• S-PLUS voor het RIVM Krachtig statistisch software gereedschap

      Dekkers ALM; CIM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2001-06-08)
      Statistical analyses are carried out and reported on in abundance at the RIVM. There is a lot of good software on the market for executing these analyses reliably. For good communication between statisticians and scientific researchers, who use statistical applications in their research, RIVM needs only a few standard packages. This also has financial advantages. For example, S-PLUS has been used since 1992 as the standard package in Division 5 and moreover in Division 2, as rapid development software combined with SAS. On 1 January of this year RIVM took out a completely new licence for S-PLUS, making the package available for Divisions 2, 3/4 and 5 at no extra costs, including the use of all the modules and the use of S-PLUS at home. This new situation was one of the reasons for preparing this document. The first three chapters, written for potential users and management, e.g. laboratory and department heads, IT heads in the Division 5 departments, and managers of interdepartmental projects like the Environmental Balance and Outlooks. These chapters deal with the broad application of S-PLUS as statistical and graphics package, and as a fourth-generation language. The overview of several S-PLUS applications within RIVM speaks for itself. The other chapters, providing a wealth of substantial information, are written especially for users. Included here are the installation instructions of S-PLUS for both home use and use at the RIVM. The report closes with four elaborate appendixes incorporating two introductory courses on the S-PLUS command language and the S-PLUS graphics user interface.This report is thus intended to promote the standard use of S-PLUS for good-quality, reproducible statistical analyses and optimal communication between researchers.
    • S-PLUS voor het RIVM Krachtig statistisch software gereedschap

      Dekkers ALM; CIM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2001-06-08)
      Statistische analyses worden op het RIVM veelvuldig uitgevoerd en gerapporteerd. Een grote hoeveelheid goede software is er op de markt om deze analyses betrouwbaar uit te voeren. Voor een goede communicatie tussen statistici en inhoudelijke onderzoekers, die statistiek binnen hun onderzoek toepassen, is het van belang dat het RIVM slechts enkele standaard pakketten heeft. Bovendien levert dit financiele voordelen op. Zo is binnen sector 5 sinds 1992 S-PLUS het standaard statistisch pakket en binnen sector 2 al sinds jaren SAS met S-PLUS als snelle ontwikkelsoftware. Vanaf 1 januari van dit jaar bezit het RIVM een geheel nieuwe licentie van S-PLUS, waarbij het pakket op alle platforms vrij beschikbaar is voor de sectoren 2, 3/4 en 5 inclusief het gebruik van alle modules en thuisgebruik. Deze nieuwe situatie is de aanleiding geweest tot het schrijven van dit rapport. De eerste drie hoofdstukken bevatten algemene informatie over S-PLUS en zijn geschreven voor potentiele gebruikers en voor het management. Hierbij wordt gedacht aan labhoofden, RIShoofden en projectleiders van laboverstijgende projecten zoals de Milieubalans en de Milieuverkenningen. In deze hoofdstukken komt de brede inzetbaarheid van S-PLUS aan de orde als statistisch pakket, grafisch pakket en 4e generatietaal. Het overzicht van enkele S-PLUS toepassingen binnen RIVM projecten spreekt voor zich. De overige hoofdstukken zijn speciaal voor gebruikers geschreven en bevatten een schat aan inhoudelijke informatie. Het betreft o.a. de installatievoorschriften van S-PLUS voor thuisgebruik en gebruik op het RIVM. Het rapport wordt afgesloten met 6 uitvoerige bijlagen waarin twee inleidende cursussen over de S-PLUS commando taal en over de S-PLUS grafische user interface zijn opgenomen, alsmede een bijlage voor SPSS gebruikers die met S-PLUS gaan beginnen. Dit rapport beoogt een standaard gebruik van S-PLUS te bevorderen voor goede, reproduceerbare statistische analyses en voor optimale communicatie tussen onderzoekers.<br>
    • The Safe Landing Analysis: Users Manual

