• Dragerschap van antibioticaresistente bacteriën bij dierenartsen en dierenartsassistenten. De AREND-studie

      Meijs, A; Gijsbers, E; Hengeveld, P; Dierikx, C; de Greeff, S; van Duijkeren, E (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-03-04)
      Bepaalde type bacteriën zijn resistent tegen antibiotica, zoals ESBLproducerende bacteriën. ESBL’s komen vaker voor bij dierenartsen en assistenten van dierenartsen dan bij mensen die niet met dieren werken. Het is aannemelijk dat dierenartsen en hun assistenten deze bacteriën bij zich dragen door het contact met dieren tijdens hun werk. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM. Veel deelnemers uit deze zorgsector hadden contact met verschillende soorten dieren, zowel huisdieren als vee. Van hen had 69 procent alleen contact met huisdieren. Het is daardoor niet mogelijk om aan te wijzen welk specifiek dier de bron van de resistente bacterie was. Het RIVM heeft onderzocht of drie soorten (antibioticaresistente) bacteriën in de ontlasting van de dierenartsen en dierenartsassistenten zaten. Dat waren ESBL-producerende bacteriën, bacteriën die resistent zijn tegen het ‘laatste redmiddel’ antibioticum colistine, en Clostridioides difficile (C. diff). Voor deze drie bacteriën zijn er namelijk aanwijzingen dat contact met dieren een kans geeft om ermee besmet te raken. Er deden 482 mensen mee aan het onderzoek. Colistineresistente bacteriën en C. diff kwamen even vaak voor bij dierenartsen en hun assistenten als bij de Nederlandse bevolking. Er zijn daarom geen aanwijzingen dat zij door hun werk een grotere kans hebben om deze twee soort bacteriën bij zich te dragen. Antibioticaresistente bacteriën kunnen in de darmen zitten van gezonde personen of dieren zonder dat zij daar last van hebben. Maar ze kunnen ook infecties veroorzaken. Infecties door deze bacteriën zijn moeilijker te behandelen met antibiotica. De bacteriën worden onder andere via de ontlasting van dieren verspreid. Een goede hygiëne is dan ook belangrijk om besmetting te voorkomen.
    • Particulier gebruik van rodenticiden en middelen tegen groene aanslag

      Komen, CMD; Wezenbeek, JM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-03-04)
      De overheid wil dat mensen thuis minder vaak chemische middelen gebruiken, zoals biociden en gewasbeschermingsmiddelen. Niet-chemische bestrijdingsmethoden zijn vaak beter voor het milieu. Het ministerie van IenW wil daarom weten of de genomen maatregelen, zoals voorlichting als mensen deze producten kopen, effect hebben. Het RIVM heeft daarom uitgezocht hoeveel verpakkingen van twee soorten biociden tussen 2014 en 2019 zijn verkocht. Het gaat om biociden tegen ratten en muizen (rodenticiden) en tegen groene aanslag. Particulieren kochten tussen 2014 en 2018 ongeveer evenveel rodenticiden, rond de 230.000 verpakkingen per jaar. In 2019 steeg dat aantal naar 330.000 per jaar. Het is niet duidelijk of dit betekent dat mensen dit middel ook vaker hebben gebruikt. Dat is op basis van deze verkoopcijfers niet te zeggen. Deze stijging kan komen doordat in 2019 de verpakkingen kleiner zijn geworden. Mensen hebben daardoor mogelijk meer stuks gekocht om dezelfde hoeveelheid in huis te hebben. Uit een peiling onder consumenten blijkt dat zij vaker meerdere maatregelen tegelijk nemen om muizen te bestrijden. Ze kozen daarbij vaker voor rodenticiden (van 36 procent in 2017 naar 44 procent in 2019). De populairste maatregel is het gebruik van muizenvallen. Uit de peiling blijkt dat ongeveer evenveel consumenten muizenvallen gebruiken (66 à 69 procent). Wel zijn er meer muizenvallen verkocht. Het kan dus zijn dat deze consumenten in 2019 meer vallen gebruikten dan in 2017. Er zijn minder chemische middelen tegen groene aanslag verkocht. De verkoop daalde van 1.350.000 in 2017 naar ongeveer 1.000.000 verpakkingen in 2019. We denken dat deze middelen minder vaak zijn gebruikt – de verpakkingen zijn even groot gebleven. De populairste manier om groene aanslag weg te halen is de hogedrukspuit, zo blijkt uit het consumentenonderzoek. Meer dan de helft van de consumenten gebruikt hiervoor geen biociden of andere chemische middelen. Ongeveer 30 procent van de mensen die een chemisch middel gebruiken, doen dat onder andere met een biocide. De andere 70 procent gebruikt alleen een schoonmaakmiddel of een huismiddel zoals azijn.
    • Interne en externe afstanden voor multi-fuel tankstations

      Laheij, GMH; Pompe, CE; Thijssen, CMD; Uijt de Haag, PAM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-03-02)
      De Nederlandse overheid werkt eraan om meer duurzame energie te gebruiken. Het is onder andere de bedoeling dat auto’s en vrachtwagens steeds meer op waterstof, aardgas en elektriciteit gaan rijden. De komende jaren worden tankstations ingericht voor deze energiebronnen, naast benzine, diesel en LPG. We noemen dit multi-fuel tankstations. Er gelden nu regels om ervoor te zorgen dat brandstof veilig wordt aangevoerd naar en opgeslagen op het tankstation. De regels gaan over de afstanden binnen en buiten de tankstations. Op de tankstations moet er genoeg afstand zijn tussen de installaties voor verschillende soorten brandstof. Dat voorkomt een kettingreactie bij een ongeluk. Daarbuiten moet de afstand tussen een tankstation en de woningen in de omgeving groot genoeg zijn. Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat ook multi-fuel tankstations veilig zijn met deze regels. Voor dit onderzoek zijn de afstanden berekend met verschillende aannames over de hoeveelheden die in 2030 van de verschillende typen brandstof worden verkocht. Het RIVM raadt aan in de gaten te houden of de afstanden tot de woningen in alle praktijksituaties groot genoeg zijn voor de combinatie van de ‘nieuwe’ brandstoffen. Het onderzoek is samen met het Instituut voor Fysieke Veiligheid (IFV) gedaan.
    • Staat van Infectieziekten in Nederland, 2019

