Recent Submissions

  • Counter-expertise on dose calculations for Pallas during normal operation

    den Outer, P; de Bode, M (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2024-05-22)
    Eind 2022 zijn de voorbereidingen voor de bouw van een nucleaire reactor op het terrein van de Energy & Health Campus in Petten begonnen. Deze reactor, Pallas genaamd, is speciaal ontworpen om medische isotopen te maken en vervangt de huidige reactor. Deze isotopen zijn nodig voor medische diagnoses en behandelingen, zoals bij kanker. Wanneer de reactor in bedrijf gaat, zullen er via de schoorsteen radionucliden worden geloosd. Het RIVM heeft berekend wat de blootstelling aan deze radionucliden is voor omwonenden, en wat dan de stralingsdosis is. De stralingsdosis voor omwonenden blijkt heel laag te zijn: lager dan het zogeheten secundaire niveau van 10 microsievert per jaar. De stralingsdosis voor volwassenen aan de rand van het terrein is het hoogst ten oosten van de schoorsteen naast de hoofdweg (Westerduinweg). Deze bedraagt 0,15 microsievert per jaar. Ook is de stralingsdosis berekend voor de twee dichtstbijzijnde woonkernen, die op ongeveer twee kilometer van de schoorsteen liggen. De dosis is 0,011 microsievert per jaar in Petten en 0,014 in Sint Maartensvlotbrug, dit is minder dan een tienduizendste van de dosis door natuurlijke achtergrondstraling. Ongeveer 70 procent van de stralingsdosis komt van het edelgas isotoop Argon-41. Tritium draagt ongeveer 25 procent bij aan de stralingsdosis. De overige 5 procent betreft andere nucliden. Het RIVM heeft deze berekeningen in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) uitgevoerd. De berekeningen zijn gebaseerd op de informatie van de ANVS over de verwachte uitstoot. De opdracht is een 'contra-expertise' op de berekeningen van het bouwconsortium.
  • Toelichting over RIVM onderzoek LD-staalslakken

    Broekman, M (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2024-05-21)
    Op 19 april 2023 publiceerde het RIVM een rapport over een literatuurstudie van de milieuhygiënische kwaliteit van LD-staalslakken. LD-staalslakken ontstaan als reststroom bij de staalproductie. Dit gebeurt op wereldwijde schaal en in Nederland bij Tata Steel IJmuiden. Adviesbureau TAUW heeft (in opdracht van Pelt & Hooykaas) een second opinion gedaan op deze literatuurstudie. Op verzoek van de Inspectie Leefomgeving en Transport is het RIVM om een schriftelijke reactie daarop gevraagd. Deze reactie staat in dit document beschreven.
  • Programmatische Aanpak Meten Vliegtuiggeluid (PAMV): Validatie Doc.29-model voor Schiphol

    Sahai, A; Wartenberg, T; Mabjaia, N; Hogenhuis, R; Heblij, S; Vinkx, K (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2024-05-21)
    In Nederland zijn alle normen over vliegtuiggeluid gebaseerd op berekeningen. Omwonenden willen dat de overheid meer gebruikmaakt van metingen, omdat zij die meer vertrouwen. Dit vertrouwen kan worden vergroot door met metingen te controleren of de rekenmodellen kloppen (valideren). Om te kijken hoe zo'n systeem ingericht kan worden, zijn in dit onderzoek de uitkomsten van berekeningen en metingen van vliegtuiggeluid rond Schiphol vergeleken. Bij een hoge geluidbelasting blijken de berekeningen en metingen vrij goed overeen te komen. De geluidbelasting is het geluidniveau van vliegtuigen keer het aantal overvliegende vluchten. De geluidbelasting in Lden is de gemiddelde geluidbelasting over een jaar gewogen over een periode van 24 uur. Bij een hoge geluidbelasting bleek het verschil tussen meten en rekenen per meetpost minder dan 2 decibel Lden. Dat maakt de berekeningen voor een hoge geluidbelasting betrouwbaar. De Lden is een geluidmaat voor de jaargemiddelde geluidbelasting. Het geeft in principe een waarde voor de gewogen jaargemiddelde etmaal belasting. Bij lage geluidbelasting is het verschil tussen meten en rekenen groter. Dat komt onder andere omdat er weinig betrouwbare meetdata van lage geluidniveaus zijn. De meetpunten rond Schiphol meten veel vluchten met een laag geluidniveau namelijk niet. Hierdoor wordt een flink aantal vliegbewegingen met een laag geluid niet geregistreerd. Dit geldt bijvoorbeeld voor plaatsen die verder weg van Schiphol liggen. In dit onderzoek zijn de berekeningen gedaan met het zogeheten Doc.29-rekenmodel. De resultaten van de metingen zijn verzameld via meetposten van Schiphol (het NOMOS-meetnetwerk). Van alle meetposten van dit netwerk is gekeken welke geschikt zijn voor de validatie. Hiervoor zijn criteria gebruikt die eerder zijn bepaald voor de nationale meetstrategie PAMV (Programmatische Aanpak Meten Vliegtuiggeluid). Meer onderzoek is nodig om de oorzaken van de gevonden verschillen te verklaren. Aanbevolen wordt te onderzoeken welk effect de beperkte meetdata van lage geluidniveaus heeft op de resultaten. Ook adviseren we uit te zoeken hoe deze geluidniveaus beter kunnen worden gemeten. Een consortium van het RIVM, het Nederlands Lucht- en Ruimtevaartcentrum (NLR) en adviesbureau To70 heeft dit onderzoek gedaan. Aanleiding was een aanbeveling uit 2019 om de kwaliteit van de berekeningen van vliegtuiggeluid te beoordelen. Met de uitkomsten van dit onderzoek is ook de eerste stap gezet om een validatieprogramma op te zetten dat lange tijd en structureel de rekenresultaten met metingen controleert.
  • Samen meten aan geluid en beleving rond de luchthaven Schiphol. Een verkennend citizen science-onderzoek naar kortetermijnhinder in het kader van de Programmatische Aanpak Meten Vliegtuiggeluid

