• Landbouwpraktijk en waterkwaliteit op landbouwbedrijven aangemeld voor derogatie in 2014

      Lukacs S; de Koeijer TJ; Prins H; Vrijhoef A; Boumans LJM; Daatselaar CHG; IBW; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMLEI Wageningen UR, 2016-07-05)
      De Nederlandse landbouw is wereldwijd gezien een zeer productieve en efficiënte sector. Het gebruik van mest is noodzakelijk voor de efficiënte productie van gewassen. Mestgebruik heeft echter ook ongewenste (milieu)effecten. Het Nederlandse mestbeleid tracht schadelijke milieueffecten te beperken; monitoring is hierbij een essentieel onderdeel. Dit sluit aan bij internationale afspraken over het mestgebruik en over het volgen van het effect van beleidsmaatregelen. De Europese Nitraatrichtlijn schrijft lidstaten voor om het gebruik van dierlijke mest te beperken tot 170 kg stikstof per hectare. Landbouwbedrijven in Nederland met ten minste 80 procent grasland mochten in 2014 onder bepaalde voorwaarden van deze norm afwijken en meer mest, afkomstig van graasdieren zoals koeien en schapen, gebruiken (derogatie). LEI Wageningen UR en het RIVM volgen op 300 derogatiebedrijven de bedrijfsvoering en de effecten op de waterkwaliteit en rapporteren de resultaten hiervan jaarlijks aan de EU. In deze rapportage zijn de situatie in 2014 beschreven en de trends tussen 2006 en 2015. De nitraatconcentratie in het grondwater is in deze periode, afhankelijk van de regio, gedaald of gelijk gebleven. Bedrijfsvoering Gemiddeld hebben derogatiebedrijven in 2014 237 kilogram stikstof uit dierlijke mest per hectare gebruikt. De hoeveelheid stikstof die als nitraat kan uitspoelen naar het grondwater wordt onder andere bepaald door het stikstofbodemoverschot. Dit is het verschil tussen de aanvoer van stikstof (zoals meststoffen) en de afvoer ervan (waaronder via gras en maïs). Het gemiddelde Nederlandse stikstofbodemoverschot is gedurende de onderzochte periode niet significant veranderd, maar vertoonde in 2014 wel een sterke daling als gevolg van het goede groeiseizoen voor gras en maïs. Grondwaterkwaliteit In 2014 was de gemiddelde nitraatconcentratie in het grondwater in de Zandregio 40 milligram per liter (mg/l). Dit was 10 mg/l onder de nitraatnorm van 50 mg/l. Bedrijven in de Kleiregio en de Veenregio hadden gemiddeld een lagere nitraatconcentratie (respectievelijk 15 en 9,5 mg/l). De nitraatconcentratie op de derogatiebedrijven in de Lössregio was gemiddeld 51 mg/l. Het verschil tussen de regio's wordt vooral veroorzaakt door een hoger percentage uitspoelingsgevoelige gronden in de Zand- en Lössregio; dit zijn gronden waar nitraat in mindere mate in de bodem wordt afgebroken en daardoor meer kan uitspoelen naar het grondwater.
    • Landbouwpraktijk en waterkwaliteit op landbouwbedrijven aangemeld voor derogatie in 2015

