The RIVM's legal task is to investigate and report on questions addressed by the Dutch government. The findings from these investigations are published in the series RIVM reports.

Collections in this community

Recent Submissions

  • Op weg naar een Grondstoffen Informatie Systeem (GRIS): data koppelen op waarde geschat. Proof of concept koppelen van datasets over kritieke materialen en materiaalstromen in de circulaire economie

    van Bruggen, AR; de Jongh, LA; Mosterd, R; Rietveld, E; Rijksen, EJT (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-05-04)
    Nederland streeft naar een circulaire economie in 2050. Daarin worden minder grondstoffen gebruikt en worden ze zo veel mogelijk opnieuw gebruikt. Om te weten in hoeverre dit ook echt gebeurt is het RIVM bezig met de ontwikkeling van een Grondstoffen Informatie Systeem (GRIS). Dit systeem verzamelt informatie over grondstoffen, wie ze waarvoor gebruikt in de Nederlandse economie, en hoe groot de voorraden zijn. Het GRIS maakt het mogelijk om informatie over grondstoffen op te slaan en te koppelen. Deze koppeling geeft nieuwe inzichten, bijvoorbeeld in welke sectoren grondstoffen zitten en of ze kunnen worden hergebruikt. Er is nu een pilot uitgevoerd. Doel hiervan is om inzicht te krijgen of het waardevol is om data in een grondstoffensysteem bij elkaar te brengen, en wat belangrijk is voor het ontwerp hiervan. De pilot maakt duidelijk welke informatie nog nodig is voor een grondstoffensysteem en in welke vorm. Met deze informatie kunnen de data van systemen beter op elkaar aansluiten. Voor de pilot zijn twee informatiebronnen aan elkaar gekoppeld om daar ervaring mee op te doen. Het zijn de monitor over materiaalstromen in Nederland en de data van ‘kritieke materialen’. Dit zijn materialen die maar in kleine hoeveelheden beschikbaar zijn, zoals bepaalde metalen, en tegelijkertijd belangrijk zijn om bepaalde producten te maken. Door de koppeling werd duidelijk waar ‘fouten’ in de data van de twee systemen zaten. Het kost veel tijd om die eruit te halen. De pilot maakte ook duidelijk dat voor het GRIS een goede samenwerking nodig is van de organisaties die de informatiebronnen maken. Ook is expertise nodig om de data op waarde te kunnen schatten. De monitor over materiaalstromen in Nederland is van het CBS. De monitor van kritieke materialen is van TNO en het ministerie van Economische Zaken (EZK). Het RIVM is door het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) gevraagd om het systeem te ontwikkelen.
  • Beoordeling kosteneffectiviteit van maatregelen om de uitstoot van ZZS naar lucht te beperken

    Verhoeven, JK; Jansen, NMH; de Blaeij, A; de Boer, LM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-04-28)
    Bedrijven in Nederland zijn verplicht de uitstoot van vervuilende stoffen te beperken. Voor Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS) geldt een zogeheten minimalisatieplicht. Dit betekent dat bedrijven de uitstoot van ZZS zo ver mogelijk terug moeten brengen naar nul. Bedrijven nemen daarom maatregelen om uitstoot te voorkomen of deze zo klein mogelijk te houden. De minimalisatieplicht gaat verder dan de maatregelen die al moeten worden genomen om de wettelijke emissiegrenswaarden te bereiken (best beschikbare technieken). Deze maatregelen kosten geld. Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) heeft het RIVM gevraagd een methode te ontwikkelen waarmee de vergunningverlener kan beoordelen of minimalisatiemaatregelen om de uitstoot te verlagen kosteneffectief zijn. Deze ‘kosteneffectiviteit’ kan worden gebruikt bij de afweging van maatregelen. Het RIVM adviseert om als basis de methode te gebruiken die al bestaat om kosteneffectiviteit te bepalen. Daarnaast zijn zogenoemde referentiewaarden nodig. Referentiewaarden geven een niveau aan tot waar maatregelen om ZZS-emissies te minimaliseren kosteneffectief zijn. Het RIVM geeft een advies over de hoogte van referentiewaarden voor ZZS (in euro’s per kilo verminderde uitstoot). Het voorstel is om voor de referentiewaarden een minimale en maximale waarde vast te stellen. Het RIVM geeft marges aan voor zowel deze onder- als bovengrens. IenW kan op basis van dit onderzoek de referentiewaarden voor ZZS-emissies naar lucht bepalen. Het RIVM adviseert om het gebruik van de kosteneffectiviteitsmethode de komende vijf jaar te volgen en te evalueren welk effect deze aanpak in de praktijk heeft. Zo kan onder andere worden nagegaan tegen welke kosten de minimalisatiedoelstelling wordt gerealiseerd.
  • Het effect van Maatschappelijk Verantwoord Inkopen door de Nederlandse overheid in 2017-2018

