor de veilige toepassing van complexe medische technologie geborgd moeten zijn. Er zijn ook diverse initiatieven op dit gebied. Echter de mate waarin dit gebeurt verschilt per ziekenhuis en beroepsgroep. Er lijkt nog geen uniforme werkwijze te zijn. Er lijkt verder sprake te zijn van gedeelde verantwoordelijkheid ten aanzien van vaardigheidseisen. Er zijn verscheidene initiatieven gesignaleerd, zogenoemde best practices, waarbij vaardigheidseisen zijn opgesteld. Een voorbeeld is het verplicht trainen en certificeren van alle gebruikers van medische apparatuur. Aanbevelingen Een veilige toepassing van medische technologie moet een prominente rol krijgen in het veiligheidsmanagementsysteem van ziekenhuizen. Aanbevolen wordt dat de raden van bestuur de multidisciplinaire samenwerking van verschillende zorgprofessionals binnen de instelling faciliteren. Ook de wetenschappelijke verenigingen kunnen een bijdrage leveren, bijvoorbeeld door bij visitaties specifiek te letten op vaardigheden ten aanzien van medische technologie en de resultaten van de visitaties minder vrijblijvend te maken. Verder zou de bij- en nascholing specifieker gericht moeten zijn op de uitgevoerde handelingen. Van de best practices kan worden nagegaan of ze breder in te zetten zijn. Deze verkenning levert algemene aanbevelingen en een aanzet voor discussie over vaardigheidseisen die nodig zijn voor de veilige toepassing van medische technologie.
    • Vaccinatiegraad en jaarverslag Rijksvaccinatieprogramma Nederland 2016

      van Lier EA; Geraedts JLE; Oomen PJ; Giesbers H; van Vliet JA; Drijfhout IH; Zonnenberg-Hoff IF; de Melker HE; RVP; I&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-06-22)
      Het RIVM beschrijft jaarlijks de ontwikkelingen binnen het Rijksvaccinatieprogramma (RVP), zowel inhoudelijk als organisatorisch. Vanaf dit jaar zijn de belangrijkste gebeurtenissen en de ontwikkelingen op het gebied van de vaccinatiegraad gebundeld. Belangrijke gebeurtenissen In 2016 waren er geen opvallende uitbraken van RVP-ziekten. Wel stijgt sinds oktober 2015 het aantal patiënten met meningokokkenziekte W, terwijl in het RVP tegen meningokokkenziekte C wordt ingeënt. Opvallend was het stevige debat dat in november 2016 in diverse media is gevoerd tussen voor- en tegenstanders van vaccinatie. Verder heeft het RIVM factsheets gemaakt voor zowel professionals als het publiek met informatie over vaccinaties tegen ziekten die wel beschikbaar zijn maar niet in het RVP zijn opgenomen. Voorbeelden zijn waterpokken, gordelroos en het rotavirus (www.rivm.nl/vaccinaties). Vaccinatiegraad De vaccinatiegraad, oftewel het aandeel zuigelingen, kleuters en schoolkinderen dat de vaccinaties uit het RVP krijgt, is nog steeds hoog. De vaccinatiegraad voor bof, mazelen en rodehond (BMR) daalt al een paar jaar licht. De norm van 95 procent van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), die nodig is om mazelen uit te bannen, wordt in Nederland bij de eerste BMR-vaccinatie niet meer gehaald. Voor de tweede BMR-vaccinatie was dit al langer zo. Ook bij andere vaccinaties in het RVP is een lichte daling te zien. De deelname aan de HPV-vaccinatie tegen baarmoederhalskanker is voor het eerst afgenomen, van 61 naar 53 procent. Een hoge vaccinatiegraad zorgt ervoor dat kwetsbare en (nog) niet gevaccineerde kinderen tegen ziekten worden beschermd (groepsbescherming). Een dalende vaccinatiegraad vergroot de kans dat in de toekomst ziekten zoals mazelen uitbreken.
