• Trichothecenes in baby food

      Schothorst RC; van Egmond HP; de Mul A; Boon PE; van Klaveren JD; Speijers GJA; ARO; SIR (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMRIKILT Institute of Food Safety, 2006-06-19)
      Uit dit onderzoek blijkt dat voor een aantal van de onderzochte trichothecenen de dagelijkse inname bij ongeveer 10% van de kinderen boven de geaccepteerde veilige dagelijkse dosis ligt. Nu is deze geaccepteerde veilige dagelijkse dosis gebaseerd op een levenslange blootstelling en incidentele overschrijding betekent daarmee niet automatisch dat er een gezondheidsrisico is. Echter, een van de effecten die deoxynivalenol -het meest voorkomende trichotheceen- kan veroorzaken, is groeivertraging. Jonge kinderen groeien snel, zodat overschrijding van de geaccepteerde veilige dagelijkse dosis, juist voor deze groep, voorkomen moet worden. De volksgezondheidsautoriteiten van de lidstaten van de Europese Unie (EU) hebben een groeiende belangstelling voor de aanwezigheid van door schimmels geproduceerde gifstoffen (zoals aflatoxinen, trichothecenen en ochratoxine A) in de voeding. In EU onderzoeksprojecten wordt daarom onderzocht in welke mate de Europese bevolking blootgesteld wordt aan dit soort gifstoffen. Een van deze projecten richtte zich op de trichothecenen en had als een van de belangrijkste conclusies dat er vooral voor de jongere bevolkingsgroepen betrouwbare blootstellinggegevens ontbreken. In de huidige studie zijn analytisch-chemische metingen verricht aan voedingen van jonge kinderen. Aan de hand van de gevonden resultaten is berekend wat de dagelijkse inname van trichothecenen via de voeding is.
    • The trigger values in the environmental risk assessment for (veterinary) medicines in the European Union: a critical appraisal

      Montforts MHMM; SEC (2005-12-06)
      Een kritische beschouwing van de wetenschappelijke onderbouwing van bestaande drempelwaarden voor blootstelling aan humane geneesmiddelen in water en diergeneesmiddelen in bodem leidt tot de aanbeveling deze waarden te herzien. Het gebruik van drempelwaarden is opgenomen in de (concept) richtsnoeren voor de milieurisicobeoordeling als onderdeel van de Europees geharmoniseerde registratie van (dier)geneesmiddelen. Op basis van het overschrijden van deze drempelwaarden wordt besloten of een risicobeoordeling voor het milieu noodzakelijk is. In de opinie van het Europese Wetenschappelijk Comite voor Toxicologie, Ecotoxicologie en het Milieu is de bestaande waarde voor water (10 ng/l) wetenschappelijk ondeugdelijk. Volgens de Europese Wetenschappelijke Stuurgroep is de bestaande waarde voor bodem (100 ug/kg) evenmin wetenschappelijk onderbouwd. De kritische beschouwing van de gebruikte gegevens en de toegepaste beoordeling, met inachtneming van gegevens uit de openbare literatuur, leidt tot beduidend lagere drempelwaarden van 0,4 ng/L voor water en 1 ug/kg voor bodem.
    • The trigger values in the environmental risk assessment for (veterinary) medicines in the European Union: a critical appraisal

      Montforts MHMM; SEC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2005-12-06)
      A critical appraisal of the data used for the establishment of the trigger values for the exposure of the aquatic environment to human medicines and the terrestrial environment to veterinary medicines leads to the recommendation to change these values. The (draft) technical guidance documents in support of the European registration procedure for human and veterinary medicines demand no risk assessment for substances with an exposure level below a certain trigger value for water (10 ng/L) and soil (100 ug/kg), respectively. However, the EU Scientific Committee on Toxicity, Ecotoxicity and the Environment did not consider the proposed number of the aquatic trigger to be scientifically valid. The EU Scientific Steering Committee also considered the soil trigger value as non-scientific. The critical appraisal of available data and methodology, complemented with readily available public information, leads to considerably lower trigger values of 0.4 ng/L for the water compartment and 1 ug/kg for the soil compartment
    • Tritium besmetting in Petten en mogelijke risico's voor de omgeving

      Slaper H; Twenhöfel C; van der Knaap Y; VLH; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-05-11)
      In 2012 is bij de Hoge Flux Reactor (HFR) in Petten een lekkage ontdekt van de radioactieve stof tritium in de bodem. De beheerder, NRG, heeft inmiddels maatregelen genomen om de lekkage te stoppen. RIVM heeft onderzocht wat de gevolgen voor omwonenden kunnen zijn. Uit dit onderzoek komt dat ook bij zeer ongunstige scenario's de blootstelling voor omwonenden beperkt blijft tot een dosis die als onbeduidend wordt aangemerkt, namelijk minder dan 10 microsievert per jaar. Ter vergelijking: dat is minder dan 0,4 % van de hoeveelheid straling die Nederlanders gemiddeld in een jaar opdoen door bronnen die veelal van nature in de leefomgeving aanwezig zijn (www.rivm.nl/stralingsbelasting). Er zijn geen aanwijzingen dat de lekkage van tritium naar de bodem nog voortduurt, maar de concentraties aan de terreingrens kunnen door grondwaterstroming nog wel hoger worden dan eerder geschat. Voortzetting van een monitoringprogramma is daarom wenselijk. Het RIVM-onderzoek is gebaseerd op de door NRG uitgevoerde bodemanalyses en de modellering van de grondwaterstromen door het ingenieursbureau Sweco, en is uitgevoerd in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming. RIVM bestudeerde een twintigtal aangeleverde rapportages (tot en met oktober 2016) en onderschrijft de conclusie dat de concentratie van tritium in het grondwater aan de terreingrens in of na 2018 mogelijk hoger kan worden dan de eerder gestelde grenswaarde van 100 Bq/L. Ook schat RIVM dat de totale nog resterende besmetting waarschijnlijk groter is dan door Sweco en NRG aangegeven. De maximale concentratie aan de terreingrens blijft naar verwachting onder een waarde van enkele duizenden Bq/L. Voor tritium hanteert de World Health Organization (WHO) een richtlijn voor drinkwaterbesmetting van 10.000 Bq/L, ruim hoger dan de nu voor het grondwater aan de terreingrens geschatte maximale waarden. Ook in het ongunstigste scenario blijft de blootstelling voor omwonenden beperkt tot maximaal 10 microsievert per jaar. Maatregelen NRG heeft als beheerder van de HFR maatregelen genomen om de lekkage te stoppen en de besmetting te beteugelen. Op basis van de beschikbare gegevens concludeert het RIVM dat er geen aanwijzingen zijn dat de lekkage nog voortduurt. Er zijn door NRG verschillende alternatieven beschouwd om de concentraties aan de terreingrens nog verder te beteugelen. Omdat de concentraties al laag zijn en er bij omwonenden geen effecten op de gezondheid verwacht worden, lijken deze maatregelen weinig extra effectief. Wel beveelt het RIVM aan dat NRG het monitoring programma op het terrein in stand houdt, omdat het moeilijk gebleken is om de waterstromen op het terrein goed te voorspellen. In aanvulling daarop beveelt het RIVM aan ook juist buiten de terreingrens de besmettingsniveaus te bewaken, bijvoorbeeld in de nabijgelegen sloot. Tritium Tritium is een radioactieve stof die ontstaat door kernreacties in een watergekoelde kernreactor. De stof komt ook in de natuur voor, door reacties van zonnedeeltjes met onze atmosfeer. Tritium wordt gebruikt in noodverlichting in vliegtuigen, en als lichtbron in militaire apparatuur. De straling van tritium is heel zwak en kan niet door de huid dringen. Alleen na opname in het lichaam (vooral door inslikken of inademen) kan het bijdragen aan de stralingsblootstelling van mensen. Tritium vervalt vrij langzaam: na 12 jaar is nog de helft van de originele hoeveelheid over.
    • Tropospheric Ozone Research: Monitoring and modelling of photo-oxidants over Europe