      Kreileman GJJ; Berk MM; CIM; MNV (1997-06-30)
      In vergelijking met de lange tijdshorizon van klimaatverandering is de tijdshorizon van beleidsmakers noodzakelijkerwijs veel korter. Ter ondersteuning van de lopende klimaatonderhandelingen is een methodologie ontwikkeld voor het koppelen van korte termijn besluiten over de beperking van de emissies van broeikasgassen aan doelstellingen voor bescherming van het klimaat op lange lange termijn: de Safe Landing analyse. Dit rapport geeft een beschrijving van het analyse-instrument dat die benadering gebruikt voor het bepalen van zogenaamde 'veilige emissie corridors'. Die corridors geven de hoeveelheden broeikasgas-emissies aan die verenigbaar zijn met bepaalde korte en lange termijn klimaatdoelen (bestaande uit maximale waarden voor indicatoren voor de gevolgen van klimaatverandering) en maximale snelheden voor de vermindering van de emissies van broeikasgassen (als een schatting van de technische en economische belemmeringen voor de vermindering van emissies op mondiale schaal). De berekeningsmethodiek van de Safe Landing analyse is gebaseerd op regressie analyses op de resultaten van het integrale klimaatmodel IMAGE 2 van het RIVM.
    • Safe re-entry for workers into plant protection product treated crops

      Markantonis, M; te Biesebeek, JD; Graven, C (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2018-12-20)
      Workers are exposed to plant protection products (PPPs) when they enter treated crops for crop treatment, harvest or crop inspections. Before a plant protection product is authorized for sell and use, a safety assessment has to be performed. Commissioned by the ministry of SZW (Dutch Ministry of Social Affairs and Employment) RIVM has provided information to answer three itself independent questions which all relate to worker PPPs safety assessment. RIVM developed a methodology to calculate product-specific personal protective equipment required interval for workers entering pesticide-sprayed crops. Currently for workers gloves can be prescribed on the label of a PPP. However there is no information on the label about the duration of the obligatory use of gloves. In most cases a general period of twee weeks is used, the new methodology provides a way to refine the two week period. RIVM recommends to include the period into the EU harmonised method for worker exposure estimation, the period can then be set on the label of national authorised PPP. RIVM proposes a protocol to investigate the dermal absorption of dried residue which was available in the scientific literature. To assess if crops can be handled safely, dermal absorption absorption of dried residue is required. Currently dermal absorption is investigated with fluids. Before the protocol can be used internationally, it should be approved by the Organisation for Economic Co-operation and Development (OECD). RIVM therefore recommends to further investigate whether this protocol can be submitted for OECD approval. Chemical substances can be classified based on their properties: for example a notification for health hazard. A substance can cause irritation of the skin or eyes or can cause allergic reactions. This is also applicable substances in PPPs. PPPs are used and sprayed diluted. For safety of workers it is therefore of importance to know the hazardous properties of the diluted PPP and it's dried foliar residue. RIVM recommends to test the hazardous properties of some diluted PPPs and it's dried foliar residue.
    • Safety and immunogenicity of the RIVM hexavalent meningococcal B vesicle vaccine for Rotterdam children aged 2-3 and 7-8

      Labadie J; Kleijn ED de; Lafeber AB; Mees MMM; Booy K; Groot R de; Omme GW van; Dijken H van; Kuipers AJ; Dobbelsteen G van den; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2000-12-22)
      This report documents the results of a randomised controlled phase-II clinical study into the safety and immunogenicity of the RIVM hexavalent MenB vesicle vaccine among 189 children aged 2-3 and 168 children aged 7-8 in the city of Rotterdam, the Netherlands. Two concentrations of the MenB vesicle were investigated where hepatitis B vaccine (HB-VAX(registered trademark) DNA) was used as a control and administered according to the same schedule as the RIVM MenB vaccine. The vaccination schedule was based on 3 doses given at 0, 2 and 8 months. The meningococcal vaccine was found to be more reactogenic than the control vaccine but the reactions were mild, no serious reactions occurred. Fever, one of the most common systemic adverse reactions after vaccination, did not occur more often after administration of the MenB vesicle vaccines than after administration of the control vaccine. The serum bactericidal antibody (SBA) response was assessed against isogenic variants of strain H44/76 in which each vaccine PorA protein was expressed individually. In the blood samples obtained one month after vaccination, toddlers (aged 2-3) were shown to have statistically significant higher SBA titres than school children (aged 7-8). There was no significant difference between the low and high vaccine doses. The SBA response was directed predominantly at one of the three PorA proteins in each of the two vesicles. The RIVM hexavalent MenB vesicle vaccine will be further improved, both with regard to both production methods and to immunogenicity.
    • Safety and immunogenicity of the RIVM hexavalent meningococcal B vesicle vaccine for Rotterdam children aged 2-3 and 7-8

