• The 20th EU Interlaboratory comparison study in primary production (2017) : Detection of Salmonella in chicken faeces

      Dam-Deisz WDC; Broek I van den; Z&O; I&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-05-28)
      This report contains an erratum d.d. 17-7-2018 after page 34. In March 2017, the twentieth EURL-Salmonella interlaboratory comparison study on the detection of Salmonella in samples taken from the primary production stage was organised. Participation was obligatory for all EU Member State National Reference Laboratories (NRLs) responsible for the detection of Salmonella in these types of samples. Results. All laboratories were able to detect Salmonella in all the contaminated chicken faeces samples. Both the blank control sample and the positive control sample were analysed correctly by all laboratories. One laboratory made a labelling mistake and switched the process control for the positive control and therefore scored a 'moderate performance'. Blank samples containing chicken faeces not contaminated with Salmonella were correctly analysed as negative by almost all laboratories. One laboratory found Salmonella present in 3 of the 6 blank samples; this was indicated as a 'poor performance'. Participants. In total, 36 NRLs participated in this study: 29 NRLs from 28 EU Member States, 6 NRLs from other countries in Europe (EU candidate or potential EU candidate Member States and countries of the European Free Trade Association (EFTA)) and, on request of the European Commission, one NRL from a non-European country. EURL-Salmonella is situated at the Dutch National Institute for Public Health and the Environment (RIVM). The main task of EURL-Salmonella is to monitor and improve the performance of the national reference laboratories in Europe. Design of study. Each laboratory received a package of chicken faeces samples. The samples were contaminated by the EURL-Salmonella at two different Salmonella concentrations: high and low. The package also included blank samples without Salmonella. The laboratories were asked to analyse the samples according to the internationally prescribed method for the detection of Salmonella.
    • The 22nd EURL-Salmonella workshop : 29 and 30 May 2017, Zaandam, the Netherlands

      Mooijman KA; VDL; Z&O (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-06-15)
      Het RIVM heeft de verslagen gebundeld van de presentaties van de 22e jaarlijkse workshop voor de Europese Nationale Referentie Laboratoria (NRL's) voor Salmonella (29-30 mei 2017). Het doel van de workshop is dat het overkoepelende orgaan, het Europese Referentie Laboratorium (EURL) voor Salmonella, en de NRL's informatie uitwisselen. Een terugkerend onderwerp is de ringonderzoeken die het EURL jaarlijks organiseert om de kwaliteit van de NRL-laboratoria te controleren. De NRL's scoorden goed in de studies van 2016. In dit rapport staan de ringonderzoeken kort beschreven. Een uitgebreidere weergave van de resultaten wordt apart per ringonderzoek gepubliceerd. Een aantal verslagen geeft informatie over grote aantallen mensen die ziek zijn geworden door Salmonella, zogenoemde uitbraken. Het is vaak moeilijk om uit te vinden wat de bron is van een uitbraak. Bij een uitbraak met veel zieke mensen in verschillende Europese lidstaten is de bron wel gevonden, namelijk eieren uit Polen die besmet waren met Salmonella. Andere verslagen beschrijven de activiteiten om methoden te standaardiseren en te harmoniseren. Bijvoorbeeld over het testen van levensmiddelen op aanwezigheid van Salmonella. Op Europees niveau worden afspraken gemaakt over een methode, zodat de lidstaten een test op dezelfde wijze uitvoeren. Hierdoor kunnen resultaten tussen verschillende landen beter worden vergeleken. De organisatie van de jaarlijkse workshop is in handen van het EURL voor Salmonella, dat onderdeel is van het RIVM. De hoofdtaak van het EURL-Salmonella is toezien op de kwaliteit van de nationale referentielaboratoria voor deze bacterie in Europa.
    • Antibioticaresistente bacteriën in afvalwater en mest - workshops over mogelijke beheersmaatregelen