      Beck JP; Roemer MGM; Vosbeek MEJP; Builtjes PJH; RIVM-LLO; TNO-MEP; KEMA (1996-03-31)
      Het EUROTRAC-TOR programma is opgezet om chemische- en transportprocessen, die van belang zijn voor het optreden van foto-oxidantia in Europa te bestuderen. Kernvraag is: "welke rol spelen emissies in Europa en welke resultaten kunnen beleidsmatig maximaal behaald worden?". In het kader van TOR is een meetnet van kwalitatief hoogwaardige meetstations opgezet, enkele jaren intensief gemeten en heeft analyse van de metingen plaatsgevonden onder andere met behulp van modellen. Dit rapport geeft de technische en weten-schappelijke documentatie van het Nederlandse TOR station Kollumerwaard. Verder omvat het de documentatie van de TOR database, een evaluatie van de O3, NMVOC, CO, CO2, CH4 en PAN data, zowel van Kollumerwaard als van het internationale TOR netwerk, en een beschrijving van het O3-budget in Europa. Voor het laatste onderdeel zijn ook modellen toegepast.
    • Tropospheric Ozone Research: Monitoring and modelling of photo-oxidants over Europe

      Beck JP; Roemer MGM; Vosbeek MEJP; Builtjes PJH; RIVM-LLO; TNO-MEP; KEMA (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1996-03-31)
      The Dutch activities contributing to the EUROTRAC-TOR programme were set up to study and quantify the underlying chemical and transport processes important to the occurrence of photochemical oxidants in Europe. The project involved establishing an advanced monitoring site at Kollumerwaard, monitoring for a number of years and evaluating the data, which included a modelling effort. This report contains the technical and scientific documentation of the observatory, a documentation of the TOR database, an evaluation of the O3, NMVOC, CO, CO2, CH4 and PAN data, both from Kollumerwaard and the international TOR network, and a description of the modelled European O3 budget.
    • Tuberculose in Nederland 2012

      Slump E; Erkens CGM; van Hunen R; van Rest JF; Schimmel HJ; van Soolingen D; RES; I&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMKNCV Tuberculosefonds, 2014-06-05)
      In 2012 werden 958 patiënten met tuberculose gemeld aan het Nederlands Tuberculose Register (NTR). Dit komt overeen met een incidentie van tuberculose van 5,7 per 100.000 inwoners. Ten opzichte van 2011 en 2010 is de incidentie met respectievelijk vier procent en tien procent afgenomen. Sinds 2002 is het aantal tbc-patiënten in Nederland met 32% gedaald. In 2012 werd bij 53 procent van de gemelde patiënten longtuberculose geconstateerd. Het aantal patiënten met longtuberculose (pulmonale tbc) daalt sneller dan het aantal met extrapulmonale tbc (tuberculose buiten de longen). Het percentage extrapulmonale gevallen was het hoogste onder tbc-patiënten die in het buitenland zijn geboren. De meest voorkomende vorm van extrapulmonale tuberculose was tuberculose van de perifere lymfklieren. Achttien procent (177) van de tbc-patiënten in 2012 had sputumpositieve longtuberculose, de meest besmettelijke vorm van tuberculose. De incidentie van sputumpositieve longtuberculose in 2012 was 1,1 per 100.000 inwoners. Tuberculose komt in Nederland vaker voor bij personen geboren in het buitenland (eerstegeneratieallochtonen) en tweedegeneratieallochtonen. Bijna drie kwart van het aantal tbc-patiënten in 2012 was geboren in het buitenland (73%). Van de groep eerstegeneratieallochtonen met tuberculose in Nederland was de groep Somaliërs net als voorgaande jaren het grootste (170). Het percentage tbc-patiënten afkomstig uit Somalië was daarmee even groot als het percentage autochtone Nederlanders met tuberculose (18 procent), maar de incidentie onder Somaliërs in Nederland is bijna 500 maal hoger dan onder autochtone Nederlanders (respectievelijk 1,3 en 691 per 100.000 inwoners). Multiresistente tuberculose Het aantal patiënten met multiresistente tuberculose (MDR-tbc) in Nederland schommelt de laatste vijf jaar tussen tien en twintig patiënten; dat is 1-2% van het totaal aantal patiënten. In 2012 werden elf patiënten met multiresistente tuberculose gediagnosticeerd. Eén van de elf patiënten met mulitresistente tuberculose was afkomstig uit Nederland, de tien andere patiënten uit het buitenland. Resultaat van de behandeling Van alle in 2011 geregistreerde tbc-patiënten voltooide 87% de tbc-behandeling met succes. Bij nieuwe patiënten met longtuberculose was dit percentage iets lager (85%). Patiënten met multiresistente tuberculose voltooiden minder vaak de behandeling. Van de elf MDR-tbc-patiënten gediagnosticeerd in 2010 voltooiden zeven (64%) de behandeling met succes, één patiënt (9%) brak de behandeling voortijdig af, één patiënt zette de behandeling in het buitenland voort, één patiënt is overleden aan een andere oorzaak dan tuberculose en van één patiënt is het behandelresultaat (nog) niet bekend. Sterfte aan tuberculose Van de tbc-patiënten geregistreerd in het NTR in 2011 en 2012 overleden respectievelijk achttien (1,8%) en zes personen (0,6%) aan tuberculose. Patiënten met ernstige comorbiditeit hebben grotere kans op sterfte aan tuberculose. In 2012 overleed één persoon met diabetes, twee personen met een maligniteit en één persoon met nierinsufficiëntie aan tuberculose. Latente tbc-infectie (LTBI) In 2012 zijn 1.293 nieuwe gevallen van LTBI geregistreerd. Bij 855 personen werd de diagnose bij bron- en contactonderzoek vastgesteld. In 2011 startten in totaal 1.027 van de 1.297 personen (79%) een preventieve behandeling. Van hen voltooide 84% de LTBI-behandeling met succes. Delay Op grond van de gegevens in het NTR is de gemiddelde duur van het diagnostisch delay in de periode 2005-2012 niet toegenomen, hoewel bij illegalen, dak- en thuislozen, en drugs- en alcoholverslaafden wel aanwijzingen zijn voor een langer patient delay. Bij ruim een kwart van de patiënten die passief worden gevonden is wel sprake van een 'te lang' of 'ongunstig delay'. Voor doctor delay geldt hetzelfde: er is bij ruim een kwart van de patiënten die passief worden gevonden sprake van een 'te lang' of 'ongunstig delay'. Case finding In totaal 15% van alle tbc-patiënten werd in 2012 gevonden door actieve opsporing door de afdeling tbc-bestrijding van de GGD. Het percentage tbc-patiënten dat gevonden wordt door screening van risicogroepen zoals nieuwe immigranten, asielzoekers, drugsverslaafden en dak- en thuislozen neemt al langere tijd af. In de jaren 1993-1998 werd 14% van de tbc-patiënten gevonden door screening, maar in 2012 was dit nog maar 8%. Het percentage patiënten gevonden via bron- en contactonderzoek was in 2012 hetzelfde als in voorgaande jaren (7%). Tbc-patiënten met verminderde weerstand Het percentage tbc-patiënten met een co-infectie met hiv was 3% in 2012. Het percentage tbc-patiënten die op co-infectie met hiv werden getest nam toe van 28% in 2008 naar 49% in 2011, maar is in 2012gestagneerd (47%). Van patiënten uit risicogebieden zoals sub-Sahara Afrika was in 59% van de gevallen de hiv-status bekend. Het aantal tbc-patiënten die behandeld worden met TNF-alfaremmers neemt toe. In 2012 betrof het achttien (1,9%) patiënten. Transmissie en clustersurveillance Van de patiënten met kweekpositieve tuberculose clusterde de helft met een voorgaande patiënt. Bij een derde van de clusterende patiënten was sprake van recente clustering, een mogelijk gevolg van recente transmissie in Nederland. In 2012 vertoonden vier van de clusters een groei van meer dan vijf patiënten. De laatste jaren zijn er minder snelgroeiende clusters, een teken dat transmissie van M. tuberculosis in Nederland afneemt of dat de bestrijdingsmaatregelen effectief zijn.
    • Tuberculose in Nederland 2013 : Surveillancerapport