      Labadie J; de Kleijn ED; Lafeber AB; Mees MMM; Booy K; de Groot R; van Omme GW; van Dijken H; Kuipers AJ; van den Dobbelsteen G; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMSophia Kinderziekenhuis / Academisch Ziekenhuis Rotterdam, 2000-12-22)
      In dit rapport wordt verslag gedaan van een gerandomiseerde gecontroleerd fase-II klinische studie naar de veiligheid en immunogeniciteit van het RIVM hexavalente MenB vesicle vaccin in 189 kinderen van 2-3 jaar en 168 kinderen van 7-8 jaar in de stad Rotterdam. Twee concentraties van het MenB vesicle vaccin zijn onderzocht, waarbij hepatitis B vaccin (HB-VAX(registered trademark) DNA) werd gebruikt als controle en toegediend volgens hetzelfde schema als het RIVM MenB vaccin. Het vaccinatie schema was gebaseerd op 3 doses gegeven op 0, 2 and 8 maanden. Het MenB vaccin was meer reactogeen dan het controle vaccin, maar de reacties waren mild en er traden geen ernstige bijwerkingen op. Koorts, 1 van de meest voorkomende systemische bijwerkingen na vaccinatie, kwam niet vaker voor na toediening van het MenB vesicle vaccin dan na toediening van het controle vaccin. De serum bactericide antistof (SBA) respons werd gemeten tegen zes isogene varianten van stam H44/76 waarin elk PorA eiwit van het hexavalente vaccin individueel tot expressie is gebracht. In de bloedmonsters verkregen 1 maand na vaccinatie, hadden peuters (2-3 jaar) statistisch significant hogere SBA titers dan schoolkinderen (7-8 jaar). Er was geen significant verschil tussen de lage en hoge vaccin dosis. De SBA respons was voornamelijk gericht tegen 1 van de drie PorA eiwitten op elk van de twee vesicles. Het RIVM hexavalent MenB vesicle vaccin zal verder worden verbeterd met betrekking tot zowel productie methoden als immunogeniteit.<br>
    • Safety and sustainability analysis of railway sleeper alternatives : Application of a novel method for material loops

      Quik, JTK; Dekker, E; Montforts, MHMM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-01-12)
      This is a revised version of letter report 2020-0126 Every year, ProRail replaces 200,000 railway sleepers. In the last century, wooden sleepers were used treated with creosotes to preserve them. Creosotes contain substances of very high concern. More recently, sleepers have been made from concrete, but greater quantities of CO2 are released in the manufacture of these sleepers than from wooden sleepers. To minimize CO2 emissions and the use of substances of concern, ProRail is looking for alternative railway sleepers. To this end, RIVM has compared six different types of sleepers with cement concrete (100 percent Portland cement). The six sleeper types are made from copper-treated wood, untreated wood, recycled steel-reinforced plastic (PE), virgin steel-reinforced plastic (PE), glass-fiber-reinforced plastic (virgin PU) and Sulphur-based concrete (instead of cement-based concrete). The comparison of the various sleepers was based on the aspects that are important for sustainability and safety of substances for the environment. The sleepers made from recycled plastic and Sulphur-concrete are more sustainable than sleepers from concrete (Portland cement). The other types of sleepers are only favorable over concrete in certain aspects of sustainability. Based on the data available, the various types appear to be equally safe for the environment. Part of the sustainability assessment of the sleepers is done by looking at the extent to which they release greenhouse gases and how much land is needed to extract the materials to make them. The land used to produce wooden sleepers is greater than for the other sleeper types. This is important due to the effect on biodiversity, even though less greenhouse gases are released during production compared to concrete. The safety of the sleepers was analyzed by looking at the presence of pollutants and the degree to which these pollutants leach out. After all, any substance released during the use of the sleepers can end up in the soil and groundwater. There is legislation for all types of sleepers, the objective of which is to ensure that they are safe to use. For this study not all relevant data were available. Knowledge of the presence of any hazardous substances in sleepers is important if they are to be safely reused.
    • Safety and sustainability analysis of railway sleeper alternatives : Application of the Safe and Sustainable Material Loops framework