    Devilee, J; Mabjaia, N; Volten, H; Haaima, M; Sahai, A; Reedijk, M; Van Kempen, E; Schipper, M (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2024-05-21)
    Met citizen science doen burgers en wetenschappers samen onderzoek. Burgers doen bijvoorbeeld zelf metingen of verzamelen informatie. Dit kan een aanvulling zijn op gangbare onderzoeken om hinder door vliegtuiggeluid te bepalen. In deze onderzoeken wordt vooral gekeken naar de gevolgen van langdurige blootstelling. Citizen science geeft waardevol inzicht in hinder op de korte termijn (per dagdeel). Het RIVM heeft met citizen science-onderzoek de invloed van andere onderdelen van de blootstelling onderzocht. Dit geeft meer inzicht in de kortetermijnhinder. Het onderzoek bevestigt dat de mate van hinder door vliegtuigen niet alleen wordt bepaald door het geluidniveau. Ook andere factoren hebben daar invloed op, zoals het aantal vliegtuigpassages per uur of het aantal luide passages van vliegtuigen. Vernieuwend aan het onderzoek is dat gegevens met een app worden verzameld. Hiermee kunnen burgers makkelijk gegevens doorgeven, waardoor snel veel gegevens verzameld kunnen worden. De app maakt het mogelijk om op een efficiënte manier onderzoek met korte vragenlijsten te herhalen. Dit kan beleidsmakers veel waardevolle inzichten geven. Er blijken mogelijkheden te zijn om de kwaliteit van de door de deelnemers verzamelde data te verbeteren. In dit onderzoek is er maar bij een beperkte groep deelnemers onderzoek gedaan. Met meer deelnemers kan hinder nog beter onderzocht worden. Daarnaast moet de plaats waar de meetpunten van de deelnemers staan zorgvuldiger worden gekozen. Want het is belangrijk dat andere geluidbronnen, zoals auto's, de metingen van vliegtuiggeluid zo min mogelijk beïnvloeden. Voor het onderzoek gaven twee groepen van veertien mensen vier keer per dag informatie door over de mate waarin zij, terugkijkend op een dagdeel, gehinderd waren. Bovendien gaven zij onder meer het aantal vliegtuigen aan en hoe hoog het geluidniveau naar hun idee was. Deze resultaten zijn vergeleken met data van overkomende vluchten. Het onderzoek is gedaan met mensen die aan hard geluid door vliegtuigen blootstaan of daar gevoeliger op reageren.
  • Programmatische Aanpak Meten Vliegtuiggeluid (PAMV): Toepassingsbereik metingen en berekeningen van vliegtuiggeluid