      Slump E; Erkens CGM; van Hunen R; de Vries G; Schimmel HJ; van Soolingen D; RES; I&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2014-12-18)
      In 2013 werden 848 patiënten met tuberculose gemeld aan het Nederlands Tuberculose Register (NTR). Dit komt overeen met een incidentie van tuberculose van 5,1 per 100.000 inwoners. Het aantal tbc-patiënten in Nederland is in de laatste tien jaar met 38% gedaald. In 2013 werd bij 54% van de gemelde patiënten longtuberculose geconstateerd; 23% procent (199) van de tbc-patiënten in 2013 had sputum en/of BAL ZN positieve longtuberculose, de meest besmettelijke vorm van tuberculose. Dit betekent een afname van 15% van het aantal patiënten met besmettelijke tuberculose ten opzichte van 2012. Tuberculose komt in Nederland vaker voor bij personen geboren in het buitenland (eerstegeneratieallochtonen) en tweedegeneratieallochtonen. Bijna driekwart van het aantal tbc-patiënten in 2013 was geboren in het buitenland (74%). Van de groep eerstegeneratieallochtonen met tuberculose in Nederland is de groep Somaliërs, net als voorgaande jaren, het grootst (147). Het percentage tbc-patiënten afkomstig uit Somalië is even groot als het percentage autochtone Nederlanders met tuberculose (17%), maar de incidentie onder Somaliërs in Nederland is meer dan 500 maal hoger dan onder autochtone Nederlanders. Tbc-patiënten behorend tot een risicogroep Het percentage tbc-patiënten behorend tot een risicogroep was in 2013 lager (36%) dan in 2012 (40%). Vooral het aantal tbc-patiënten behorend tot de risicogroep 'tbc-contacten' nam af. Ook het aantal tbc-patiënten behorend tot de risicogroep 'immigranten korter dan 2,5 jaar in Nederland' en het aantal tbc-patiënten behorend tot de risicogroep 'asielzoekers korter dan 2,5 jaar in Nederland' was in 2013 lager dan in voorgaande jaren. Bijna de helft van het aantal tbc-patiënten in 2013 in Nederland is immigrant langer dan 2,5 jaar in Nederland en afkomstig uit endemisch gebied. Vanwege de duur van het verblijf worden zij niet (meer) als risicogroep beschouwd. Tuberculose en hiv Het percentage tbc-patiënten dat op hiv wordt getest is ook in 2013 veel lager (51%) dan de richtlijn voor tuberculose en hiv aanbeveelt (100%). Het percentage tbc-patiënten van wie de hiv-status bekend was, nam toe van 28% in 2008 tot 51% in 2013. Het percentage tbc-patiënten geïnfecteerd met hiv daalde de laatste tien jaar in Nederland tot 2,0% in 2013. Dit is 3,9% van de patiënten waarbij de hiv-status bekend is. Multiresistente (MDR) tuberculose Het aantal patiënten met MDR-tbc in Nederland schommelt de laatste vijf jaar tussen de tien en de twintig patiënten. Door de afname van het totaal aantal tbc-patiënten in 2013 nam MDR-tbc in verhouding toe ten opzichte van voorgaande jaren tot 2,8% van het totaal aantal kweekpositieve tuberculose. MDR-tbc komt vaker voor bij patiënten die eerder zijn behandeld. Alle MDR-tbc-patiënten in 2013 waren afkomstig uit het buitenland Resultaat van de behandeling Van alle patiënten met rifampicine gevoelige tuberculose gediagnosticeerd in 2012, voltooide 85% de tbc-behandeling met succes. Patiënten met resistente tuberculose voltooiden minder vaak de behandeling. Van de negentien patiënten met rifampicine resistente tuberculose gediagnosticeerd in 2011, voltooiden veertien (74%) de behandeling met succes. Sterfte aan tuberculose Van de zestien personen die in 2012 en 2013 aan tuberculose overleden waren er dertien ouder dan 65 jaar. Twee patiënten waren hiv-positief. Bij zeven van de 16 overleden tbc-patiënten werd de diagnose tuberculose pas na het overlijden gesteld. Latente tbc-infectie (LTBI) In 2013 zijn 1.344 personen met LTBI gemeld aan het NTR. Bij 771 (57%) personen werd de diagnose bij bron- en contactonderzoek vastgesteld. In 2013 startte 72% van de gemelde personen een preventieve behandeling. Van de personen gemeld in 2012 voltooide 87% de LTBI-behandeling met succes. Transmissie en clustersurveillance Op grond van de genetische typering van de tbc-bacterie is aangetoond dat bij ongeveer een derde van de patiënten met een kweekpositieve tuberculose in 2013 er sprake is van recente clustering, dat wil zeggen dat de patiënt eenzelfde bacterie heeft als een andere tbc-patiënt die de afgelopen twee jaar in Nederland is vastgesteld. Bij de overige patiënten die tot een cluster behoorden kan het gaan om import van de ziekte met een VNTR-typering die veel voorkomt in het land van herkomst of om een re-activatie van een in het verleden opgedane infectie. Regionale surveillance Met ingang van 1 januari 2015 zal de tbc-bestrijding georganiseerd worden vanuit vier regio's: de tbc-regio Noord Oost, de tbc-regio Noord West, de tbc-regio Zuid-Holland en de tbc-regio Zuid. Het aantal tbc-patiënten (en de tbc-incidentie) is in de periode 1993-2013 gedaald in alle tbc-regio's. Per regio zorgen regionale uitbraken voor schommelingen in het aantal patiënten over de jaren. De regio Zuid-Holland had in 2013 het grootste aantal tbc-patiënten (265) en de hoogste incidentie (7,4 per 100.000 inwoners). In de regio Noord Oost was de incidentie het laagste (3,4 per 100.000) maar was het percentage tbc-patiënten behorend tot een risicogroep het hoogste (46%). Dit waren vooral immigranten en asielzoekers korter dan 2,5 jaar in Nederland. De regio Zuid had in 2013 het kleinste aantal tbc-patiënten (156). De incidentie in de regio Zuid was 3,9 per 100.000 inwoners.
    • Tuberculose in Nederland 2014. Surveillance rapport : inclusief rapportage monitoring van interventies