      Quik, JTK; Dekker, E; Montforts, MHMM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-09-07)
      Er is een nieuwe versie van dit rapport met nummer 2020-0181. ProRail vervangt elk jaar 200.000 zogeheten dwarsliggers op het spoor. In de vorige eeuw zijn hiervoor houten bielzen gebruikt die met zogeheten creosoten zijn bewerkt om verwering te voorkomen. Creosoten bevatten Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS). De laatste jaren worden dwarsliggers van beton gemaakt, maar bij de productie daarvan komt meer CO2 vrij dan bij houten dwarsliggers. Om de CO2 uitstoot en het gebruik van schadelijke stoffen te minimaliseren zoekt ProRail naar mogelijkheden om andere dwarsliggers te gebruiken. Daartoe heeft het RIVM zes verschillende typen dwarsliggers vergeleken met betonnen exemplaren. Het gaat om dwarsliggers van met koper behandeld hout, onbehandeld hout, gerecycled plastic dat met staal is versterkt, nieuw plastic dat met staal is versterkt, (nieuw) plastic dat met glasvezel is versterkt (composiet) en beton op basis van zwavel (in plaats van cement). Bij de vergelijking is gekeken naar zaken die belangrijk zijn voor duurzaamheid en voor de veiligheid van stoffen voor het milieu. De dwarsliggers van gerecycled plastic en van zwavelbeton zijn op alle onderzochte punten het meest duurzaam ten opzichte van betonnen dwarsliggers. De andere type dwarsliggers zijn alleen op sommige punten gunstiger. Op basis van de beschikbare gegevens lijken de verschillende typen ongeveer even veilig voor het milieu. Bij de beoordeling van de duurzaamheid is gekeken in hoeverre er broeikasgassen vrijkomen. Ook is gekeken hoeveel land nodig is om het benodigde materiaal te winnen. Voor houten dwarsliggers is het landgebruik groter dan voor de andere soorten, maar bij de productie komen de minste broeikasgassen vrij. Bij de veiligheid gaat het erom of er verontreinigende stoffen in de dwarsliggers zitten en in welke mate zij eruit vrijkomen. Vrijgekomen stoffen kunnen namelijk tijdens het gebruik van de dwarsliggers in bodem en grondwater terechtkomen. Voor alle typen dwarsliggers bestaat er regelgeving om te zorgen dat het gebruik veilig is. Voor dit onderzoek waren niet alle gegevens beschikbaar. Kennis over de aanwezigheid van eventueel schadelijke stoffen is belangrijk om materialen voor de dwarsliggers veilig te kunnen hergebruiken.
    • Safety evaluation of nitrate: Mathematical modeling of nitrite formation in man and its application in the risk assessment of nitrate