      Lagerweij, G; Schimmer, B; Mooij, S; Raven, S; Schoffelen, A; de Gier, B; Hahné, S (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-03-01)
      Het RIVM geeft elk jaar in de Staat van Infectieziekten een overzicht van de belangrijkste ontwikkelingen van infectieziekten in Nederland en, als het voor Nederland relevant is, in het buitenland. Deze jaarlijkse rapportage geeft beleidsmakers bij onder andere het ministerie van VWS en GGD’en inzicht in de ontwikkelingen. Eind 2018 is een vaccinatiecampagne begonnen tegen meningokokken voor tieners. In 2019 hebben minder mensen een ernstige infectie met meningokokken W gekregen dan het jaar ervoor (van 103 in 2018, naar 62 in 2019). Tussen eind november 2019 en eind januari 2020 hebben 66 mensen papegaaienziekte (psittacose) gehad. Dat aantal is veel hoger dan de gemiddeld 10 tot 20 zieken per jaar in de vijf jaar daarvoor. Alle gemelde patiënten zijn opgenomen in het ziekenhuis, van wie er een is overleden. In 2019 zijn twee Nederlandse tropenartsen in Sierra Leone geïnfecteerd met Lassavirus. Beide patiënten zijn naar Nederland gebracht, waarna een van hen overleed. De Staat van Infectieziekten geeft ook aan hoeveel ‘gezonde levensjaren’ verloren zijn gegaan door infectie¬ziekten, uitgedrukt in disability-adjusted life years (DALY’s). Dit wordt ook wel de ‘ziektelast’ genoemd. De infectieziek¬ten waaraan in 2019 in Nederland de meeste gezonde levensjaren verloren gingen, zijn ernstige pneumokokken¬ziekte (9.500 DALYs), griep (8.100 DALYs), en legionella (8.100 DALYs). Deze top-3 is al enkele jaren hetzelfde. Het RIVM geeft ook alvast een eerste schatting van de ziektelast door COVID-19 in Nederland in 2020, gezien de grote impact van deze ziekte in Nederland en wereldwijd. De ziektelast in de eerste golf in 2020 (tot 1 juli) is geschat op, afgerond, 58.500 DALY’s. De meeste gezonde levensjaren zijn verloren gegaan door mensen die vroegtijdig zijn overleden aan COVID-19. Deze ziektelast is gebaseerd op het aantal patiënten van wie via labora¬toriumonderzoek is aangetoond dat ze COVID-19 hebben. De werkelijke ziektelast is hoger, omdat lang niet iedereen met klachten op het virus is getest.
    • Rapportage 2020 Nationale Adviesgroep Cabinelucht

      Hendriks, H (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-02-26)
      Het is nog steeds onduidelijk of er een direct verband is tussen gezondheidsklachten van vliegtuigbemanning en blootstelling aan chemische stoffen via de cabinelucht. Het is in ieder geval niet helemaal duidelijk welke stof of stoffen in de cabine gezondheidsklachten veroorzaken. Naar aanleiding van internationale discussies hierover heeft het toenmalige ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM) in 2015 de Nationale Adviesgroep Cabinelucht (NAC) opgericht. De adviesgroep informeert alle betrokken partijen over Europese onderzoeken naar de kwaliteit van cabinelucht in vliegtuigen. Ook adviseert de NAC de huidige minister van IenW of extra onderzoek nodig is. Deze rapportage beschrijft de voortgang van onderzoeken en bijeenkomsten van de NAC in 2020. In 2020 heeft het RIVM het secretariaat van de adviesgroep overgenomen van het Overlegorgaan Fysieke Leefomgeving. In dat jaar heeft de minister van IenW ook een nieuwe voorzitter benoemd. In het verslagjaar liepen verschillende onderzoeken, die in het jaarverslag staan beschreven. Zo wordt gewerkt aan een Europese norm voor de luchtkwaliteit in vliegtuigcabines. Voor een ander onderzoek is met testvluchten geprobeerd een lekkage nagebootst, waarna de cabinelucht is gemeten (fume events). Dit is onderzocht omdat de lucht in een vliegtuigcabine vaak wordt aangezogen via de motoren. Daardoor kunnen chemische stoffen uit bijvoorbeeld motorolie in het luchtsysteem van het vliegtuig komen. Bij een lekkage komen opeens veel chemische stoffen uit de motorolie in de cabinelucht terecht. Dat geeft een sterke geur en soms zelfs rook in de cabine. In de NAC zitten vertegenwoordigers van werkgevers (zoals KLM en Schiphol), werknemers (piloten en stewardessen) en onderzoeksinstituten, waaronder het RIVM en TNO. Vertegenwoordigers vanuit de ministeries van Infrastructuur & Waterstaat (IenW) en Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) zijn waarnemend lid. De leden van de NAC komen een aantal keer per jaar bij elkaar. Kernwoorden: cabinelucht, luchtkwaliteit, vliegtuigen
    • Minerals Policy Monitoring Programme report 2015-2018 : Methods and procedures

      van Duijnen, R; van Leeuwen, TC; Hoogeveen, MW (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-02-22)
      Dit technische rapport beschrijft de werkwijze van het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM) tussen 2015 en 2018. Dat gebeurt elke vier jaar. Het LMM geeft de Nederlandse overheid onder andere informatie over de effecten van het mestbeleid op de kwaliteit van water onder en op landbouwbedrijven in relatie tot de bedrijfsvoering. Het meetnet is daarmee belangrijk voor de evaluatie van het Nederlandse en Europese beleid over meststoffen (nitraat en fosfaat). Het LMM houdt ook bij wat de effecten van de zogeheten derogatie zijn op de waterkwaliteit en de bedrijfsvoering / gewasopbrengsten. Derogatie houdt in dat Nederland, onder voorwaarden, meer stikstof met dierlijke mest op het land mag gebruiken dan volgens de Europese nitraatrichtlijn is toegestaan. Landen met derogatie zijn verplicht de effecten van een hogere hoeveelheid stikstof uit dierlijke mest elk jaar bij te houden. Tussen 2015 en 2018 is het meetnet aangepast om het te verbeteren en uit te breiden. Er zijn onder andere extra metingen gedaan in sloten op landbouwbedrijven. Hiermee sluit het LMM beter aan bij andere meetnetten en de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW). Ook is op meer staldierbedrijven, zoals varkensbedrijven, gemeten. Wageningen Economic Research en het RIVM werken voor het meetnet samen om informatie te verzamelen over de landbouwpraktijk en waterkwaliteit op landbouwbedrijven in Nederland. Wageningen Economic Research verzamelt financiële, economische en milieudata van ongeveer 450 landbouwbedrijven. Het RIVM meet de kwaliteit van het grondwater, bodemvocht, slootwater en/of drainagewater op deze bedrijven. De bedrijven die aan het LMM meedoen zijn verdeeld over grondsoortregio's (Zand, Klei, Veen en Löss) en bedrijfstypen (melkvee-, akkerbouw- , staldier- en overige bedrijven). Ze vertegenwoordigen ongeveer 85 procent van het landbouwgebied in de regio's.
    • Selection and ranking of chemical substances and consumer products based on a consumer product database : To be used in the NVWA analysis on the supply chain of consumer products