      Slump E; Erkens CGM; van Hunen R; van Soolingen D; Teirlinck AC; de Vries G; RES; I&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2015-12-17)
      Het aantal patiënten met tuberculose in Nederland neemt sinds 1994 gestaag af. In 2014 zijn 823 patiënten met tuberculose geregistreerd. Als tuberculose in de longen zit, kan het besmettelijk zijn maar dat hoeft niet. De meest besmettelijke vorm (open tuberculose) kwam in 2014 voor bij 201 patiënten. Bijna driekwart van het totale aantal tbc-patiënten in Nederland komt uit gebieden waar deze bacteriële infectieziekte veel voorkomt, zoals delen van Afrika en Azië. De grootste groep patiënten is, net als voorgaande jaren, afkomstig uit Somalië (105), gevolgd door Marokko (82) en Eritrea (53). Dit blijkt uit de cijfers over 2014. Het RIVM rapporteert deze cijfers jaarlijks, in aansluiting op het doel van de WHO om tuberculose wereldwijd te elimineren. Tuberculose en hiv Een infectie met hiv verhoogt het risico op tbc én tbc is vaak het eerste teken van een hivinfectie. Het is daarom belangrijk om een hiv-infectie zo vroeg mogelijk vast te stellen en te behandelen. Bij 48 procent van de tbc-patiënten is onbekend of zij met hiv besmet zijn. Het percentage tbc-patiënten dat getest werd op hiv steeg van 28 in 2008 naar 57 in 2013. Het percentage tbc-patiënten dat hiv-positief bleek, daalde de laatste tien jaar in Nederland van 4 naar 2,8 in 2014. Multiresistentie Wanneer de tbc-bacterie ongevoelig is voor bepaalde medicijnen, is sprake van resistente tuberculose. Bij multiresistentie is resistentie ontstaan tegen meerdere soorten medicijnen. In Nederland komt dit nog maar weinig voor: het aantal patiënten met multiresistente tuberculose schommelde de laatste vijf jaar tussen de tien en de twintig. In 2014 waren het er zes, allen geboren in het buitenland. Resultaat van de behandeling Om tuberculose te behandelen moeten patiënten een langere periode (vaak zes maanden of meer) tegelijkertijd verschillende medicijnen innemen. De cijfers van 2014 zijn nog niet bekend op het moment dat deze rapportage uitkomt. Van de tbc-patiënten uit 2013 zonder enkele vorm van resistentie voltooide 91 procent de behandeling met succes. Dit is een zeer goed resultaat.
    • Tuberculose in Nederland 2015 : Surveillancerapport inclusief rapportage monitoring van interventies

      Slump E; Erkens CGM; van Hunen R; Schimmel HJ; van Soolingen D; de Vries G; RES; I&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2016-12-08)
      Na een jarenlange daling is in 2015 het aantal tuberculosepatiënten in Nederland met 6 procent toegenomen. Er zijn dat jaar in Nederland 867 tbc-patiënten gerapporteerd, ten opzichte van 814 in 2014. De oorzaken zijn de toegenomen instroom van asielzoekers uit landen waar tuberculose veel voorkomt, en een iets hoger aantal autochtone Nederlanders met tbc in 2015. Dit blijkt uit de cijfers over 2015. Het RIVM rapporteert deze cijfers jaarlijks, in aansluiting op het doel van de WHO om tuberculose wereldwijd te elimineren. Tuberculose is een meldingsplichtige infectieziekte die door een bacterie wordt veroorzaakt. Tuberculose kan besmettelijk zijn, bijvoorbeeld als het in de longen zit, maar dat hoeft niet. De besmettelijkste vorm (open tuberculose) kwam in 2015 voor bij een kwart van de patiënten. Bijna driekwart (72 procent) van het totale aantal tbc-patiënten in Nederland komt uit gebieden waar deze bacteriële infectieziekte veel voorkomt, zoals delen van Afrika en Azië. In 2015 was de grootste groep patiënten afkomstig uit Eritrea en Ethiopië. Tuberculose en hiv Een infectie met hiv verhoogt het risico op tuberculose én tuberculose is vaak het eerste teken van een hiv-infectie. Het is daarom belangrijk om een hiv-infectie zo vroeg mogelijk vast te stellen en te behandelen. Van een groot deel van de tbc-patiënten is onbekend of zij met hiv besmet zijn. Het percentage tbc-patiënten dat getest werd op hiv steeg van 28 in 2008 naar 60 in 2015, maar is nog steeds lager dan de 80 procent die de WHO adviseert. Resultaat van de behandeling Voor de behandeling moeten patiënten een langere periode (vaak zes maanden of meer) tegelijkertijd verschillende medicijnen innemen. Van de tbc-patiënten uit 2014 zonder enkele vorm van resistentie tegen de medicijnen en waarvan het behandelresultaat gerapporteerd is, voltooide 88 procent de behandeling met succes. Dit is iets minder dan in 2013 (91 procent). Van vijf procent is het behandelresultaat nog niet gerapporteerd. De behandelresultaten van 2015 zijn nog niet bekend.
    • Tuberculose in Nederland 2016 : Surveillancerapport inclusief rapportage monitoring van interventies