    Sahai, A; Mabija, N; Wartenberg, T; Heblij, S; Hogenhuis, R; Vinkx, K (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2024-05-21)
    In Nederland zijn alle normen over vliegtuiggeluid gebaseerd op berekeningen. Metingen van vliegtuiggeluid zijn vooral informatief. Maar burgers hebben meer vertrouwen in metingen en willen dat de overheid ze meer gebruikt. Alleen kunnen metingen worden verstoord waardoor ze beperkingen hebben. Ook zijn ze verder weg van het vliegveld minder betrouwbaar. Daarom is onderzocht tot welke afstand van een vliegveld en geluidbelasting de metingen én berekeningen betrouwbaar zijn; in jargon heet dat het toepassingsbereik. Dit is gedaan door te bepalen tot welke hoogte van het geluid het toepassingsbereik betrouwbaar is. Uit het onderzoek bleek dat de geluidbelasting beter aangeeft welke hoeveelheid geluid te horen is dan de afstand tot het vliegveld. Daarom is het toepassingsbereik uiteindelijk in geluidbelasting bepaald. Voor berekeningen is het geluid berekend dat vliegtuigen een jaar lang gemiddeld rond Schiphol produceren. Hieruit blijkt dat het rekenmodel betrouwbare resultaten geeft bij een hoge geluidbelasting, tot ongeveer 50 decibel Lden. De geluidbelasting is het geluidniveau van vliegtuigen keer het aantal overvliegende vluchten. De geluidbelasting in Lden is de gemiddelde geluidbelasting over een jaar gewogen over een periode van 24 uur. Voor lage geluidniveaus is niet duidelijk hoe betrouwbaar de berekende resultaten zijn. Er zijn namelijk niet genoeg metingen van lage geluidniveaus om de berekeningen mee te kunnen vergelijken. Voor metingen is een toepassingsbereik bepaald van 40 tot 45 decibel Lden. Het toepassingsbereik kan niet preciezer worden bepaald omdat er weinig gegevens over lage geluidniveaus zijn. De analyse van de metingen is gedaan voor twee luchthavens: Schiphol en Eindhoven Airport. Een van de aanbevelingen is te onderzoeken welk effect de beperkte meetdata van lage geluidniveaus heeft op de resultaten. Ook wordt geadviseerd uit te zoeken hoe deze geluidniveaus beter kunnen worden gemeten. Een consortium van het RIVM, het Nederlands Lucht- en Ruimtevaartcentrum (NLR) en adviesbureau To70 heeft dit onderzoek gedaan. Zij deden dat voor de Programmatische Aanpak Meten Vliegtuiggeluid (PAMV), in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW).
  • Westnijlvirus in Nederland. Surveillance en Respons 2021-2023 Eindrapport

    van Ewijk, C; Feenstra, S; ter Bogt-Kappert, C; Braks, M; Franz, E; Geurts van Kessel, C; Graham, H; Gröne, A; Holwerda, M; Koopmans, M; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2024-05-20)
    Het westnijlvirus veroorzaakt westnijlkoorts. Dit virus komt voor bij vogels en wordt overgebracht door muggen die zich voeden met bloed van besmette vogels. Deze muggen verspreiden het virus naar andere vogels, en soms ook naar mensen en zoogdieren, zoals paarden. In 2020 zijn enkele mensen in Nederland besmet geraakt. Dat was de aanleiding om een 'surveillance'-project op te zetten om inzicht te krijgen hoe vaak het westnijlvirus in Nederland voorkomt. Wanneer een mens besmet raakt, worden artsen en bewoners van gebieden waar het virus is gevonden geïnformeerd. Vanwege de dier op mens besmetting is belangrijk dat artsen uit de gezondheidszorg en dierenartsen met elkaar samen werken (one health). Het virus is tussen 2021 en 2023 in de gaten gehouden. In deze jaren zijn in Nederland geen infecties bij mensen aangetoond, wel bij enkele dieren (kippen, een paard en een blauwe reiger). Het type virus waarmee de reiger was geïnfecteerd, was bijna hetzelfde als het virus uit 2020. Dit toont aan dat het westnijlvirus tussen 2021 en 2023 nog wel in Nederland circuleerde. Het is belangrijk om dit virus ook de komende jaren in Nederland in de gaten te houden. Dan kan snel worden gehandeld mocht iemand van dit virus ziek worden. Een werkgroep gaat uitwerken hoe dat de komende jaren het beste kan worden georganiseerd. Het is in ieder geval belangrijk de samenwerking tussen de verschillende betrokken partijen te behouden. De meeste mensen worden niet ziek van een infectie met het virus. Ongeveer 1 op 5 van de besmette mensen krijgt milde griepachtige symptomen zoals koorts, hoofdpijn en spierpijn. Slechts een klein deel (1 procent) van de besmette mensen krijgt een ernstige ziekte zoals hersenvliesontsteking of hersenontsteking.
  • Inventory of reusable food contact materials on the Dutch market as alternatives to single-use plastics and an evaluation of possible safety issues

