• Uitloging van grond. Een modelmatige verkenning

      Spijker J; Comans RJN; Dijkstra JJ; Groenenberg BJ; Verschoor AJ; LER (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMECNAlterra, 2009-07-02)
    • Uitloging van PCB's en EOX uit afvalstoffen met de kolom-, cascade- en aangepaste CEN proef (materiaalonderzoek)

      Broekman MH; Rood GA; LOC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1996-10-31)
      In het kader van het Taakstellend Plan ter ondersteuning van de normcommissie 390 11 'Uitloogkarakterisering van Bouw- en afvalstoffen' (TSP) voert het RIVM het project 'Uitloging van organische componenten' uit. Het doel van het project is het ontwikkelen van een set van uitloogproeven voor organische componenten. Het onderzoek in dit rapport omvat het bepalen van de emissieniveaus van PCB's en EOX en een toetsing van de ontwerp-NVN's 7344 en 7350. Daarnaast is het werkdocument van de CEN proef (van de commissie CEN TC 292) aangepast voor organische componenten en in dit onderzoek getest. De cumulatieve emissie van PCB's en EOX uit verontreinigd bouwpuin, zeefzand en grond is conform voornoemde voorschriften in tweevoud middels de kolom-, cascade- en aangepaste CEN proef bepaald. Op basis van het in dit rapport beschreven onderzoek is geen noodzaak gebleken voor aanpassing van de ontwerpvoornormen 7344 en 7350. In het onderzoek is een vergelijking gemaakt van het verloop van de cumulatieve emissie uitgezet tegen de L/S waarde met die van anorganische componenten. Hieruit blijkt dat het emissieverloop van PCB's en EOX gelijkenis vertoont.<br>
    • Uitlooggedrag van primaire en secundaire grondstoffen

      Aalbers TG; Keijzer J; Gerritsen R (1990-07-31)
      Abstract niet beschikbaar
    • Uitloogonderzoek aan een wegvak met slak van een AfvalVerbrandingsInstallatie als funderingsmateriaal in Roosendaal

      Aalbers; T.G.; Fokkert; L.; Beek; A.I.M. van de; (1986-10-31)
      Het uitlooggedrag van zware metalen uit een alternatief funderingsmateriaal (AVI-slakken) is vergeleken met dat van het vaak toegepaste natuurlijke materiaal Lavalith. Teneinde dit gedrag onder praktijkomstandigheden te onderzoeken zijn twee proefvakken aangelegd waarin beide wegfunderingsmaterialen zijn verwerkt. Het blijkt dat de pH van het water, dat gedurende het tweejarig praktijkonderzoek door de proefvakken percoleert, toeneemt en in belangrijke mate het uitlooggedrag van de onderzochte materialen (As, Cd, Co, Cr, Cu, Mo, Ni, Pb, Sb, V en Zn) bepaalt. M.u.v. Co (2.5%) uit het proefvak met AVI-slakken als funderingsmateriaal, zijn de cumulatieve uitloogpercentages van de metalen voor de beschouwde onderzoeksperiode minder dan 1% van het metaalgehalte dat aanwezig is in de vaste stof. De hoogst gemeten percolaatconcentraties van het proefvak met AVI- slakken zijn m.u.v. As en Cr hoger dan die van het proefvak met Lavalith.
    • Uitloogtest voor organische componenten uit afvalstoffen

      Bauw DH; Keijzer J; Wilde PGM de; Aalbers TG (1988-12-31)
      In de eerste fase van het onderhavige onderzoek is een opwerkingsvoorschrift ontwikkeld voor de bepaling van PAK's, verkregen na uitloging van een grondmonster met de SU-test. Hierbij was in eerste instantie de aandacht gericht op de bepaling van PAK's. Deze klasse van verbindingen heeft uit milieuhygienisch oogpunt een hoge prioriteit. Het is de bedoeling dit opwerkingsvoorschrift te optimaliseren en uit te breiden voor de simultane bepaling van andere klassen van organische verbindingen. Bij de analyse van PAK's zijn de zogenaamde 16 EPA-PAK's als referentie gekozen. De methode is gebaseerd op een solid phase extractie (SPE) en is geintegreerd in de reeds vermelde SU-test, waarbij in een volgende fase onderzocht zal worden of een verdere integratie met de SU-test tot de mogelijkheden behoort. De methode is reeds met succes ingezet bij de bepaling van PAK's in het grondmonster. De resultaten hiervan worden in dit verslag gepresenteerd. De experimenten die nodig waren voor de onderbouwing van de methode, zullen eveneens aan de orde komen.
    • Het uitruilbeginsel bij hoogspanningslijnen : Een verkenning

