• Uncertainty in Integrated Assessment Modelling. A Cultural Perspective Based Approach

      Asselt MBA van; Rotmans J; Elzen MGJ den; Hilderink HBM; CIM; MNV (1995-03-31)
      Onzekerheid speelt een sleutelrol in mondiaal geintegreerde assessment modellen. Het identificeren, zichtbaar maken en verklaren van onzekerheden in het TARGETS model (Tool to Assess Regional and Global Environmental and Health Targets for Sustainability) neemt daarom een centrale plaats in in het onderzoeksprogramma 'Global Dynamics and Sustainable Development' (RIVM), waarbinnen het TARGETS model ontwikkeld wordt. Met de huidige methoden van onzekerheidsanalyse is het niet mogelijk om alle bronnen en typen onzekerheden zichtbaar te maken, kunnen onzekerheden niet op een systematische, consistente en coherente manier geclusterd worden en worden onzekerheden niet op een voor beleidsmakers begrijpelijke manier gepresenteerd. In dit rapport introduceren we een methode waarmee onzekerheden ten gevolge van onenigheid tussen experts en subjectieve beoordeling zichtbaar en hanteerbaar worden gemaakt en waarmee het mogelijk is onzekerheden op een systematische manier consistent en coherent te clusteren. Omdat subjectieve beoordeling en onenigheid tussen experts optreden doordat mensen verschillende perspectieven hebben, stellen wij perspectief-gebaseerde alternatieve modelroutes voor om dergelijke onzekerheden te analyseren. Alternatieve modelroutes zijn modelinterpretaties waarin onzekerheden 'ingekleurd' worden door (voor)oordelen en preferenties van een bepaald perspectief. In andere woorden, de interpretaties van onzekerheden worden geclusterd met behulp van verschillende perspectieven. De alternatieve modelroutes worden gebruikt om onzekerheid te vertalen in risico van beleidsstrategieen. Rekening houdend met het feit dat beleidsmakers gewend zijn aan het begrip risico als besluitvormingscriterium, denken wij dat de gepresenteerde benadering een nuttige bijdrage is aan de beoogde beleidsondersteunende rol van geintegreerde assessment modellen. De methodologie is toegepast op het fertiliteitssubmodel en het klimaat onderdeel van het mondiale kringlopenmodel van TARGETS, om de mogelijkheden en beperkingen van deze manier van onzekerheidsanalyse voor zowel het menselijke als het milieusysteem te verkennen. Voorlopige experimenten met de alternatieve routes in het fertiliteitsmodel laten zien dat de verschillen in projecties gemotiveerd en verklaard kunnen worden met behulp van de achterliggende interpretaties van de onzekerheden, in tegenstelling tot de traditionele methoden die slechts minima, maxima en beste schattingen laten zien. De evaluatie van onzekerheden in termen van risico's van beleidsstrategieen geeft aan welke onzekerheden ten gevolge van subjectieve beoordeling en onenigheid tussen experts het meest relevant zijn voor het politieke debat. Dergelijke inzichten kunnen gebruikt worden om de onderzoeksagenda op dan wel bij te stellen. Experimenten met modellen voorzien van alternatieve model routes bieden de mogelijkheid om op een consistente en coherente manier beleidsscenario's te ontwikkelen. Vanwege vertraging in de modelontwikkeling was het niet mogelijk op tijd alternatieve routes in het kringlopenmodel te implementeren. De beschreven studie voor het thema klimaat dient bijgevolg beschouwd te worden als een haalbaarheidsstudie, waarvan het resultaat een kwalitatieve beschrijving van de alternatieve model routes in het kringlopenmodel is. Deze routes zullen in de komende maanden geimplementeerd worden ten einde de consequenties van onzekerheden ten gevolge van subjectieve beoordeling en onenigheid tussen experts te kunnen analyseren en te verklaren.
    • Uncertainty in Integrated Assessment Modelling. A Cultural Perspective Based Approach