      Zeilmaker MJ; Meulenbelt J; Kortboyer JM; Slob W; LEO; LBO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1996-07-31)
      De huidige risicoschatting van de blootstelling van de mens aan nitraat is gebaseerd op de evaluatie van dierexperimenteel onderzoek bij de rat. Deze procedure verdient heroverweging . Bij de mens, maar niet bij de rat, wordt nitraat door bacteriele fermentatie in het speeksel omgezet in nitriet. Aangezien nitriet veel toxischer is dan nitraat kan een relatief geringe nitraat => nitriet omzetting leiden tot dominantie van nitriettoxiciteit over nitraattoxiciteit. De vorming van nitriet uit nitraat dient derhalve in beschouwing genomen worden bij de risicobeoordeling van de blootsteling van de mens aan nitraat. De vorming van nitriet uit nitraat in het speeksel van de mens is het resultaat van een gecompliceerd proces. Bij dit proces spelen de opname van nitraat uit voedsel of drinkwater, het vermogen van de mens om zelf nitraat aan te maken, de secretie van nitraat uit het bloed naar het speeksel, het metabolisme van nitraat tot nitriet in het speeksel en de terugvorming van nitraat uit nitriet in het bloed een rol. Om de nitrietbelasting van de mens na blootstelling aan nitraat te evalueren zijn deze processen opgenomen in een humaan toxicokinetisch model voor nitraat en nitriet. Dit model is m.b.v. experimenteel onderzoek met humane vrijwilligers (Spiegelhalder et al., 1976 ; Wagner et al., 1983 ; Shapiro et al., Kortboyer et al., 1995) gecalibreerd. Het model berekende dat de endogene vorming van nitraat in volwassen gemiddeld 121 mg per dag bedraagt. Tevens berekende het model dat 32-60% van oraal opgenomen nitraat vanuit het bloed in speeksel wordt uigescheiden. Van deze hoeveelheid wordt 13-22% omgezet in nitriet. De berekende nitraat => nitriet conversiefactor zou 7-9% bedragen. De door het model berekende dagelijkse nitriet belasting na eenmalige of herhaalde (een dosis per 24 uur ) blootsteling van de mens aan nitraat op het niveau van zijn Acceptable Daily Intake (ADI, 3.65 mg nitraat/kg/dag), werd volgens de berekening voor 31-41% veroorzaakt door de endogene synthese van nitraat. Geconcludeerd kan worden dat de risicoschatting van de blootstelling van de mens aan nitraat gebaseerd moet worden op de hierop volgende nitrietbelasting en nitriettoxiciteit. Een methode om de risicoschatting van nitraat m.b.v. het toxicokinetische model te verbeteren wordt besproken.<br>
    • The safety of donor skin preserved with glycerol - Evaluating the Euro Skin Bank preservation procedures of human donor skin against the prEN 12442 standard

      Geertsma RE; Wassenaar C; LGM (2000-08-31)
      De procedures voor de preservatie van humane donorhuid zoals die worden toegepast door de Euro Skin Bank (ESB) zijn geevalueerd met behulp van de Europese standaard prEN 12442: "Dierlijke weefsels en daarvan afgeleide producten die voor de vervaardiging van medische hulpmiddelen worden gebruikt". Dit overzicht heeft zich gericht op de risico's betreffende de overdracht van ziekte. Eerst werden productgerelateerde gevaren geidentificeerd en vervolgens werden de hieraan verbonden risico's en de beheersmaatregelen hiervoor van de ESB besproken. Verder werd geevalueerd of de overblijvende risico's accepteerbaar zijn door de risicoverlagende maatregelen te vergelijken met de eisen in de volgende standaarden: prEN 12442, EN 1441, EN 1174 en ISO 14160. De conclusies geven aan dat de ESB-procedures op dit moment niet aan alle eisen van deze standaarden voldoen. Met behulp van de geconstateerde tekortkomingen is vervolgens een validatieplan opgesteld, dat overwegingen en suggesties ten aanzien van proces-definitie en -beheersing en de beoordeling van bacteriologische en virologische inactivatie en/of eliminatie bevat. Implementatie van dit plan zou ertoe moeten leiden dat de procedures volledig aan de standaarden gaan voldoen.
    • The safety of donor skin preserved with glycerol - Evaluating the Euro Skin Bank preservation procedures of human donor skin against the prEN 12442 standard

      Geertsma RE; Wassenaar C; LGM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2000-08-31)
      The procedures for preservation of human donor skin with glycerol, as applied by the Euro Skin Bank (ESB), were evaluated against the prEN 12442 standard: animal tissues and their derivatives used in the manufacture of medical devices. The focus chosen for this review is on risks related to the transmission of diseases. Product-related hazards were identified. Subsequently, the associated risks and the ESB measures to reduce these risks were discussed. The acceptability of the residual risks was also evaluated by comparing the risk-reducing measures with the prEN 12442, EN 1441, EN 1174 and ISO 14160 standards. Conclusions drawn indicate that ESB procedures as they now stand do not meet all the requirements of these standards. Nonconformities were used to formulate a validation plan containing considerations and suggestions on process definition and control, as well as an assessment of bacteriological and virological inactivation and/or elimination. The implementation of this plan should lead to full conformance with the standards.
    • Salmonella onderzoek bij Nederlands pluimvee