      Hooijboer AEJ; de Koeijer TJ; Prins H; Vrijhoef A; Boumans LJM; Daatselaar CHG; LGW; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-07-07)
      Het Nederlandse mestbeleid probeert de schadelijke milieueffecten van de landbouw te beperken. Dit sluit aan bij internationale afspraken over het mestgebruik, die onder meer zijn vastgelegd in de Europese Nitraatrichtlijn. Die schrijft lidstaten voor om het gebruik van dierlijke mest te beperken tot 170 kg stikstof per hectare. Bedrijven met ten minste 80 procent grasland mogen onder bepaalde voorwaarden meer mest gebruiken, afkomstig van graasdieren zoals koeien en schapen (derogatie). Op deze bedrijven is in de periode 2006 tot en met 2016 de uitspoeling van nitraat uit de mest naar het grondwater gedaald of gelijk gebleven. In 2015 ligt op derogatiebedrijven de concentratie gemiddeld in alle regio's onder de EU-norm van 50 milligram nitraat per liter. Dit blijkt uit de jaarlijkse rapportage van het RIVM en Wageningen Economic Research. Zij volgen op 300 derogatiebedrijven de bedrijfsvoering en de effecten op de waterkwaliteit en zij rapporteren de resultaten hiervan jaarlijks aan de EU. In deze rapportage is de situatie in 2015 beschreven en de ontwikkeling tussen 2006 en 2016 (trend). Bedrijfsvoering . De toegestane hoeveelheid stikstof uit graasdiermest is, afhankelijk van de bodemsoort en regio, 250 kilogram per hectare (in de Kleiregio, Veenregio en het noordelijke deel van de Zandregio) of 230 kg/ha (in de Lössregio en het overige deel van de Zandregio). Gemiddeld hebben derogatiebedrijven in 2015 238 kilogram stikstof uit dierlijke mest per hectare gebruikt. De hoeveelheid stikstof die als nitraat kan uitspoelen naar het grondwater wordt onder andere bepaald door het zogenoemde stikstofbodemoverschot. Dit is het verschil tussen de aanvoer van stikstof (zoals meststoffen) en de afvoer ervan (waaronder via gras en maïs). Het stikstofbodemoverschot is gemiddeld over de regio's tijdens de onderzochte periode gedaald met 16%. Grondwaterkwaliteit. In 2015 was de gemiddelde nitraatconcentratie in het grondwater 26 milligram per liter (mg/l) in Zand 250. De hoogste concentratie wordt gemeten in de Lössregio (42 mg/l) en in Zand 230 (45 mg/l). Bedrijven in de Kleiregio en de Veenregio hadden gemiddeld een lagere nitraatconcentratie (respectievelijk 22 en 13 mg/l). Het verschil tussen de regio's kan verklaard worden door het aandeel uitspoelingsgevoelige gronden. Vooral in Zand 230 en in de Lössregio komen gronden voor waar nitraat in mindere mate in de bodem wordt afgebroken en daardoor meer kan uitspoelen naar het grondwater.
    • Landbouwpraktijk en waterkwaliteit op landbouwbedrijven aangemeld voor derogatie in 2016

      Lukacs S; Blokland PW; Prins H; Fraters D; Daatselaar CHG; LGW; MIL (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-07-06)
      Dutch grassland farms that meet certain conditions may use more animal manure than the general limit of 170 kg nitrogen per hectare, as prescribed by the European Nitrates Directive. This partial exemption is referred to as 'derogation'. The National Institute for Public Health and the Environment (RIVM) and Wageningen Economic Research monitor the effects of this derogation on the water quality on 300 farms in the derogation monitoring network. This study shows the results for 2016 and the development from 2006 onwards. Management On average, derogation farms have used 238 kilograms of nitrogen from animal manure per hectare in 2016, the same amount as in 2015. The permissible amount of nitrogen from animal manure varies from 230 to 250 kilograms per hectare, depending on the soil and region. In recent years, improvements in management resulted in more efficient use of nitrogen for crop production; the nitrogen surplus on the soil surface balance has dropped with 16 %. And lower nitrogen surpluses lead to less nitrate leaching to groundwater. Groundwater quality From 2006, leaching of nitrate to the groundwater has stabilized or decreased on derogation farms. Since 2015, the average nitrate concentration in groundwater on derogation farms has been below the EU-standard of 50 milligram per liter, in all regions. Individuals farms however, may still exceed the standard. Even so, the amount of farms with nitrate concentrations below 50 mg/l still increases. In 2016, highest nitrate concentrations have been found in the Loess region (35 mg/l) and in Sand 230 (36 mg/l). In these regions there are soils for which nitrate is degraded in a lesser extent, and therefore can leach more to groundwater.
    • Landbouwpraktijk en waterkwaliteit op landbouwbedrijven aangemeld voor derogatie. : Resultaten meetjaar 2011 in het derogatiemeetnet