    • Vaccinatiegraad en jaarverslag Rijksvaccinatieprogramma Nederland 2017

      van Lier EA; Geraedts JLE; Oomen PJ; Giesbers H; van Vliet JA; Drijfhout IH; Zonnenberg-Hoff IF; de Melker HE; RVP; EPI (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-06-25)
      Het RIVM beschrijft jaarlijks de ontwikkelingen binnen het Rijksvaccinatieprogramma (RVP), zowel inhoudelijk als organisatorisch. Hierbij wordt aandacht besteed aan de belangrijkste gebeurtenissen in het afgelopen jaar en de ontwikkelingen op het gebied van de vaccinatiegraad. Belangrijke gebeurtenissen In 2017 waren er geen opvallende uitbraken van ziekten waartegen via het RVP wordt ingeënt. Wel is het aantal patiënten met meningokokkenziekte W verder toegenomen ten opzichte van 2015 en 2016. In mei 2018 wordt daarom de meningokokken C-vaccinatie op de leeftijd van veertien maanden vervangen door meningokokken ACWY-vaccinatie. Deze vaccinatie zal in het najaar 2018 ook worden aangeboden aan kinderen geboren tussen 1 mei 2004 en 31 december 2004. In 2017 zijn de e-learning Achtergronden RVP en de vernieuwde website (https://rijksvaccinatieprogramma.nl/) beschikbaar gekomen. Verder zijn voorbereidingen getroffen voor de invoering van het vaccinatieconsult, waarin ouders vragen over het RVP kunnen bespreken. Vaccinatiegraad De vaccinatiegraad, oftewel het aandeel zuigelingen, kleuters en schoolkinderen dat de vaccinaties uit het RVP krijgt, is nog steeds hoog maar daalt de laatste jaren licht. Voor de HPV-vaccinatie is de verdere daling in de vaccinatiegraad van 8 procent ten opzichte van vorig jaar opmerkelijk. Overigens is niet alleen in Nederland een daling te zien. Belangrijkste reden om niet tegen HPV te vaccineren of daarover te twijfelen, zijn zorgen over mogelijke bijwerkingen van het HPV-vaccin. De Gezondheidsraad zal opnieuw advies uitbrengen over HPV-vaccinatie in Nederland. Een hoge vaccinatiegraad is belangrijk. Wanneer veel mensen zijn ingeënt tegen een infectieziekte, komt deze ziekte minder vaak voor (groepsbescherming). Ook kwetsbare mensen en mensen die (nog) niet zijn ingeënt, lopen dan minder risico de ziekte te krijgen. Ze worden als het ware beschermd door de ingeënte groep. Om dit effect te behouden is het belangrijk dat zoveel mogelijk mensen zijn ingeënt.
    • Vaccinatiegraad en jaarverslag Rijksvaccinatieprogramma Nederland 2018

      Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2019-06-24
      In het Rijksvaccinatieprogramma (RVP) krijgen kinderen vaccinaties tegen besmettelijke ziekten. Het RIVM beschrijft elk jaar de belangrijkste gebeurtenissen op het gebied van het RVP en de ontwikkeling van de vaccinatiegraad. Belangrijke gebeurtenissen In 2018 hadden niet meer mensen dan normaal gesproken een ziekte waartegen via het RVP wordt ingeënt. Wel zette de stijging van het aantal mensen met meningokokkenziekte W door (103 patiënten in 2018 ten opzichte van 80 in 2017). Vanwege deze stijging is de vaccinatie tegen meningokokken C voor baby's in 2018 uitgebreid met meerdere typen. Deze meningokokken ACWY-vaccinatie wordt in 2019 ook aangeboden aan jongeren die tussen 2001 en 2005 zijn geboren (inhaalcampagne). Uit voorzorg is in 2018 een deel van de jongeren die in 2004 zijn geboren hier al voor uitgenodigd. In 2018 is besloten om de vaccinatie tegen kinkhoest voor zwangere vrouwen op te nemen in het RVP. Deze vaccinatie wordt waarschijnlijk eind 2019 ingevoerd. Hiermee kunnen zwangere vrouwen hun baby tegen kinkhoest beschermen. Voor baby's van gevaccineerde moeders wordt het vaccinatieschema aangepast (later beginnen en één inenting minder). Vaccinatiegraad Er is een einde gekomen aan de daling in het aandeel kinderen dat de vaccinaties uit het RVP krijgt. De landelijke vaccinatiegraad is hiermee nog niet terug op het oude niveau, maar is voor de meeste vaccinaties ongeveer gelijk gebleven aan het jaar ervoor. Voorlopige cijfers voor jongere kinderen laten zelfs een lichte stijging zien. De landelijke vaccinatiegraad van HPV (baarmoederhalskanker) is met 45,5 procent gelijk gebleven aan het jaar ervoor, en lijkt voor jongere meisjes ook toe te nemen. De voorlopige landelijke vaccinatiegraad van de nieuwe meningokokken ACWY-vaccinatie is hoog (87 procent). De staatssecretaris van VWS wil 16- of 17-jarigen de kans geven om gemiste RVP-vaccinaties alsnog te halen. Hiervoor komt ongeveer een tiende van de jongens in aanmerking. Dit geldt voor ongeveer de helft van de meisjes, vooral vanwege de HPV-vaccinatie.
