• Bepaling van theofylline (1,3-dimethylxanthine) in hondeplasma met behulp van reversed-phase vloeistofchromatografie

      Olling; M; Besamusca; P.; Rauws; A.G. (1985-02-28)
      In dit rapport wordt een snelle en nauwkeurige methode beschreven voor de bepaling van theofylline in plasma. Theofylline wordt uit plasma geextraheerd met chloroform/2-propanol en met behulp van reversed-phase hogedruk vloeistofchromatografie gescheiden en met spectrofotometrische detectie bepaald bij 273 nm. De nauwkeurigheid van de methode is 4%, de terugwinning is 100% en de ondergrens 0.1 mg/l plasma. De metabolieten van theofylline en andere xanthinederivaten storen de bepaling niet. Deze methode wordt thans toegepast bij biologische beschikbaarheidsexperimenten van theofylline-preparaten bij de hond.
    • Bepaling van valproinezuur in humaan plasma

      Olling; M.; Besamusca; P.; Rauws; A.G. (1985-02-28)
      In dit rapport wordt een gaschromatografische methode beschreven voor de bepaling van valproinezuur (dipropylazijnzuur) in humaan plasma. Valproinezuur wordt uit plasma geextraheerd met chloroform in zuur milieu, dat direct wordt ingespoten in de gaschromatograaf en gedecteerd met een vlamionisatie detector. Als interne standaard wordt het n-hexaanzuur gebruikt. Binnen het therapeutisch concentratiegebied (20-100 mg.1-1) zijn de lineairiteit en reproduceerbaarheid goed (5%). De terugwinning is 100 + 4% en de ondergrens is 0.5 mg.1-1.
    • Het effect van steenkoolopslag op grondwaterkwaliteit

      Glasbergen; P. (1984-12-31)
      De opslag in het verleden van steenkool heeft waarschijnlijk geleid tot verhoogde gehalten in het grondwater van een aantal macro- en microbestanddelen. In twee gevallen zijn thans nog sporen van deze opslag in het grondwater aanwijsbaar. In de situatie van Vlaardingen kan het grondwater slechts langzaam worden afgevoerd als gevolg van de bijzondere waterhuishoudkundige situatie. In Aalsmeer is waarschijnlijk juist in de afstroomrichting bemonsterd. Zowel in Leiden als Nijkerk kon mede door de redelijk tot goed doorlatende eigenschappen van de ondergrond geen aanwijzing van verontreiniging worden gevonden. In Aalsmeer is het sulfaat- en bicarbonaatgehalte hoog (resp. 410 tot 1696 mg/l), terwijl in Vlaardingen zeer hoge arseengehalten tot 165 mug/l zijn gevonden. Van de onderzochte zware metalen valt het nikkelgehalte van 22 mug/l in Aalsmeer te memoreren, hoewel dit landelijk gezien zeker geen uitzonderlijke waarde is.
    • Gedrag van gechloreerde koolwaterstoffen in de bodem ; resultaten van kolomproeven

      Lagas; P.; Snell; M.C.; Kappers; F.I.; Pool; W.G.; Berg; S. van den; (1986-09-30)
      Het gedrag van gechloreerde koolwaterstoffen in de bodem werd in het laboratorium onder gecontroleerde omstandigheden onderzocht met behulp van grondkolommen van 10 cm. In de kolommen werden profielen opgebouwd van een drietal verschillende grondsoorten: podzol, eerdgrond en veen, met organisch stof gehaltes van respectievelijk ca. 1%, 6% en 50%. Uit de resultaten is gebleken dat microbiologische afbraak een belangrijk proces van deze stoffen in de grond is. De processen vervluchtiging en adsorptie treden ook op maar zijn minder belangrijk dan afbraak. Waarschijnlijk Concluderend zou gesteld kunnen worden dat met name het gedrag van de speelt ook vorming van gebonden residuen (bound residues) een rol. alifatische koolwaterstoffen zorgwekkend is, in verband met potentiele risico's van uitspoeling naar het grondwater.
    • Het gedrag van het herbicide ATRAZINE in kolommen met twee onverzadigde Nederlandse bodemprofielen