      Hooijboer AEJ; van den Ham A; Boumans LJM; Daatselaar CHG; Doornewaard GJ; Buis E; IBW; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMLEI Wageningen UR, 2013-09-26)
      De Europese Nitraatrichtlijn verplicht lidstaten om het gebruik van dierlijke mest te beperken tot 170 kg stikstof per hectare. Landbouwbedrijven in Nederland met ten minste 70% grasland mogen onder bepaalde voorwaarden van deze norm afwijken en 250 kg per hectare gebruiken (derogatie). Nederland is verplicht om op 300 bedrijven die derogatie gebruiken, de bedrijfsvoering en waterkwaliteit te meten en deze resultaten jaarlijks aan de EU te rapporteren. Uit de rapportage over 2011 die het RIVM met het LEI in opdracht van het ministerie van Economische Zaken heeft opgesteld, volgt dat de nitraatconcentratie in het grondwater op deze bedrijven tussen 2007 en 2012 gemiddeld is gedaald. Bedrijfsvoering Uit de rapportage blijkt ook dat het stikstofgebruik uit dierlijke mest op de derogatiebedrijven in 2011 gemiddeld enkele kilogrammen lager was dan 250 kg stikstof per hectare. De hoeveelheid stikstof die mogelijk als nitraat kan uitspoelen naar het grondwater, wordt mede bepaald door het stikstofbodemoverschot. Dit is het verschil tussen de aanvoer van stikstof (zoals meststoffen) en de afvoer ervan (waaronder via melk). Het stikstofbodemoverschot is gemiddeld over heel Nederland significant gedaald tussen 2006 en 2011. Grondwaterkwaliteit In 2011 ligt de nitraatconcentratie in het grondwater in de Zandregio met gemiddeld 41 milligram per liter (mg/l) onder de nitraatnorm van 50 mg/l. Bedrijven in de Kleiregio en de Veenregio hebben gemiddeld een lagere nitraatconcentratie (14 en 7 mg/l). Alleen de derogatiebedrijven in de Lössregio zitten gemiddeld met 55 mg/l boven de norm. Het verschil tussen de regio's wordt vooral veroorzaakt door een hoger percentage uitspoelingsgevoelige gronden in de Zand- en Lössregio; dit zijn gronden waar nitraat minder in de bodem wordt afgebroken en daardoor kan uitspoelen naar het grondwater.
    • Landbouwpraktijk en waterkwaliteit op landbouwbedrijven aangemeld voor derogatie. : Resultaten meetjaar 2010 in het derogatiemeetnet

      Buis E; van den Ham A; Boumans LJM; Daatselaar CHG; Doornewaard GJ; CMM; mev (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMLEI Wageningen UR, 2012-09-13)
      Dit rapport geeft een overzicht van de bemestingspraktijk in 2010 en de waterkwaliteit in 2010 en 2011 op graslandbedrijven in Nederland die meer dierlijke mest mogen gebruiken dan in de EU-Nitraatrichtlijn is aangegeven (derogatie). De gegevens uit dit onderzoek kunnen worden gebruikt om de gevolgen van derogatie voor de waterkwaliteit te bepalen. De waterkwaliteit gemeten in 2010 geeft de gevolgen weer van de landbouwpraktijk in 2009, het vierde jaar dat de derogatie in de praktijk werd toegepast. De waterkwaliteit gemeten in 2011 geeft de gevolgen weer van de landbouwpraktijk in 2010. Achtergrond derogatiemeetnet De Europese Nitraatrichtlijn verplicht lidstaten om het gebruik van dierlijke mest te beperken tot een bepaald maximum (de gebruiksnorm dierlijke mest van 170 kg stikstof per hectare). Een lidstaat kan de Europese Commissie vragen om onder voorwaarden van deze beperking af te wijken. Nederland heeft in december 2005 derogatie gekregen om van 2006 t/m 2009 af te mogen wijken van de gestelde norm voor dierlijke mest. Deze derogatie is op 5 februari 2010 verlengd t/m december 2013. Een van de voorwaarden hiervoor is dat de Nederlandse overheid een monitoringnetwerk gericht op derogatie inricht en aan de Commissie jaarlijks rapporteert over de resultaten daarvan. Monitoring van bedrijfsvoering en waterkwaliteit in 2010 Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en LEI Wageningen UR, hebben dit monitoringsnetwerk in 2006 voor Nederland opgezet. Dit zogenoemde derogatiemeetnet meet de gevolgen van de landbouwpraktijk en de waterkwaliteit als landbouwbedrijven afwijken van de Europese gebruiksnorm voor dierlijke mest. Het derogatiemeetnet is een onderdeel van het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM). Voor het derogatiemeetnet is in 2010 van 294 graslandbedrijven de bedrijfsvoering gemonitord en van 290 bedrijven de waterkwaliteit. Het meetnet omvat 300 graslandbedrijven. Dat er minder dan 300 bedrijven zijn gerapporteerd komt doordat sommige bedrijven toch geen derogatie toepasten of toegekend kregen of niet langer deelnamen vanwege bedrijfsbeëindiging.
    • Landbouwpraktijk en waterkwaliteit op landbouwbedrijven aangemeld voor derogatie. Beschrijving van de meetnetopzet voor de periode 2006-2009 en de inhoud van de rapportages vanaf 2008