    • Vaccinatiegraad en jaarverslag Rijksvaccinatieprogramma Nederland 2019

      van Lier, EA; Kamp, L; Oomen, PJ; Giesbers, H; van Vliet, JA; Drijfhout, IH; Zonnenberg-Hoff, IF; de Melker, HE (2020-06-30)
      In Nederland krijgen kinderen vaccinaties tegen twaalf besmettelijke ziekten. Het RIVM beschrijft elk jaar hoeveel kinderen zijn gevaccineerd (vaccinatiegraad) en de ontwikkelingen binnen het Rijksvaccinatieprogramma (RVP). Ontwikkelingen In 2019 kregen meer mensen baarmoederhalskanker, de bof, kinkhoest en mazelen dan in 2018. Minder mensen kregen meningokokkenziekte W. Sinds 2018 krijgen baby's van 14 maanden en jongeren een vaccinatie aangeboden waaraan meningokokken W is toegevoegd (ACWY-vaccinatie). Eind 2019 is de vaccinatie tegen kinkhoest voor zwangere vrouwen opgenomen in het RVP. Per 1 januari 2020 is het vaccinatieschema aangepast: baby's worden nu gevaccineerd als ze 3, 5 en 11 maanden oud zijn, in plaats van bij 2, 3, 4 en 11 maanden. Als de moeder tijdens de zwangerschap niet tegen kinkhoest is gevaccineerd, krijgt het kind een extra vaccinatie op de leeftijd van 2 maanden. Deze extra vaccinatie wordt ook gegeven in bijzondere situaties, bijvoorbeeld aan kinderen die te vroeg worden geboren. Verder heeft de staatssecretaris van VWS in 2019, op advies van de Gezondheidsraad, besloten om de HPV-vaccinatie aan te gaan passen: deze zal ook aan jongens worden gegeven en op een jongere leeftijd (rond 9 jaar). Ook wordt het voor mensen die de vaccinatie nog niet hebben gehad, mogelijk om deze tot en met 26 jaar alsnog te halen. Deze veranderingen staan voor 2021 gepland. Vaccinatiegraad De landelijke vaccinatiegraad is voor het eerst sinds vijf jaar licht gestegen. Bij zuigelingen, geboren in 2017, geldt dit in het bijzonder voor de vaccinatie tegen bof, mazelen en rodehond (BMR). Deze is met 0,7 procent gestegen tot 93,6 procent. De landelijke vaccinatiegraad voor de HPV-vaccinatie (baarmoederhalskanker) voor meisjes, geboren in 2005, is met 7,5 procent toegenomen tot 53 procent.