    McKeon, H; Fransen, L; de Jonge, R; Hendriks, H (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2024-05-17)
    De Europese Unie wil de schadelijke effecten van plastic zwerfafval voor het milieu stap voor stap tegengaan. Zo zijn sinds 2021 verschillende soorten plastic producten verboden die één keer worden gebruikt en daarna weggegooid - de zogeheten Single Use Plastics (SUP). In plaats van deze producten zijn er nu veel herbruikbare producten op de Nederlandse markt, zoals rietjes, drinkflessen en koffiebekers van siliconen, roestvrijstaal (RVS) of herbruikbaar plastic. Het RIVM heeft geïnventariseerd welke herbruikbare voedselcontactmaterialen in Nederland op de markt zijn en van welke materialen ze zijn gemaakt. Daarna is op een rij gezet welke stoffen uit deze materialen zouden kunnen vrijkomen. Ook is gekeken hoe hygiënisch het is om bijvoorbeeld een koffiebeker verschillende keren te gebruiken. Verder is gekeken of het type materiaal het lichaam kan beschadigen. Uit het onderzoek blijkt dat plastic, RVS en siliconen de meest gebruikte materialen zijn. Literatuuronderzoek lat zien dat uit deze materialen onder bepaalde omstandigheden verschillende stoffen kunnen vrijkomen. Het RIVM adviseert om gerichter onderzoek te doen naar mogelijke schadelijke effecten van 20 stoffen, zoals melamine en dibutylftalaat. Deze stoffen zijn geselecteerd op basis van hun schadelijke eigenschappen en de kans dat ze ook echt uit het materiaal vrijkomen. Het RIVM heeft daarbij aangegeven welke materialen en stoffen het eerst moeten worden onderzocht. Als je een herbruikbaar product regelmatig schoonmaakt, is de kans klein om bijvoorbeeld ziek te worden van bacteriën. Als mensen een drinkfles delen met anderen, is dat wel mogelijk. Goede hygiëne is dan belangrijk. Lopen of rennen met een herbruikbaar product als metalen rietjes kan, vooral bij jonge kinderen, letsel veroorzaken. Het RIVM heeft dit onderzoek in opdracht van de Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit (NVWA) gedaan.
  • Recycling of solar panels. Comparison of scenarios for a more circular and safe product chain

    Lijzen, JPA; Heens, F; Dekker, E; van Bodegraven, M; Hof, M (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2024-05-15)
    Nederland streeft naar een circulaire economie in 2050. Een onderdeel daarvan is grondstoffen en materialen recyclen, zoals zonnepanelen. Op dit moment worden grondstoffen uit zonnepanelen na gebruik nog niet teruggewonnen. Naar verwachting zullen over ruim vijf jaar de eerste grote hoeveelheden zonnepanelen als afval vrijkomen. Het is belangrijk om hierop voorbereid te zijn en ze veilig en duurzaam te kunnen recyclen. Er zijn verschillende technologieën in ontwikkeling om zonnepanelen te recyclen. Het RIVM heeft vier mogelijkheden uitgewerkt om het glas, de zonnecellen en het achterblad ervan te recyclen. De teruggewonnen materialen uit zonnepanelen kunnen opnieuw worden gebruikt als grondstof voor verschillende toepassingen. In dit onderzoek is gekeken is welke mogelijkheden in de praktijk uitvoerbaar lijken en hoe milieuvriendelijk ze zijn. De vier varianten zijn vergeleken met de huidige situatie (de basisvariant). Daarin wordt vermalen glas van zonnepanelen als schuurmiddel in de metaalindustrie gebruikt en daarna verwerkt in bijvoorbeeld funderingsmateriaal voor wegen. Uit de analyse blijkt dat alle vier de varianten meer circulair en milieuvriendelijker zijn dan de basisvariant. Het energiegebruik verschilt iets per variant maar is veel lager dan dat van de basisvariant. Dat komt onder andere doordat het meer energie kost om nieuwe grondstoffen voor zonnepanelen te maken dan met gerecyclede grondstoffen te werken. Het meest circulair is de variant waarin van glas nieuw glas voor zonnepanelen wordt gemaakt. In deze variant kan ook de grondstof silicium worden herwonnen voor nieuwe zonnecellen. Dit is technologisch ingewikkeld maar wel mogelijk. Bij de recycling is aandacht nodig voor gevaarlijke stoffen in zonnepanelen: lood, antimoon en PFAS. Lood zit in het soldeermateriaal en antimoon zorgt voor de helderheid van het glas. PFAS zitten als fluorpolymeren in het achterblad van zonnepanelen, waardoor bij verbranding PFAS kunnen vrijkomen. De manier van recyclen bepaalt of en hoe de stof vrijkomt en mens en milieu eraan kunnen worden blootgesteld. Het RIVM raadt het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) aan de technologische ontwikkelingen om zonnepanelen te recyclen, te stimuleren. Dan zijn over vijf jaar deze of vergelijkbare recyclingmogelijkheden haalbaar. Het RIVM beveelt IenW ook aan te stimuleren dat bij het ontwerp rekening wordt gehouden met recycling. Dit geldt bijvoorbeeld voor de manier waarop de zonnecellen aan het glas en het achterblad worden gelijmd. Verder is het belangrijk om gevaarlijke stoffen zo min mogelijk te gebruiken. Zonnepanelen zonder lood en zonder PFAS zijn al te koop.
  • Evaluatie maatregelen bescherming drinkwaterbronnen. Landelijke beeld van de uitvoeringsprogramma's bij gebiedsdossiers drinkwaterwinningen