      Loch; J.P.G.; Gestel; C.A.M.van; Lagas; P.; Wegman; R.C.C. (1985-01-31)
      Het gedrag van atrazine en metabolieten in de bodem is onderzocht m.b.v. 110 cm lange grondkolommen. De kolommen bevatten profielen van een kamppodzol- en een enkeerdgrond, met een grondwaterspiegel op 1 m diepte. Atrazine werd in de bovenste 2 cm van elke kolom ingemengd. Beregening van de kolommen duurde een jaar. Percolaat, gasfase en vaste fase van de kolommen werden frequent geanalyseerd op atrazine en 7 metabolieten. Tijdens percolatie spoelde uit de podzol 28% van de dosering uit als atrazine en twee metabolieten. Uit de eerdgrond werd geen uitspoeling waargenomen. In de podzol kolom werd na een jaar 9% van de dosering teruggevonden en in de eerdgrond 54%. Met behulp van een eenvoudig model voor front verplaatsing van verontreinigingen in de bodem wordt geconcludeerd dat onder Nederlandse veldomstandigheden met grondwaterspiegel op 1 m -m.v. voor geen van beide grondsoorten significante uitspoeling naar het grondwater zal plaatsvinden.
    • Het gedrag van het herbicide BENTAZON in kolommen met twee onverzadigde Nederlandse bodemprofielen

      Loch; J.P.G.; Gestel; C.A.M.van; Lagas; P.; Wegman; R.C.C. (1985-01-31)
      Het gedrag van bentazon en metabolieten in de bodem is onderzocht m.b.v. 110 cm lange kolommen. De kolommen bevatten profielen van een kamppodzol- en een enkeerdgrond, met een grondwaterspiegel op 1 m diepte. Bentazon werd in de bovenste 2 cm van elke kolom ingemengd. Beregening van de kolommen duurde een jaar. Percolaat van de kolommen werd frequent geanalyseerd op bentazon en 3 metabolieten. Na beeindiging van de percolatie werd het vaste bodemmateriaal geanalyseerd. Tijdens percolatie spoelde uit zowel podzol- als eerdgrond 57% van de dosering uit als bentazon. Concentraties van metabolieten in het percolaat lagen beneden de detectiegrens. In de vaste bodemfase werd in beide gronden <0,5% van de dosering teruggevonden. M.b.v. een eenvoudig model voor frontverplaatsing van verontreinigingen in de bodem wordt geconcludeerd dat onder Nederlandse veldomstandigheden met een grondwaterspiegel op 1 m-m.v. voor beide grondsoorten het risico van uitspoeling van bentazon naar het grondwater groot is.
    • Hemodynamische en respiratoire evaluatie van een onderhoudsanesthesie met enfluraan na verschillende inleidingsanesthesieen en onder verschillende experimentele omstandigheden bij de rat

      Wildt; D.J.de; Sangster; B.; Olling; M.; Blokhuizen; N.J.P.; Kuil; A.van de; et al. (1985-08-31)
      Uit het onderzoek blijkt dat een inleidingsnarcose met een gasmengsel van CO2/O2 in combinatie met een thoracotomie voor acute flowmetrische experimenten door sterke pulmonale verstoringen niet geschikt is. Een inleiding met enfluraan blijkt de meest aanvaardbare methode te zijn. Voor uitvoerige hemodynamische metingen met flowmetrische methoden is de "acute flowmetrie" in combinatie met een onderhoudsnarcose met enfluraan ongeschikt vanwege sterke cardiorespiratoire depressie. Uitvoerige hemodynamische analyse onder enfluraan anesthesie kan plaatsvinden met behulp van de "chronische flowmetrische" methode, waarbij de nadelige effecten van een thoracotomie niet aanwezig zijn. Een aanvaardbaar narcoseregiem onder deze omstandigheden is een inleiding met enfluraan (5%) met een onderhoudsanesthesie O2/N2O (1:2,5) en enfluraan (2,25%)
    • Inventarisatie van de mogelijkheden van opberging van niet-radioactieve afvalstoffen in een droge zoutmijn