      Asselt MBA van; Rotmans J; Elzen MGJ den; Hilderink HBM; CIM; MNV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-03-31)
      Uncertainty plays a key role in global integrated assessment modelling. Identifying, illuminating and clarifying uncertainties in the TARGETS model, i.e. Tool to Assess Regional and Global Environmental and Health Targets for Sustainability, is, therefore, a central issue in the research of the Global Dynamics and Sustainable Development group of the National Institute of Public Health and Environmental Protection (RIVM, the Netherlands). Current available uncertainty analysing techniques suffer from the fact that they are unable to render all sources and kinds of uncertainty explicit, that they provide no systematic, coherent and consistent clustering of uncertainties and that they fail to clarify uncertainties in a for decision makers understandable way. This report introduces an approach in which uncertainty due to disagreement among experts and subjective judgement is identified, illuminated and clarified, and in which it is possible to cluster uncertainties in a methodological, systematic, coherent and consistent way. Because subjective judgement and disagreement arise due to the fact that people have adopted various perspectives, we propose perspective-based alternative model routes as methodology to articulate those uncertainties. Alternative model routes are model interpretations in which the uncertainties are colored with the bias and preference of a certain perspective. In other words, interpretations of uncertainties are clustered along various perspectives. The alternative model routes are used to translate the concept of uncertainty into risks of policy strategies. Taking into account that decision makers are used to the concept risk to evaluate strategies, we think that this approach can be a useful contribution to integrated assessment modelling aiming at policy support. We applied the methodology to the fertility submodel and the climate part of the global cycles model of TARGETS, to assess the usefulness and limitations of this kind of uncertainty analysis for both the human and the environmental system. Preliminary experiments with the alternative model routes in the fertility submodel show that differences in future projections can be motivated and explained by differences in the interpretations of the uncertainties, instead of just showing minimum, maximum and best guess values. The evaluation of uncertainties by risks of response strategies enables us to assess which uncertainties due to subjective judgement and disagreement among experts are most relevant for the policy debate. Such insights can be used to (re)establish the research agenda. Experiments with models equipped with alternative model routes provide the possibility of scenario-development in a coherent and consistent way. Due to delays in the model development it was not possible to implement alternative model routes in the global cycles model in time. The case-study on the climate issue should therefore be considered as a feasibility study, leading to qualitative descriptions of perspective-based alternative model routes for the climate part of the global cycles model of TARGETS. The model routes will be implemented in the coming months to be able to analyse and to explain the consequences of perspective-related uncertainties concerning climate change in a systematic, coherent and consistent way.
    • UNCSAM 1.1: A Software Package for Sensitivity and Uncertainty Analysis. Manual

      Janssen PHM; Heuberger PSC; Sanders R (1992-12-31)
      Abstract niet beschikbaar
    • Een uniform rekenmodel voor spoortrillingen 2016 : Ontwikkelingsmogelijkheden

      Gruijter D de; Broek I van den; Verheijen E; Lentzen S; Broek I van den; Bolte J; LKG; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-03-02)
      Om te komen tot een landelijk toepasbaar uniform rekenmodel heeft het RIVM geïnventariseerd welke modellen en methoden er bestaan om trillingsniveaus door treinverkeer te bepalen en heeft deze beoordeeld op hun kwaliteit. Op basis daarvan is onderzocht welk model het meest geschikt is om trillingen van treinverkeer te bepalen. Geen van de onderzochte modellen voldoet aan de gestelde eisen. Wel is het mogelijk om een uniform rekenmodel te realiseren door verbetering en combinatie van bestaande methoden en data. Dit nog te ontwikkelen model bestaat uit een register met data van het spoor, een 3D rekenmethode en een database met bodemeigenschappen. De aanleiding voor het onderzoek is de wens van de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu om te komen tot een uniform rekenmodel dat landelijk toepasbaar is en waarmee spoortrillingen kunnen worden beoordeeld zonder metingen uit te voeren. Met een uniform rekenmodel kunnen trillingseffecten in het kader van tracébesluiten eenduidiger en eenvoudiger voorspeld en getoetst worden. Ook kan eenduidig bepaald worden welke effecten maatregelen hebben. Het uniforme rekenmodel kan de huidige werkwijze, waarbij langdurige en kostbare metingen noodzakelijk zijn, vervangen zonder aan zorgvuldigheid in te boeten. Ook zorgt een uniform rekenmodel voor eenduidige uitkomsten, onafhankelijk van wie de berekeningen uitvoert. Bij tracébesluiten voor de aanleg, wijziging of het opnieuw in gebruik nemen van een landelijke spoorweg is de Beleidsregel trillinghinder spoor van toepassing. Daarvoor moeten trillingsniveaus bepaald worden op de vloeren van gebouwen, zoals woningen. Dit onderzoek richt zich op de bepaling van trillingsniveaus op de fundering van gebouwen. Voor het bepalen van trillingsniveaus op vloeren zal in een uniform rekenmodel nog een module moeten worden ontwikkeld. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het ministerie van IenM. Het RIVM heeft de kwaliteit van 7 Nederlandse en 10 buitenlandse rekenmethoden beoordeeld.
    • Uniform System for the Evaluation of Substances (USES), version 2.0