    • Vaccinatiegraad en jaarverslag Rijksvaccinatieprogramma Nederland 2020

      van Lier, EA; Oomen, PJ; Giesbers, H; van Vliet, JA; Hament, JM; Drijfhout, IH; Zonnenberg-Hoff, IF; de Melker, HE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-07-01)
      In Nederland krijgen kinderen vaccinaties tegen twaalf besmettelijke ziekten. Het RIVM beschrijft elk jaar hoeveel kinderen zijn gevaccineerd (vaccinatiegraad). Ook beschrijft het de ontwikkelingen binnen het Rijksvaccinatieprogramma (RVP). Ontwikkelingen In 2020 kregen minder mensen dan in 2019 een ziekte waartegen binnen het RVP wordt gevaccineerd. Dit geldt vooral voor kinkhoest, bof, meningokokkenziekte, pneumokokkenziekte en mazelen. De kans is groot dat dit vooral komt door de maatregelen die vanwege de uitbraak van het coronavirus SARS-CoV-2 zijn ingevoerd. Voorbeelden zijn handen wassen, afstand houden, de (tijdelijke) sluiting van scholen en kinderopvang, het kleinere aantal mensen bij bijeenkomsten, en het maximale aantal te ontvangen bezoekers thuis. De uitbraak van het coronavirus had ook gevolgen voor de manier waarop het RVP in 2020 is uitgevoerd. Groepsvaccinaties (voor de kinderen van 9 jaar en ouder) zijn eerst uitgesteld of omgezet naar individuele afspraken. Vanaf 1 juli 2020 zijn de groepsvaccinaties in kleine groepjes per tijdslot uitgevoerd. De vaccinaties op de consultatiebureaus (0-4-jarigen) en de 22 wekenprik voor zwangeren gingen wel zoveel mogelijk door. De 22 wekenprik beschermt baby’s vanaf de geboorte tegen kinkhoest. Vanwege de invoering van de 22 wekenprik krijgen de meeste baby’s vanaf 1 januari 2020 hun vaccinaties iets later (bij 3, 5 en 11 maanden) en een vaccinatie minder. Ook krijgen 14-jarigen sinds 2020 standaard de vaccinatie tegen meningokokkenziekte aangeboden. Vaccinatiegraad De vaccinatiegraad betreft kinderen die hun vaccinatie(s) nog bijna allemaal vóór de uitbraak van het coronavirus kregen. Voor bijvoorbeeld zuigelingen wordt de vaccinatiegraad namelijk berekend als kinderen twee jaar zijn. De vaccinatiegraad die in 2021 is berekend, is voor de meeste vaccinaties opnieuw gestegen. Naast de toename bij zuigelingen valt vooral de stijging bij de HPV-vaccinatie met 10 procent naar 63 procent op; deze vaccinatiegraad is niet eerder zo hoog geweest. Voor het eerst is geschat hoeveel zwangeren deelnamen aan de 22 wekenprik: ongeveer 70 procent. Het lijkt erop dat de maatregelen vanwege de uitbraak van het coronavirus weinig negatieve invloed hebben gehad op het aantal kinderen dat in deze periode is gevaccineerd. Dat blijkt uit voorlopige cijfers. De precieze vaccinatiegraad voor deze kinderen kan pas volgend jaar worden berekend omdat dan pas alle cijfers erover bekend zijn.
    • Vaccinatiegraad Rijksvaccinatieprogramma Nederland : Verslagjaar 2010

      van Lier EA; Oomen PJ; Zwakhals SLN; Drijfhout IH; de Hoogh PAAM; de Melker HE; EPI; cib (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2010-09-06)
      Net als in voorgaande jaren lag in 2010 de gemiddelde deelname aan alle vaccinaties uit het Rijksvaccinatieprogramma landelijk gezien ruim boven de ondergrens van 90 procent. Voor de BMR-vaccinatie houdt de WHO een iets hogere ondergrens aan, van 95 procent, om mazelen wereldwijd uit te kunnen roeien. Deze ondergrens is wel voor de eerste vaccinatieronde (zuigelingen) behaald, maar niet voor de tweede vaccinatie (9-jarigen). Hierdoor is in Nederland een uitbraak van mazelen niet uitgesloten. Dit blijkt uit een rapport van het RIVM over de vaccinatiegraad in Nederland in 2010. Het betreft gegevens over zuigelingen die zijn geboren in 2007, kleuters geboren in 2004 en schoolkinderen geboren in 1999. Voor zuigelingen lag de deelname aan de BMR-, Hib- en meningokokken C-vaccinatie op 96 procent, aan de DKTP-vaccinatie op 95 procent, en aan de pneumokokkenvaccinatie op 94 procent. De deelname aan de hepatitis B-vaccinatie onder kinderen van wie een of beide ouders is geboren in een land waar hepatitis B veel voorkomt, is verder toegenomen. Extra aandacht blijft nodig voor de hepatitis B-vaccinatie voor kinderen van moeders die drager zijn van hepatitis B. Kinderen die op jonge leeftijd worden besmet met dit virus hebben namelijk een groter risico drager van dit virus te worden en op de lange termijn op leveraandoeningen. Vrijwillige vaccinatie in Nederland leidt tot een hoge vaccinatiegraad. Dat is niet alleen nodig om zo veel mogelijk mensen individueel te beschermen maar ook om de bevolking als geheel te beschermen tegen uitbraken van infectieziekten (groepsimmuniteit). Continue aandacht en gezamenlijke inspanning van alle partijen die bij het Rijksvaccinatieprogramma zijn betrokken, blijft nodig om de Nederlandse kinderen tijdig en volledig te vaccineren.