      Glasbergen; P.; Obdam; A.; Meijer; P.J.; Lokhorst; A.*; (1986-11-30)
      Ondergrondse opberging wordt thans in het buitenland toegepast. De hoeveelheden afvalstoffen die voor berging in Nederland in aanmerking komen zijn geinventariseerd en er is een prognose voor de hoeveelheden omstreeks het jaar 2000 gemaakt. Minimaal zal dan een hoeveelheid van ruim een half miljoen ton/jr beschikbaar zijn. Ondergrondse opberging biedt een meervoudige barriere tegen verspreiding in de biosfeer. De scenario's die tot onverhoopt vrijkomen aanleiding kunnen geven zijn beschreven alsmede de consewuenties in globale zin. Uit indicatieve berekeingen blijkt dat zelfs na een waterinbreuk in de opbergmijn de verontreiniging zeer beperkt is.
    • Onderzoek betreffende de toepassing van alternatieve oxidatie- desinfectie-methoden bij de bereiding en distributie van drinkwater

      Hrubec; J.; Hart; M.J.&apos;t; Kool; H.J.; Marsman; P. (1984-12-31)
      De resultaten van het onderzoek naar de toepassing van Cl-2, ClO-2, O-3 en UV-bestraling hebben aangetoond dat uit het oogpunt van het voorkomen van vorming van schadelijke reactie produkten tijdens de waterbehandeling de UV-bestraling de voorkeur verdient omdat hierbij geen veranderingen in de chemische samenstelling en in de mutagene activiteit optreden. Voor de veiligheidsdesinfectie van het drinkwater met een laag gehalte aan organische stoffen biedt de toepassing van lage doseringen van ClO-2 een geschikt alternatief omdat hierbij geen verhoging van de mutageniteit werd gevonden en weinig of geen gehalogeneerde organische stoffen en chloriet werden gevormd. Bij de transport desinfectie met hoge ClO-2 doseringen werd de mutageniteit wel verhoogd en tevens kunnen hierbij vrij hoge chlorietconcentraties ontstaan.
    • Onderzoek naar radioactieve objecten en mogelijk contaminatie hiervan in het Museum Boerhaave te Leiden

      Kuile; C.R.ter; Glastra; P.; Dongen; R.van (1985-10-31)
      In het Boerhaave Museum te Leiden is door het Laboratorium voor Stralingsonderzoek van het RIVM een onderzoek uitgevoerd naar opgeslagen museummateriaal en een mogelijke contaminatie hierdoor van het museumgebouw. Uit het onderzoek bleek dat de besmetting ver beneden de toegestane norm ligt. Een tweetal bronnen zijn door het RIVM meegenomen voor een nader spectrometrisch onderzoek. Het bleken radiumbronnen te zijn met een activiteit van resp. 5,6 MBq (150 uCi) en 26 MBq (700 uCi). Berekeningen wijzen erop dat voor geen enkel lid van het personeel van het museum, de jaardosislimiet, welke geldt voor leden der bevolking, is overschreden.
    • Ringonderzoek bepaling residu-gehalte trichlooretheen en tetrachlooretheen in gereinigde grond uit de gemeente Oss

      Slingerland; P.; Luijten; J.A. (1986-01-31)
      In deze ringtest werden 5 bodemmonsters onderzocht, afkomstig uit een grondwal met gereinigde grond van het terrein Boschpoort in Oss. Voor tri- en tetrachlooretheen werden gemiddelde gehalten gevonden van resp. 1,6 (+ 1) en 2,4 (+ 2) mg/kg droge grond. De verschillen in analyse resultaat tussen de 9 deelnemende laboratoria zijn voornamelijk terug te voeren op de isolatietechniek, voorafgaande aan de gaschromatografische bepaling. Bij de gasextractie is er een duidelijk verband tussen de opbrengst enerzijds en temperatuur en doorgeleid gasvolume anderzijds. Het beste resultaat is verkregen door extractie met zwavelkoolstof of methanol. De restgehalten aan tri- en tetrachlooretheen per grondmonster blijken consistent methode afhankelijk te zijn, hetgeen duidt op een goede homogeniteit per in behandeling genomen monster, maar heterogeniteit tussen de afzonderlijk onttrokken monsters. Een representatief mengmonster zal uit minimaal 24 submonsters moeten bestaan.
    • Sorptie van chloorfenolen in de bodem