    As, KS; van der Aa, NGFM; Ambaum, M (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2024-05-15)
    In Nederland halen we ons drinkwater uit twee bronnen: grondwater en rivierwater. Als de kwaliteit daarvan goed is, is weinig zuivering nodig om schoon drinkwater te maken. Maar in veel gebieden is de waterkwaliteit niet goed genoeg, bijvoorbeeld doordat er resten van bestrijdingsmiddelen of meststoffen in zitten. De provincies en Rijkswaterstaat werken daarom met drinkwaterbedrijven, waterschappen en boeren aan maatregelen om de waterkwaliteit rondom drinkwaterwinningen te verbeteren. Uit RIVM-onderzoek blijkt dat deze maatregelen de problemen waarschijnlijk niet gaan oplossen. Daarvoor zijn verschillende redenen. De meeste maatregelen brengen risico's in kaart of helpen de samenwerking tussen betrokken partijen verbeteren. Bijvoorbeeld door af te spreken wie wat doet bij onderhoud van leidingen of door samen noodplannen te oefenen. Deze maatregelen zijn belangrijk, maar zorgen er niet meteen voor dat er minder vervuilende stoffen naar het grond- en oppervlaktewater wegspoelen. Ook zijn er maar weinig maatregelen die dat wel direct verminderen. Denk aan herzieningen van vergunningen voor bedrijven om vervuilende stoffen te lozen. Of minder mest en bestrijdingsmiddelen gebruiken bij landbouw rondom drinkwaterwinningen. Meedoen aan maatregelen is vaak vrijwillig. Door tegengestelde belangen, worden maatregelen vaak afgezwakt. Ook zijn sommige maatregelen die wel goed werken voor provincies te duur om uit te voeren. Verder is voor bepaalde problemen niet duidelijk of de rijksoverheid dit moet oplossen of juist provincies en waterschappen. Bovendien is de monitoring te weinig erop ingericht om de effecten van maatregelen te volgen. Het RIVM doet aanbevelingen voor een effectiever waterbeheer. Dit kan door meer maatregelen te nemen die vervuilende activiteiten aanpakken. Daarbij is het belangrijk de structurele taakverdeling tussen de rijksoverheid en provincies te verduidelijken. Ten slotte wordt aangeraden beter te volgen welk effect maatregelen hebben.
  • Gezondheidseffecten van klimaatverandering. Actualisatie van de huidige klimaatrisico's voor gezondheid

    CD Betgen; S Boekhold; C Boomsma; A van Dijk; EF van Hall; W Hagens; J Limaheluw; P Ruyssenaars; J van der Ree; A Versteeg-de Jong (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2024-05-14)
    Het klimaat verandert wereldwijd, en ook in Nederland. De gemiddelde temperatuur is de afgelopen eeuw gestegen. Er is meer neerslag, meer droogte en er komen vaker zomerse dagen voor (boven de 25 graden Celsius). Het RIVM heeft de gevolgen van klimaatverandering voor onze gezondheid in de afgelopen 30 jaar (1991-2020) in kaart gebracht. Er zijn nu al grote gevolgen voor de gezondheid te zien. Deze effecten zullen naar verwachting toenemen. Dit onderzoek focust zich op de effecten op de gezondheid van hitte, UV-straling, luchtkwaliteit, (pollen)allergieën en infectieziekten door klimaatverandering. Ook mentale gezondheidsgevolgen zijn meegenomen. Het blijkt mogelijk te zijn om aan te geven dát klimaatverandering de gezondheid verslechtert en op welke manier. Maar de mate waarin dat gebeurt is vaak nog niet aan te geven omdat ook andere oorzaken eraan bijdragen. Meer kennis is nodig om de impact van klimaatverandering beter in beeld te krijgen en goede adviezen voor beleid te kunnen maken die de gezondheid beschermen. Het best onderbouwde effect van klimaatverandering op gezondheid is het aantal extra sterfgevallen door de hogere gemiddelde jaartemperatuur: gemiddeld 250 doden per jaar. Door klimaatverandering zijn er onder andere meer warme dagen (boven de 20 graden). Ook komen er meer hittegolven voor, die langer duren en heter zijn. Hierdoor sterven meer mensen dan normaal. Hitte en droogte gaan vaak samen met veel pollen in de lucht en hoge concentraties ozon (zomersmog). Hierdoor kunnen mensen het benauwd krijgen, zeker als zij al aandoeningen aan de luchtwegen hebben. Het groeiseizoen duurt langer en er zijn meer pollen in de lucht. Meer mensen kunnen hooikoorts krijgen of hun klachten kunnen erger worden. Daarnaast staan mensen om verschillende redenen aan meer UV-straling bloot. Bijvoorbeeld omdat de zon meer uren schijnt, er minder wolken zijn en mensen meer buiten zijn met zonnig weer. Hierdoor is de kans op huidkanker groter. Verder komen bepaalde infectieziekten, zoals legionellose, door klimaatverandering nu vaker voor. De Legionella-bacterie, die deze ziekte veroorzaakt, vermeerdert zich in warm water en kan via nevel worden ingeademd. Bijvoorbeeld als het na een warme en droge periode hard regent. Verder zijn teken een langere periode in het jaar actief, waardoor de kans om de ziekte van Lyme te krijgen groter is geworden. Daarnaast kan klimaatverandering een negatief effect hebben op de mentale gezondheid door de dreiging die ervan uitgaat en ervaringen met extreem weer. Het RIVM heeft de bestaande kennis verzameld op verzoek van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL). Het PBL verzamelt kennis over de gevolgen van klimaatverandering voor de vernieuwing van de Nationale Adaptatie Strategie (NAS). Het PBL brengt de komende jaren ook de toekomstige gevolgen van klimaatverandering in beeld.
  • Houd de maatschappij open voor jongeren en geef duidelijke uitleg over de maatregelen