      Fraters B; van Leeuwen TC; Reijs J; Boumans LJM; Aarts HFM; Daatselaar CHG; Doornewaard GJ; de Hoop DW; Schroder JJ; Velthof GL; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMAlterraLEIPRI, 2007-04-20)
      Het RIVM en het LEI hebben in 2006 in Nederland een monitoringnetwerk opgezet dat de gevolgen meet als landbouwbedrijven mogen afwijken (derogatie) van de Europese gebruiksnorm voor dierlijke mest. Het meetnet volgt driehonderd landbouwbedrijven die zich hebben aangemeld voor derogatie. Het legt de gevolgen vast voor de landbouwpraktijk en de waterkwaliteit. In dit rapport is de opzet van het monitoringnetwerk beschreven, evenals de wijze waarop vanaf 2008 over de resultaten zal worden gerapporteerd. Het rapport geeft onder andere aan wanneer welke cijfers beschikbaar zijn, en welke rekenmethoden gebruikt zullen worden om onder andere de bemesting en gewasopbrengst te berekenen. De Europese Nitraatrichtlijn verplicht lidstaten het stikstofgebruik via dierlijke mest te beperken tot maximaal 170 kg per hectare. Een lidstaat kan de Europese Commissie vragen hiervan onder voorwaarden af te wijken. Nederland heeft in december 2005 toestemming gekregen om vanaf 2006 tot en met 2009 onder voorwaarden af te mogen wijken van de gestelde norm. Dit betekent dat landbouwbedrijven 250 kilo stikstof per hectare mogen toedienen via dierlijke mest afkomstig van graasdieren (vooral koeien). Een van die voorwaarden is dat minimaal 70 procent van het totale areaal grasland is. Daarnaast is de Nederlandse overheid verplicht een monitoringnetwerk in te richten en de Commissie over de resultaten daarvan te rapporteren. De driehonderd deelnemers die worden gevolgd, zijn een steekproef van de circa 27.000 Nederlandse landbouwbedrijven die zich hebben aangemeld voor derogatie. Het netwerk is een onderdeel van het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM).
    • Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM). Het programma in de kleiregio 1996-2008 : Overzichtsrapport voor de programma-evaluatie

      Lukacs S; van den Ham A; Daatselaar CHG; CMM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMLEI Wageningen UR, 2012-08-23)
      N.B.: Dit is het hoofdrapport. Het bijlagenrapport heeft nummer 680717024-B Van 1996 tot en met 2008 zijn in de kleiregio in Nederland als gevolg van het mestbeleid gemiddeld genomen minder meststoffen op landbouwbedrijven gebruikt. Hierdoor is de bodem van deze bedrijven minder belast met meststoffen, en zijn de zogenoemde bodemoverschotten afgenomen. Een bodemoverschot is het deel van mest dat gewassen niet gebruiken om te groeien en naar het grondwater en oppervlaktewater kan uitspoelen. Ook is de kwaliteit van dit uitspoelingswater verbeterd. Dit blijkt uit het overzicht dat het RIVM en het LEI, onderdeel van Wageningen Universiteit en Research Centrum, hebben gemaakt op basis van gegevens van het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM) in de kleiregio. Deze regio omvat meerdere gebieden, verspreid over Nederland. Concentraties fluctueren door de jaren heen De waterkwaliteit is getoetst door de nitraatconcentratie in het uitspoelingswater op de bemonsterde landbouwbedrijven te meten. Deze concentraties zijn gedaald, maar de gemiddelde concentraties per jaar vertonen in de onderzochte periode een grillig patroon. Dit heeft onder andere te maken met de weersinvloeden, zoals de hoeveelheid regen. Deze effecten maken het moeilijk om een directe relatie te leggen tussen de gedaalde bodemoverschotten en de verbeterde waterkwaliteit in de kleiregio. Evaluatievragen Met behulp van deze resultaten wordt het kleiprogramma, dat sinds 1996 bestaat, de komende maanden geëvalueerd. Hierbij wordt onder andere bekeken of de huidige strategie en manier van bemonsteren de beste manier is om veranderingen in de uitspoeling van meststoffen te bepalen. En daarmee of de strategie van het LMM voor de kleiregio nog voldoet om de beleidsvragen waarvoor het LMM indertijd is opgericht, te beantwoorden. Daarnaast wordt de relatie tussen mestgebruik en kwaliteit van het uitspoelingswater nader onderzocht.
    • Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid; resultaten van monitoring op de natte gronden in de Zandregio in de periode 2004-2009 : Landbouwpraktijk en waterkwaliteit (Bijlagenrapport)