      Woutersen, M; Wijnhoven, S; Affourtit, F (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-02-19)
      Dit rapport beschrijft de resultaten van een analyse van chemische stoffen in producten die Nederlandse consumenten gebruiken. De Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA) gebruikt de uitkomsten om te bepalen óf en welke risico's er zijn in de keten consumentenproducten. De analyse is gebaseerd op zoekopdrachten in de ISA database. Deze database is opgesteld om verschillende leveranciers (vooral bouwmarkten) te helpen. Hierin is gezocht naar de aanwezigheid van chemische stoffen in consumentenproducten. Het gaat daarbij vooral om doe-het-zelf producten, schoonmaakmiddelen, lijmen en cosmetica. Daarnaast is geselecteerd op stoffen met een gevaarsclassificatie of met mogelijk hormoonverstorende eigenschappen. In de database komen meer dan 18.000 consumentenproducten voor die minimaal één gevaarlijke of mogelijke gevaarlijke stof bevatten. Van de onderzochte (mogelijk) gevaarlijke stoffen komen er 274 voor in consumentenproducten. Deze stoffen en producten zijn gescoord en gerangschikt op basis van gevaarseigenschappen en blootstelling. De groep met de hoogste totale score is 'verf', gevolgd door 'bouwmaterialen' en 'cosmetica'. In verf en bouwmaterialen zitten een relatief groot aantal (mogelijk) gevaarlijke stoffen. Dit zijn productgroepen met veel verschillende producten. De stof met de hoogste totale score is ethanol, vooral omdat dit in veel producten zit. De meest schadelijke stoffen in consumentenproducten zijn bepaalde pesticiden en metalen die kankerverwekkend en schadelijk voor de voortplanting zijn, zoals thiacloprid, diuron, een organotinverbinding en lood chromaat. Naast de stoffen zijn ook de producten geclassificeerd door de fabrikant. Er is een groot verschil tussen de classificatie van stoffen en de producten. Een product met een mogelijk kankerverwekkende stof erin hoeft niet als kankerverwekkend geclassificeerd te worden als de concentratie van deze stof heel laag is. Ook bij stoffen is de classificatie soms afhankelijk van de aan- of afwezigheid van specifieke vervuilingen. Bijvoorbeeld het gehalte benzeen in petroleumderivaten bepaalt of deze al dan niet als kankerverwekkend geclassificeerd moeten worden.
    • Gebruiksvoorschrift Storybuilder-MHC : Wijze waarop kenmerken van incidenten met gevaarlijke stoffen bij majeure risicobedrijven worden ingevoerd in Storybuilder-MHC

      Kooi, ES; Manuel, HJ; Mud, ML; Wolting, AG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-02-03)
      Sinds 2009 analyseert het RIVM oorzaken en omstandigheden van incidenten en ongevallen met gevaarlijke stoffen bij chemische bedrijven. Het RIVM verzamelt hierover een groot aantal kenmerken en analyseert die vervolgens met het model Storybuilder-MHC. Het RIVM heeft nu een gebruiksvoorschrift gemaakt dat beschrijft welke informatie voor de analyses wordt gebruikt. Ook staat erin hoe de kenmerken van de incidenten in het model worden vastgelegd. Het gebruiksvoorschrift zorgt ervoor dat incidenten op dezelfde manier worden geanalyseerd. De analyses zijn bedoeld om ontwikkelingen en patronen in incidenten te ontdekken. De inzichten helpen inspecteurs bij hun werk. Bedrijven kunnen inzichten uit de analyses gebruiken om ongevallen te voorkomen. De analyses worden in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) uitgevoerd. Storybuilder-MHC bevat onder andere kenmerken over het soort bedrijf (zoals raffinaderij), het type incident (bijvoorbeeld vrijgekomen gevaarlijke stoffen), de oorzaken van het incident en de kenmerken van het slachtoffer en zijn letsel (zoals de ernst ervan). De analisten halen deze informatie uit rapporten die zijn opgesteld door de Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Inspectie SZW) of de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OvV). Zij leggen kenmerken per incident vast. Storybuilder-MHC is een onderdeel van het analysemodel Storybuilder. Hierin analyseert het RIVM oorzaken en omstandigheden van ernstige arbeidsongevallen bij bedrijven.
    • Multi-use disease models : A blueprint for application in support of health care insurance coverage policy and a case study in Diabetes Mellitus

      Wang, J; Pouwels, X; Ramaekers, B; Frederix, G; van Lieshout, C; Hoogenveen, R; Li, X; de Wit, GA; Joore, M; Koffijberg, H; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-02-01)
      Zorginstituut Nederland adviseert de minister van VWS onder andere over vergoedingen van medicijnen en andere behandelingen in het basispakket van de ziektekostenverzekering. Het Zorginstituut gebruikt daarvoor onder andere dossiers van medicijnenfabrikanten waarin zij de gezondheidswinst en kosten inschatten op basis van beslismodellen. Met deze beslismodellen wordt bekeken of medicijnen en andere behandelingen op de lange termijn effect hebben op de gezondheid. Bijvoorbeeld wat een betere bloedsuikerspiegel bij mensen met diabetes betekent voor complicaties, zoals hart- en vaatziekten en amputaties. Ook brengt het model de kosten van een behandeling met een nieuw medicijn in kaart. Denk aan de kosten van het medicijn zelf, maar ook besparingen omdat het medicijn de kans op complicaties met hoge behandelkosten kan verkleinen. Op dit moment beoordeelt het Zorginstituut voor bijna elk medicijn of behandeling een dossier waarvoor een apart beslismodel is gebruikt. Hierdoor zijn de effecten van verschillende medicijnen voor dezelfde ziekte niet goed te vergelijken. Daarnaast is het Zorginstituut veel tijd kwijt om de kwaliteit van elk beslismodel te toetsen. Het is daarom aantrekkelijk om voor elke ziekte één model te hebben, de zogenaamde meervoudig gebruik-modellen. Hiermee kunnen betere en consistentere beslissingen genomen worden. Het RIVM heeft met de universiteiten van Twente, Maastricht, Groningen en Utrecht verkend hoe het Zorginstituut met meervoudig gebruikmodellen kan gaan werken. Mede op basis van dit rapport beslist het Zorginstituut of en hoe zij verder gaan met meervoudig gebruikmodellen. Bovendien is een meervoudig gebruik beslismodel gemaakt voor diabetes en als casus uitgewerkt. Het RIVM heeft vijf business cases ontwikkeld om het werken met meervoudig gebruik-modellen op te zetten, en de voor- en nadelen beschreven. In deze opties verschillen de rol en verantwoordelijkheid van betrokken partijen, zoals het Zorginstituut, onderzoeksinstituten en consultancy bureaus. Het gaat daarbij over vragen als wie eigenaar is van het model, wie verantwoordelijk is voor het onderhoud en de opslag van resultaten, en wie aansprakelijk is bij fouten. Daarnaast komt aan de orde wat een dergelijk model moet kunnen en hoe flexibel het moet zijn voor aanpassingen.
    • Kansen en risico's van DNA-zelftesten