    Dekker, E; Hollander, A; de Valk, E; van Bruggen, A; Zijp, M (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-04-23)
    De landelijke en decentrale overheden willen bij de aanschaf van producten, werken en diensten het milieu zo min mogelijk belasten. Ook willen ze de markt stimuleren om producten en diensten te leveren die minder belastend zijn voor het milieu. Verder willen ze zoveel mogelijk mensen met bijvoorbeeld lichamelijke of geestelijke beperkingen (‘met afstand tot de markt’) aan het werk krijgen. Dit heet Maatschappelijk Verantwoord Inkopen (MVI). In 2017 en 2018 had deze manier van inkopen vaker effect, zowel voor het milieu als voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt. Dit blijkt uit een overzicht van het RIVM. Door maatschappelijk verantwoord inkopen in 2017 en 2018 wordt er 5,9 Mton minder CO2 uitgestoten dan wanneer dat niet gebeurt. Dit is te vergelijken met de hoeveelheid die ongeveer 300.000 Nederlandse huishoudens elk jaar uitstoten. Ook is er 46.281 kilogram minder stikstofoxiden uitgestoten dan in de vorige onderzochte periode, 2015-2016. Voor fijnstof is dat 164.212 kilo minder. Daarnaast is 292 ton aan grondstoffen bespaard en is er 5 Mton aan CO2 gecompenseerd door bossen aan te planten. Verder is er 1203 fte aan werk gerealiseerd voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt en als stageplaats. Voor het onderzoek zijn vijftien productgroepen bekeken in zes clusters. Het gaat om: Transport, Energie, Kantoorfaciliteiten, Kantoorgebouwen, Grond-, weg- en waterbouw, en ICT-informatie communicatietechnologie. Deze productgroepen zijn gekozen, omdat daarbij het meeste effect van deze manier van inkopen wordt verwacht.
  • Paints and microplastics. Exploring the possibilities to reduce the use and release of microplastics from paints. Feedback from the paint sector

    Faber, M; Marinković, M; de Valk, E; Waaijers-van der Loop, SL (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-04-22)
    Microplastics zijn kleine kunststofdeeltjes die bestaan uit polymeren. Deze deeltjes komen in het milieu terecht, waar ze schadelijk kunnen zijn voor dieren en planten. Microplastics zitten onder andere in verf. Door vaste polymeren (primaire microplastics) aan verf toe te voegen ontstaan verflagen die oppervlakten kunnen bedekken en beschermen. Ze komen eruit vrij als gedroogde verflagen verweren of worden geschuurd. Dan noemen we ze secundaire microplastics. Het RIVM heeft een brede groep van belanghebbenden uit de verfsector gevraagd wat zij doen om de uitstoot van microplastics uit verf te beperken. De verfsector blijkt zich ervan bewust te zijn dat microplastics problemen kunnen geven in het milieu. Maar ze zijn er niet actief mee bezig om de uitstoot te verkleinen. Volgens hen is de uitstoot niet te voorkomen. De polymeren zijn nodig om een verflaag aan te brengen die oppervlakten langdurig bedekt en beschermt. Er bestaan nog weinig verfproducten zonder polymeren. Deze zijn (nog) niet geschikt voor alle toepassingen van verf. De verfsector heeft wel indirect maatregelen genomen die de uitstoot verkleinen. Zo hebben ze verf ontwikkeld die veel langer goed blijft en blijft zitten; bijna twee keer zo lang. Ook geeft de sector aan dat professionele schilders maatregelen nemen om de uitstoot van verfdeeltjes en stof tijdens het werk te verminderen. Zo gebruiken zij standaard een apparaat dat schuursel opvangt tijdens het schuren. Voor doe-het-zelf klussers is onbekend of zij ook zulke maatregelen nemen en of dat mogelijk is. Ook spoelen doe-het-zelf klussers kwasten met verf op waterbasis af onder de kraan. Dit is niet wenselijk. Het is nu niet duidelijk hoeveel microplastics worden uitgestoten tijdens de productie, het gebruik en de afvalverwerking van verf. Het is wenselijk dat hierover meer gegevens beschikbaar komen om maatregelen te kunnen nemen. Bijvoorbeeld door metingen in het milieu. Daarnaast is het belangrijk dat de hele keten nadenkt over maatregelen om de uitstoot te verminderen.
  • Methodology for the calculation of emissions from product usage by consumers, construction and services