      Schmitt H; Mennen MG; de Roda Husman AM; MLU; Z&O (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-10-30)
      Via rioolwater en dierlijke mest komen bacteriën die resistent zijn tegen antibiotica in bodem, lucht en water terecht. Aanvullende zuiveringstechnieken voor afvalwater en mest zouden het aantal antibioticaresistente bacteriën en restanten antibiotica in het milieu kunnen verminderen. Of de aanwezigheid van resistente bacteriën in het milieu gevolgen heeft voor de volksgezondheid is vooralsnog onduidelijk. Daarom kunnen aan belanghebbenden nog geen aanbevelingen gegeven worden of en zo ja, welke aanvullende (technische) maatregelen de gezondheid beschermen. Hiervoor is meer onderzoek nodig. Duidelijk is dat algemeen geldende maatregelen om antibiotica voor mensen en dieren terughoudend te gebruiken, ook het milieu ten goede komen. Hierdoor komen er namelijk via het riool en dierlijke mest minder antibioticaresistente bacteriën in het milieu terecht. Verder is het voor belanghebbenden, zoals waterbeheerders, van belang om goed te worden geïnformeerd over hoeveel en welke resistente bacteriën in het milieu voorkomen. Deze informatie hebben zij onder andere nodig om te kunnen ze beslissen of maatregelen nodig zijn. Dit blijkt uit twee workshops die het RIVM heeft georganiseerd om te bespreken welke maatregelen kansrijk zijn. Vertegenwoordigers van betrokken departementen, kennisinstellingen, adviesbureaus, brancheverenigingen en uitvoeringsorganisaties namen eraan deel.
    • Carbapenemase-producerende Enterobacteriaceae (CPE) in ziekenhuisafvalwater

      Schmitt H; Blaak H; Kemper MA; de Rijk SE; van de Schans M; de Roda Husman AM; MLU; Z&O (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-10-30)
      Carbapenemase-producerende Enterobacteriaceae (CPE) kunnen ontstekingen veroorzaken die met de gangbare antibiotica moeilijk te behandelen zijn. Ze vormen daardoor een bedreiging voor de medische zorg. Het is dan ook belangrijk dat deze resistente bacteriën zich niet verder verspreiden onder mensen, dieren en in het milieu. Het RIVM heeft onderzocht of het zinvol is om afvalwater van ziekenhuizen te zuiveren om de verspreiding van CPE in het milieu tegen te gaan. Het afvalwater van ziekenhuizen blijkt echter maar een klein deel te bevatten van het aantal van deze bacteriën dat via afvalwater in het oppervlaktewater terechtkomt. Deze maatregel kan er daarom niet voor zorgen dat er substantieel minder CPE in het milieu terechtkomen. Antibioticaresistente bacteriën komen met menselijke ontlasting vanuit ziekenhuizen alsook vanuit de algemene bevolking in afvalwaterzuiveringsinstallaties terecht. Aangezien de bacteriën daar niet volledig worden verwijderd, belanden ze vervolgens in het oppervlaktewater. Voor dit onderzoek is bij vijf ziekenhuizen en bij de bijbehorende afvalwaterzuiveringsinstallaties het afvalwater gedurende 24 uur gemeten. De hoeveelheid aangetroffen CPE varieerden sterk per meetmoment. Meestal is minder dan 10 procent van het totale aantal CPE in de afvalwaterzuivering afkomstig van het afvalwater van ziekenhuizen. Bij sommige ziekenhuizen (een derde van de metingen) konden de aantallen op bepaalde momenten oplopen tot 10 tot 60 procent. Ook komt maar een klein deel van restanten van antibiotica (residuen) van het afvalwater van ziekenhuizen.
    • EURL-Salmonella 8th interlaboratory comparison study Food 2016 : Detection of Salmonella in minced chicken meat