      Rigter, T; Jansen, ME; van Klink-de Kruijff, IE; Onstwedder, SM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-01-29)
      Met een DNA-zelftest kunnen mensen zelf vaststellen of ze aanleg hebben voor bepaalde aandoeningen. Voorbeelden zijn de ziekte van Alzheimer, borstkanker, hoge bloedruk, en gevoeligheid voor gluten. Consumenten bestellen deze tests vaak online, sturen meestal hun speeksel op en krijgen vervolgens de uitslag thuisgestuurd. Dit gebeurt meestal zonder tussenkomst van een arts. De gedachte is dat mensen op basis van de uitslag gezonder gaan leven of eerder medische hulp inschakelen, en zo het risico op het ontstaan van ziektes verkleinen. Uit verkennend onderzoek van het RIVM blijkt echter dat er geen wetenschappelijk bewijs is dat DNA-zelftesten de gezondheid echt verbeteren, bijvoorbeeld doordat mensen gezonder gaan leven. Maar het RIVM vindt ook geen bewijs dat mensen ongezonder gaan leven als zij horen dat zij een relatief laag risico hebben om een bepaalde ziekte te krijgen. De aanbieders van de tests geven vooral informatie over eventuele voordelen van zo'n test. Het RIVM adviseert dat de consument onafhankelijke ondersteuning krijgt, bijvoorbeeld in de vorm van een keuzehulp, om een weloverwogen keuze te kunnen maken. Een mogelijk voordeel van een DNA-zelftest is dat mensen laagdrempelig genetische informatie kunnen krijgen. Deze informatie kan ook gebruikt worden voor onderzoek. Een nadeel is dat er privacy problemen kunnen ontstaan bijvoorbeeld als niet duidelijk is dat gegevens voor onderzoek worden gebruikt. Ook realiseren consumenten zich vaak niet welke gevolgen een uitslag kan hebben. Familieleden kunnen bijvoorbeeld ongewild informatie krijgen over hun gezondheid, omdat zij voor een deel hetzelfde DNA hebben. Nader onderzoek is nodig over hoe de consument evenwichtige informatie kan krijgen en op welke manier die informatie bij de consument terecht kan komen. Verder moeten artsen op de hoogte zijn van de (on)mogelijkheden en risico's van DNA-zelftesten. Wetenschappelijk onderzoek wijst er op dat ze nu onvoldoende weten wat zij kunnen doen als een consument met een uitslag van een zelftest bij hen komt. Momenteel is handhaving op deze producten moeilijk omdat er verschillende wetten gelden voor de verschillende aspecten van het aanbod (privacy, reclame, diagnostiek). Bovendien verandert het aanbod aan tests snel en zitten de aanbieders van de zelftesten vaak buiten Nederland of zelfs Europa. Daar zijn de voor Nederland geldende wetten soms niet van toepassing of moeilijk te handhaven. Het RIVM beveelt aan veranderingen in het aanbod en relevante wetgeving de komende jaren in de gaten te houden. Op deze manier kan beleid waar nodig worden geëvalueerd en bijgesteld.
    • Annual report Surveillance of influenza and other respiratory infections in the Netherlands: winter 2019/2020

      Reukers, DFM; van Asten, L; Brandsema, PS; Dijkstra, F; Hendriksen, JMT; van der Hoek, W; Hooiveld, M; de Lange, MMA; Niessen, F; Teirlinck, AC; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-01-28)
      Griepepidemie De griepepidemie in de winter van 2019/2020 was mild en duurde 5 weken. Dat is korter dan het gemiddelde van tien weken in de afgelopen 25 jaar. De laatste twee weken van de griepepidemie, de eerste helft van maart 2020, vielen samen met het begin van de COVID-19-epidemie in Nederland. Naar schatting hebben tussen oktober 2019 en mei 2020 400.000 mensen de griep gehad. Ongeveer 74.000 mensen gingen naar de huisarts met griepachtige klachten. Mensen zijn vooral ziek geworden van het type A-griepvirus. Tijdens de epidemie stierven er 600 mensen meer dan verwacht in deze periode. Deze 'oversterfte' hangt waarschijnlijk samen met de griep. Mensen die een griepprik hebben gekregen, hadden in het griepseizoen 48 procent minder kans om griep te krijgen. De effectiviteit van het vaccin is ongeveer hetzelfde als in vorige griepseizoenen. COVID-19 epidemie in Nederland In deze rapportage zijn de gegevens over COVID-19 meegenomen voor de duur van het griepseizoen, tot en met 17 mei. Op 27 februari 2020 is de eerste COVID-19-patiënt in Nederland bevestigd. Sindsdien zijn veel mensen besmet met het nieuwe coronavirus (SARSCoV-2) dat de ziekte COVID-19 veroorzaakt. Tussen 27 februari en 17 mei 2020 heeft de GGD 43.993 mensen met COVID-19 gemeld, met een piek van 7794 meldingen in de week van 6 april. In deze eerste golf zijn 11.095 patiënten opgenomen in het ziekenhuis en zijn er 9600 mensen meer overleden dan normaal. Meldingsplichtige luchtweginfecties Sommige luchtweginfecties moeten bij de GGD worden gemeld. De GGD kan ze dan intensief volgen en als het nodig is op tijd actie nemen om te voorkomen dat ze zich verder verspreiden. Het aantal meldingen van psittacose is in 2019 sterk gestegen naar 91, het hoogste aantal sinds 2010. Het aantal gemelde gevallen van legionella (566) tuberculose (759) en Q-koorts (18) bleef stabiel. Q-koorts, psittacose en legionella uiten zich meestal in de vorm van longontstekingen. De werkelijke aantallen liggen hoger dan de gemelde. Mensen met een longontsteking worden vaak niet getest, waardoor de ziekteverwekker niet bekend is.
    • Regenwater als alternatieve bron voor drinkwater- aandachtspunten voor kwaliteitscontrole

