• Bronnen van lokale bodembelasting

      Lijzen JPA; Franken ROG; LBG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1994-11-30)
      The aim of this study was to support the policy on preventive soil protection with information concerning potential sources of local soil pollution. This study was an extension to earlier inventories on (potential) sources of soil pollution (e.g. industrial areas, landfills, oil-storage tanks). The emissions to soil were determined for eight potential sources and, following, potential soil concentrations in the top layer of the soil were estimated. Where possible these calculated concentrations were compared with measurements. The following sources were selected: public sewerage systems, pipelines (for oil products), roads and motorways, railways, tramways, galvanised power pylons, surface treatments and building activities. The study focused on heavy metals, pesticides, polycyclic aromatic hydrocarbons, chlorinated hydrocarbons, aromatic hydrocarbons and oil products.Conclusions have been made on (1) the contribution of the sources to the total emissions to the soil and (2) to the expected exceedance of the target values of pollutants in soil near sources mentioned. The contribution of the eight sources to the total emissions to soil is between 1 and 15% for heavy metals, about 41% for PAHs and maximally 15% for mineral oil. From the point of view of soil protection, the following sources and substances warrant further attention: emissions of chlorinated hydrocarbons from public sewerage systems ; emission and dispersion of lead, zinc, PAHs and oil along motorways ; emission of copper along railways and tramways ; potential leaching of PAH's and oil from railways ; emission of dichloromethane to the soil during the cleaning of buildings or removal of paint ; and copper, chromium and PAHs leaching from impregnated wood to the soil.
    • Bronnen van lokale bodembelasting

      Lijzen JPA; Franken ROG; LBG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1994-11-30)
      In deze studie is een aantal potentiele bronnen van lokale bodemverontreiniging geinventariseerd en vormt een aanvulling op eerder uitgevoerde inventarisaties. Van een groot aantal bodemrelevante prioritaire stoffen is de emissie naar de bodem geschat. Daarnaast zijn door middel van een modelmatige benadering de gevolgen voor de bodemkwaliteit beoordeeld en zijn metingen van bodemgehaltes geinventariseerd. Acht bronnen van lokale bodembelasting zijn geselecteerd op basis van de criteria: 1. de bron emitteert tot op heden naar de bodem ; 2. er is geen specifiek beleid geformuleerd of in voorbereiding ; 3. de bron is niet eerder bij inventarisatie meegenomen. Onder lokale bodembelasting wordt de belasting van de bodem verstaan met stoffen in de directe omgeving van een bron en waarbij sprake is van een gradient in de belasting. Dit project (over lokale bodembelasting) zal samen met een studie naar bronnen van diffuse bodembelasting (afronding eind 1994) worden gebruikt ter onderbouwing van beleidsmatige prioriteiten bij de aanpak van bodembelastende activiteiten. In het rapport zijn per onderzochte bronnen gegevens over de emissies naar de bodem samengevat: oorzaak, vrijkomende stoffen, geschatte bodembelasting in Nederland, geschat belast (bodem)oppervlak. Op basis van deze informatie, een aantal modelmatige berekeningen en beschikbare gegevens over de huidige bodemkwaliteit rond de bronnen, is de verwachte (toekomstige) bodemkwaliteit beoordeeld. De mogelijkheden voor emissiereductie zijn in beperkte mate in deze rapportage opgenomen. Bij openbare rioleringen bestaat, op basis van de geschatte lekkage naar bodem en de rioolwatersamenstelling, na 50 jaar kans op verontreiniging met chloorkoolwaterstoffen tot boven de streefwaarde voor bodem en grondwater bestaat. Bij incidentele lekkage van ondergrondse transportleidingen (gem. 1 tot 2 keer per jaar) wordt de interventiewaarde voor olie overschreden, maar hierop volgt meestal direct sanering. Daarnaast kan bij kleine onopgemerkte lekkages de streef/interventiewaarde worden overschreden. Bij snelwegen wordt binnen 50 jaar na begin van de belasting de interventiewaarde voor zink overschreden (met name onder vangrails). Verwacht wordt dat voor cadmium, lood, naftaleen en fenantreen (de meest geemitteerde PAK) langs snelwegen de streefwaarden binnen 50 jaar na begin van de belasting worden overschreden. Bodemanalyses langs snelwegen ondersteunen deze resultaten, kopergehaltes zijn ook verhoogd. De streefwaarden voor koper voor bodem langs spoorwegen en trambanen (vrije baan) worden binnen 50 jaar na begin van de belasting overschreden (voor trambanen mogelijk ook interventiewaarden). Rond oudere hoogspanningsmasten worden voor zink zowel streefwaarden als interventiewaarden (direct rond de mast) overschreden. Door nieuwe masten binnen een (tot enkele) jaar na plaatsing te verven zullen binnen 50 jaar na plaatsing streefwaarden alleen tot enkele meters van de mastvoet worden overschreden. Bij stralen en verven is gezien het eenmalige karakter van de activiteiten de kans op overschrijden van de streefwaarden zeer klein. Alleen het gebruik van dichloormethaan bij gevelreiniging leidt mogelijk tot een snelle overschrijding van de interventiewaarde. Uitloging van geimpregneerd hout kan mogelijk (binnen 50 jaar na toepassing) leiden tot een overschrijding van de streefwaarden voor chroom en koper. Voor koper kan de interventiewaarde worden overschreden. Voor PAK-totaal (geen berekening) wordt gezien de totale belasting ook overschrijding van streefwaarden van afzonderlijke PAK verwacht. Door bouwactiviteiten wordt geen overschrijding van streefwaarden verwacht ; alleen op- en overslag van olieprodukten hebben in dit verband aandacht nodig (via milieuzorg). De beschouwde bronnen dragen samen voor 1% tot 15% bij aan de totale belasting van de Nederlandse bodem met zware metalen. Voor PAK's en olie dragen deze bronnen voor resp. circa 41% en maximaal 15% bij aan de bodembelasting. Met name wegen, spoorwegen en uitloging van hout leveren een belangrijke bijdrage aan de emissies naar bodem.<br>
    • Bronnen van molybdeen in AVI-reststoffen