      van de Giessen AW; Berkers PATA; Peters R; Notermans SHW (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1989-10-31)
      Gedurende de eerste helft van 1989 werden 59 pluimveebedrijven uit de leg- en mestsector onderzocht op de aanwezigheid van Salmonella-kiemen. Op 53 bedrijven (90%) kon Salmonella bij pluimvee worden aangetoond. Op 10 bedrijven (17%) bleek S. enteritidis bij pluimvee aanwezig te zijn. Van de 19 bedrijven met in totaal 49 stallen legdieren werd S. enteritidis op 5 bedrijven bij in totaal 9 stallen aangetoond. Van de 40 bedrijven met in totaal 52 koppels mestkuikens werd S. enteritidis op 5 bedrijven bij in totaal 6 koppels aangetoond. De resultaten maken duidelijk dat de tot nu toe door het bedrijfsleven getroffen maatregelen ter indamming van de besmetting met S. enteritidis nog onvoldoende effectief zijn geweest om de besmettingsdruk te verlagen. Meer ingrijpende maatregelen, waaronder het ruimen van besmette koppels, een adequate reiniging en desinfectie van besmette hokken en het doorbreken van besmettingskringlopen in het milieu, zullen nodig zijn om de besmetting terug te dringen.<br>
    • Salmonella onderzoek bij varkensfokbedrijven

      van de Giessen AW; van Leeuwen WJ; Ritmeester WS; Notermans SHW; LWL (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-04-30)
      Van november 1990 tot en met oktober 1991 werd bij 50 varkensfokbedrijven onderzoek uitgevoerd naar het voorkomen van Salmonella, met name S.typhimurium. In totaal werd op 31 (62,0%) van de 50 bedrijven Salmonella aangetoond. Het totaal aantal onderzochte monsters faeces van de onderzochte 50 bedrijven bedroeg 992. Uit 103 (10,4%) van deze monsters werd Salmonella geisoleerd. Bij het onderzoek werden verschillende diercategorieen onderscheiden en apart onderzocht. Bij de categorie opfokzeugen werd het meest frequent Salmonella aangetoond en bij de categorie gespeende biggen het minst frequent. S.typhimurium was het meest frequent geisoleerde serotype en werd aangetoond bij 10 (20,0%) van de 50 bedrijven. Andere frequent geisoleerde serotypen waren S.derby, S.livingstone, S.panama en S.brandenburg.<br>
    • Salmonella ringonderzoek III: bacteriologische detectie van Salmonella in aanwezigheid van competitieve flora

      Voogt N; Veld PH in &apos;t; Nagelkerke N; Giessen AW van der; MGB (1999-07-31)
      In oktober 1998 werd het derde bacteriologisch ringonderzoek voor de detectie van Salmonella in aanwezigheid van stoorflora georganiseerd door het Nationaal Referentie Laboratorium (NRL) voor Salmonella (RIVM, Bilthoven). Aan het ringonderzoek werd deelgenomen door 21 laboratoria in het kader van het Plan van aanpak Salmonella en Campylobacter. Het belangrijkste doel van dit ringonderzoek was te testen of de deelnemende laboratoria in staat zijn om Salmonella te detecteren in aanwezigheid van stoorflora. Daarvoor werden referentiematerialen met Salmonella gebruikt die dienden te worden onderzocht met en zonder toevoeging van kippenfaeces. De deelnemende laboratoria voerden het ringonderzoek uit met de methode welke het laboratorium zelf gebruikt voor onderzoek van pluimveemestmonsters uit de praktijk. Naar aanleiding van resultaten behaald tijdens eerdere ringonderzoeken onderzochten vier laboratoria 50 capsules en 17 laboratoria 15 capsules. Twee van de vier laboratoria die 50 capsules testten en zestien van de 17 laboratoria die 15 capsules onderzochten isoleerden Salmonella uit alle positieve monsters.
    • Salpeterzuurdestructie en ICP-MS analyse van biotisch materiaal en voeding