      Linders JBHJ; Jager DT (eds); CSR (National Institute of Public Health and Environment RIVMMinistry of HousingSpatial Planning and the Environment VROMMinistry of HealthWelfare and Sport VWS, 1998-07-29)
      Dit rapport beschrijft de tweede versie van het Uniforme Beoordelingssysteem Stoffen, USES 2.0. Dit bestaat uit een zoveel mogelijk geintegreerd risicobeoordelingssysteem voor nieuwe en bestaande stoffen, landbouwbestrijdingsmiddelen (gewasbeschermingsmiddelen) en niet-landbouwbestrijdingsmiddelen (biociden). Het risicobeoordelingssysteem voor nieuwe en bestaande stoffen is volledig gelijk is aan EUSES 1.00 (European Union System for the Evaluation of Substances). USES is een beslissingsondersteunend instrument voor overheden, onderzoeksinstituten en chemische bedrijven bij het snel en efficient kwantitatief beoordelen van de algemene risico's van stoffen. De eerste versie van USES kwam in 1994 beschikbaar als een uitgave van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM).
    • Uniform System for the Evaluation of Substances (USES), version 4.0

      Linders JBHJ; Rikken MGJ; Bakker J; Poel P van der; CSR (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2002-11-29)
      This report describes the fouth version of the Uniform System for the Evaluation of Substances, USES 4.0. USES 4.0 is an integrated risk assessment system for new and existing substances and agricultural and non-agricultural pesticides. The risk assessment system for new and existing substances in USES 4.0 is fully equivalent to EUSES 1.00, the European Union System for the Evaluation of Substances. USES is a decision-support system to be used by central governments, research institutes and the chemical industry for rapid, quantitative assessments of the general risks of substances. In 1994, USES 1.0, the first version of the Uniform System for the Evaluation of Substances, became available from the Netherlands' Ministry of Housing, Spatial Planning and the Environment (VROM).
    • Uniform System for the Evaluation of Substances (USES), version 3.0

      Linders JBHJ; Rikken MGJ; CSR (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2000-07-03)
    • Uniform System for the Evaluation of Substances (USES), version 4.0

      Linders JBHJ; Rikken MGJ; Bakker J; van der Poel P; CSR (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2002-11-29)
      Dit rapport beschrijft de vierde versie van het Uniforme Beoordelingssysteem Stoffen, USES 4.0. Dit bestaat uit een zoveel mogelijk geintegreerd risico-beoordelingssysteem voor nieuwe en bestaande stoffen, landbouwbestrijdingsmiddelen (gewasbeschermingsmiddelen) en niet-landbouwbestrijdingsmiddelen (biociden). Het risicobeoordelingssysteem voor nieuwe en bestaande stoffen is volledig gelijk is aan EUSES 1.00 (European Union System for the Evaluation of Substances). USES is een beslissingsondersteunend instrument voor overheden, onderzoeks-instituten en chemische bedrijven bij het snel en efficient kwantitatief beoordelen van de algemene risico's van stoffen.De eerste versie van USES kwam in 1994 beschikbaar als een uitgave van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM).<br>
    • Uniformering berekening mest- en mineralencijfers: Standaardcijfers pluimvee, pelsdieren en konijnen, 1990 t/m 1992