      Broek I van den; Bregman IM; Erkens CGM; van Hunen R; Schimmel HJ; Broek I van den; de Melker HE; RES; EPI (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-12-12)
      In 2016 is het aantal tbc-patiënten in Nederland voor het tweede jaar op rij toegenomen. Er zijn in dat jaar 889 tbc-patiënten gerapporteerd, ten opzichte van 862 in 2015 en 814 in 2014. De belangrijkste oorzaak is de toegenomen instroom van migranten uit landen waar tuberculose veel voorkomt, zoals delen van Afrika en Azië. In 2016 was de grootste groep patiënten afkomstig uit Eritrea en Ethiopië. Daarnaast komt de toename door een hoger aantal patiënten geboren in het buitenland die al langer dan tien jaar in Nederland zijn. Dit blijkt uit de cijfers over 2016. Het RIVM rapporteert deze cijfers jaarlijks, aansluitend op het doel van de WHO om tuberculose wereldwijd uit te bannen. Tuberculose is een meldingsplichtige infectieziekte die door een bacterie wordt veroorzaakt. Tuberculose kan besmettelijk zijn, bijvoorbeeld als het in de longen zit, maar dat hoeft niet. De besmettelijkste vorm (open tuberculose) is in 2016 bij een vijfde van de patiënten geconstateerd. Tuberculose en hiv Een infectie met hiv verhoogt het risico op tuberculose en omgekeerd is tuberculose vaak het eerste teken van een hiv-infectie. Het is daarom belangrijk om een hiv-infectie zo vroeg mogelijk vast te stellen en te behandelen. Van een groot deel van de tbc-patiënten is onbekend of zij met hiv besmet zijn. Het percentage tbc-patiënten dat getest werd op hiv steeg van 28 in 2008 naar 74 in 2015, maar is nog steeds lager dan de 100 procent die de WHO adviseert. De behandeling Voor de behandeling moeten patiënten een langere periode (vaak zes maanden of meer) verschillende medicijnen tegelijk innemen. Van de tbc-patiënten uit 2015 zonder enkele vorm van resistentie tegen de medicijnen en waarvan het behandelresultaat gerapporteerd is, voltooide 88 procent de behandeling met succes. Dit percentage was hetzelfde in 2014. De behandelresultaten van 2016 zijn nog niet bekend. Rifampicine-resistentie Wanneer de tbc-bacterie ongevoelig is voor het belangrijkste medicijn tegen tuberculose, rifampicine, is er sprake van rifampicine-resistente tuberculose. De behandeling van een patiënt met rifampicine-resistente tuberculose is zeer complex en langdurig. In Nederland komt dit regelmatig voor. Het aantal patiënten schommelde de laatste vijf jaar tussen de tien en de twintig. In 2016 waren het er vijftien.
    • Tuberculose in Nederland 2017 - Surveillancerapport : inclusief rapportage monitoring van interventies

      Broek I van den; Blijboom L; de Melker HE; Erkens CGM; Broek I van den; Broek I van den; Broek I van den; de Melker HE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-12-10)
      In 2017 is het aantal tuberculosepatiënten in Nederland aanzienlijk afgenomen, na een toename in de twee jaar ervoor. In 2017 zijn 787 tbc-patiënten gerapporteerd, ten opzichte van 862 in 2015 en 887 in 2016. Bijna driekwart van het totale aantal tbc-patiënten in Nederland komt uit gebieden waar deze infectieziekte veel voorkomt, zoals Afrika en Azië. Net als in de voorgaande jaren kwam de grootste groep patiënten uit Eritrea (94), gevolgd door Marokko (73) en Somalië (58). Meerdere factoren zorgden voor de daling. Dat zijn onder andere de afnemende instroom van migranten in 2016 en 2017 en de afname van tuberculose onder de Nederlandse bevolking. Tuberculose wordt door een bacterie veroorzaakt en moet gemeld worden bij de GGD in de woonplaats van de patiënt. Het merendeel van de patiënten (tachtig procent) ging zelf naar een dokter; tien procent werd gevonden via de screening van een risicogroep en acht procent door personen in de omgeving van besmettelijke patiënten te onderzoeken. Door besmette contacten zo vroeg mogelijk op te sporen en te behandelen, kon worden voorkomen dat meer mensen tuberculose kregen. Tuberculose kan besmettelijk zijn, bijvoorbeeld als het in de longen zit, maar dat hoeft niet. De besmettelijkste vorm (open tuberculose) is in 2017 bij een kwart van de patiënten geconstateerd. Dit blijkt uit de cijfers over 2017. Het RIVM rapporteert deze cijfers jaarlijks om de voortgang te monitoren van maatregelen om tuberculose in Nederland terug te dringen. Hiertoe is in 2016 het Nationaal Plan Tuberculosebestrijding 2016-2020 opgesteld. Volgens dit plan moeten bijvoorbeeld alle tbc-patiënten een hiv-test aangeboden krijgen, omdat een hiv-infectie het risico op tuberculose verhoogt. In Nederland steeg het percentage tbc-patiënten dat op hiv werd getest van 28 in 2008 naar 75 in 2017. In 2017 hadden 23 tbc-patiënten een hiv-infectie. Een ander doel van het Nationaal Plan Tuberculosebestrijding 2016-2020 is dat 90 procent van tbc-patiënten de behandeling met medicijnen voltooit en dus niet voortijdig stopt. Voor een succesvolle behandeling moeten patiënten namelijk een lange periode (zes maanden of meer) verschillende medicijnen tegelijk innemen. In 2016 is dit doel behaald bij de patiënten die niet resistent zijn tegen het belangrijkste medicijn tegen tuberculose (rifampicine). De behandelresultaten van 2017 zijn nog niet bekend. Wanneer de tbc-bacterie ongevoelig is voor rifampicine, is er sprake van rifampicine-resistente tuberculose. Dan is een complexe en langdurigere behandeling nodig. In Nederland schommelde het aantal patiënten de laatste vijf jaar tussen de tien en de twintig. In 2017 waren het er elf.
    • Tuberculose in Nederland 2018 : Surveillancerapport inclusief rapportage monitoring van interventies