      Velde-Koerts T van der; LAC (2000-07-21)
      Voor de bepaling van elementen in voeding en biotisch materiaal werd een analytische methode ontwikkeld, bestaande uit een salpeterzuurdestructie en een ICP-MS-analyse. De destructie werd geoptimaliseerd op basis van de salpeterzuurconcentratie en de destructietijd. De ICP-MS-analyse werd geoptimaliseerd op basis van minimale spectrale storingen en matrixeffecten, waarbij gebruik werd gemaakt van storingscorrecties, interne standaarden en matrix matching van de kalibratiestandaarden. Op basis van de aantoonbaarheidsgrenzen, reproduceerbaarheid, juistheid en terugvinding was de analytische methode geschikt voor de bepaling van As, B, Ba, Cd, Co, Cu, Mn, Mo, Pb, Rb, Sr, Zn in voeding en in biotisch materiaal. De methode was ook geschikt voor de bepaling van Al, Fe, Cr, Co, Ni in voeding en dierlijk materiaal, maar niet voor deze bepaling in plantaardig materiaal: de destructie van Al, Fe, Cr, Co en Ni was niet volledig. De methode was niet geschikt voor de bepaling van B, Br, S, Se en Sn. De juistheid voor Sb, Si, Ti, Tl en V kon niet worden geverifieerd, omdat referentiematerialen ontbraken. De elementen Ca, K, Mg, Na en P kunnen beter bepaald worden met ICP-AES vanwege de hoge concentraties.
    • Salpeterzuurdestructie en ICP-MS analyse van biotisch materiaal en voeding

      Vekde-Koerts T van der; LAC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2000-07-21)
      An analytical method consisting of a nitric acid digestion and an ICP-MS analysis, has been developed for the determination of elements in food and biological material. The digestion was optimised for nitric acid concentration and destruction time. The ICP-MS analysis was optimised for minimal spectral interferences and matrix effects using interference corrections, internal standards and matrix matching of the calibration standards. Based on detection limits, reproducibility, trueness and recovery, the analytical method was found suitable for the determination of As, B, Ba, Cd, Co, Cu, Mn, Mo, Pb, Rb, Sr, Zn in food and biological material. The method was also found suitable for the determination of Al, Fe, Cr, Co, Ni in food and animal material, but not for this determination in plant material: the digestion of Al, Fe, Cr, Co and Ni in plant material was not complete. The method was found not suitable for the determination of Bi, Br, S, Se and Sn. Trueness for Sb, Si, Ti, Tl and V could not be checked, because reference materials were lacking. The elements Ca, K, Mg, Na and P can be better determined using ICP-AES because of the high concentrations.
    • Samen staan we sterk! : Bundeling van de 3V-krachten op het internationale speelveld

      Deleu S; Akkermans A; NKA; V&|Z (Nationaal Kenniscentrum Alternatieven voor dierproeven (NKCA), 2014-06-18)
    • Samen werken aan duurzame zorg : Landelijke monitor proeftuinen

      Drewes HW; Heijink R; Struijs JN; Baan CA; KZG; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2015-07-10)
      In 2013 heeft het ministerie van VWS op voordracht van de verzekeraars negen regionale initiatieven benoemd tot proeftuinen. Deze proeftuinen hebben als doel om preventie, zorg en welzijn in samenhang vorm te geven. Dit rapport beschrijft de proeftuinen en de ontwikkelingen die zich sinds de oprichting hebben voorgedaan. Daarnaast geeft het de gezondheid, de kwaliteit van de zorg en de kosten in de proeftuinregio's weer. Ook wordt ingegaan op de ervaringen van bestuurders met de proeftuinen. Zorgaanbieders, verzekeraars, en vaak ook gemeenten en vertegenwoordigers van burgers / patiënten, werken binnen de proeftuin gezamenlijk aan duurzame zorg en maatschappelijke ondersteuning. Met behulp van een aantal interventies proberen deze partijen een basis te leggen voor de benodigde samenwerking, de organisatie en de bekostiging van de proeftuinen. De proeftuinen worden bestuurd door vertegenwoordigers van de betrokken partijen. Volgens hen wijzen de eerste ervaringen op een verbeterde samenwerking. Tegelijkertijd zoeken zij nog naar een goede aansturing van de proeftuin en de mogelijkheden van nieuwe bekostigingsvormen. Voor het welslagen van de proeftuinen is een goede samenwerking essentieel. Hiervoor is het van belang dat de organisatiebelangen van álle partijen meer op één lijn komen te liggen met de doelstelling van de proeftuin. Ook is aandacht nodig voor alternatieve vormen van bekostiging en voor transparantie van de kwaliteit en kosten van de zorg.
    • Samenhang tussen therapietrouw en kosteneffectiviteit voor geneesmiddelen in Nederland. Een casestudie naar statines en bloeddrukverlagers