      Kelfkens G; Pruppers MJM; LSO; mev (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2010-12-17)
      Een geografisch informatiesysteem (GIS) helpt bij het opstellen van een lijst met delen van bovengrondse hoogspanningslijnen die volgens het rijksbeleid het eerst in aanmerking komen om ondergronds te brengen. Dit blijkt uit verkennend onderzoek van het RIVM in opdracht van het ministerie van VROM. De minister van EZ heeft namelijk bepaald dat het aantal kilometers bovengrondse hoogspanningslijn niet mag toenemen. Voor elk deel van een nieuwe, bovengrondse hoogspanningslijn met spanning van 220 kV of hoger moeten daarom delen van bestaande hoogspanningslijnen van 150 kV of 110 kV, met dezelfde lengte, ondergronds worden gebracht. Dit zogeheten uitruilbeginsel wordt alleen toegepast als de nieuwe bovengrondse hoogspanningslijn niet met een bestaande hoogspanningslijn kan worden samengevoegd. Met het binnen RIVM ontwikkelde GIS voor hoogspanningslijnen is inzichtelijk gemaakt hoe en waar een hoogspanningslijn op het ruimtelijke beleid van de overheid ingrijpt. Dat is gebeurd door te bepalen hoeveel woningen of scholen er dicht bij een hoogspanningslijn liggen en door te berekenen over welke lengte een hoogspanningslijn een Unesco Werelderfgoedgebied, een beschermd natuurgebied, een Nationaal Landschap of een Rijksbufferzone doorsnijdt. De resultaten van die GIS analyse kunnen de basis vormen voor nog te maken beleidsafwegingen. De onderlinge weging van de verschillende beleidscategorieën (wonen, natuur, open ruimte, verstedelijking) die daarvoor nodig is,blijft een verantwoordelijkheid van de betrokken ministers. De GIS-analyse kan op enkele punten worden geoptimaliseerd. Het gaat dan vooral om een betere functionele eenheid voor het hoogspanningsnet, een betere definitie van de zones die om het hoogspanningsnet worden gelegd en een betere kwaliteit en actualiteit van de ruimtelijke bronbestanden.
    • Uitspoeling en grondwaterbelasting onder een bosgebied

      Krajenbrink GJW (1988-11-30)
      In het kader van het stikstofproject heeft het RIVM-onderzoek verricht naar de gevolgen van atmosferische depositie voor de kwaliteit van infiltratiewater onder loof- en naaldbos in het wat erwingebied Putten. Het gebied ligt beneden winds van een gebied met een hoge ammoniakemissie. Het bodemvocht op 1.2 m -m.v. onder bomen en open plekken in het bos is bemonsterd met poreuze cups. De bovenste meter grondwater is oim de 30 cm in de verticaal bemonsterd met een zogenoemde multilayer sampler. De interceptie depositie leidt vooral onder naaldbomen tot een groot verrijkingseffect in het bodemvocht. De kwaliteitsvariatie van de grondwatervoeding is zeer groot, waarbij open plekken een belangrijk verdunnend effect hebben op de grondwatersamenstelling. De effecten van de bodemverzuring in het grondwater zijn zeer plaatsafhankelijk. Met name in de bosrand leidt de atmosferische depositie tot nitraatconcentraties die de drinkwaternorm overschrijden (max. 28.5 mg N/l).
    • De uitspoeling van het stikstofoverschot naar grond- en oppervlaktewater op landbouwbedrijven