      Kuijpers AFA; Mooijman KA; VDL; Z&O (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-02-13)
      In 2016, it was shown that all 34 National Reference Laboratories (NRLs), 30 of which are located in the European Union, were able to detect high and low levels of Salmonella in minced chicken meat. Three NRLs reported Salmonella in one 'blank' minced meat sample. This was probably caused by the fact that another type of Salmonella was already present in very low levels in the original meat. We present some conclusions from the 8th EU Interlaboratory Comparison Study of Food Samples, organised by the European Union Reference Laboratory for Salmonella (EURL-Salmonella). EURL-Salmonella is part of the Dutch National Institute for Public Health and the Environment (RIVM). The study was conducted in September 2016. Participation was obligatory for all EU Member State NRLs responsible for the detection of Salmonella in food samples. The laboratories used internationally accepted methods to detect the presence of Salmonella in minced chicken meat samples and analysed the samples according to the same protocol. Each laboratory received a package with minced chicken meat samples contaminated with two different concentrations of Salmonella Stanley or containing no Salmonella at all. As in earlier studies, the meat samples were artificially contaminated with a diluted culture of Salmonella at the EURL-Salmonella laboratory.
    • Onderzoek naar ESBL-producerende bacteriën onder vegetariërs en niet-vegetariërs : de Vegastudie

      Dierikx C; Duijkeren, E van; Gijsbers E; Hoek A van; Hengeveld P; Broek I van den; Greeff S de; Meijs A; Z&O; I&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-04-30)
      Het RIVM heeft onderzocht in welke mate bacteriën die resistent zijn tegen antibiotica, bij vegetariërs en niet-vegetariërs voorkomen. Dit onderzoek is alleen gericht op de zogeheten ESBL-producerende bacteriën, oftewel ESBL's. Hieruit blijkt dat mensen die geregeld vlees eten (minimaal drie keer per week) niet vaker een ESBL bij zich dragen dan vegetariërs. Met andere woorden: door het eten van vlees lopen mensen geen hoger risico om met een ESBL-bacterie besmet te raken. Uit deze studie bleek dat deelnemers die hadden gereisd naar Afrika, Midden-/Zuid-Amerika, Azië of naar Zuid-/Oost-Europa, vaker een ESBL bij zich droegen dan deelnemers die dit niet deden. Hetzelfde geldt voor deelnemers die zelden of nooit hun handen wasten, voordat ze voedsel gingen bereiden. ESBL staat voor Extended Spectrum Bèta-Lactamasen. Dit zijn stoffen (enzymen) die door bepaalde bacteriën kunnen worden gemaakt. Deze stoffen zorgen ervoor dat sommige soorten antibiotica (zoals penicillines) niet meer werken. Ongeveer vijf procent van de Nederlandse bevolking draagt ESBL's bij zich in de darmen. Dat leidt meestal niet tot gezondheidsproblemen. Alleen als iemand een ontsteking krijgt met zo'n resistente bacterie, is deze moeilijker te behandelen met antibiotica. Mensen kunnen op verschillende manieren met ESBL's besmet raken; via andere mensen, via de omgeving, via contact met dieren of via het eten van (dierlijke) producten. Vooral kippenvlees is vaak besmet met ESBL's. Hierdoor werd aangenomen dat het eten van vlees een belangrijke manier is om besmet te raken met een ESBL. De conclusie uit het huidige RIVM-onderzoek laat zien dat deze aanname onjuist is. Aandacht voor antibioticaresistentie en terughoudend gebruik van antibiotica bij mens en dier is essentieel om antibioticaresistentie in het algemeen terug te dringen. Voor het onderzoek zijn veganisten, vegetariërs, vegetariërs die vis eten en niet-vegetariërs onderzocht op de aanwezigheid van ESBL's in hun ontlasting. In totaal hebben 1641 personen deelgenomen. De deelnemers hebben ook een uitgebreide vragenlijst ingevuld over mogelijke risicofactoren om een ESBL op te lopen. Dat zijn bijvoorbeeld contact met dieren, reizen naar het buitenland, het gebruik van bepaalde medicijnen en opname in het ziekenhuis
    • Staat van Zoönosen 2016