      Eerdt MM van (eds); CBS; IKC-V; LAMI; LEI-DLO; LAE; SLM (Werkgroep uniformering berekening mest- en mineralencijfers, 1994-08-31)
      Abstract niet beschikbaar
    • Uniformering berekening mest- en mineralencijfers: Standaardcijfers rundvee, schapen en geiten, 1990 t/m 1992

      Eerdt MM van (ed); Crijns M; Hoek KW van der; Luesink HH; Peet GFV van der; Voet J; Uenk JH; Boheemen PJM van; CBS; IKC-V; et al. (Werkgroep uniformering berekening mest- en mineralencijfers, 1994-08-31)
      Abstract niet beschikbaar
    • Uniformering berekening mest- en mineralencijfers: Standaardcijfers varkens, 1990 t/m 1992

      Eerdt MM van (ed); Crijns M; Hoek KW van der; Luesink HH; Peet GFV van der; Voet J; Uenk JH; Boheemen PJM van; CBS; IKC-V; et al. (Werkgroep uniformering berekening mest- en mineralencijfers, 1994-08-31)
      Abstract niet beschikbaar
    • Update of ecological risk limits for arsenic in soil

      van Herwijnen R; Postma J; Keijzers R; MSP; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMEcofide, 2015-09-24)
      Het RIVM heeft nieuwe Nederlandse ecologische risicogrenzen bepaald voor arseen in de bodem. Deze grenzen geven aan bij welke concentraties arseen schadelijke effecten op het ecosysteem in de bodem kan veroorzaken. De nieuwe risicogrenzen zijn strenger, om bacteriën en schimmels te beschermen tegen hoge arseenconcentraties. Bacteriën en schimmels zijn belangrijk om de bodem gezond te houden maar blijken heel gevoelig te zijn voor arseen. Als ze door de aanwezigheid van een kleine hoeveelheid van deze stof minder goed functioneren, kan er in de bodem bijvoorbeeld een tekort ontstaan aan bepaalde voedingsstoffen. Arseen is een stof die van nature in de Nederlandse bodem zit. Ook door menselijke activiteit kan arseen de bodem hebben vervuild. Arseen is lange tijd veel gebruikt, bijvoorbeeld in verf en lijm of als bestrijdingsmiddel. Aangezien arseen een kankerverwekkende stof is, is het gebruik ervan sinds 2004 steeds meer aan banden gelegd. Interventiewaarden en Maximale Waarden bodem De nieuwe risicogrenzen zijn bepaald omdat de huidige van 2001 dateren en op beperkte gegevens zijn gebaseerd. Risicogrenzen zijn nodig om de zogeheten interventiewaarden en Maximale Waarden bodem te kunnen bepalen. Als de interventiewaarde wordt overschreden, komt de bodem in aanmerking voor sanering. Maximale Waarden zijn van belang om te bepalen of de grond in verband met hergebruik op een andere locatie mag worden verplaatst (grondverzet). De risicogrenzen voor bodem Voor deze doeleinden zijn in totaal twee risicogrenzen bepaald: de Ernstige Toevoeging (ET) en de Maximaal Toelaatbare Toevoeging (MTT). De Ernstige Toevoeging is de concentratie waarbij schadelijke effecten van de stof voor het bodemecosysteem te verwachten zijn. De bepaalde ET voor de bodem is 0,26 milligram per kilogram drooggewicht bodem. De Maximaal Toelaatbare Toevoeging (MTT) voor arseen in de bodem is bepaald op 0,0012 milligram per kilogram drooggewicht bodem. Onder dit niveau zijn geen negatieve effecten voor het ecosysteem in de bodem te verwachten. In beide risicogrenzen is nog niet verrekend hoeveel arseen er van nature in de bodem zit (de achtergrondconcentratie). De achtergrondconcentratie moet dus nog bij de risicogrenzen worden opgeteld. Het RIVM heeft daar na een separaat onderzoek ook een voorstel voor gedaan.
    • Update of ecological risk limits of nickel in soil