    Vader, S; Uiters, E; Fransen, MP (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2024-05-07)
    Deze kennisupdate dient als aanvulling op een preferentiestudie van de Corona Gedragsunit over de voorkeuren van burgers ten aanzien van het toekomstig coronabeleid (Preferentiestudie RIVM Gedragsunit). Daarin zijn laaggeletterden, mensen met een migratie achtergrond, jongeren, en mensen met een kritische houding ten opzichte van de overheid ondervertegenwoordigd. Wij verkenden hun voorkeuren ten aanzien van het coronabeleid in kwalitatieve interviews.
  • Kiezen tussen twee kwaden

    Vader, S; Uiters, E; Fransen, MP (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2024-05-07)
    Draagvlak voor beleid hangt samen met de mate van solidariteit. In vier focusgroepen met burgers met verschillende sociaaleconomische achtergronden exploreerden we in hoeverre de zorg voor coronapatiënten het openhouden van scholen en de maatschappij en de doorgang van reguliere zorg volgens burgers mag beïnvloeden, en wat ze bereid zijn om hieraan zelf bij te dragen.
  • Estimating the effectiveness of non-pharmaceutical interventions against COVID-19 transmission

    Backer, JA; Klinkenberg, D; Miura, F; Wallinga, J (2024-05-03)
    During the COVID-19 pandemic non-pharmaceutical interventions (NPIs) were taken to mitigate virus spread. Many of these measures were taken together and interacted with each other, and compliance may have changed over the course of the pandemic, making it difficult to disentangle the effectiveness of single measures. It can be more meaningful to consider the overall effectiveness of sets of NPIs during the pandemic. We estimate the overall effectiveness of sets of NPIs in reducing transmission by comparing the observed reproduction number, which is the number of secondary infections caused by a typically infected person, to a counterfactual reproduction number if no NPIs were taken. The counterfactual reproduction number is based on a reproduction number that accounts for seasonal variations in transmissibility, for emergence of more transmissible variants, and for changes in immunity in the population. The population immunity is reconstructed from longitudinal serological surveys and vaccination coverage data, taking immunity waning after infection and vaccination into account. We estimate the effectiveness of NPIs as taken in the Netherlands from the start of the pandemic in March 2020 until the emergence of the Omicron variant in November 2021. We find that the effectiveness of NPIs was high in March and April 2020 during the first pandemic wave and it was high in January and February 2021, coinciding with the two periods with the most stringent measures. For both periods the effectiveness was estimated at approximately 50%, i.e. without any measures the reproduction number would have been twice as high as observed. This approach to estimate overall effectiveness of NPIs against transmission over time combines data from different sources, while making relatively few assumptions on the transmission process. This method can be applied to any region with sufficient data to 2 reconstruct the population immunity. Also during a future pandemic of any directly transmitted disease, this method can provide a quick insight into the effect of control measures.
  • Handreiking beoordeling PFAS in oppervlaktewater: consumptie van vis en andere waterdieren