      Lagas; P.; Snell; M.C.; Wytzes; H.; (1986-10-30)
      Het sorptieproces alsmede de kinetiek van sorptie van chloorfenolen in natuurlijke en synthetische grondsoorten werd bestudeerd met behulp van laboratoriumexperimenten. Uit de resultaten bleek dat sorptie van chloorfenolen kan worden beschouwd als tweestapsproces. De eerste stap verloopt snel. De tweede stap verloopt langzaam. In kalkrijke gronden kan fenolaatsorptie van tetrachloor- en pentachloorfenol een rol spelen. Uit de resultaten blijkt dat potentiele mogelijkheden van uitspoeling van alle chloorfenolen aanwezig zijn bij kalkhoudende en humusarme gronden, zoals kleigrond, podzol en duinzand.
    • De verontreiniging van het grondwater in de omgeving van de katalysatorberging van DSM

      Glasbergen; P.; Kusse; A.A.M. (1985-12-31)
      Tot 1973 is door DSM een katalysator die o.a. uraanantimoonoxide bevatte met proceswater geloosd in een bezinkvijver in een voormalige bruinkoolgroeve. In 1979 was er sprake van een ernstige grondwaterverontreiniging. In 1983 bleek dat de verspreiding in het grondwater bepaald werd door een opbolling in de grondwaterspiegel aan de noordwestzijde van de berging en de aanwezigheid van watervoerende grindlagen. Uit een boring in de stort zelf bleek dat het waterpeil fluctueerde en dat er een relatie tussen deze fluctuaties en de neerslag bestond. De tot medio 1985 beschikbaar gekomen gegevens zijn in het voorliggende rapport verwerkt. Hoewel in sommige putten de verontreiniging afneemt is aan de zuidwestzijde een duidelijke toename geconstateerd. In de door de stort heen voortgezette boring is in het grondwater antimoon aangetroffen in concentraties van meer dan 40 microgram/l. De geologische interpretatie van deze laatste boring wijst op de aanwezigheid van een met zand gevulde geulvormige structuur, die midden onder de berging doorloopt.
    • Voorschriften voor bodemanalyse

      Lagas; P.; Berg; S.van der; Dordrecht; P.van; Mesters-Bakhuys; H. (1986-09-03)
      Deze voorschriftenbundel bevat voorschriften voor chemische-, fysische- en mineralogische analyses van bodemmateriaal. Daarnaast enkele voorschriften van grondwateranalyses zowel voor laboratorium- als voor veldmethoden. Deze analyses kunnen worden uitgevoerd door de Sectie Bodemanalyse van het Laboratorium voor Bodem- en grondwateronderzoek, t.b.v. bodemprojecten. In dit rapport worden geen voorschriften vermeld voor de analyse van zware metalen en organische microverontreinigingen in bodemmateriaal omdat dergelijke analyses worden uitgevoerd binnen resp. het laboratorium voor Anorganische Chemie (LAC) en het laboratorium voor Organische Chemie (LOC) van het RIVM. Hoewel een aantal analyse methoden nog niet volledig onderzocht is, hebben we deze toch opgenomen in deze bundel. Deze voorschriften dienen dan als basis om verder te werken aan verbetering van deze methodieken. In de eerste plaats is deze bundel dan ook bedoeld voor intern gebruik.
    • Winningsmogelijkheden van grondwater in Het Gooi en Eemgebied. Deelrapport 1: Hydrologische basisgegevens

      Snelting; H.; Groenewoud; P. (1987-01-31)
      Met name ten gevolge van de grondwaterwinning in Het Gooi is de afstroming van grondwater naar de randgebieden sterk verminderd en het beleid van de provincie is er dan ook op gericht om de winningen van grondwater te verminderen. Het doel van het onderzoek is om de mogelijkheden hiertoe te bestuderen en de effecten van de winningen op de betrokken belangen aan te geven. De te bouwen rekenmodellen vergen onder andere inzicht in de opbouw van de ondergrond en in de grondwaterstanden in het gebied.
    • De winningsmogelijkheden van zeer zout grondwater uit de Mergel van Brussel te Nieuweschans

      Glasbergen; P. (1985-06-30)
      Door B&W van Nieuweschans is verzocht een berekening te maken van de aanwendbare watervoorraad in de Mergel van Brussel te Nieuweschans. Uit put- en pompproeven kon het doorlaatvermogen worden afgeleid. Uit uitgebreide chemische en isotopenanalyses blijkt dat in de betrokken laag extreem zout water voorkomt, dat zijn ontstaan dankt aan stroming van grondwater langs een nabijgelegen zoutkoepel. Het water is tenminste 19000 jaar oud.