    visschedijk, A; Meesters, JAJ; Nijkamp, MM; Koch, WWR; Jansen, BI; Dröge, R (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-04-21)
    Nederland rapporteert elk jaar nationaal en internationaal welke verontreinigende stoffen in de lucht terechtkomen door het gebruik van producten. Het gaat bijvoorbeeld om oplosmiddelen uit cosmetica, luchtverfrissers, spuitbussen, verf, en stoffen die vrijkomen bij het stoken van hout en het afsteken van vuurwerk. De Emissieregistratie berekent op basis van internationale richtlijnen voor de relevante stoffen hoeveel ervan in de lucht vrij komt. Het RIVM heeft nu de methoden die de Nederlandse Emissieregistratie gebruikt, geactualiseerd en beschreven. De methoden worden elk jaar bijgesteld volgens de meest actuele wetenschappelijke inzichten. De emissiegegevens zijn openbaar via de website emissieregistratie.nl. De gegevens worden gebruikt voor de rapportages die vanwege internationale verdragen verplicht zijn, zoals het Kyoto-protocol, de EU-Emissieplafonds (NEC-Directive) en de Convention on Long-range Transboundary Air Pollution (CLRTAP). Deze rapportage vormt ook de basis voor de (internationale) reviewers die de Nederlandse rapportages aan de EU en VN valideren.
  • Informative Inventory Report 2021. Emissions of transboundary air pollutants in the Netherlands 1990–2019

    Wever, D; Coenen, PWHG; Dröge, R; Geilenkirchen, GP; van Huijstee, J; 't Hoen, M; Honig, E; te Molder, RAB; Smeets, WLM; van Zanten, MC; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-04-21)
    In 2019 is 6,4 kiloton minder ammoniak uitgestoten dan in 2018. Dit komt vooral door ontwikkelingen in de landbouw. Zo werden er minder melkvee en mestvarkens gehouden en kwamen er meer varkensstallen die minder ammoniak uitstoten. De totale ammoniak uitstoot van 123 kiloton in 2019 ligt onder het maximum van 128 kiloton dat op basis van EU-regelgeving voor Nederland geldt. Dit blijkt uit de definitieve inventarisatie tot 2019 van luchtverontreinigende emissies. De emissies van fijnstof zijn toegenomen. Dit komt doordat de uitstoot van het zogeheten condenseerbaar fijnstof in de Emissieregistratie is toegevoegd aan de hoeveelheid fijnstof (vaste deeltjes) uit houtstoot voor sfeerverwarming. Hierbij worden twee soorten fijnstof uitgestoten: de vaste stofdeeltjes, waaronder roet, en het condenseerbaar fijnstof. Deze nieuwe bron is met terugwerkende kracht toegevoegd vanaf 1990. Over de hele periode (1990-2019) blijft de fijnstofuitstoot overigens afnemen. De uitstoot van stikstofoxiden en zwaveldioxide daalden licht ten opzichte van 2018 met respectievelijk 6,5 en 2,0 kiloton. De emissies van beide stoffen liggen onder het vastgestelde maximum van respectievelijk 260 en 50 kiloton. De lagere uitstoot van stikstofoxiden komt onder andere door de strengere eisen aan de uitstoot door personenauto’s en vrachtverkeer. Ook zijn energiecentrales minder steenkool gaan gebruiken. Minder zwaveloxiden komt vooral doordat raffinaderijen steeds meer op gas stoken in plaats van op olie, met een schonere uitstoot (rookgasreiniging). Dit en meer staat in de zogeheten Informative Inventory Report rapportage (IIR) die het RIVM in samenwerking met diverse partnerinstituten jaarlijks op verzoek van het ministerie voor Infrastructuur en Waterstaat (IenW) opstelt. Nederland gebruikt de analyses om beleid te onderbouwen en om in internationaal verband te rapporteren over de ontwikkeling van de emissies en in hoeverre de emissies onder de afgesproken maximale hoeveelheden (emissieplafonds) blijven. De voorlopige emissiecijfers over 2019 zijn al in het najaar van 2020 gepubliceerd.
  • Indicatoren E-healthmonitor 2021-2023 en doelstellingen voor e-health