      van Driezum, IH; van der Aa, NGFM; van den Berg, HHJL (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-01-27)
      In Nederland wordt drinkwater van grond- en oppervlaktewater gemaakt. De afgelopen jaren zijn enkele initiatieven uitgeprobeerd om drinkwater van andere bronnen te maken, onder andere vanwege klimaatverandering. Een van die bronnen is regenwater dat via daken en bassins kan worden opgevangen. Het is alleen niet duidelijk in hoeverre dit water aan de drinkwatereisen voldoet. Volgens het RIVM is regenwater niet schoon genoeg om zo als drinkwater te gebruiken. Het heeft geen constante kwaliteit en moet eerst gezuiverd worden. Ook is de hoeveelheid regenwater die via daken wordt opgevangen, niet genoeg om een gezin het hele jaar voldoende drinkwater te bieden. Dat maakt regenwater meestal niet duurzamer dan het gebruik van grondwater of oppervlaktewater. Het RIVM heeft dit via een literatuuronderzoek uitgezocht. Het opgevangen regenwater kan bacteriën en virussen bevatten uit de ontlasting van dieren, zoals vogels. Daarnaast kan er lood in zitten uit loden regenpijpen, en pesticiden van landbouwbedrijven in de omgeving. Het is technisch mogelijk om deze verontreinigingen uit het regenwater te halen om het daarna als drinkwater te kunnen gebruiken. Deze zuivering kan wel duur zijn. Omdat de kwaliteit van regenwater sterk kan verschillen, is het belangrijk om die kwaliteit te meten. Het is alleen lastig om aan te geven waar en hoe vaak dat nodig is om de veiligheid te kunnen garanderen. De kwaliteit van regenwater lijkt het meest op die van oppervlaktewater. Het ligt daarom voor de hand om te beginnen met een meetprogramma zoals dat bestaat voor oppervlaktewater als bron voor drinkwater. Daarnaast is een beter beeld nodig van mogelijke gezondheidsrisico's van schadelijke stoffen in regenwater 'van bron tot kraan'.
    • Staat Drinkwaterbronnen

      van Driezum, IH; Beekman, J; van Loon, A; van Leerdam, RC; Wuijts, S; Rutgers, M; Boekhold, S; Zijp, MC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-01-26)
      In Nederland wordt drinkwater gemaakt van grond- en oppervlaktewater. Het RIVM heeft in kaart gebracht wat de kwaliteit van het water van deze bronnen is en hoeveel er beschikbaar is om drinkwater van te maken. Beleidsmakers van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) gebruiken de resultaten voor nieuw beleid. In meer dan de helft van de 216 winningen in Nederland zijn nu, of in de nabije toekomst, problemen met de waterkwaliteit of de beschikbare hoeveelheid. In 135 van de winningen worden namelijk stoffen gevonden die dit ongezuiverde water vervuilen. Door de droogte van de laatste jaren is het minder vanzelfsprekend geworden dat er in sommige seizoenen genoeg water is. Ook zorgt de droogte ervoor dat de concentraties vervuilende stoffen hoger zijn. Hierdoor moeten drinkwaterbedrijven meer doen om er schoon drinkwater van te maken. Waterschappen, provincies en gemeenten en de Rijksoverheid hebben de afgelopen jaren veel gedaan om de kwaliteit van de drinkwaterbronnen te verbeteren. Maar de kwaliteit is nog niet zoals gewenst en is de afgelopen jaren niet merkbaar verbeterd. Het doel is om met eenvoudige zuiveringstechnieken drinkwater uit de bronnen te kunnen maken. Het kost tijd voordat een maatregel een effect heeft. Dat is een van de redenen waarom de effecten van de genomen maatregelen nog niet zichtbaar zijn bij de drinkwaterbronnen. Daarnaast worden de effecten niet op dezelfde manier gemonitord en vastgelegd als de gegevens over de waterwinningen. Meer zicht krijgen op de effecten is belangrijk om op tijd extra maatregelen te kunnen nemen als dit nodig is. Daarnaast is meer duidelijkheid nodig tussen de landelijke en decentrale overheden wie waarvoor verantwoordelijk is en wat partijen van elkaar kunnen verwachten. Zij hebben een belangrijke taak om de waterkwaliteit voor de toekomst veilig te stellen.
    • Zicht (krijgen) op Zeer Zorgwekkende Stoffen in een circulaire cconomie : Concretisering van een monitoringsstrategie

      van Bruggen, AR; de Boer, LM; Heens, F; Spanbroek, NM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-01-21)
      De Nederlandse overheid streeft naar een volledig circulaire economie in 2050. Daarin worden grondstoffen steeds opnieuw gebruikt zodat er zo min mogelijk afval is. Maar in hergebruikte materialen kunnen schadelijke stoffen zitten. Het is daarom belangrijk te weten of het hergebruikte product of gerecycled materiaal veilig is voor mens en milieu. Een voorbeeld van schadelijke stoffen zijn stoffen met zeer zorgwekkende eigenschappen (ZZS). Ze kunnen bijvoorbeeld kanker veroorzaken of de voortplanting belemmeren. Soms bevatten materialen en producten ZZS die inmiddels verboden zijn. Als deze producten of materialen worden hergebruikt of gerecycled, kunnen ze eruit vrijkomen en in omloop blijven. Het is niet makkelijk om een volledig overzicht te krijgen van ZZS in producten of materialen. Er zijn heel veel soorten ZZS die in heel veel verschillende materialen en producten zitten. Het RIVM heeft een opzet gemaakt voor een methode om de risico's van ZZS in een circulaire economie te achterhalen. Met deze methode kan worden ontleed op welke plek in 'de keten' van productie, gebruik en afvalverwerking ZZS kunnen zitten en waar ze risico's veroorzaken. Met deze inzichten kan bijvoorbeeld in beeld worden gebracht hoe de overheid en het bedrijfsleven zich (kunnen) inzetten om materialen veilig te verwerken. Twee voorbeelden (piepschuim in woningen en minerale olie in voedselverpakkingen) zijn uitgewerkt om de methode te testen. Beleidsmakers kunnen de methode gebruiken om beleid op te stellen voor de circulaire economie. Het RIVM beveelt aan om de uiteindelijke monitor samen met beleidsmakers en het bedrijfsleven te ontwikkelen. Dat vergroot de kans om een veilig hergebruik te garanderen. Dit onderzoek is onderdeel van de integrale circulaire economie rapportage (ICER) en is in opdracht van het Planbureau voor de Leefomgeving uitgevoerd.
    • Ecotoxicologische risicogrenzen voor PFOS in bodem en grondwater