      Over EAB; van Gils PF; de Wit GA; Feenstra TL; Hoebert JM; EVG; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-04-03)
      Als patiënten geneesmiddelen volgens voorschrift innemen, levert dat veel gezondheidswinst op tegen relatief lage kosten. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM naar de samenhang tussen therapietrouw en kosteneffectiviteit van twee groepen geneesmiddelen. De studie onderstreept daarmee het belang om de effecten van therapietrouw mee te nemen in kosteneffectiviteitsberekeningen van geneesmiddelen. Overigens kan dat alleen worden gedaan als gegevens over therapietrouw beschikbaar zijn. Voor dit onderzoek zijn casestudies uitgevoerd naar cholesterol- en bloeddrukverlagers. Van deze geneesmiddelen is bekend dat patiënten er vaak voortijdig mee stoppen of ze niet volgens voorschrift innemen (bijvoorbeeld een verkeerde dosering gebruiken). Voor het basispakket van de ziektekostenverzekering wordt bepaald welke middelen wel of niet worden vergoed. Een van de criteria hiervoor is kosteneffectiviteit: de verschillen tussen (ten minste) twee geneesmiddelen (of situaties) wat betreft de kosten en de effecten. Bij goede berekeningen van de kosteneffectiviteit wordt de gebruiker betrokken. Zo wordt geschat hoeveel mensen voortijdig zullen stoppen met de behandeling en het effect van onjuist gebruik en de invloed hiervan op de kosten.
    • Een samenhangend beeld van kanker: ziekte, zorg, mens en maatschappij : Themarapportage van de Staat van Volksgezondheid en Zorg

      Vonk R; Korevaar J; van Saase L; Schoemaker C; VZP; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2016-11-30)
      Jaarlijks krijgen 100.000 mensen in Nederland te horen dat ze kanker hebben. De afgelopen decennia is de behandeling van kanker steeds effectiever geworden waardoor er steeds minder mensen aan overlijden. Er is echter weinig informatie over de ingrijpende langetermijneffecten van de ziekte en de behandeling op de kwaliteit van leven en de maatschappelijke participatie van (ex)patiënten. De beschikbare informatie is nu zo veel mogelijk samengevoegd en in beeld gebracht. Het is van belang deze informatie te integreren in de zorg en in wetenschappelijk onderzoek. Lange tijd lag de focus op behandelen en overleven, en daar is wel veel informatie over. Informatie over de samenhang tussen alle betrokken onderdelen in de zorgketen - van huisarts tot oncoloog, fysiotherapeut en psycholoog - is vaak beperkt en versnipperd. Hetzelfde geldt voor de kwaliteit van leven tijdens en na de ziekte, de impact op gezinsleden en maatschappelijke gevolgen zoals het (on)vermogen om te werken. In een bijbehorende illustratie is informatie over de overlevingskansen, de zorgketen, en 'mens en maatschappij' in beeld gebracht. Hierin wordt zichtbaar waar nog kennislacunes zijn, en waar losstaande gegevens op een zinvolle manier gekoppeld zouden kunnen worden. Daarnaast worden vier vormen van kanker nader uitgediept: borstkanker, dikkedarmkanker, longkanker en acute lymfatische leukemie bij kinderen. Dit is gedaan omdat de wijze van ontstaan, de gemiddelde leeftijd van de patiënt, de gevolgen, de behandeling en de kans op overleven, per type kanker sterk verschilt. De rapportage is geschreven in opdracht van het ministerie van VWS en maakt deel uit van de Staat van Volksgezondheid en Zorg. Ze is het product van samenwerking tussen RIVM, NIVEL, Zorginstituut Nederland, Trimbos Instituut en CBS.