    Aardoom, JJ; van Deursen, L; Rompelberg, CJM; Standaar, LMB; Suijkerbuijk, AWM; van Tuyl, LHD; Versluis, A; Wouters, MJM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-04-21)
    Het ministerie van VWS zoekt naar mogelijkheden om de zorg betaalbaar en toegankelijk te houden, en de kwaliteit te verbeteren. E-health, oftewel digitale zorg op afstand, geeft daar mogelijkheden voor. Het ministerie van VWS wil weten in hoeverre de zorg tussen 2021 en 2023 digitaler wordt en welke effecten dat heeft op patiënten en zorgverleners. E-health is heel divers en kan breed worden ingezet. Voorbeelden zijn consulten met huisartsen via videobellen, gezondheidsapps voor patiënten, en websites met informatie over medische zorg. Het RIVM ontwikkelt een monitor om de overgang van onderdelen van de zorg naar e-health met cijfers in kaart te kunnen brengen. Het RIVM doet dat samen met het Nivel en het National eHealth Living Lab (NeLL). De monitor geeft aan wie e-health gebruikt en waarvoor. Ook geeft hij aan waarom digitale hulpmiddelen wel of niet worden gebruikt en hoe het gebruik bevalt. Voor de monitor hebben de drie organisaties nu uitgezocht welke gegevens nodig zijn om het gebruik van e-health in de zorg te kunnen meten, de zogeheten indicatoren. Een voorbeeld is in welke mate huisartsen e-health gebruiken, of in welke mate burgers een online afspraak maken bij een ziekenhuis. Daarnaast is beschreven welke indicatoren zijn gekozen, om welke meetgegevens het precies gaat en hoe gegevens kunnen worden verkregen. Sommige meetgegevens zijn ook in de vorige monitor tot en met 2019 verzameld. Op deze manier kunnen de ontwikkelingen door de jaren heen worden gevolgd. Daarnaast hebben het RIVM, Nivel en NeLL op verzoek van het ministerie van VWS doelen voor e-health omschreven. Het gaat onder andere om een betere kwaliteit en organisatie van de zorg, meer eigen regie van de patiënt over de zorg, aandacht voor preventie, en ondersteuning van personeel in de zorg. De E-healthmonitor kan laten zien hoe deze doelen zich ontwikkelen.
  • Methodology for estimating emissions from agriculture in the Netherlands. Calculations for CH4, NH3, N2O, NOx, NMVOC, PM10, PM2.5 and CO2 using the National Emission Model for Agriculture (NEMA) – Update 2021

    van der Zee, T; Bannink, A; van Bruggen, C; Groenestein, K; Huijsmans, J; van der Kolk, J; Lagerwerf, L; Luesink, H; Velthof, G; Vonk, J (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-04-21)
    Nederland rapporteert elk jaar nationaal en internationaal hoeveel stoffen de landbouw uitstoot naar de lucht. Het gaat om alle stoffen uit de landbouw die in de Emissieregistratie voorkomen. Denk aan broeikasgassen en stoffen die luchtverontreiniging veroorzaken, zoals ammoniak en fijnstof. De emissieberekeningen worden uitgevoerd op basis van internationale richtlijnen. De uitstoot wordt berekend met het National Emission Model for Agriculture (NEMA), dat in Nederland is ontwikkeld. Het NEMA berekent de uitstoot van stoffen voor bijvoorbeeld stallen, mestopslag, en het gebruik van mest. Het NEMA wordt ook gebruikt om emissies zoals methaan uit verschillende dieren en mest te berekenen. Dit model wordt elk jaar aangepast aan de nieuwste wetenschappelijke inzichten. Dit keer zijn de methoden beschreven die voor verschillende stoffen worden gebruikt, en de wijzigingen die zijn doorgevoerd. Dit keer zijn onder andere de zogeheten emissiefactoren voor bepaalde emissiearme stallen aangepast. Uit nieuwe inzichten blijkt dat er meer stikstof uit stallen vrijkomt dan eerder werd gedacht. De emissiefactor voor de uitstoot van de bemesting van grasland blijkt juist kleiner. De gegevens over de uitstoot zijn openbaar via de website emissieregistratie.nl. Ze worden gebruikt voor rapportages die vanwege internationale verdragen verplicht zijn, zoals het Kyoto-protocol, de Europese Emissieplafonds (NEC-Directive) en de Convention on Long-range Transboundary Air Pollution (CLRTAP). Dit rapport is ook de basis voor de reviewers die de Nederlandse rapportages aan de Europese Unie en Verenigde Naties valideren.
  • Greenhouse gas emissions in the Netherlands 1990–2019