      Brandes LJ; Wesselink LG; Meijer PJ; LAE (1998-07-08)
      De nuttige toepassing van reststoffen van afvalverbrandingsinstallaties (AVI's ) als bouwstof wordt beperkt, doordat de uitloging van o.a. molybdeen de daarvoor gestelde norm overschrijdt. De kwaliteit van de reststoffen met betrekking tot molybdeen kan mogelijk worden verbeterd door de hoeveelheid molybdeen in het afvalaanbod naar de AVI (AVI-input) te reduceren. Hiervoor is het noodzakelijk een gedetailleerd inzicht te hebben in de herkomst van molybdeen in de AVI-input. In dit rapport wordt een gedetailleerd overzicht gegeven van de toepassingen van molybdeen in produkten en produktieprocessen en de route naar de AVI, op basis van informatie van bedrijven, brancheorganisaties, andere instellingen en literatuur. Uit de studie blijkt dat een aantal mogelijke bronnen in huishoudelijk afval geen relevante bijdrage levert aan de input naar de AVI. Het betreft kunststoffen, verven, toners, pigmenten, electronica, email, smeermiddelen en brandvertragers. De grootste bijdrage aan de AVI-input van molybdeen via huishoudelijk afval is de zogeheten 'restfraktie'. Deze verzamelfraktie bevat diverse bronnen van molybdeen, waaronder 'natuurlijke' bronnen als GFT, asresten en grond. Bronnen van molybdeen in bedrijfsafval die in de AVI's worden verbrand konden niet eenduidig worden vastgesteld.
    • Bronnen van molybdeen in AVI-reststoffen

      Brandes LJ; Wesselink LG; Meijer PJ; LAE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1998-07-08)
      The re-usability of Municipal Solid Waste Incinerator residues (MSWI residues) for building material is limited, because the leaching of some substances, including molybdenum, does not meet environmental standards. Since the quality of MSWI residues may be improved by reducing the molybdenum load in waste to be incinerated, detailed insight is required into the origin of molybdenum. The inventory of the uses of molybdenum in products, production processes and pathways to the MSWIs is based on information obtained from producers, trade-organisations, research institutes and the literature. The study shows that some potential sources of molybdenum in municipal solid waste do not contribute to the molybdenum load in MSWI input. These are plastics, dyes, toners, pigments, electronics, enamels, lubricants and fire retardants. The largest contribution to the MSWI input by municipal waste is the so-called fraction of residue waste. Sources of molybdenum in this fraction are bio-waste, ash and soil. Sources of molybdenum in industrial waste to be incinerated could not be determined unequivocally.
    • Brood - gehalte aan ijzer en selenium