      Slump, E; Erkens, CGM; van Hunen, R; Schimmel, HJ; van Soolingen, D; de Vries, G (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-12-03)
      Dit rapport bevat een erratum d.d. 15-01-2020 op pagina 86. Het aantal tbc-patiënten in Nederland daalt de laatste tien jaar geleidelijk. In 2018 was er een kleine toename doordat er meer tbc bij minderjarige asielzoekers uit Eritrea voorkwam. In 2018 zijn er 806 patiënten gerapporteerd, ten opzichte van 783 in 2017. Tuberculose komt vaker voor bij personen die niet in Nederland zijn geboren; in 2018 waren dat meer dan driekwart van de zieken. Net als in de voorgaande jaren kwam de grootste groep patiënten uit Eritrea (133), gevolgd door Marokko (66) en India (46). In Afrika en Azië komt deze ziekte veel voor. Meer dan de helft van de tbc-patiënten die geboren zijn in het buitenland, verbleef relatief kort (minder dan vijf jaar) in Nederland. Dit zijn grotendeels asielzoekers die in 2015 en 2016 in Europa kwamen. Dit blijkt uit de cijfers over 2018. Het RIVM rapporteert deze cijfers jaarlijks om de effecten te monitoren van maatregelen om tuberculose in Nederland terug te dringen. Deze maatregelen staan beschreven in het Nationaal Plan Tuberculosebestrijding 2016-2020. Tuberculose wordt door een bacterie veroorzaakt en moet worden gemeld bij de GGD in de woonplaats van de patiënt. In 2018 ging meer dan driekwart van de patiënten zelf naar een dokter. Veertien procent is gevonden door risicogroepen, zoals immigranten en asielzoekers, bij aankomst in Nederland te onderzoeken op tuberculose. Tuberculose kan besmettelijk zijn, bijvoorbeeld als het in de longen zit, maar dat hoeft niet. De besmettelijkste vorm (open tuberculose) is in 2018 bij een kwart van de patiënten geconstateerd. Door zo vroeg mogelijk op te sporen wie in de omgeving van een patiënt besmet is geraakt, kon worden voorkomen dat meer mensen tuberculose krijgen. Zes procent van de patiënten in 2018 is op deze manier gevonden.
    • Tuberculose in Nederland 2019 : Surveillancerapport inclusief rapportage monitoring van interventies

      Slump, E; van Beurden, KM; Erkens, CGM; Schimmel, HJ; van Soolingen, D; de Vries, G (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-12-02)
      Het aantal tbc-patiënten in Nederland daalt de laatste tien jaar geleidelijk. In 2019 zijn er 759 patiënten gerapporteerd, ten opzichte van 797 in 2018. Tuberculose komt vaker voor bij personen die niet in Nederland zijn geboren; in 2019 waren dat driekwart van de zieken. Net als in de voorgaande jaren kwam de grootste groep patiënten uit Eritrea (88), gevolgd door Marokko (58) en India (41). In Afrika en Azië komt deze ziekte veel voor. Bijna de helft van de tbc-patiënten die geboren zijn in het buitenland, verbleef relatief kort (minder dan vijf jaar) in Nederland op het moment dat de tuberculose is vastgesteld. Dit zijn grotendeels immigranten en asielzoekers die in de jaren 2015 tot en met 2018 in Europa kwamen. Zij zijn waarschijnlijk in het land van herkomst of gedurende de reis naar Nederland besmet. Dit blijkt uit de cijfers over 2019. Het RIVM rapporteert deze cijfers jaarlijks om de effecten te monitoren van maatregelen om tuberculose in Nederland terug te dringen. Deze maatregelen staan beschreven in het Nationaal plan tuberculosebestrijding 2016-2020. Tuberculose wordt door een bacterie veroorzaakt en moet worden gemeld bij de GGD in de woonplaats van de patiënt. In 2019 ging meer dan driekwart van de patiënten zelf naar een dokter. Twaalf procent is gevonden door risicogroepen te onderzoeken op tuberculose, zoals immigranten en asielzoekers bij aankomst in Nederland. Tuberculose kan besmettelijk zijn, bijvoorbeeld als het in de longen zit, maar dat hoeft niet. De besmettelijkste vorm (open tuberculose) is in 2019 bij een kwart van de patiënten geconstateerd. Door zo vroeg mogelijk op te sporen wie in de omgeving van een patiënt besmet is geraakt, kon worden voorkomen dat meer mensen tuberculose krijgen. Zes procent van de patiënten in 2019 is op deze manier gevonden.
    • Tuberculose in Nederland 2020. Surveillancerapport inclusief rapportage monitoring van interventies

      E Slump; KM van Beurden; J van den Bogaard; CGM Erkens; MP Kamst-van Agterveld; HJ Schimmel; D van Soolingen; G de Vries (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-12-02)
      In 2020 zijn er in Nederland 17 procent minder tbc-pati?nten gemeld: 623 ten opzichte van 754 in 2019. Dit is de grootste daling in vijftig jaar. Het aantal tbc-meldingen was vooral lager tijdens de twee lockdowns vanwege de uitbraak van het coronavirus SARS-CoV-2 dan in dezelfde maanden in de jaren ervoor. Of de daling doorzet, zal pas de komende jaren duidelijk worden. Het RIVM houdt de ontwikkelingen in de gaten. Er zijn drie verklaringen voor de daling mogelijk, die allemaal te maken hebben met de uitbraak van het coronavirus . De eerste is de invloed van de maatregelen om de verspreiding van het coronavirus tegen te gaan, zoals afstand houden. Hierdoor kan ook de tbc-bacterie zich minder makkelijk verspreiden. Een tweede verklaring is een daling van het aantal nieuwe immigranten en asielzoekers door de reisbeperkingen. Bij aankomst in Nederland worden nieuwkomers uit landen waar tuberculose veel voorkomt, verplicht getest op tuberculose. Het aantal tbc-pati?nten onder hen nam af van 49 in 2019 naar 21 in 2020. Ten slotte kunnen er in 2020 tijdelijk minder diagnoses zijn gesteld. Bijvoorbeeld doordat mensen vanwege corona minder naar de dokter gingen. De kans is groot dat deze mensen zich later alsnog zullen melden, mogelijk met ernstigere klachten. De infectieziekte tuberculose wordt veroorzaakt door een bacterie en kan besmettelijk zijn. Van de tbc pati?nten in 2020 hadden 342 tuberculose in de longen en 279 tuberculose buiten de longen. In 2020 had een kwart van de pati?nten de besmettelijkste vorm (open tuberculose). Door zo vroeg mogelijk te onderzoeken wie in de omgeving van een pati?nt besmet is geraakt (bron- en contactonderzoek), kan worden voorkomen dat meer mensen tuberculose krijgen. Tuberculose komt vaker voor bij personen die niet in Nederland zijn geboren; in 2020 was dat bij bijna driekwart van de zieken. De meesten kwamen uit Eritrea (74), gevolgd door Marokko (61) en India (42). In Afrika en Azi? komt tuberculose veel voor. Het RIVM rapporteert elk jaar de cijfers over tuberculose om te zien welke effecten maatregelen hebben om tuberculose in Nederland terug te dringen. Deze maatregelen staan beschreven in het Nationaal plan tuberculosebestrijding 2016-2020.
    • Tumorigenic effects in Wistar rats orally administered benzo[a] pyrene for two years (gavage studies). Implications for human cancer risks associated with oral exposure to polycyclic aromatic hydrocarbons