    Smit, E (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2024-05-03)
    Mensen vissen in oppervlaktewater en eten deze vis en andere waterdieren, zoals rivierkreeften. Door het eten van de (zelf gevangen) vis, kunnen mensen PFAS(Per- en polyfluoralkylstoffen) binnenkrijgen. Deze kennisnotitie bevat een praktische handreiking voor een eerste inschatting van de risico’s van consumptie van vis en andere waterdieren uit oppervlaktewater waarin PFAS zijn aangetroffen. Deze handreiking hanteert de eerder door het RIVM afgeleide risicogrenzen voor oppervlaktewater. Deze risicogrenzen zijn advieswaarden van het RIVM en hebben geen formele status.
  • Handreiking beoordeling PFAS in irrigatiewater

    Wintersen, A; Smit, E (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2024-05-03)
    Groenten in een moestuin kunnen (meer) PFAS(Per- en polyfluoralkylstoffen) bevatten wanneer deze besproeid worden met oppervlaktewater waarin PFAS zit. Deze kennisnotitie bevat een praktische handreiking voor een eerste inschatting van de risico’s van irrigatie van moestuinen met oppervlaktewater waarin PFAS zijn aangetroffen. Deze handreiking hanteert een voorlopige, pragmatisch door het RIVM afgeleide risicogrens voor PFAS in irrigatiewater. Deze risicogrens is een advieswaarde van het RIVM en heeft geen formele status.
  • Handreiking beoordeling PFAS in zwemwater

    Verbruggen, E; Smit, E; Bodar, C (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2024-05-03)
    Iedereen die zwemt krijgt onbedoeld water binnen, en daarmee kleine beetjes PFAS(Per- en polyfluoralkylstoffen). Deze kennisnotitie bevat een praktische handreiking voor een eerste inschatting van de risico’s van zwemwater waarin PFAS zijn aangetroffen. Deze handreiking hanteert de recent door het RIVM afgeleide advieswaarden voor zwemwater. De conclusies van het Landelijk Zwemwater Overleg over het gebruik van deze advieswaarden door overheden zijn als bijlage opgenomen in deze handreiking.
  • Visuele informatie voor veilig gedrag. Een onderzoek naar de toepassingen en richtlijnen voor symbolen, markeringen en belijning op de werkplek

    van Moll, E; von den Benken, M; Bozuwa, D (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2024-05-02)
    Elk jaar onderzoekt de Nederlandse Arbeidsinspectie ongeveer 2.000 ongevallen die zijn gebeurd op het werk. Arboprofessionals nemen in bedrijven al veel maatregelen om deze ongevallen te voorkomen. Een mogelijkheid om te zorgen dat werkenden zich veilig gedragen, is het gebruik van symbolen, belijningen en markeringen op de werkplek. Dit heet visuele informatie. Het RIVM onderzocht hoe visuele informatie op de werkplek wordt gebruikt en of dat volgens wetenschappelijke richtlijnen gebeurt. Hieruit blijkt dat visuele informatie voor een groot deel al goed wordt ingezet. Wel zijn er nog aandachtspunten om visuele informatie beter te gebruiken. Medewerkers begrijpen de meeste informatie op de werkvloer goed, maar niet alles. Ook letten de meeste werkenden die het RIVM voor dit onderzoek heeft gesproken er niet op tijdens het werk. Zij vinden bijvoorbeeld dat het niet nodig is. Bij het inzetten van symbolen, markeringen en belijningen, moet met verschillende dingen rekening worden gehouden. Het gaat hierbij zowel over de persoon voor wie de informatie is bedoeld, als de omgeving, en hoe de informatie eruitziet. Het is bijvoorbeeld belangrijk dat een boodschap op elke plek hetzelfde eruitziet. Anders ontstaat verwarring over de betekenis ervan. Ook krijgen mensen niet alles mee als er teveel informatie op één plek staat. Het RIVM heeft de aandachtspunten overzichtelijk op een rij gezet. Er is nog weinig onderzoek gedaan naar het effect van visuele informatie op het gedrag van medewerkers. Wel is bekend dat aandacht, begrip en motivatie om te doen wat de informatie aangeeft, belangrijke voorwaarden zijn om het gewenste gedrag te bereiken. Voor dit onderzoek sprak het RIVM met arboprofessionals en medewerkers. Ook heeft het gekeken of visuele informatie wordt ingezet volgens richtlijnen in de wetenschappelijke literatuur.
  • Luchtvaartemissies boven Nederlands grondgebied boven 3.000 voet

    witt, H; te Molder, R; van Zanten, MC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2024-05-01)
    Het RIVM heeft op verzoek van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat onderzoek gedaan naar emissies van luchtverontreinigende stoffen uit luchtverkeer boven 3.000 voet (ft).
  • Duurzaam borgen van Welzijn op Recept. Lessen uit de literatuur en actieonderzoek