      Vaessen HAMG; Ooik A van (1990-01-31)
      Abstract niet beschikbaar
    • Brood - Gehalte aan koper, mangaan en zink

      Vaessen HAMG; Ooik A van; Tolsma K; Loon JW van (1991-10-30)
      Abstract niet beschikbaar
    • Brood - Gehalte aan natrium en kalium

      Vaessen HAMG; Ooik A van (1990-04-30)
      Abstract niet beschikbaar
    • Brood-Gehalte aan fosfor, calcium and magnesium

      Vaessen HAMG; Ooik A van (1990-04-30)
      Abstract niet beschikbaar
    • Brood-Gehalte aan kwik, lood en cadmium

      Vaessen HAMG; Ooik A van; Loon JW van; Tolsma K (1991-11-30)
      Abstract niet beschikbaar
    • Broomchemie

      Huizinga K; Matthijsen AJCM (1993-10-31)
      Abstract niet beschikbaar
    • De bruikbaarheid van een Reservoir-Analytische aanpak voor de Inventarisatie van Hydrogeologische Gegevens. Uitwerking voor het Gebied Zuidwending

      Beekman; H.E.; Geluk; M.C.*; Wildenborg; A.F.B. (1986-10-31)
      Studies van de genese, en de geologische geschiedenis van laagpakketten volgens een reservoir-analytische aanpak verschaffen inzicht in de ruimtelijke verdeling van, en daarmee contrasten in, hydrogeologische karakteristieken in de 'blanke ; gebieden, waar weinig gegevens beschikbaar zijn, en bieden bovendien mogelijkheden voor de discriminatie van de betrouwbaarheid van de gegevens. Door de te inventariseren gegevens in een duidelijk kader te plaatsen, waar de interactie tussen meer diciplines van aardwetenschappen aan ten grondslag ligt, kan een verantwooorde aansluiting met rekentechnische modelstudies gerealiseerd worden. Echter in de nabijheid van zoutpijlers waar het regionale beeld van de hydrogeologie door zouttectonische processen ernstig verstoord kan zijn, kunnen op grond van de beschikbare gegevens geen eenduidige uitspraken worden gedaan. Van ondiepe watervoerende pakketten, d.w.z. de laagpakketten van holocene, pleistocene en mio-pliocene ouderdom, is ten opzichte van de oudere laagpakketten veel meer informatie beschikbaar. Door de grote onbetrouwbaarheid van de diepte- en diktekaarten van diverse laagpakketten zijn deze grotendeels ongeschikt voor locatiegerichte studies. Een case-studie heeft geresulteerd in een hypothetisch beeld van de hydrogeologie in twee dwarsdoorsneden.
    • De bruikbaarheid van Pharmacia Dry Spot TSH RIA (IRMA) voor de bepaling van TSH in hielprikbloed van pasgeborenen

      Elvers LH; Loeber JG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1986-07-31)
      De Pharmacia "Dry Spot TSH RIA (IRMA)"-kit is onderzocht op zijn bruikbaarheid voor de bepaling van schildklierstimulerend hormoon (TSH) in hielprikbloed van pasgeborenen. Volgens de bijsluiter kan de eerste incubatiestap 3 uur of overnacht (18 uur) worden geincubeerd. Het percentage radioactief gebonden TSH ligt bij 18 uur incubatie hoger dan bij 3 uur. Bij 3 uur is de extractie van het TSH uit het filtreerpapier en/of de binding van TSH aan het antiserum dus nog niet tot een evenwicht gekomen. De 3 uurs procedure is te ongevoelig om een goed onderscheid te kunnen tussen monsters met een bij de CHT-screening gehanteerd "negatief", "dubieus" of "positief" TSH-gehalte. Bij 18 uur incubatie is dit wel mogelijk. Door het invoeren van een (niet voorgeschreven) wasstap van het precipitaat kunnen de gevoeligheid van de methode en de dupliceerbaarheid aanzienlijk worden verbeterd. Conclusie: de kit is bruikbaar bij 18 uur incubatie een wasstap van het precipitaat en vijf minuten teltijd voor het meten van de radioactiviteit worden sterk aangeraden.<br>
    • Bruikbaarheid van Swiss-NIH muizen in de beenmerg micronucleus test