      Verschoor A; MSP; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2015-09-25)
      Het RIVM doet een voorstel voor nieuwe Nederlandse risicogrenzen voor nikkel in de bodem. Deze grenzen geven aan bij welke concentraties nikkel negatieve effecten op het ecosysteem in de bodem kan veroorzaken. Het voorstel is gebaseerd op de meest recente data en inzichten in Europa. Met deze grenzen worden de risico's van een nikkelverontreiniging realistischer ingeschat. Als gevolg daarvan zullen de normen strenger zijn voor enkele typen bodems, zoals bodems waar meer nikkel uit vrijkomt. Voor het merendeel van de bodems zullen de normen soepeler uitvallen. Nieuw is dat bij deze normen rekening wordt gehouden met de mate waarin bodemorganismen worden blootgesteld aan de vervuilende stof, de zogeheten biobeschikbaarheid. Uit de bodem komt namelijk niet de totale concentratie vrij, omdat een deel aan bodemdeeltjes 'vast blijft zitten'. In welke mate dat gebeurt, is afhankelijk van de samenstelling van de bodem en verschilt daarom per bodemtype. In het onderzoek is ook een correctiemethode ontwikkeld waarmee de totale concentratie van een stof in de bodem kan worden omgerekend naar de concentratie die vrijkomt. e huidige bodemnormen voor nikkel dateren van 2001 en zijn gebaseerd op drie testgegevens met regenwormen. De laatste 15 jaar is er binnen de Europese Unie veel experimenteel onderzoek gedaan naar de mate waarin nikkel giftig is voor bodemorganismen. Het RIVM heeft op basis van deze 184 testresultaten, verdeeld over 43 verschillende soorten organismen of bodemprocessen, nieuwe maximaal toelaatbare risico- (MTR) en ernstige risicoconcentraties (ER) in de bodem afgeleid.
    • Update of risk assessment models for the indirect human exposure

      Rikken MGJ; Lijzen JPA; SEC; LER (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2004-07-01)
      This report describes the research into the methodology of the indirect human exposure models using two risk assessment tools, EUSES and CSOIL. Alternatives are proposed to the methodology of the indirect human exposure models, considering that their validity often remains unclear. The current plant model proved to function as an appropriate exposure route from air and soil to crops. However, improvements such as adding the particle-bound transport to leaves and using separate parameters for roots and leaves are recommended. The two equations describing the indirect exposure via fish seem sufficiently valid. Nevertheless, measured data is uncertain and the equation for hydrophobic substances leaves room for improvement. Large uncertainties for meat and milk are to be expected in the model, especially for hydrophobic chemicals. The method estimating the purification factors for the ingestion of drinking water can be seen as being rough and near worst case in its application. This method must also be updated, preferably with more European experimental data. The ingestion of soil should also include the ingestion of house dust, because part of this dust originates in the soil. In addition to the mentioned improvements, this report proposes further research for the different exposure routes.
    • Update of risk assessment models for the indirect human exposure

      Rikken MGJ; Lijzen JPA; SEC; LER (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2004-07-01)
      Dit rapport beschrijft de evaluatie van indirecte humane blootstellingsmodellen, die worden gebruikt in de risicobeoordelingsinstrumenten EUSES en CSOIL. De validiteit van deze modellen is vaak onduidelijk en daarom worden alternatieve methoden voorgesteld. Het huidige gewasmodel blijkt geschikt te zijn om de route van lucht en bodem naar de plant te beschrijven. Het model kan nog wel worden verbeterd wanneer bijvoorbeeld het deeltjesgebonden transport vanuit de lucht naar het blad wordt toegevoegd. De twee vergelijkingen, die de bioconcentratie in vis beschrijven, schijnen voldoende valide te zijn. De meetgegevens zijn echter onzeker en voor hydrofobe stoffen worden ernstige afwijkingen berekend. Bij gebruik van het model dat de concentratie in vlees en melk schat moet rekening worden gehouden met grote onzekerheden, wat vooral van belang is voor hydrofobe stoffen. De methode om de zuiveringsfactoren te schatten voor het gebruik van drinkwater is behoorlijk slecht en schetsmatig. Er moeten meer Europese gegevens beschikbaar komen om de huidige benadering te actualiseren en te valideren. Het model voor de humane bodeminname zou ook de inname van huisstof moeten meenemen, omdat een gedeelte van huisstof afkomstig is uit de bodem. Naast de al genoemde verbeteringen, wordt verder nog nader onderzoek voorgesteld voor de verschillende blootstellingsroutes.
    • Update of the exploratory report Acrolein