      Verbruggen, EMJ; Marinkovic, M; Wassenaar, PNH (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-01-18)
      Het RIVM heeft risicogrenzen bepaald voor PFOS in bodem en grondwater. De risicogrenzen houden rekening met twee routes: directe effecten van PFOS op planten en dieren in de bodem, en effecten op vogels en zoogdieren die PFOS via hun voedsel binnenkrijgen. Het bevoegd gezag gebruikt de risicogrenzen om te beslissen of hergebruik van grond veilig is voor het milieu. PFOS en andere poly- en perfluoralkylstoffen (PFAS) zijn door de mens gemaakte stoffen die heel langzaam afbreken, ophopen in het lichaam en giftig zijn. Het gebruik van PFOS is wereldwijd zeer sterk aan banden gelegd. Maar doordat de stof bijna niet afbreekt, zitten er nog steeds resten in het milieu. PFOS hoopt zich op in planten en dieren. Daarom is het relevant om te kijken naar de risico's voor vogels en zoogdieren die PFOS binnenkrijgen via het eten van bodemdieren, zoals regenwormen. Dit heet doorvergiftiging. Per route zijn twee risiconiveaus bepaald: het Ernstig Risiconiveau (ER) en het Maximaal Toelaatbaar Risiconiveau (MTR). Het MTR is de concentratie waarbij geen nadelige effecten zijn te verwachten. Het MTR voor doorvergiftiging is 3 microgram per kilogram droge grond. Het ER (106 microgram per kilogram) is de concentratie waarbij PFOS ernstige effecten kan hebben op vogels en zoogdieren. Het RIVM heeft in 2011 ook ecotoxicologische risicogrenzen afgeleid voor PFOS in bodem en grondwater, toen op basis van beperkt beschikbare informatie. De risicogrenzen zijn nu beter onderbouwd. Het nieuwe MTR voor doorvergiftiging is hetzelfde als in 2011, het ER voor doorvergiftiging is nu voor het eerst bepaald. Dit onderzoek is onderdeel van een serie rapportages over risicogrenzen van PFAS. Hiermee draagt het RIVM bij aan een landelijk kader waarmee bevoegde gezagen kunnen bepalen hoe zij omgaan met PFAS-houdende grond en baggerspecie. Dit onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW).
    • Safety and sustainability analysis of railway sleeper alternatives : Application of a novel method for material loops

      Quik, JTK; Dekker, E; Montforts, MHMM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-01-12)
      This is a revised version of letter report 2020-0126 Every year, ProRail replaces 200,000 railway sleepers. In the last century, wooden sleepers were used treated with creosotes to preserve them. Creosotes contain substances of very high concern. More recently, sleepers have been made from concrete, but greater quantities of CO2 are released in the manufacture of these sleepers than from wooden sleepers. To minimize CO2 emissions and the use of substances of concern, ProRail is looking for alternative railway sleepers. To this end, RIVM has compared six different types of sleepers with cement concrete (100 percent Portland cement). The six sleeper types are made from copper-treated wood, untreated wood, recycled steel-reinforced plastic (PE), virgin steel-reinforced plastic (PE), glass-fiber-reinforced plastic (virgin PU) and Sulphur-based concrete (instead of cement-based concrete). The comparison of the various sleepers was based on the aspects that are important for sustainability and safety of substances for the environment. The sleepers made from recycled plastic and Sulphur-concrete are more sustainable than sleepers from concrete (Portland cement). The other types of sleepers are only favorable over concrete in certain aspects of sustainability. Based on the data available, the various types appear to be equally safe for the environment. Part of the sustainability assessment of the sleepers is done by looking at the extent to which they release greenhouse gases and how much land is needed to extract the materials to make them. The land used to produce wooden sleepers is greater than for the other sleeper types. This is important due to the effect on biodiversity, even though less greenhouse gases are released during production compared to concrete. The safety of the sleepers was analyzed by looking at the presence of pollutants and the degree to which these pollutants leach out. After all, any substance released during the use of the sleepers can end up in the soil and groundwater. There is legislation for all types of sleepers, the objective of which is to ensure that they are safe to use. For this study not all relevant data were available. Knowledge of the presence of any hazardous substances in sleepers is important if they are to be safely reused.
    • Zout-, suiker- en verzadigd vetgehalten in voedingsmiddelen : RIVM Herformuleringsmonitor 2018

      ter Borg, S; Brants, H; de Klein, RJ; Toxopeus, I; Westenbrink, S; Milder, I (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-04-11)
      Het Nederlandse voedingsbeleid is erop gericht om het voor consumenten gemakkelijk te maken voor gezonde producten te kiezen. Dat gebeurt onder andere door producenten te stimuleren om de hoeveelheid zout, suiker en verzadigd vet in voedingsmiddelen te verlagen. Het RIVM brengt daarom elke twee jaar in kaart hoeveel zout, suiker en verzadigd vet in het aanbod van voedingsmiddelen in supermarkten zit. Voor een aantal productgroepen hebben producenten afspraken gemaakt over maximale gehalten. Het RIVM inventariseert ook hoeveel producten aan deze afspraken voldoen. Het percentage producten dat in 2018 op of onder de afgesproken maximum gehalten uitkwam, varieert. Voor zout is dat bij 85 procent van de vleeswaren het geval, bij 58 procent van de vleesconserven, bij 68 procent van de soepen en bouillons en bij 71 procent van de sauzen. Voor verzadigd vet zit 94 procent van de vleeswaren en 72 procent van de cakes die bereid zijn met margarine op of onder het gestelde maximum. De afspraken over de maximale gehalten vloeien voort uit het Akkoord Verbetering Productsamenstelling dat het ministerie van VWS in 2014 heeft gesloten met de brancheorganisaties van voedingsmiddelenindustrie, supermarkten, horeca en catering om de samenstelling van voedingsmiddelen te verbeteren. De afspraken gelden voor een klein deel van het productaanbod. Door voor meer producten afspraken te maken en/of bestaande afspraken aan te scherpen, kan meer resultaat worden behaald. Om de productsamenstelling te volgen is in 2018 een nieuwe werkwijze ontwikkeld. Daardoor kan op basis van deze monitor niet worden gezegd of de gehalten door de jaren heen zijn gedaald en in welke mate. De nieuwe werkwijze maakt gebruik van productgegevens in de Levensmiddelendatabank. Dit is een database met productgegevens die door supermarkten en fabrikanten worden aangeleverd. Door de nieuwe werkwijze zijn gegevens over veel meer producten beschikbaar (ruim 50.000 producten) dan voorheen. Bij eerdere 'monitors' zijn onder andere metingen van de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA) gebruikt. Voor sommige productgroepen kan met gegevens van de Levensmiddelendatabank niet worden bepaald of producten aan het afgesproken maximum voldoen. Bijvoorbeeld omdat de afspraak gaat over toegevoegde suikers terwijl alleen informatie over het totale suikergehalte aanwezig is.
    • Landbouwpraktijk en waterkwaliteit op landbouwbedrijven aangemeld voor derogatie in 2017