      Knaap AGAC; Bergkamp WGM (1988-02-29)
      Daar binnen het RIVM behoefte is aan een in vivo test voor het detecteren van clastogene agentia werd nagegaan of Swiss-NIH muizen geschikt zijn voor het gebruik in de muis beenmerg micronucleustest. De micronucleustest is een in vivo test waarbij chemisch geinduceerde clastogene effecten kunnen worden waargenomen. De swiss-NIH muizen blijken te voldoen aan de in de literatuur gestelde criteria voor deze test, mits men de juiste methode van analyse toepast en een minimum afmeting van een micronucleus hanteert van 1/10 van de celdiameter. De spontane frequentie aan polychromatische erythrocyten met micronuclei bedraagt 1,83% met een standaarddeviatie van 0,72 (58 muizen). De frequentie verdeling over de dieren blijkt te corresponderen met een Poisson-verdeling, doch uit de literatuur blijkt dat de verdeling van door clastogene agentia geinduceerde micronuclei niet altijd normaal of Poisson-verdeeld is. Hierdoor dienen de data geevalueerd te worden m.b.v niet parametrische methoden.
    • De bruikbaarheid van urine parameters en in vitro methoden bij het onderzoek naar niertoxiciteit. Orienterend onderzoek naar mogelijk immunologisch gemedieerde nierafwijkingen

      Mathlener I; van Leeuwen FXR; Franken MAM; Derks HJGM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1987-06-30)
      In het kader van het niertoxiciteitsonderzoek is een aantal parameters op hun bruikbaarheid onderzocht. Van de enzymbepalingen bleken LDH, GGT en GOT indicatief voor proximale schade, maar vooral de specifieke albuminebepaling m.b.v. HPLC gelpermeatie bleek zeer gevoelig. Bij het onderzoek naar de niertoxiciteit van HgCL2 werden geen immuuncomplexen waargenomen die gericht waren tegen het glomerulaire basaal membraan.<br>
    • Budget impact analyse van gecombineerde leefstijlinterventie (GLI) : Raming van het benodigde budget bij opname van de GLI in de basisverzekering

      van Giessen A; de Wit GA; Wendel-Vos A; Feenstra TL; KZG; VPZ (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-06-22)
      Een Gecombineerde leefstijlinterventie (GLI) is een behandeling voor mensen met obesitas (BMI 30-35), voor mensen met overgewicht (BMI 25-30) én een verhoogd risico op hart- en vaatziekten of diabetes, en voor mensen met overgewicht in combinatie met artrose of slaapapneu. De GLI is een gecombineerde aanpak om mensen te leren gezonder te eten en meer te bewegen. De behandeling duurt in totaal 2 jaar. Per 1 januari 2019 wordt een gecombineerde leefstijlinterventies vergoed uit de basisverzekering. Circa 3,5 miljoen Nederlanders tussen 18 en 75 jaar (28 procent van de bevolking) komen hiervoor in aanmerking. In opdracht van het ministerie van VWS heeft het RIVM geschat welke kosten dit de eerste vijf jaar voor de zorgverzekeraars met zich meebrengt. De kosten zullen oplopen van 5 miljoen euro in het eerste jaar naar bijna 15 miljoen euro in het vijfde jaar. Dat is het geval als per jaar 1,03 procent van de doelgroep wordt doorverwezen door de huisarts. Als meer mensen worden doorverwezen (2,5 procent per jaar), lopen de kosten op van 12 miljoen euro in het eerste jaar tot maximaal 35 miljoen euro na vijf jaar. Als er meer mensen uitvallen dan nu is geschat, zullen de kosten lager zijn; met een maximum van 24 miljoen euro in het vijfde jaar bij het hoogste verwijspercentage van 2,5 procent per jaar. De kosten zijn geschat met een Budget Impact Analyse (BIA). Hiervoor is bepaald hoeveel mensen in Nederland onder de doelgroep vallen. Vervolgens is stapsgewijs geschat hoeveel mensen door de huisarts worden doorverwezen, een intakegesprek houden, aan de behandeling beginnen en deze volledig afmaken. De cijfers van dit onderzoek zijn ontleend aan drie Nederlandse studies naar de effectiviteit van de GLI.
    • Building Bridges, Raising Dikes