      Fraters B; Boumans LJM; van Leeuwen TC; Reijs JW; LVM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMLEI, 2007-12-07)
      In deze studie is per grondsoort berekend in welke mate een stikstofoverschot bij bouwland en grasland uitspoelt naar het grond- en oppervlaktewater. De uitspoeling verschilt namelijk tussen grondsoorten en vormen van bodemgebruik. Bij bouwland op droge zandgrond spoelt negentig procent van het stikstofoverschot uit. Bij grasland op veengrond is dat slechts vijf procent. Een stikstofoverschot is het verschil tussen de aanvoer van stikstof, bijvoorbeeld via kunstmest en dierlijke mest, en de afvoer van stikstof, bijvoorbeeld bij de oogst van gewas. Van de drie grondsoorten, die in deze studie zijn onderzocht, neemt de uitspoeling af in de volgorde: zand - klei - veen. Bij de zandgronden is de uitspoeling het grootst bij droge gronden en het laagst bij natte gronden. De uitspoeling is bovendien bij bouwland groter dan bij grasland. Deze gegevens zijn belangrijk om te voorkomen dat door bemesting te veel stikstof uitspoelt naar grond- en oppervlaktewater. Volgens de Nitraatrichtlijn zijn alle lidstaten van de Europese Unie verplicht dit te voorkomen. Nederland heeft een stelsel van stikstofgebruiksnormen ontwikkeld waarmee zowel de totale stikstofbemesting als de stikstofbemesting met dierlijke mest wordt gereguleerd. Voor de akker- en tuinbouwgewassen op zand- en lossgrond zijn voor de jaren 2008 en 2009 nog geen stikstofgebruiksnormen vastgesteld. Deze informatie zal door de Werkgroep Onderbouwing Gebruiksnormen worden gebruikt bij de afleiding van milieuverantwoorde gebruiksnormen voor het totale stikstofgebruik en het stikstofgebruik met dierlijke mest. Voor de studie zijn meetgegevens gebruik van het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM) van het RIVM en het LEI.
    • De uitspoeling van het stikstofoverschot naar grond- en oppervlaktewater op landbouwbedrijven : Herberekening van uitspoelfracties

      Fraters B; van Leeuwen TC; Hooijboer A; Hoogeveen MW; Boumans LJM; Reijs JW; CMM; mev (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMLEI, 2012-08-30)
      Per grondsoort is berekend in welke mate een stikstofoverschot bij akkerland en grasland tussen 1991 en 2009 uitspoelde naar het grond- en oppervlaktewater. Het stikstofoverschot is het verschil tussen de hoeveelheid stikstof die op het land wordt aangevoerd door het gebruik van mest en kunstmest, en de hoeveelheid die met de oogst wordt afgevoerd. Deze hoeveelheid die in de bodem achterblijft kan uitspoelen naar grond- en oppervlaktewater. De mate waarin dat gebeurt blijkt te verschillen tussen grondsoorten en vormen van bodemgebruik. De resultaten van dit onderzoek verschillen nauwelijks van eerder onderzoek naar de mate van uitspoeling tussen 1991 en 2004. De resultaten worden gebruikt om met behulp van een model de gebruiksnormen voor het totale stikstofgebruik te bepalen die verantwoord zijn voor het milieu. Mate van uitspoeling stikstofoverschot verschilt tussen grondsoorten Van de drie grondsoorten die in deze studie zijn onderzocht, is de mate van uitspoeling in zandgronden het grootst, gevolgd door klei en ten slotte veen. Bij bouwland op droge zandgrond spoelt 90% van het stikstofoverschot uit. Bij natte zandgronden is dat percentage lager. Dat komt doordat de omstandigheden in de bodem gunstiger zijn om nitraatstikstof af te breken, zodat het niet in het grond- en oppervlaktewater terechtkomt. Bij grasland op veengrond is spoelt slechts 5% van het stikstofoverschot uit. Hier wordt nagenoeg alle nitraatstikstof afgebroken. Nieuwe stikstofnormen in 2014 Deze gegevens zijn belangrijk om te voorkomen dat door bemesting te veel stikstof uitspoelt naar grond- en oppervlaktewater. Volgens de Nitraatrichtlijn zijn alle lidstaten van de Europese Unie verplicht dit te voorkomen. Nederland heeft een stelsel van normen ontwikkeld om zowel de totale stikstofbemesting als de stikstofbemesting met dierlijke mest te reguleren. Deze gebruiksnormen worden elke vier jaar geëvalueerd; voor de periode 2014-2017 worden ze opnieuw vastgesteld. Voor de het onderzoek zijn meetgegevens gebruikt van het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM) van het RIVM en LEI, onderdeel van Wageningen Universiteit en Research Centrum.
    • De uitstroom van geneesmiddelen uit het verzekerde pakket: benzodiazepinen en acetylcysteïne nader bekeken