      Lukács, S; Blokland, PW; Prins, H; Vrijhoef, A; Fraters, D; Daatselaar, CHG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-07-01)
      In Nederland mogen agrarische bedrijven die aan specifieke randvoorwaarden voldoen, meer dierlijke mest op hun land gebruiken dan in de algemene norm van de Nitraatrichtlijn is voorgeschreven. Deze verruiming wordt derogatie genoemd. Het RIVM en Wageningen Economic Research monitoren de gevolgen van deze derogatie voor de waterkwaliteit op driehonderd bedrijven. Dit rapport beschrijft de monitoringsresultaten voor derogatiebedrijven in het jaar 2017 en de trend vanaf 2006. Op basis van deze resultaten concluderen we dat de derogatie geen negatieve effecten heeft op de waterkwaliteit. Bedrijfsvoering In 2017 hebben derogatiebedrijven gemiddeld 245 kilogram stikstof uit dierlijke mest per hectare gebruikt. Een derogatiebedrijf mag 230 of 250 kilogram stikstof per hectare uit graasdiermest gebruiken, afhankelijk van de bodemsoort en regio. Door verbeteringen in de bedrijfsvoering in de afgelopen jaren wordt meer stikstof uit mest gebruikt voor de aanwas, en dus productie, van gewassen: de indicator 'stikstofbodemoverschot' is daardoor sinds 2006 met 20 procent gedaald. Een dalend stikstofbodemoverschot houdt in dat stikstof efficiënter wordt gebruikt. Hierdoor kan er minder nitraat met regenwater wegzakken naar diepere lagen in de bodem en in het grondwater terechtkomen. Grondwaterkwaliteit Bij derogatiebedrijven is daardoor sinds 2006 minder of evenveel nitraat in het grondwater terechtgekomen. Sinds 2015 ligt de gemiddelde nitraatconcentratie van derogatiebedrijven in alle regio's onder de EU-norm van 50 milligram per liter. Dit geldt voor gemiddelden per regio. Op bedrijfsniveau wordt de nitraatnorm soms nog wel overschreden, maar gemiddeld genomen voldoen steeds meer derogatiebedrijven de laatste jaren aan deze norm. De hoogste regio gemiddelde nitraatconcentraties zijn in 2017 aangetroffen in de Lössregio (38 milligram per liter) en in het zuidelijk en oostelijk deel van de Zand regio (31 milligram per liter). In deze regio's komen drogere gronden voor, waar nitraat in mindere mate in de bodem wordt afgebroken en daardoor meer kan wegzakken naar het grondwater. De monitoring wordt uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselveiligheid (LNV).
    • The environmental sustainability of the Dutch diet : Background report to 'What is on our plate? Safe, healthy and sustainable diets in the Netherlands

      Broek I van den; Broek I van den; Zijp MC; P&V; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-03-28)
      De productie en consumptie van voedsel legt een grote druk op het milieu. Dit komt onder andere door intensief gebruik van landbouwgrond en door de uitstoot van broeikasgassen bij de productie van voedsel. Ons dagelijks eten heeft dus grote invloed op het milieu. Wereldwijd is de voedselproductie en -consumptie verantwoordelijk voor ongeveer 25 procent van de totale uitstoot van broeikasgassen. Daarnaast is deze voor 60 procent verantwoordelijk voor het verlies aan de variatie van gewassen en dieren (biodiversiteit). Het RIVM heeft in dat verband beschreven hoe en in welke mate de productie voor de huidige Nederlandse voedselconsumptie een belasting voor het milieu vormt. Daaruit blijkt dat vlees, zuivel (inclusief kaas) en dranken het meest belastend zijn. Voor de meeste voedingsmiddelen zit dat vooral in de productiefase. Zo is veel land en water nodig om vlees- en zuivel te produceren. Ook zorgen deze producten voor de meeste verzuring/vermesting van de bodem en het oppervlaktewater. Voor de productie van fruit is relatief veel water nodig. Hoewel het primaire productieproces van de meeste voedingsmiddelen de grootste milieudruk veroorzaakt, is ook het gebruik van fossiele energie en grondstoffen voor het verpakken, transporteren, bewaren en bereiden van producten relevant; in welke mate verschilt per product. In dit rapport wordt de milieubelasting van ons voedingspatroon meer in detail beschreven. De milieubelasting kan worden verminderd door (technologische) innovaties die per voedingsmiddel de uitstoot van ongewenste emissies verlagen en/of overmatig gebruik van natuurlijke hulpbronnen verkleinen. Minder voedsel verspillen en niet teveel eten en drinken zorgen ook voor minder milieubelasting. De consument kan daarnaast een bijdrage leveren met zijn keuze voor bepaalde voedingsmiddelen, zoals minder vaak vlees en vaker kraanwater in plaats van frisdrank en alcohol. Dit rapport is een achtergrondstudie voor de rapportage 'Wat ligt er op ons bord? Gezond, veilig en duurzaam eten in Nederland' van het RIVM die op 24 januari 2017 is verschenen. Hierin worden de aspecten van gezond, veilig en ecologisch duurzaam voedsel geïntegreerd weergegeven.
    • Evaluation of health risks of playing sports on synthetic turf pitches with rubber granulate : Scientific background document