      Kroese ED; Muller JJA; Mohn GR; Dortant PM; Wester PW; LEO; LPI; CSR (2002-04-05)
      Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen (PAK) komen zowel wijdverbreid in het milieu als in voedsel voor, beide als gevolg van menselijk handelen. PAK worden beschouwd als kankerverwekkend voor de mens (IARC, 1983). Dit is gebaseerd op zowel dierexperimenteel werk als op epidemiologische studies. De mens staat continu bloot aan deze groep verbindingen via de inhalatoire alsook de orale route (via voedselconsumptie), en in sommige gevallen via de huid. Een kwantitatieve schatting van het risico op kanker als gevolg van de inhalatoire blootstelling aan PAK in het milieu laat zien dat deze de acceptabel geachte grens, 1 extra kankergeval per miljoen levenslang blootgestelden, ruimschoots overschrijdt. Schatting van het risico op kanker als gevolg van blootstelling aan PAK via het voedsel wordt belemmerd door gebrekkige dierexperimentele en epidemiologische gegevens. De noodzaak om dit risico te kwantificeren wordt ge6llustreerd door het feit dat de dagelijkse blootstelling via deze route in grootte een orde hoger geschat wordt dan die via inhalatoire blootstelling voor een aantal belangrijke carcinogene PAK, zoals benzo[a]pyreen (B[a]P). Omdat niet verwacht wordt dat epidemiologische studies hier op termijn uitkomst kunnen bieden, is grote behoefte aan goed uitgevoerd dierexperimenteel onderzoek. Om bovengenoemde reden is een carcinogeniteitsstudie uitgevoerd waarbij ratten levenslang oraal zijn blootgesteld aan B[a]P, algemeen beschouwd als een representatieve modelstof voor carcinogene PAK. De in het instituut gekweekte Wistar ratten (52 dieren per dosis en per sexe) zijn per maagsonde vijf dagen per week blootgesteld aan in soja-olie opgeloste B[a]P, in doseringen van 0 (kontrole), 3, 10 en 30 mg/kg lichaamsgewicht. Deze behandeling resulteerde in een dosis-gerelateerde toename in tumorincidentie in diverse organen en weefsels. Veruit de hoogste incidenties tumoren werden gevonden in lever en voormaag, beide organen met een lage spontane tumorincidentie in deze rattenstam. Levertumoren vormden daarnaast de belangrijkste doodsoorzaak in de hoogste dosis-groep in beide sexen. De tumorvorming in dit orgaan in vrouwtjes ratten is vervolgens gebruikt voor het berekenen van de carcinogene risico's volgens een door de Gezondheidsraad aanbevolen methode. Dit resulteerde in een "acceptabele dagelijkse dosis" (ADI) van 5 ng B[a]P per kg lichaamsgewicht, d.w.z. overeenkomend met 1 extra kankergeval per miljoen levenslang blootgestelden. Op basis van de beschikbare gegevens over de carcinogene potentie en het voorkomen van diverse PAK in het voedsel in Nederland wordt voorgesteld een conversie-factor van 10 te gebruiken voor totale PAK-belasting in voedsel, ofwel een ADI van 0.5 ng B[a]P per kg lichaamsgewicht, met B[a]P als indicator voor in voedsel voorkomende PAK. Dit 'onverwacht' lage risico, althans in vergelijking met de bovenvermelde risico's van PAK bij inhalatoire blootstelling, en de onzekerheden in de database en gebruikte methodiek, worden bediscussieerd. De vorming van DNA addukten door B[a]P is ook in deze species bestudeerd onder dezelfde blootstellings condities. DNA addukten (bepaald met de 32P-postlabelings-methodiek, die stabiele DNA addukten met grote gevoeligheid kan detecteren) konden in alle onderzochte organen en weefsels worden aangetoond. Omdat tumoren slechts in een beperkt aantal hiervan werden gevonden, kan worden geconcludeerd dat de vorming van stabiele DNA addukten op zichzelf niet voldoende is voor tumorvorming. Ook de totale hoeveelheid DNA addukten (ofwel de dichtheid), of de vorming van specifieke DNA addukten kon niet aan de localisatie van tumorvorming gerelateerd worden. Daarentegen suggereren waarnemingen in de range-finding en sub-chronische studies dat lokale celproliferatie een kritische additionele factor in tumor-vorming zou kunnen zijn. De mogelijke implicaties van deze bevindingen worden bediscussieerd.
    • Tumorigenic effects in Wistar rats orally administered benzo[a] pyrene for two years (gavage studies). Implications for human cancer risks associated with oral exposure to polycyclic aromatic hydrocarbons