      Füssenich K; Feenstra TL; Hoebert JM; EVG; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-03-15)
      In Nederland bestaan uitgebreide procedures om te bepalen welke geneesmiddelen worden vergoed via de basisverzekering. De minister voor Medische Zorg en Sport besluit welke geneesmiddelen dit betreft en wordt hierin geadviseerd door het Zorginstituut Nederland. Soms worden geneesmiddelen na verloop van tijd uit het verzekerde pakket gehaald of wordt de vergoeding beperkt. De procedures om dat te bepalen zijn nog volop in ontwikkeling. Als bijdrage daaraan heeft het RIVM de uitstroom van geneesmiddelen tussen 2009 en 2011 geanalyseerd, mede op basis van twee casestudies. <br> <br>In Nederland zijn snel data beschikbaar die laten zien in welke mate geneesmiddelen nog worden gebruikt nadat hun vergoeding is beperkt. Deze data bieden ook inzicht of mensen de medicijnen zelf gaan betalen. De methode waarmee de twee casussen zijn geanalyseerd (ITS) voegt een statistische onderbouwing toe aan deze data. Daardoor geven de resultaten niet alleen inzicht in de kortetermijneffecten van een beperkende maatregel, maar ook in de langetermijneffecten. Verder blijkt dat een gebrek aan effectiviteit van een geneesmiddel meestal is gebruikt als argument om een vergoeding te schrappen. Zelden ging het om de kosten-effectiviteit of andere financiële argumenten. <br> <br>De casestudies naar slaapmiddelen (benzodiazepinen) en een slijmverdunner (acetylcysteïne) geven aan dat een deel van de patiënten de middelen zelf gaat betalen als ze niet meer worden vergoed. De mate waarin dat gebeurt hangt af van het inkomen van de patiënt. Ook andere effecten kunnen plaatsvinden, zoals het gebruik van andere geneesmiddelen en/of zorg. Al deze effecten worden beïnvloed door kenmerken van de patiënt, zoals leeftijd, geslacht, sociaaleconomische status, type verzekering. Meer inzicht hierin is nodig omdat deze informatie voor beleidsmakers van belang is. <br>
    • Uitvoerfile&apos;s van de hydro-3 databank

      Prins HF (1988-01-31)
      Dit rapport maakt deel uit van het HYDRO-3 project van het OPLA-onderzoeksprogramma. Het bevat hydrogeologische gegevens van het Tertiair, voorzover die via openbare bronnen toegankelijk zijn. Deze data zijn opgeslagen in de HYDRO-3 databank (zie RIVM rapp. nr. 728512003)., zodat er eenvoudig een aantal handelingen mee kan worden verricht.
    • Uitvoering van maatregelen bij winningen drinkwater : Implementation of measures at drinking water extraction sites

      Wuijts S; van den Brink C; DDB; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMRoyal Haskoning DHV, 2015-08-25)
      Sinds enkele jaren worden in Nederland programma's opgesteld met afspraken over maatregelen die nodig zijn om de risico's voor de kwaliteit van bronnen van drinkwater weg te nemen of te voorkomen. Of met deze maatregelen Nederland ook zal kunnen voldoen aan de concrete kwaliteitsdoelstellingen van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) voor bronnen van drinkwater, is nog niet duidelijk. Uit een inventarisatie van het RIVM blijkt dat hierover zorg bestaat bij de betrokken partijen (provincies, drinkwaterbedrijven en waterbeheerders). Wel is de bewustwording van de kwetsbaarheid van de waterwinningen bij deze partijen vergroot, evenals de betrokkenheid om mee te werken aan oplossingen. De programma's zijn onder regie van provincies en waterbeheerders opgesteld. Een van de problemen die bij de bescherming van de kwaliteit van de drinkwaterbronnen speelt is dat verschillende kaders, zoals de Drinkwaterwet en de Wet bodembescherming, van toepassing zijn. Dit geldt bijvoorbeeld voor historische bodemverontreinigingen en het gebruik van mest. Hierdoor kan het voorkomen dat betrokken partijen voldoen aan hun wettelijke verplichtingen voor de bodem maar er toch een probleem blijft bestaan voor de kwaliteit van het water dat bestemd is voor de drinkwatervoorziening. Daarnaast zijn lozingen van vervuilende stoffen op oppervlaktewater lastig aan te pakken. Dat komt doordat veel partijen, zowel binnen Nederland als daarbuiten, betrokken zijn en ieders verantwoordelijkheid hierin niet helemaal duidelijk is. De Drinkwaterwet biedt hiervoor wel allerlei handvaten, maar die moeten wel nader worden uitgewerkt en in de praktijk gebracht.
    • Uitvoeringstoets bevolkingsonderzoek naar darmkanker : Opsporing van darmkanker in praktijk gebracht