    Kemper, P; Bos, C; Preuhs, K; Vader, S; van der Klauw, M (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2024-04-25)
    De overheid wil meer verbinding leggen tussen het medisch en het sociaal domein. Een voorbeeld daarvan is Welzijn op Recept. Hierbij verwijst de huisarts mensen met lichte psychosociale klachten, zoals eenzaamheid, naar een welzijnscoach in het sociale domein. Deze coach zoekt samen met de cliënt naar een activiteit om het welbevinden te vergroten. Voorbeelden zijn verschillend, variërend van een buurtcentrum bezoeken tot vrijwilligerswerk doen. Het blijkt alleen lastig om het contact tussen de huisarts en de welzijnscoach een vast onderdeel te laten zijn van het lokale zorg- en ondersteuningsaanbod. RIVM en TNO hebben daarom onderzocht wat nodig is om dit beter te realiseren. Het RIVM en TNO adviseren een kernteam op te zetten, waarin alle betrokken partijen zitten. Dat zijn zowel de huisarts en de welzijnscoach, als een vertegenwoordiger uit het management van het gezondheidscentrum of de huisartspraktijk, en de gemeente voor een breed draagvlak. In dit team moet eerst duidelijk worden wat Welzijn op Recept is, voor wie, en wie welke rollen en taken heeft. Daarnaast is blijvende financiering belangrijk en moet de professional genoeg tijd hebben om de patiënt goed te kunnen helpen. Goede samenwerking tussen de betrokken partijen is daarvoor essentieel, net als genoeg aanbod van activiteiten. Om Welzijn op Recept een vaste plek te laten krijgen, is het belangrijk dat zowel de patiënt als professionals de interventie kennen. Ook moet de patiënt bereid zijn om aan activiteiten deel te nemen. Verder is het belangrijk dat de welzijnscoach zichtbaar is in de praktijk, om zo een vertrouwd gezicht te zijn en met wie het makkelijk contact maken is. Daarnaast is het belangrijk dat de huisarts en de welzijnscoach met elkaar in contact blijven, zodat duidelijk is hoe het met de cliënt gaat. Hierdoor krijgt de patiënt vertrouwen in de aanpak. Tot slot is het belangrijk inzicht te krijgen in de effecten van deze interventie en de aanpak onder de aandacht te blijven brengen.
  • Radionucliden in het Nederlandse rioolwater. Een pilotstudie

    Szeto, Y; Rosenbaum, C (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2024-04-25)
    In Nederland mogen ondernemers onder bepaalde voorwaarden radioactieve stoffen lozen op het openbare riool. Dat zijn vooral ziekenhuizen met een afdeling nucleaire geneeskunde. Via patiënten komen de gebruikte radionucliden in het toilet terecht en dus in de rioolwaterzuiveringsinstallatie. Maar ook onderzoeksinstellingen en industrie lozen deze stoffen. Radioactieve stoffen die in het afvalwater van bedrijven of industrie zitten, zijn op te sporen in de watermonsters van de rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI's). Dat blijkt uit deze pilot van het RIVM. Dit was tot nu toe niet onderzocht in Nederland. De pilot geeft een eerste indruk welke radionucliden in het rioolwater aantoonbaar zijn. In deze metingen zijn jodium-131 en lutetium-177 gevonden. Deze radionucliden komen van ziekenhuizen met een afdeling nucleaire geneeskunde. Deze informatie geeft handvatten voor meer onderzoek. Bijvoorbeeld of RWZI-medewerkers onbedoeld aan radionucliden blootstaan. En of daarvoor beschermende maatregelen nodig zijn. Verder zou een meetnet kunnen worden opgezet door structureel bij alle RWZI's in Nederland radionucliden in rioolwater te meten. Met dit soort informatie kunnen onverwachte lozingen of een ongeval met straling worden opgespoord. Voor de pilot is het systeem gebruikt dat tijdens de corona-epidemie in Nederland is opgezet om via de rioolwaterzuiveringsinstallaties te volgen hoeveel mensen er besmet zijn met het virus. Op basis van dit beperkte onderzoek is niet bekend in welke hoeveelheden radionucliden in Nederland in het riool te vinden zijn. Het is nuttig om rioolwater op radioactieve stoffen te onderzoeken, omdat de nucleaire geneeskunde groeit en verandert. Dit komt onder andere door technologische ontwikkelingen. Ook zijn andere radionucliden in opkomst voor nieuwe medische behandelingen. Een voorbeeld is de inwendige bestraling van prostaatkanker met lutetium-177. Jodium-131 wordt al lange tijd gebruikt om aandoeningen van de schildklier te behandelen.

View more