      de Groot GM; Oomen AG; Mennen MG; CPV; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-03-23)
      Uit nieuw onderzoek van het RIVM blijkt dat het risico voor de gezondheid van sporten op kunstgrasvelden die zijn ingestrooid met rubbergranulaat, praktisch verwaarloosbaar is. Dat betekent dat het verantwoord is om op deze velden te sporten. Aanleiding voor het onderzoek is de maatschappelijke bezorgdheid die ontstond na de televisie-uitzending van Zembla 'Gevaarlijk spel' in oktober 2016. Het RIVM hoopt met de resultaten bij te dragen aan de beantwoording van de vragen van ministeries, gemeenten, sportclubs en ouders. Om te kunnen beoordelen in hoeverre sporten op granulaat een risico voor de gezondheid vormt, is het belangrijk om eerst te bepalen welke schadelijke stoffen in het granulaat zitten en in welke mate ze eruit kunnen vrijkomen. Vervolgens moet worden gekeken op welke manieren sporters in contact komen met deze stoffen en of dat gevolgen voor de gezondheid heeft. In rubbergranulaat zitten heel veel verschillende stoffen, zoals polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK's), metalen, weekmakers (ftalaten) en bisfenol A (BPA). De stoffen blijken in zeer lage hoeveelheden uit de korrels vrij te komen. Dat komt doordat de stoffen min of meer in het granulaat zijn 'opgesloten'. Hierdoor is het schadelijke effect op de gezondheid praktisch verwaarloosbaar. Wat heeft het RIVM onderzocht? Het RIVM heeft de stoffen onderzocht in rubbergranulaat van 100 sportvelden die representatief zijn voor de kunstgrasvelden in Nederland. Daarnaast zijn drie soorten laboratoriumproeven uitgevoerd om te onderzoeken welke stoffen uit de korrels vrijkomen als de sporter ermee in aanraking komt. Met deze zogeheten migratiestudies is uitgezocht in welke mate stoffen via de huid in het lichaam kunnen terechtkomen, via het spijsverteringskanaal of via de longen. Vervolgens is berekend in hoeverre mensen aan de vrijgekomen stoffen blootstaan en wat dat betekent voor de gezondheid. Verder is de beschikbare informatie in de wetenschappelijke literatuur bestudeerd over de stoffen in rubbergranulaat, de eigenschappen en de gezondheidseffecten ervan. Is er een verband met leukemie? In de beschikbare informatie zijn geen signalen aangetroffen die duiden op een verband tussen sporten op kunstgras met rubbergranulaat en het ontstaan van leukemie en lymfeklierkanker. Dit verband is in geen enkel internationaal onderzoek aangetoond. Bovendien blijkt uit de samenstelling van de rubberkorrels dat de chemische stoffen die leukemie of lymfeklierkanker kunnen veroorzaken er niet (benzeen, styreen en 1,3-butadieen) of in heel lage hoeveelheid (2- mercaptobenzothiazol) in zitten. Sinds eind jaren tachtig van de vorige eeuw is er in het algemeen een lichte stijging te zien in het aantal mensen tussen 10 en 29 jaar dat leukemie krijgt. Deze ontwikkeling is niet veranderd sinds de kunstgrasvelden in 2001 in Nederland in gebruik zijn genomen. Onderzoek in Amerika laat ook geen verhoging zien in het aantal nieuwe gevallen van lymfeklierkanker in gebieden waar relatief veel kunstgrasvelden liggen die zijn ingestrooid met rubbergranulaat. Begin 2017 komt informatie uit nieuw Amerikaans onderzoek beschikbaar. Omdat rubbergranulaat in de Verenigde Staten langer (sinds 1997) op voetbalvelden wordt gebruikt, kan over een langere periode worden geanalyseerd of er een verband is tussen sporten op kunstgras en het krijgen van leukemie. Het RIVM heeft contact met de onderzoekers en volgt dit onderzoek op de voet. Rubbergranulaat in het milieu De focus in dit onderzoek ligt op mogelijke gezondheidsrisico's voor mensen die sporten op velden met ingestrooid rubbergranulaat. Het onderzoek bevestigt eerdere inzichten dat het rubbergranulaat metalen bevat die in de omgeving terecht kunnen komen. Er blijkt vooral zink uit het rubbergranulaat vrij te komen. Dit metaal is niet schadelijk voor de mens, maar kan wel gevolgen hebben voor organismen in de bodem en het oppervlaktewater. Voldoet het rubbergranulaat aan de norm? Rubbergranulaat moet voldoen aan de norm voor zogenoemde mengsels. Deze norm schrijft voor hoeveel er maximaal van bepaalde stoffen in mag zitten (er bestaat geen norm voor wat eruit mag komen). Het gaat daarbij om stoffen die kankerverwekkend zijn (zoals PAK's), schadelijk zijn voor het nageslacht of het DNA beschadigen. De hoeveelheid PAK's in het rubbergranulaat voldoet ruim aan deze norm. De norm voor consumentenproducten is aanzienlijk strenger: deze staat veel lagere (100 tot 1000 maal minder) gehalten aan PAK's toe dan de mengselnorm. Het gehalte PAK's ligt iets boven de norm voor consumentenproducten. Momenteel doet het Europese Agentschap voor Chemische Stoffen (ECHA) onderzoek om te bezien welke norm voor rubbergranulaat wenselijk is. Het RIVM adviseert om de norm voor rubbergranulaat bij te stellen naar een norm die dichter in de buurt ligt van de norm voor consumentenproducten. Waarom wordt rubbergranulaat gebruikt voor voetbalvelden? Rubbergranulaat is fijngemalen rubber en wordt meestal gemaakt van oude autobanden. Als instrooimateriaal op kunstgrasvelden zorgt het ervoor dat het veld vergelijkbare eigenschappen krijgt als een gewoon grasveld. Dat betekent dat de bal niet te snel rolt, niet te hoog stuitert en het kunstgras beter geschikt is om slidings te maken dan zonder granulaat. Kunstgrasvelden kunnen het hele jaar door intensief gebruikt worden en vergen minder onderhoud. Tegenwoordig wordt veel geïnvesteerd om oude producten te hergebruiken als grondstof voor nieuwe producten. Dat geldt ook voor autobanden. De vragen over de veiligheid van rubbergranulaat maken duidelijk dat er een spanningsveld kan bestaan tussen het hergebruik van materialen en de zorgen om de gezondheidsrisico's van nieuwe producten.