      van Veldhuizen-Eshuis H; Carpay MEM; van Delden JA; Grievink L; Hoebee B; Lock AJJ; Reij R; CVB; vz (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2011-06-06)
      Het is mogelijk een landelijk bevolkingsonderzoek naar darmkanker in Nederland in te voeren en uit te voeren. Wel zijn een goede voorbereiding en een gefaseerde invoering vereist om de kwaliteitseisen van het bevolkingsonderzoek te garanderen. Het zelfde geldt voor voldoende capaciteit om eventueel vervolgonderzoek te kunnen uitvoeren. Dit blijkt uit een zogeheten uitvoeringstoets naar dit bevolkingsonderzoek, uitgevoerd door het RIVM. De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zal de toets gebruiken bij de besluitvorming of dit bevolkingsonderzoek wordt ingevoerd. Een bevolkingsonderzoek naar darmkanker is kosteneffectief en kan op termijn jaarlijks 2400 sterfgevallen voorkomen. Na de besluitvorming is minimaal 2 jaar aan voorbereidingen nodig om het bevolkingsonderzoek gefaseerd te kunnen invoeren. Het bevolkingsonderzoek is bedoeld voor mensen van 55 tot en met 75 jaar (4,4 miljoen mensen). Zij worden door screeningsorganisaties elke 2 jaar uitgenodigd deel te nemen aan het bevolkingsonderzoek. Zij ontvangen daarvoor thuis een test (iFOBT), die zij zelf opsturen voor analyse. Bij een afwijkende uitslag zullen zij worden doorverwezen voor verdere diagnostiek (coloscopie) en zo nodig behandeling. De uitvoeringstoets is in samenwerking met de betrokken beroepsroepen, patientenorganisaties, screeningsorganisaties en andere stakeholders tot stand gekomen. Onder hen is een breed draagvlak om de screening in te voeren. Voor de uitvoeringstoets is in kaart gebracht welke voorbereidende activiteiten zouden moeten worden uitgevoerd, en onder welke voorwaarden. Zo is beschreven welke richtlijnen en kwaliteitseisen nodig zijn en hoe de kwaliteit van het programma kan worden bewaakt. Er worden maatregelen voorgesteld om de berekende capaciteitstekorten op te vangen, zoals taakverschuiving en een efficiënte uitvoering van de coloscopie. Verder moet erop worden toegezien dat er geen lange wachttijden ontstaan voor coloscopie en verdere behandeling; zonodig wordt de gefaseerde invoering bijgestuurd. Tevens moet er voldoende aandacht zijn voor communicatie, zowel in algemene zin bij de introductie van het bevolkingsonderzoek als voor de deelnemers over het doel, nut en proces ervan. Daarnaast zijn de belangrijkste implementatiewerkzaamheden en een prognose van kosten weergegeven.
    • Uitvoeringstoets implementatie Niet-Invasieve Prenatale Test (NIPT)

      Hitzert, MF; de Vries, CGJCA; Hoebee, B; Klein, AW; Labots, O; van der Weide, WE; Wieringa, J (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-04-03)
      Zwangeren kunnen laten onderzoeken of hun ongeboren kind down-, edwards- en patausyndroom heeft. Lange tijd werd dit bepaald met de combinatietest. Dat is een bloedonderzoek bij de zwangere en een echo bij het kind. Sinds 2017 kunnen zwangere vrouwen ook voor een ander bloedonderzoek kiezen: de niet-invasieve prenatale test (NIPT). De voorwaarde is wel dat de vrouwen meedoen aan een onderzoek naar deze test (TRIDENT-studies). De NIPT ontdekt meer kinderen met down-, edwards- of patausyndroom en de uitslag klopt vaker dan bij de combinatietest. Zwangeren kunnen de NIPT vanaf de 11e week van de zwangerschap laten doen. De onderzoeken naar de NIPT stoppen in 2023. Uit deze zogeheten uitvoeringstoets van het RIVM blijkt dat het mogelijk is de NIPT in 2023 in het landelijke screeningsprogramma in te voeren. Er is hiervoor voldoende draagvlak bij de beroepsgroepen en andere betrokken partijen. Het blijkt niet haalbaar om de combinatietest naast de NIPT te blijven aanbieden. Het is ingewikkeld maar haalbaar om de NIPT in te voeren. De invoering heeft gevolgen voor alle processen in het programma, van communicatie- en voorlichtingsmaterialen tot ict. Daarnaast moeten onder andere de laboratoria die de NIPT uitvoeren, de laboratoriumproducten en de locaties waar bloed wordt afgenomen op een eerlijke manier worden geselecteerd. Zo'n aanbesteding kost veel tijd. De onderzoeken die nu voor de NIPT lopen, moeten de komende jaren worden afgebouwd, net als de combinatietest. Het RIVM heeft de uitvoeringstoets in opdracht van het ministerie van VWS gedaan. De minister besluit onder andere op basis van deze resultaten of de NIPT wordt ingevoerd in het landelijke screeningsprogramma.
    • Uitvoeringstoets neonatale hielprikscreening in Caribisch Nederland 2013

      Dekkers EHBM; Abbink F; CVB; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2013-10-16)
      Het is mogelijk de neonatale hielprikscreening te implementeren in Caribisch Nederland. Wel zijn hiervoor een goede voorbereiding en een gefaseerde invoering vereist om de kwaliteitseisen van het bevolkingsonderzoek te garanderen. Hetzelfde geldt voor bevestigingsdiagnostiek en follow-up na een afwijkende uitslag. Dit blijkt uit de uitvoeringstoets naar de invoering van deze landelijke screening bij pasgeborenen op Bonaire, Saba en Sint Eustatius, uitgevoerd door het RIVM. De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zal de toets gebruiken bij de besluitvorming of dit bevolkingsonderzoek ook in Caribisch Nederland wordt ingevoerd. De neonatale hielprikscreening is bewezen kosteneffectief en wordt wereldwijd uitgevoerd. Gezien de status van bijzondere Nederlandse Gemeente binnen het Koninkrijk der Nederlanden kunnen de drie eilanden sinds oktober 2010 aanspraak maken op het aanbod van preventie en zorg zoals dat geldt binnen het Koninkrijk. Vanuit de eilanden is in 2011 het verzoek gekomen de neonatale hielprikscreening in te mogen voeren. Na de besluitvorming is minimaal 1 jaar aan voorbereiding nodig om het bevolkingsonderzoek gefaseerd te kunnen invoeren, startend met Bonaire. De neonatale hielprikscreening heeft als doel pasgeborenen op te sporen met een zeldzame - meestal erfelijke - aandoening. De pasgeborene krijgt kort na de geboorte de hielprik aangeboden. Het bloed wordt gescreend op achttien aandoeningen. Het tijdig inzetten van behandeling voorkomt of beperkt ernstige schade aan de lichamelijke en geestelijke ontwikkeling van het kind. De uitvoeringstoets is in nauwe samenwerking met contactpersonen uit Caribisch Nederland en betrokken beroepsgroepen en uitvoeringsorganisaties in Europees Nederland tot stand gekomen. Onder de professionals bestaat een breed draagvlak om de screening in te voeren.
    • Uitvoeringstoets toevoeging Spinale Musculaire Atrofie aan de neonatale hielprikscreening