      Harmelen AK van; Boomsma MJ; Korenromp RHJ; Andersson M; Mol A; Diepenmaat HB; NOP (TNO EnvironmentWageningen University (WUR)Actors Process Management, 2001-10-11)
      Abstract niet beschikbaar
    • Buprenorfine, alternatief voor methadon?

      van der Laan JW (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1987-10-31)
      Reeds meer dan 20 jaar wordt methadon gebruikt voor de behandeling van heroineverslaafden. Methadon is echter evenals heroine/morfine een opiaatagonist en blijkt in veel gevallen nauwelijks invloed te hebben op het opiaatgebruik op lange termijn. De gemengde opiaatagonist/antagonist buprenorfine wordt sinds een aantal jaren onderzocht om methadon in dit opzicht te vervangen. De achtergrond van een dergelijke toepassing van buprenorfine is onderzocht aan de hand van literatuurgegevens. Buprenorfine lijkt goed door opiaatverslaafden te worden verdragen. De mate van zelftoediening is enigszins minder dan voor morfine en methadon maar de inductie van lichamelijke afhankelijkheid is veel geringer. Toepassing in de Nederlandse situatie brengt echter het risico van interactie met andere "drugs" met zich mee.<br>
    • Burgerparticipatie in beleidsvorming. Resultaten van een verkennende literatuurreview

      Dreijerink L; Kruize H; van Kamp I; MGO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2009-03-03)
    • Burgers en gezondheid : Themarapport Volksgezondheid Toekomst Verkenning 2014

      Kooiker S; Hoeymans N; VVG; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMSociaal en Cultureel Planbureau SCP, 2014-03-31)
      Zelfontplooiing van de autonome burger kenmerkt de huidige tijd. Eigen verantwoordelijkheid, autonomie, eigen keuze en eigen regie zijn kernwoorden bij deze ontwikkelingen. Ook als het gaat om gezondheid, preventie en zorg. Het RIVM en het SCP hebben beschreven hoe de burger deze ontwikkelingen ervaart en welke aandachtspunten er voor beleid zijn. Bij de ontwikkelingen gaat het allereerst om de zorg voor de eigen gezondheid: als gezonde burger om gezond te blijven, en als patiënt om zelf de regie te houden over de eigen zorg (zelfmanagement). Mensen kunnen zo kiezen voor vormen van preventie en zorg die goed aansluiten bij hun eigen voorkeuren. Bovendien geeft zelfmanagement patiënten meer controle op de behandeling van de aandoening, en daarmee op de aandoening én op hun leven. Alleen wil niet iedereen zelf die regie voeren. Ook zijn er kwetsbare groepen in de samenleving, zoals ouderen en mensen uit lagere sociaaleconomische milieus, voor wie zelf regie voeren niet lukt, omdat ze daar de vaardigheden niet voor hebben. Deze groepen zullen ondersteuning op maat moeten krijgen. Een tweede ontwikkeling behelst de zorg voor anderen, bijvoorbeeld in de rol van mantelzorger en vrijwilliger. Nederlanders zijn voorstanders van een samenleving waarin mensen voor elkaar zorgen, en doen veel en vaak vrijwilligerswerk. De plicht om te zorgen voor een naaste botst echter met de behoefte aan vrijheid om zelf keuzes te maken. Een verplichting kan daardoor demotiverend werken. De onderzoekers bevelen aan om de komende tijd te monitoren wat de effecten zijn van deze ontwikkelingen op autonomie, eigen regie en gezondheid, maar ook op gezondheidsverschillen, de mate van participatie en de kosten van de zorg. Op die manier kunnen de gevolgen van de veranderingen onderbouwd worden geëvalueerd. Dit onderzoek maakt deel uit van de Volksgezondheid Toekomst Verkenning 2014 (VTV-2014). De VTV is een rapportage die het RIVM elke vier jaar opstelt in opdracht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS).