• Bron- en effectgericht milieubeleid in samenhang - Berekening van effectgerichte emissiereduktiepercentages voor prioritaire stoffen op grond van milieukwaliteitsdoelstellingen ten opzichte van 1992-emissies

      Paardekooper EM; Ros J; Montfoort J; Annema JA; Booij H; Bijstra D; Voortman B; Peijnenburg WJGM; Grinsven JJM van; Lijzen JPA; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1996-09-30)
      An important policy instrument for reducing the emissions of priority substances was the setting of national emission reduction targets for the year 2000 (reference year 1985). For example, emissions of the heavy metals, lead and mercury to water in 2000 must be reduced by 70% of their 1985 levels. These targets are based on expert judgement on environmental problems and technology potential but mainly on international agreements. The national targets are only partly based on a quantified relationship between emission levels and the desired environmental quality standards. The aim of this RIVM study was to derive emission reduction percentages for policy target groups (like industry, traffic and refineries), which are solely based on the desired environmental quality standards. Calculations were made for emissions to air, wastewater discharges and releases to soil. Furthermore, the sensitivity of the results for the different policy assumptions and for the calculation methods was analysed. It was found that emission reduction on national scale is necessary for the following substances: ethene, copper, mercury, zinc, particulate matter (<10T) and benzo(a)pyrene. To reach the desired environmental quality standards of these substances, several target groups will have to reduce emissions to air, wastewater discharges and/or releases to soil. For the other investigated priority substances, only a small number of target groups (often a few industrial plants) will have to reduce their emissions.
    • Bron- en effectgericht milieubeleid in samenhang - Berekening van effectgerichte emissiereduktiepercentages voor prioritaire stoffen op grond van milieukwaliteitsdoelstellingen ten opzichte van 1992-emissies

      Paardekooper EM; Ros J; Montfoort J; Annema JA; Booij H; Bijstra D; Voortman B; Peijnenburg WJGM; van Grinsven JJM; Lijzen JPA; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1996-09-30)
      Een van de doelstellingen binnen het thema 'Verspreiding' van het Nederlandse milieubeleid is het reduceren van de schadelijke milieu-effecten van prioritaire stoffen. Om dit te bereiken zijn nationale emissiereduktiedoelstellingen vastgesteld voor het jaar 2000 ten opzichte van de emissies in het basisjaar 1985. Deze emissiereduktiepercentages zijn gebaseerd op internationale afspraken, 'expert judgement', en technologische mogelijkheden. De percentages zijn dus maar ten dele gebaseerd op een kwantitatieve relatie tussen de emissieniveau's en de gewenste milieukwaliteitsdoelstellingen. Het doel van dit rapport is het afleiden van emissiereduktiepercentages voor prioritaire stoffen, die volledig zijn gebaseerd op milieukwaliteitsdoelstellingen. De percentages zijn bepaald met modelberekeningen op doelgroepniveau en gelden ten opzichte van de emissies in 1992. Hiermee wordt een relatie gelegd tussen milieudruk en milieukwaliteit. Tevens wordt een vergelijking gemaakt tussen de bestaande NMP-2 emissiereduktiedoelstellingen en de in dit rapport berekende doelstellingen. Uit de studie blijkt dat de emissies van veel prioritaire stoffen maar bij een beperkt aantal bronnen gereduceerd hoeven te worden. Emissiereducties bij enkele specifieke bedrijven of diffuse bronnen zijn dan voldoende om de gewenste milieukwaliteit te bereiken. Voor een beperkt aantal stoffen is wel sprake van grootschalige overschrijding van de milieukwaliteit, dikwijls in meerdere milieucompartimenten. Dit is veelal het gevolg van emissies bij meerdere doelgroepen. Om voor deze stoffen aan de gestelde milieukwaliteitseisen te voldoen zijn emissiereductiedoelstellingen op nationaal niveau wenselijk. Het betreft de stoffen: etheen, koper, kwik, zink, PAK's en fijn stof.<br>
    • Overdracht van zeldzame aardmetalen in de keten kunstmest - bodem - plant - vee en mens

      Janus JA; Rikken MGJ; Rutgers M; Booij H; Paardekooper EM; ACT; LAE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-12-31)
      Dit rapport bevat de resultaten van een inventariserend literatuuronderzoek naar de overdracht van zeldzame aardmetalen (ZA) in de keten kunstmest - bodem - voeder - en voedingsgewassen - vee en mens. Op grond van de hoeveelheid fosfaathoudende kunstmest die in Nederland wordt gebruikt en de geschatte ZA-gehalten in deze kunstmest wordt geconcludeerd dat de jaarlijkse toename van de ZA-gehalten in de bodem zeer gering is (0,01 promille tot 1 promille in vergelijking met de achtergrondgehalten). Voor voedergewassen respectievelijk voedingsgewassen liggen de bioconcentratiefactoren (BCF = C-gewas/C-grond ; beide gehalten op drooggewicht basis) voor ZA meestal tussen de 0,001 en 0,1 respectievelijk 0,0001 en 0,01. Deze BCF-waarden geven aan dat ZA in geringe mate worden geaccumuleerd, vooral in voedingsgewassen. De BCF-waarden voor ZA zijn gemiddeld genomen aanzienlijk lager dan die voor een aantal andere metalen, waaronder lood, zink en cadmium. Bij vee levert de consumptie van grond de belangrijkste bijdrage aan de inname van ZA. Bij de mens levert de consumptie van plantaardige produkten naar verwachting een grotere bijdrage aan de inname van ZA dan de consumptie van dierlijke produkten. Een kwantitatieve risicobeoordeling voor de mens is niet mogelijk vanwege het ontbreken van blootstellingsgegevens en vanwege het niet beschikbaar zijn van een TDI voor een aantal van de ZA. Op grond van de gegevens in dit rapport kan wel worden geconcludeerd dat het gebruik van kunstmest niet leidt tot een relevante verhoging van de (achtergrond)blootstelling aan ZA vanuit de voeding en dus ook niet tot een verhoogd risico.<br>
    • Stofstroomanalyse van zes zware metalen - Gevolgen van autonome ontwikkelingen en maatregelen

      Annema JA; Paardekooper EM; Booij H; Oers LFCM van; Voet E van der; Mulder PAA; LAE; CML (Centrum voor Milieukunde Leiden (CML)Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiene (RIVM)., 1995-04-30)
      In dit rapport worden de stofstromen door economie en milieu beschreven van zes zware metalen: koper, zink, lood, chroom, cadmium en kwik in het basisjaar 1990. Met behulp van scenarioberekeningen is het effect van het milieubeleid met aanvullende maatregelen op de stofstromen in 2010 geschat. De studie is uitgevoerd in opdracht van het ministerie van VROM, afdeling Stoffen, omdat de gestelde milieukwaliteitsnormen voor de geselecteerde zware metalen in een aantal milieucompartimenten en restprodukten (onder andere RWZI-slib en AVI-bodemas) wordt overschreden. Uit de studie blijkt dat het huidige milieubeleid tot reducties leidt, maar dat deze niet voldoende zijn om de gewenste milieukwaliteit te bereiken. Daarom worden (potentiele) aanvullende beleidsmaatregelen opgesomd, die volgens de berekeningen wel voldoende effectief zijn. Een nevendoelstelling van de studie was het bepalen van de effectiviteit van het milieubeleid voor wat betreft voorraadbeheer.
    • Stofstroomanalyse van zes zware metalen - Gevolgen van autonome ontwikkelingen en maatregelen

      Annema JA; Paardekooper EM; Booij H; Oers LFCM van; Voet E van der; Mulder PAA; Centrum voor Milieukunde Leiden (CML); Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiene (RIVM).; LAE; CML (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-04-30)
      In this study the substance flows of six heavy metals through economy and environment has been described for the year 1990. The considered metals are: copper, lead, zinc, chromium, cadmium and mercury. With scenario calculations, the effect of current environmental policy measures and additional measures on the substance flows in 2010 is determined. This investigation has been performed in order of the Ministery of Housing, Physical Planning and the Environment because concerning the objectives the environmental norms of the selected heavy metals are exceeded in different environmental compartments and products (like sewage sludge or incineration ashes). The study shows that current environmental policy leads to considerable reductions ; however not sufficient to reach the desired environmental quality. Therefore, the report gives a summary of additional policy measures, which are effective according to scenario calculations. Another objective of the investigation was to determine the effectivity of the environmental policy concerning the theme of squandering: the proper management of stocks of heavy metals.
    • Watersysteemverkenningen 1996; emissies naar lucht, en atmosferische depositie op Nederland en de Noordzee

      van Liere L; van Jaarsveld HJ; Ros JPM; Paardekooper EM; Elzenga HE; Beurskens JEM; Bleeker A; Booij H; Erisman JW; Hoogervorst NJP; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1997-03-31)
      Uitgaande van de gegevensset uit het TNO/RIVM rapport 'Calculation of atmospheric deposition of contaminants on the North Sea' werden voor enige stoffen aanvullende buitenlandse emissies verzameld en atmosferische depositie geevalueerd. Door het model PROMISE werd de atmosferische depositie toebedeeld naar de waterbelasting. Verder werd de emissiereductie berekend, die nodig was om milieukwaliteitsdoelstellingen te bereiken. Enige gevolgtrekkingen uit deze berekeningen: 1) Atmosferische depositie is een belangrijke bron van belasting van Noordzee en binnenwateren, met name voor persistente organische stoffen (PAK, PCB en bestrijdingsmiddelen en stikstof). Deze bijdrage wordt nog groter wanneer uit- en afspoeling deze stoffen op de bodem wordt meegenomen. Dit geldt met name voor stikstof. 2) De bijdrage aan de belasting van het water met zware metalen door Nederlandse emissies naar lucht is gering. 3) Nederlandse emissies naar lucht van PAK en PCB dragen ongeveer 10% bij aan de belasting van Noordzee en binnenwateren. 4) Ondanks de geringe bijdrage 'op eigen water' is Nederland een netto exporteur van stoffen via emissies naar lucht. 5) Nederlandse emissies van bestrijdingsmiddelen dragen aanzienlijk bij, via atmosferische depositie Noordzee en binnenwateren. 6) De atmosferische depositie van zware metalen daalt met 10-20% van 1990 tot 2000, uitgezonderd lood dat daalt met 50-60%. 7) De atmosferische depositie van PAK daalt met ongeveer 20% van 1990-2000. 8) De atmosferische depositie van stikstof (totaal) op water daalt met ongeveer 30% in 2000 t.o.v 1990. 9) De onzekerheid in de berekeningen varieert per stof, voor zware metalen is de onder- of overschatting 20-50%; voor NOx 30%; voor PAK een factor 200%; voor bestrijdingsmiddelen 500%.<br>