      Broek I van den; Broek I van den; Valkenburgh S; Holtslag M; Broek I van den; van den Kerkhof H; van der Giessen J; Kortbeek T; Nijsse R; Maassen K; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-11-23)
      Zoönosen zijn infecties die van dieren op mensen kunnen worden overgedragen. De zoönosen die voor Nederland van belang zijn, worden elk jaar op een rij gezet in de Staat van Zoönosen. Hierin wordt onder andere bekeken in welke mate meldingsplichtige zoönosen voorkomen bij mensen en dieren. Trends In 2016 zijn er voor de meeste zoönosen geen opmerkelijke veranderingen waargenomen. Het grootste aandeel van de zoönotische infecties vormden ook in 2016 de bacteriële infecties die via voedsel overgedragen worden: Campylobacter, Listeria monocytogenes, Salmonella en STEC. Wel is het aantal gevallen van leptospirose nog steeds hoog te noemen, hoewel het lager was dan in 2015. Ook was het aantal patiënten met een hantavirus-infectie in 2016 opvallend hoog, en werd in 2016 voor het eerst een infectie aangetoond met een voor Nederland nieuw type hantavirus, namelijk het Seoul hantavirus. Uitgelicht Bij honden in Nederland is in 2016 voor het eerst brucellose vastgesteld, veroorzaakt door de bacteriën B. suis en B. canis. Ook beschrijft de Staat de recente ontwikkelingen omtrent meticilline resistente Staphyloccus aureus (MRSA), en dan vooral de vee-gerelateerde MRSA. Opvallend is dat deze voor bepaalde antibiotica resistente bacteriën sinds kort ook voorkomen bij mensen die geen contact hebben gehad met landbouwhuisdieren. Knaagdieren & Zoönosen Knaagdieren, wilde en huisdieren, kunnen diverse zoönosen bij zich dragen, zoals leptospirose, hantavirus en Lyme. Deze kunnen op uiteenlopende manieren op de mens worden overgedragen. Ratten bijvoorbeeld plassen de leptospira-bacteriën uit in het water waar mensen in gaan zwemmen. Teken halen Lyme bacteriën uit muizen en bijten daarna mensen. En muizen plassen het hantavirus uit in de schuur, waar iemand het kan oplopen als hij de schuur gaat vegen.
    • Surveillance zoönosen in de melkgeiten- en melkschapenhouderij in 2016

      Opsteegh M; van Roon A; Wit B; Hagen-Lenselink R; van Duijkeren E; Dierikx C; Hengeveld P; Franz E; Bouw E; van der Meij A; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-06-14)
      Dieren kunnen verwekkers van ziekten bij zich dragen die op mensen kunnen worden overgebracht (zoönosen). In 2016 hebben het RIVM en de NVWA onderzocht of melkgeiten en melkschapen zulke ziekteverwekkers bij zich dragen; soms is dat ook bij veehouders, gezinsleden en medewerkers gedaan. Deze ziekteverwekkers veroorzaken meestal diarree maar soms kunnen de infecties ook ernstiger verlopen. Uit het onderzoek blijkt dat een paar ziekteverwekkers vaak op melkgeiten- en melkschapenbedrijven voorkomen. De gevonden bacteriën zitten in de darmen van de dieren en komen zo in de mest terecht. Een kleine hoeveelheid mest kan rauw te drinken melk of rauwmelkse kaas al besmetten. Daarnaast kunnen bezoekers van deze bedrijven besmet raken als zij contact hebben met de dieren of hun omgeving. Een besmetting kan worden voorkomen door alle melk gepasteuriseerd te consumeren of te verwerken. Bezoekers kunnen de kans op ziekte verkleinen door hun handen te wassen als ze in contact zijn geweest met de dieren of hun omgeving. Vooral de bacteriën STEC en Campylobacter zijn in hoge mate aangetroffen. STEC kwam op vrijwel alle onderzochte bedrijven voor. Campylobacter is aangetoond op 33 procent van de geiten- en op 95,8 procent van de schapenbedrijven. Bij de veehouders en gezinsleden zijn deze bacteriën veel minder gevonden. Listeria kwam in mindere mate voor? op 8,8 procent van de geiten- en 16,7 procent van de schapenbedrijven, en niet bij de mensen. Het is wel een relevante ziekteverwekker omdat rauwmelkse zachte kaas hiervoor de belangrijkste infectiebron voor mensen is. Salmonella werd niet gevonden op melkgeitenbedrijven, maar wel op 12,5 procent van de melkschapenbedrijven. Op de meeste bedrijven werd alleen een type Salmonella gevonden dat niet overgedragen wordt op de mens. ESBL-producerende bacteriën, die ongevoelig zijn voor veel antibiotica, werden aangetoond op 1,7 procent van de geitenbedrijven en 4,2 procent van de schapenbedrijven. Daarnaast werd hij bij 6,8 procent van de mensen aangetroffen. Dit percentage is niet hoger dan bij de algemene bevolking.
    • Towards a policy decision on Aedes japonicus : Risk assessment of Aedes japonicus in the Netherlands