      Kroese ED; Muller JJA; Mohn GR; Dortant PM; Wester PW; LEO; LPI; CSR (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2002-04-05)
      Humans are exposed via the environment and via food to Polycyclic Aromatic Hydrocarbons (PAH), mixtures considered carcinogenic by IARC. A quantitative cancer risk assessment for oral exposure is hampered by the absence of adequate data. The need for experimental data is substantiated by the fact that daily oral doses exceed inhaled doses for some potent carcinogenic PAH compounds, e.g. benzo[a]pyrene (B[a]P), by one order of magnitude, and the fact that epidemiological studies are not expected to provide useful data in this respect. For this reason we have performed a carcinogenicity study in rats; treatment (by gavage) for 2 years with the reference PAH B[a]P resulted in tumour-formation in a wide spectrum of organs and tissues, with liver and forestomach as major target-organs. Liver tumours in female rats were used for estimating a Virtually Safe Dose (VSD), i.e. the daily dose representing a one per million risk upon lifetime exposure, via methodology adopted by the Dutch Health Council (HCN, 1994-1996). Based on available data on occurrence and carcinogenic potency of PAH in Dutch diet it is suggested to apply a correction-factor of 10 for conversion to a VSD for B[a]P as indicator for all dietary PAH. With the resulting VSD of 0.5 ng B[a]P/kg bodyweight per day, cancer risks associated with PAH encountered in Dutch diet are estimated to be around acceptable risk levels. Parallel rat studies indicated that B[a]P-induced DNA adducts per se are not sufficient for tumour-development; induced local cell proliferation seems an additional critical factor. The possible implications of these findings are discussed.
    • Tumorpromotie-mechanismen en implicatie voor risicoschatting

      Bisschop; A. (1986-09-30)
      In het bijgaand rapport wordt ingegaan op het verschil in werkingsmechanisme tussen initiators (meestal zijn dit complete carcinogenen) en tumorbevorderende stoffen (tumorpromoters). Initiators werken door binding aan het erfelijke materiaal terwijl promotors als groeistimulans werken. Verder blijkt dat het overgrote deel van de huidige kennis omtrent werkingsmechanismen van tumorbevorderende stoffen is verkregen uit onderzoek met phorbol esters. Tevens wordt een overzicht gegeven van een aantal testsystemen om stoffen met tumorbevorderende activiteit op te sporen. Het merendeel van deze testen dient nog uitgebreid te worden getoetst op hun bruikbaarheid om onbekende stoffen met tumorbevorderende activiteit op te sporen. Er wordt geconcludeerd dat er bij de risico evaluatie van tumorpromoters van kan worden uitgegaan dat er voor de werking van deze stoffen een drempelwaarde bestaat waar beneden geen effect zal optreden.
    • Tussenevaluatie gebiedsdossiers drinkwaterwinningen : Aandachtspunten voor het landelijk beleid

      Wuijts S; Buis E; Verweij W; Dik HHJ; Houweling DA; DDB; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2013-08-29)
      In een gebiedsdossier inventariseren de betrokken partijen (gemeente, provincie, drinkwaterbedrijf en waterbeheerder) welke huidige en toekomstige risico's er zijn voor de waterkwaliteit bij een winning voor drinkwater. Met die kennis kunnen tijdig effectieve maatregelen worden genomen. De gebiedsdossiers maken ook duidelijk welke partij (lokaal, regionaal, nationaal) het meest aangewezen is om een maatregel te nemen. In dat verband heeft het RIVM op verzoek van het ministerie van Infrastructuur en Milieu geëvalueerd welke risico's en mogelijke maatregelen het beste op landelijke schaal kunnen worden opgepakt. Ze kunnen dan in de nog op te stellen Nota Drinkwater worden opgenomen of landelijk worden ingebracht in de plannen voor de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW). Voorbeelden van 'landelijke' risico's en maatregelen Een van de risico's is dat verschillende normenkaders, zoals de Drinkwaterwet en de Wet bodembescherming, niet altijd goed op elkaar aansluiten. Hierdoor kunnen verschillende percepties ontstaan over de noodzaak om maatregelen te treffen, wat de bescherming van bronnen kan belemmeren. Verder is het milieubeschermingsbeleid nu vaak onvoldoende verankerd in lokaal ruimtelijk beleid. Hierdoor kan er onvoldoende aandacht zijn voor de bescherming van drinkwaterbronnen als nieuwe ruimtelijke activiteiten worden ontwikkeld. Voortgang invoering gebiedsdossiers Voor dit onderzoek zijn de beschikbare gebiedsdossiers voor oppervlaktewaterwinningen en kwetsbare grondwaterwinningen beoordeeld. Ondanks een voortvarende aanpak is ongeveer een derde van de dossiers nog niet afgerond, doordat voor sommige onderdelen meer tijd nodig is. Ook blijkt dat de maatregelen uit de gebiedsdossiers zich (volgens plan) in verschillende ontwikkelingsstadia bevinden: sommige worden al geïmplementeerd, andere nog niet. Daardoor kan voor veel winningen het effect van maatregelen nog niet worden geëvalueerd. Het totale beeld van de kwaliteit van de waterwinningen blijft dat bij 25 procent van de winningen normen voor stoffen worden overschreden. Verder is ongeveer de helft van de winningen beïnvloed door menselijk handelen, zoals landbouw, riolering, industrie en oude bodemverontreinigingen.
    • Tussenevaluatie van de nota 'Gezonde Groei, Duurzame Oogst' : Deelproject Voedselveiligheid

      Boon, PE; van Donkersgoed, G; van der Vossen, W; Sam, M; Noordam, MY; van der Schee, H (r, 2019-06-21)
      De Nederlandse overheid wil dat het aantal groente- en fruitproducten op de Nederlandse markt waar te veel resten van gewasbeschermingsmiddelen op zitten, laag blijft. Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat dit tussen 2013 en 2017 is gebeurd. Meer dan 95 procent van de producten bevatten concentraties die lager zijn dan wat wettelijk is toegestaan. Producten uit landen buiten Europa, zoals gojibessen, overschrijden steeds minder vaak de norm, maar deze ontwikkeling is nog niet stabiel. Aandacht voor lagere concentraties in deze producten blijft nodig. Het lage percentage producten waarop te veel resten van gewasbeschermingsmiddelen zitten, laat zien dat tuinders zorgvuldig met deze middelen omgaan. Bovendien worden producten die van buiten de EU komen extra gecontroleerd. Ook stellen supermarkten sinds het begin van deze eeuw strengere eisen aan de aanwezigheid van resten van gewasbeschermingsmiddelen op groente en fruit dan de norm. In welke mate deze maatregel invloed heeft gehad, viel buiten het bestek van dit onderzoek. Verder is de berichtgeving over resten van gewasbeschermingsmiddelen richting het publiek sinds 2010 aangepast. Het Voedingscentrum en de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) verspreiden sindsdien actief informatie over resten van gewasbeschermingsmiddelen op voedsel en zijn een aanspreekpunt voor vragen. Wel blijven mensen zich zorgen maken over de aanwezigheid van gewasbeschermingsmiddelen op voedsel. Nader onderzoek is nodig om vast te stellen waar deze zorg vandaan komt en hoe deze zorg zou kunnen worden verminderd.