    Ruyssenaars, PG; Coenen, PWHG; Rienstra, JD; Zijlema, PJ; Arets, EJJM; Baas, K; Dröge, R; Geilenkirchen, G; 't Hoen, M; Honig, E; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-04-21)
    In 2019 is de totale uitstoot van broeikasgassen in Nederland met 3,2 procent gedaald ten opzichte van 2018. Deze daling komt vooral doordat er minder kolen zijn gebruikt om elektriciteit te produceren. De totale uitstoot van broeikasgassen naar de lucht wordt uitgedrukt in CO2-equivalenten en bedroeg in 2019 180,7 miljard kilogram. Het jaar 1990 geldt als referentiejaar (basisjaar) voor de te halen doelstellingen. De uitstoot in 1990 bedroeg 220,5 miljard kilogram CO2-equivalenten. Ten opzichte van het basisjaar is de uitstoot gedaald met 18 procent. De uitstoot van CO2 alleen, ligt 5,6 procent onder het niveau van het basisjaar. De uitstoot van de andere broeikasgassen (methaan, distikstofoxide en gefluoreerde gassen) is sinds 1990 met 53 procent gedaald. Dit blijkt uit de definitieve inventarisatie van broeikasgasemissies die het RIVM jaarlijks op verzoek van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) opstelt. Met deze inventarisatie voldoet Nederland aan de nationale rapportageverplichtingen voor 2021 van het Klimaatverdrag van de Verenigde Naties (UNFCCC), van het Kyoto Protocol en van het Bewakingsmechanisme Broeikasgassen van de Europese Unie. De voorlopige emissiecijfers over 2019 zijn al in het najaar van 2020 gepubliceerd. De inventarisatie bevat verder analyses van ontwikkelingen in de uitstoot van broeikasgassen tussen 1990 en 2019, een analyse van de belangrijkste bronnen die broeikasgassen uitstoten (‘sleutelbronnen’), evenals de onzekerheid in de berekening van hun uitstoot. Daarnaast zijn de gebruikte berekeningsmethoden en databronnen beschreven. Ten slotte bevat het een overzicht van het kwaliteitssysteem en de manier waarop de Nederlandse Emissieregistratie de berekeningen controleert.
  • Methodology report on the calculation of emissions to air from the sectors Energy, Industry and Waste as used by the Dutch Pollutant Release and Transfer Register

    Honig, E; Montfoort, JA; Dröge, R; Guis, B; Baas, K; van Huet, B; van Hunnik, OR; van den Berghe, ACWM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-04-21)
    Nederland rapporteert elk jaar nationaal en internationaal hoeveel stoffen door de sectoren Industrie, Energieopwekking en Afvalverwerking (ENINA) worden uitgestoten naar de lucht. Het gaat om alle stoffen die in de Emissieregistratie voorkomen en relevant zijn voor ENINA. Denk aan broeikasgassen, verzurende stoffen en stoffen die grootschalige luchtverontreiniging veroorzaken. Het RIVM heeft de methoden waarmee de uitstoot wordt berekend, geactualiseerd en beschreven. De methoden worden elk jaar bijgesteld volgens de meest actuele wetenschappelijke inzichten. De emissieberekeningen worden uitgevoerd op basis van internationale richtlijnen. De emissiegegevens zijn openbaar via de website emissieregistratie.nl. De gegevens worden gebruikt voor de rapportages die vanwege internationale verdragen verplicht zijn, zoals het Kyoto-protocol, de EU-Emissieplafonds (NEC-Directive) en de Convention on Long-range Transboundary Air Pollution (CLRTAP). De rapportage is ook de basis voor de (internationale) reviewers die de Nederlandse rapportages aan de EU en VN valideren.
  • Gezondheidseffecten van windturbinegeluid