      Stroo A; Ibanez-Justicia A; Braks M; D&V; Z&O (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-07-10)
      The Dutch government wants to limit the risk for local transmission of mosquito-borne diseases and therefore aims to limit the establishment of invasive exotic mosquitoes in the Netherlands. At the request of the Ministry of Public Health, RIVM and CMV have investigated which approach is appropriate for the Asian bush mosquito, Aedes japonicus. An effective approach requires a tailor-made method and requires choices. Which choices are made depends on the chance of transmission of diseases by a specific mosquito species, the effect of the control and the costs thereof. In the Netherlands, mosquitoes do not form a major problem as vectors of human diseases at the moment. To become problematic, two preconditions are required. There must be human biting mosquitoes that are able to transmit pathogens, and there must be pathogens that can be transmitted by mosquitoes. In the Netherlands such pathogens are rare. In addition, in the Netherlands mosquitoes are not well able to transmit pathogens. The establishment of specific exotic mosquitoes could increase the risk of transmission of pathogens in the Netherlands. The Asian bush mosquito was discovered in the Netherlands in 2012 and was found present in large parts of Lelystad. In recent years, the area, where this species is present, has expanded. This makes it increasingly difficult to fight the mosquito and the costs for the control increase. On the other hand, the risk of transmission of pathogens by Asian bush mosquito is small. This mosquito does not play an important role in outbreaks of mosquito-borne diseases. Only under specific conditions in the laboratory and field can Asian bush mosquito transmit pathogens. Worldwide only a few patients are known who may have become ill through this mosquito. The risk of the Asian bush mosquito in the Netherlands is comparable to that of a number of native mosquito species. The Asian bush mosquito provides a small added risk of spreading diseases in the Netherlands.
    • Verkenning van de microbiologische risico's van mest voor de gezondheid : Op basis van een systematisch literatuuronderzoek

      Dam-Deisz WDC; Hoeksma P; Broek I van den; Dam-Deisz WDC; Schmitt H; Dam-Deisz WDC; MLU; Z&O (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-10-30)
      In dit literatuuronderzoek is verkend welke gezondheidsrisico's er zijn door blootstelling aan ziekteverwekkers die via mest worden verspreid. Er werden weinig studies gevonden over de eventuele gevolgen voor de gezondheid als mensen via water en lucht aan ziekteverwekkers uit mest worden blootgesteld. De infectierisico's door blootstelling via de lucht lijken kleiner te zijn dan via het oppervlaktewater. De onderzochte wateren luchtoverdraagbare ziekteverwekkers zijn vaak aanwezig in mest. Het aantal ziekteverwekkers neemt af als mest wordt verwerkt, bijvoorbeeld door compostering, vergisting en biologisch zuiveren. Hoe groot de afname is, is sterk afhankelijk van de omstandigheden waaronder het mestverwerkingsproces plaatsvindt, zoals de temperatuur en het vocht- en zuurstofgehalte. Ook is de duur van het mestverwerkingsproces van groot belang. Mestverwerking wordt ingezet om overschotten van mest te verwerken of om nieuwe producten te maken en deze eventueel te exporteren. In dit rapport is de wetenschappelijke literatuur doorzocht naar aantallen ziekteverwekkende bacteriën in mest van varkens en rundvee. Ook is onderzocht in welke mate deze ziekteverwekkers in het oppervlaktewater en de lucht terechtkomen, en wat de eventuele gezondheidsrisico's kunnen zijn. De focus lag in deze verkenning op de ziekteverwekkende variant van de E. coli-bacterie en de bekende resistente bacterie MRSA, omdat deze bacteriën goed in water respectievelijk lucht kunnen overleven. Deze verkenning is uitgevoerd in opdracht van het Programmacollege Gezondheid en Milieu en is gefinancierd door het Ministerie van VWS. Het project is uitgevoerd door het RIVM en Wageningen UR (Livestock Research). Inzicht in de uitstoot van ziekteverwekkers via mest naar het milieu, de eventuele toe- of afname van ziekteverwekkers in mest en de mate van blootstelling daaraan is belangrijk om eventuele risico's voor de gezondheid in te kunnen schatten.
    • Vossenlintwormonderzoek in Groningen en Drenthe : 2016-2017