      Buis E; van den Ham A; Daatselaar CHG; Fraters B; Lukacs S; MBW; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2015-07-27)
      Dit rapport bevat achtergrondrapportages en diverse aanvullende tabellen behorend bij het overzichtsrapport voor het programma voor de natte delen van de Zandregio van Nederland. Dit monitoringsprogramma is deel van het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM). Het RIVM en het LEI Wageningen UR zijn verantwoordelijk voor het management en uitvoering van het LMM. Gezamenlijk hebben zij dit overzicht gemaakt in opdracht van het ministerie van Economische Zaken (EZ) en het ministerie van Infrastructuur en Milieu (I&M). De hoofdtekst is opgenomen in een apart RIVM-rapport (rapportnummer 2015-0055).
    • Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid; resultaten van monitoring op de natte gronden in de Zandregio in de periode 2004-2009 : Landbouwpraktijk en waterkwaliteit (hoofdrapport)

      Buis E; van den Ham A; Daatselaar CHG; Fraters B; MBW; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2015-07-27)
      Dit is het hoofdrapport. Het bijlagenrapport heeft rapportnummer: 2015-0062 Het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM) volgt sinds 1992 de landbouwpraktijk en waterkwaliteit op landbouwbedrijven. Doel is het in kaart brengen van de effecten van het mestbeleid. Dit gebeurt in verschillende regio's in Nederland, zo ook in de Zandregio. Binnen het reguliere programma in de Zandregio, wordt de waterkwaliteit in de bovenste meter van het grondwater gemeten door bemonstering in de zomer. In de natte (gedraineerde) delen van de Zandregio spoelt een deel van het neerslagoverschot af naar het oppervlaktewater. Om de invloed van de landbouw op de kwaliteit van het klein oppervlaktewater (slootwater) in beeld te brengen, is een apart winterprogramma in het leven geroepen. Hierin worden, naast het ondiepe grondwater, ook het drain- en slootwater bemonsterd. Het gebruik van stikstof is belangrijk voor de landbouw. Als stikstof echter in het milieu terecht komt, dan kan dit leiden tot milieueffecten. Het beleid is erop gericht dat te beperken. Het stikstofbodemoverschot is het deel van stikstof in mest dat landbouwgewassen niet gebruiken om te groeien en dat in het milieu terecht kan komen. Dit overschot is op melkveebedrijven het grootst (circa 200 kg/ha) en op akkerbouwbedrijven het kleinst (circa 130 kg/ha). In de periode 2004-2008 neemt het stikstofoverschot op melkveebedrijven af van circa 240 tot 180 kg/ha. Bij de akkerbouwbedrijven is geen duidelijke trend zichtbaar. In de natte delen van de Zandregio is nitraat, net als in andere regio's, een belangrijke parameter voor de waterkwaliteit. In de beschouwde periode lag de nitraatconcentratie in het bovenste grondwater, gemiddeld voor alle bedrijfstypen, boven de Europese norm van 50 milligram per liter. De gemiddelde concentraties zijn het hoogst in grondwater (77 milligram per liter), gevolgd door drainwater (63 milligram per liter) en slootwater (45 milligram per liter). Voorliggend rapport geeft een overzicht van de monitoringsresultaten op de natte gronden van de Zandregio. Het RIVM en LEI Wageningen UR hebben deze resultaten gebruikt in de voorbereiding op en bij de uitvoering van een evaluatie van dit programma, die voorzien is in 2015. Binnen het LMM heeft het RIVM de taak de waterkwaliteit op landbouwbedrijven in kaart te brengen. De landbouwpraktijk wordt gemonitord door LEI Wageningen UR.
    • Meetprogramma Kwaliteit Bovenste Grondwater Landbouwbedrijven; resultaten eerste bemonstering 1992

      Swinderen EC van; Willems WJ; Daatselaar CHG; Haan T de; Hoop DW de; Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiene RIVM; Landbouw Economisch Instituut LEI-DLO; LBG; LEI-DLO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1994-07-31)
      In 1992 a three-year monitoring program was started to assess the quality of the upper groundwater in the sandy regions of the Netherlands as a result of using fertilizers and manure in agriculture. This program is a cooperative effort of the National Institute of Public Health and Environmental Protection (RIVM) and Agricultural Economics Research Institute (LEI-DLO). From march to august 1992 the upper groundwater from 93 farms was sampled and analyzed for chloride, nitrate, potassium, dissolved organic carbon and phosphate (ortho and total). The report contains the monitoring results of the first year of the program. Mean nitrate and potassium concentrations exceed quality objectives, especially under grassland and silage maize on cattle farms. Nitrate and potassium concentrations in the groundwater of arable farms were generally lower than of cattle farms but on average above quality objectives. In the reports to follow a more detailed analyses will be carried out and the monitoring strategy will be evaluated with a view to the desirability of detecting trends in groundwater quality in future.