      Slooff W; Bont PFH; Janus JA; Pronk MEJ; Ros JPM; ECO; PPCbv; ACT; LAE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1994-04-30)
      The report is an update of the exploratory report acrolein (Slooff et al., 1991) that served as a basis for the discussion during the exploratory meeting on acrolein in March 1992. The meeting supported the conclusion that priority should be given to the compartment air and to the risks to humans. With respect to inhalation and dietary exposure of humans to acrolein, a maximum permissible concentration of 0.5 mug.m-3 and a tolerable daily intake of 0.5 mug.kg-1 bw. day-1 (equivalent to 30 mug.day-1 for a 60 kg person) has been derived, respectively. The available data on human exposure levels indicate that the current acrolein concentrations in outdoor air (incase of high traffic density) and, especially, in indoor air likely exceed the maximum permissible concentration in air and that the dietary intake of acrolein may exceed the tolerable daily intake. It is noted, however, that with respect to the Netherlands only very limited data on acrolein concentrations in outdoor air are available and that data on acrolein concentrations in indoor air and in foodstuffs and beverages are lacking. Therefor, a sound risk evaluation is not possible.<br>
    • Update of the exploratory report phthalates

      Peijnenburg WJGM; van Ewijk M; de Haan MWA; Janus JA; Ros JPM; Slooff W; van der Velde EG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1991-05-31)
      This report contains general information on phthalate esters concerning the existing standards, emissions, exposure levels, environmental fate, available methods of analysis and effect levels. The report is an update of the exploratory report phthalates, that served as a basis for the discussion during the exploratory meeting, which was held in November 1990 and was aimed at determining the contents of the integrated criteria document Pththalates. In spite of the large quantities of phthalates produced and finally ending in landfills, data on emissions, occurrence and effects are not available or insufficient. The present information does not allow an adequate risk assessment but indicates that the threat however, in the vicinity of point sources, the exposure concentrations to a limited extend may exceed the maximum acceptable risk levels. It is recommended to fill in some gaps (emission, toxicity and exposure data) before drawing the integrated criteria document on this group of compounds.<br>
    • Update van de classificatie van Afgedankte Elektrische en Elektronische Apparaten

      de Groot AC; Broekman MH; IMG; mev (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2010-09-30)
    • An updated evaluation of the Bonn Agreement: incorporating the Marrakesh Accords

      Elzen M den; Moor de A; CIM; MNV (2002-06-07)
      Deze rapportage is een vervolg op het RIVM rapport Evaluating the Bonn Agreement and some key issues door een aantal correcties op de vorige exercitie toe te passen alsmede de laatste beslissingen in Marrakesh mee te nemen. De herziene evaluatie laat zien dat de uitkomsten voor de milieu-effectiviteit en kosten nauwelijks wijzigen. Onze herziene evaluatie onderstreept de hoofdconclusie uit de vorige rapportage dat zonder deelname van de VS het banken van hot air van cruciaal belang is voor het versterken van zowel de milieu- als de economische effectiviteit van het Protocol.
    • An updated evaluation of the Bonn Agreement: incorporating the Marrakesh Accords

      Elzen M den; Moor de A; CIM; MNV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2002-06-07)
      This report updates RIVM's earlier evaluation of the Bonn Agreement by incorporating the impact of the Marrakesh Accords. Compared to our previous report, the impact on both the environmental effectiveness and economic efficiency is rather limited. Our updated evaluation underlines the main conclusion from our previous report that without US participation, banking large amounts of hot air is of absolute importance to improve both the environmental effectiveness and the economic efficiency.