      Maas M; van Roon A; Broek I van den; Franssen FFJ; Takumi K; de Melker HE; D&V; Z&O (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-12-05)
      The National Institute for Public Health and the Environment (RIVM) has investigated the spread and incidence of the fox tapeworm in the north-east of the Netherlands. From 1 October 2016 to 31 March 2017, 171 red foxes in the provinces of Groningen and Drenthe were examined. The fox tapeworm was discovered in two foxes, both of which originated from the province of Groningen. This is in accordance with the results from previous studies, although the area in which the fox tapeworm is prevalent seems to have expanded slightly. The fox tapeworm (Echinococcus multilocularis) is a parasite that occurs in foxes. If humans ingest the eggs of the fox tapeworm, they can develop a disease known as alveolar echinococcosis, a severe disease of the liver. In the Netherlands, the tapeworm has so far been found in foxes in Limburg and East Groningen.
    • Zoönotische pathogenen bij de wasbeerhond en wasbeer in Nederland

      Maas M; Mulder J; Montizaan M; Dam-Deisz WDC; Jaarsma RI; Takumi K; van Roon A; Franssen FFJ; van der Giessen JWB; Z&O (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-03-06)
      De wasbeerhond en de wasbeer worden in Nederland steeds vaker waargenomen, vooral in het oostelijke grensgebied. De komst van nieuwe diersoorten als deze kan ziekteverwekkers (her)introduceren of invloed hebben op de mate waarin reeds aanwezige ziekteverwekkers voorkomen. Zo leggen wasbeerhonden grote afstanden af en kunnen ze zich in meerdere leefomgevingen handhaven. Zowel wasbeerhonden als wasberen kunnen ziekteverwekkers bij zich dragen waar mensen ziek van kunnen worden. Bij onderzoek in 2014-2015 werd bij één van negen onderzochte wasbeerhonden Trichinella spiralis gevonden en bij één wasbeerhond Echinococcus multilocularis. Daarnaast is bij twee wasberen, die eind 2014 dood werden gevonden in de omgeving van Doetinchem, Baylisascaris procyonis aangetoond. Daarom heeft het RIVM in 2016-2017 12 wasbeerhonden en 5 wasberen onderzocht om meer inzicht te krijgen in de mate waarin een aantal ziekteverwekkers voorkomt: Echinococcus multilocularis (vossenlintworm), Trichinella spp. en Francisella tularensis bij wasbeerhonden en Baylisascaris procyonis (wasberenspoelworm) bij wasberen. Vossenlintworm, Trichinella spp. en Francisella tularensis zijn niet gevonden. Bij één wasbeer is Baylisascaris procyonis aangetroffen. De wasbeer was afkomstig uit Limburg. Het is nog onduidelijk of de wasberen die worden gevonden in Nederland uit wilde populaties komen of dat ze ontsnapte of losgelaten huisdieren zijn. Dit maakt het lastig om de vondst van Baylisascaris procyonis in Limburg (Elsloo) te duiden. Bij besmette wasberen worden spoelwormeieren via de ontlasting uitgescheiden in de omgeving, waar zij lange tijd kunnen overleven. Wanneer mensen deze eieren binnenkrijgen, ontwikkelen zich larven die zich door het lichaam kunnen verplaatsen naar onder andere de hersenen en dan neurologische klachten kunnen veroorzaken. Die kans lijkt nu nog klein, maar meer inzicht in de verspreiding van besmette wasberen is van groot belang om een goede risico-inschatting te maken.