      Heijnen, ML; Jansen, M; van Gorp, AGM; Hillen, D; Elsinghorst, E; Klein, A (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-09-30)
      SMA is een ernstige, aangeboren spierziekte. Kinderen met SMA raken verlamd en kunnen eraan doodgaan. Ieder jaar krijgen 15 tot 20 kinderen de diagnose SMA. De klachten beginnen meestal op jonge leeftijd. Om de ziekte goed te kunnen behandelen, moet ze vroeg worden ontdekt. Het ministerie van VWS heeft het RIVM daarom gevraagd te onderzoeken wat nodig is om SMA toe te voegen aan de hielprik. De resultaten staan in deze uitvoeringstoets. De uitvoeringstoets laat zien dat SMA kan worden toegevoegd aan de hielprik. Het RIVM verwacht dat de screening op SMA in oktober 2022 in het hele land kan beginnen. Nederland is dan een van de eerste landen in Europa die baby's screenen op SMA. Er zijn veel stappen nodig om SMA toe te voegen aan de hielprik. Het is belangrijk dat de screening op SMA goed verloopt en past in het proces van de hielprik. Dan blijft het draagvlak hoog en blijven bijna alle kinderen meedoen. Een van de benodigde stappen is de aanschaf van een goede testmethode om kinderen met SMA op te sporen. Voor de koop van een testmethode gelden wettelijke regels. Na de koop moet worden getoetst of de methode ook in de Nederlandse praktijk de zieke kinderen goed opspoort. Alle screeningslaboratoria in Nederland gaan de test gebruiken zodra de screening op SMA start. Voor sommige kinderen met SMA is nog niet bekend wat het beste moment is om met de behandeling te beginnen. Het is ook nog niet bekend wat het gevolg van de behandeling is na langere tijd. Daarom moet er een plan komen om de screening na een paar jaar te evalueren. Tot voor kort was er geen behandeling voor kinderen met SMA. Die is er nu wel. De zorgverzekeraar betaalt de behandeling.
    • Uitvoeringstoets uitbreiding neonatale hielprikscreening

      Dekkers EHBM; Broek I van den; Lock AJJ; Vermeulen HM; PNS; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-07-06)
      In de eerste week na de geboorte worden enkele druppels bloed uit de hiel van het kind onderzocht op een aantal ernstige, zeldzame aangeboren ziektes. In 2015 heeft de Gezondheidsraad de minister van VWS geadviseerd om de hielprik met veertien aandoeningen uit te breiden. Het RIVM heeft in een zogeheten uitvoeringstoets onderzocht of deze uitbreiding haalbaar is. Dit blijkt het geval te zijn, mits de uitbreiding gefaseerd wordt doorgevoerd. Ook blijkt dat de uitbreiding alleen onder een aantal randvoorwaarden kan plaatsvinden, zoals voldoende personeel en financiële middelen, beschikbaarheid van flexibele ICT-functionaliteiten, en een goede aansluiting op de zorg. In 2017 zijn inmiddels de eerste twee (alfa- en bèta-thalassemie) van de veertien aandoeningen toegevoegd aan het programma. De uitbreiding is een complex proces, onder meer vanwege het grote aantal aandoeningen, de logistiek en organisatie in de laboratoria, de beschikbaarheid en kwaliteit van testmethodes, de aanvullende onderzoeken die nog moeten plaatsvinden, en de aansluiting op de zorg. Het betreft bovendien zeldzame aandoeningen die nog niet door veel landen zijn opgenomen in het screeningspakket. Hierdoor is ook op internationaal niveau slechts beperkte kennis beschikbaar. Na elk van de onderzoeken is sprake van een go/no go-moment. Dan moet de minister besluiten of de aandoening de implementatiefase in kan gaan of dat eerst verder onderzoek nodig is. Ook kan het zijn dat het nog niet haalbaar is om de aandoening (op dat moment) toe te voegen aan de hielprikscreening. Onder de betrokken beroepsgroepen, patiëntenorganisaties en andere stakeholders bestaat voldoende draagvlak voor de verdere uitbreiding. De huidige neonatale hielprikscreening mag echter niet onder druk komen te staan door de (voorbereidingen voor de) uitbreiding.
    • Uitvoeringstoets wijziging bevolkingsonderzoek baarmoederhalskanker 2013

      van der Veen N; Carpay MEM; van Delden JA; Brouwer E; Grievink L; Hoebee B; Lock AJJ; Salverda JGW; CVB; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2013-10-18)
      Een langdurige infectie met hoog-risicotypen van het Humaan Papillomavirus (hrHPV) kan voorstadia van baarmoederhalskanker veroorzaken. Vroege opsporing van voorstadia van baarmoederhalskanker door hrHPV-screening als primaire test is, goed te organiseren en uit te voeren. Dit blijkt uit een zogeheten uitvoeringstoets naar dit bevolkingsonderzoek, uitgevoerd door het Centrum voor Bevolkingsonderzoek. De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport gebruikt de toets bij de besluitvorming of het voorgestelde bevolkingsonderzoek wordt ingevoerd. Het voorgestelde bevolkingsonderzoek is bedoeld voor vrouwen van 30 tot en met 60 jaar. Zij worden iedere vijf jaar door de screeningsorganisaties uitgenodigd om bij de huisartsenvoorziening een uitstrijkje te laten maken. Vrouwen die niet reageren, ontvangen een zelfafnameset om zelf lichaamsmateriaal af te nemen. Het afgenomen materiaal wordt getest op de aanwezigheid van hrHPV. Vrouwen van 40 en 50 jaar die hrHPV-negatief getest zijn, krijgen pas na tien jaar een nieuwe uitnodiging. Als hrHPV aanwezig is, wordt gekeken of er ook sprake is van afwijkende cellen (cytologische beoordeling). Afhankelijk hiervan vindt verwijzing naar de gynaecoloog of vervolgonderzoek bij de huisartsenvoorziening plaats. Vrouwen die in aanmerking komen voor vervolgonderzoek, ontvangen een uitnodiging van de screeningsorganisaties. De hrHPV-test en de cytologische beoordeling vinden plaats in een beperkt aantal screeningslaboratoria. Het voorgestelde bevolkingsonderzoek levert extra gezondheidswinst op en de uitvoeringskosten zijn lager dan het huidige bevolkingsonderzoek. De uitvoeringstoets is in samenwerking met de betrokken beroepsgroepen, patiëntenorganisaties, screeningsorganisaties en andere stakeholders tot stand gekomen. Onder hen is voldoende draagvlak om hrHPV-screening en de zelfafnameset in te voeren. Voor de uitvoeringstoets is in kaart gebracht hoe het primaire proces, de organisatie, het kwaliteitsbeleid, de communicatie, de monitoring en evaluatie ingericht moeten worden. Om het voorgestelde bevolkingsonderzoek in te kunnen voeren, is twee jaar voorbereiding nodig. Het opstellen van de kwaliteitseisen, de aanbestedingen en de ICT-ontwikkelingen zijn belangrijke aandachtspunten in de voorbereiding. Het voorgestelde bevolkingsonderzoek wordt direct volledig ingevoerd. Alle vrouwen die in aanmerking komen voor een uitnodiging, krijgen een hrHPV-test aangeboden. Intensieve monitoring van mogelijke nadelige effecten, zoals overbehandeling, is belangrijk.
    • Uitwerking artikel 7.3 KRW voor grondwaterlichamen. Drinkwaterfunctie bij karakterisering en toestandbeoordeling van grondwaterlichamen

      Zijp MC; Wuijts S; Dik HHJ; LER ; IMG; mev (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2010-03-29)
      Het RIVM heeft een stappenplan ontwikkeld dat grondwaterbeheerders kunnen gebruiken om de drinkwaterfunctie onderdeel te laten zijn van de risicoanalyse en de toestandbeoordeling van grondwaterlichamen. Op grond van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) moet Nederland elke zes jaar aan de Europese Commissie rapporteren over de kwaliteit van grondwater voor menselijk gebruik. Bij de eerste rapportages is deze informatie echter beperkt meegenomen. De oorzaak daarvan waren onduidelijkheden bij de grondwaterbeheerders over de manier waarop de drinkwaterfunctie bij de risicoanalyse en toestandbeoordeling van grondwater moet worden meegenomen. Het ontwikkelde stappenplan kan worden gebruikt om de stoffen te selecteren die een risico vormen voor de drinkwaterfunctie en die op de schaal van een grondwaterlichaam moet worden aangepakt. Om de bestaande onduidelijkheden weg te nemen heeft het RIVM beschreven hoe de risicoanalyse zich cyclisch verhoudt tot de toestandbeoordeling. De risicoanalyse kan aanleiding geven monitoring in te (her)inrichten om de aanwezigheid van potentiele problematische stoffen te achterhalen. Op basis hiervan worden vervolgens normen afgeleid. Aan die normen wordt getoetst om tot een toestandbeoordeling te kunnen komen. Indien nodig worden maatregelen genomen, waarna het effect daarvan bij de volgende risicoanalyse wordt bekeken. Het stappenplan is uitgewerkt aan de hand van twee casussen. Uit deze casussen blijkt dat bij het uitvoeren van het stappenplan stoffen worden geïdentificeerd waar momenteel geen nationale of Europese normen voor bestaan. Een dergelijk stappenplan kan ook worden ingezet voor de andere functies van grondwater, namelijk oppervlaktewater en terrestrische ecosystemen die van grondwater afhankelijk zijn.