    van Kamp, I; van den Berg, GP (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-04-20)
    Vragen over gezondheidseffecten spelen een prominente rol in lokale discussies over de plannen voor uitbreiding van het windpark in Nederland, Zwitserland en elders. Het Zwitserse Federale Milieubureau vroeg het RIVM de literatuur verschenen tussen 2017 en medio 2020 op een rij te zetten, over het effect van geluid van windturbines op de gezondheid van omwonenden. Het RIVM en Mundonovo sound research verzamelden de wetenschappelijke literatuur over het effect van windturbines op ervaren hinder, slaapverstoring, hart- en vaatziekten en de stofwisseling. Ook werd bekeken wat bekend is over hinder door de visuele aspecten van windturbines en andere niet-akoestische factoren, zoals het lokale besluitvormingsproces. Uit de literatuurstudie blijkt dat hinder optreedt als gevolg van geluid: hoe sterker het geluid (in dB) van windturbines, hoe groter de hinder ervan. Uit de literatuur bleek niet dat het zogeheten ‘laagfrequent geluid’ (lage tonen) van windturbines voor extra hinder zorgt tot die gerelateerd aan “gewoon” geluid. Voor andere gezondheidseffecten zijn de resultaten van wetenschappelijk onderzoek niet eenduidig: deze effecten hangen niet duidelijk samen met het geluidniveau, maar soms wel met de ervaren hinder. Deze resultaten onderbouwen de eerdere conclusies van een vergelijkbare opdracht drie jaar geleden. De literatuur liet duidelijk zien dat omwonenden minder hinder hebben van de windturbines als ze betrokken werden bij de plaatsing ervan. Door mee te kunnen denken over de plaatsing en de balans tussen kosten en baten, ervaren omwonenden minder hinder. Het is daarom belangrijk zorgen van omwonenden serieus te nemen en hen te betrekken bij het planningsproces en de plaatsing van windturbines.
  • Risico’s van rook door branden van Li-ion-batterijen

    van Veen, NW; Koppen, A; van Putten, EM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-04-16)
    Li-ion-batterijen zitten vaak in bijvoorbeeld telefoons, elektrische auto’s en fietsen. Vanwege de overgang naar duurzame energie zal dit type batterij steeds vaker worden gebruikt. Hierdoor wordt ook de kans gro-ter dat ze bij een brand betrokken raken. Li-ion-batterijen bevatten che-mische stoffen en zware metalen die kunnen vrijkomen als de batterijen verbranden. Een voorbeeld daarvan is het gevaarlijke fluorwaterstof. Over de risico’s van deze stof in rook was nog onvoldoende bekend. Blootstelling aan deze stof kan gevaarlijk zijn. Daarom zijn brandexperi-menten uitgevoerd om eigenschappen van de rook beter te begrijpen en wat dat betekent voor brandweerpersoneel. De concentratie fluorwater-stof in rook daalt in de praktijk snel doordat het zich bindt aan bijvoor-beeld rookdeeltjes, wanden en vloeren. Het gevaar van fluorwaterstof in de rook neemt daarom sneller af dan verwacht. Wel raken de oppervlak-ken in de ruimte van de brand hiermee vervuild. Zo komt het ook op de kleding van brandweerpersoneel dat in deze rook werkt. Het grootste risico voor brandweerpersoneel is huidschade als de huid in contact kom met fluorwaterstof. Het kwetsbaarste onderdeel van brand-weerkleding is de balaclava, een soort bivakmuts die beschermt tegen de hitte. De balaclava blijkt fluorwaterstof uit rook niet volledig tegen te houden. Hoewel de fluorwaterstof niet bij elke Li-ion brand een groot ri-sico is voor brandweerpersoneel, is het wel zinvol om er rekening mee te houden. Dit kan door voorzorgsmaatregelen te nemen. Voorbeelden zijn de balaclava na de brand snel afdoen en de huid schoonspoelen als deze na een brandweerinzet pijnlijk aanvoelt. Het RIVM heeft de experimenten met de Veiligheidsregio Noord- en Oost-Gelderland uitgevoerd. De gezondheidsrisico’s zijn beoordeeld in samenwerking met het Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum (NVIC). Er bestaan al interventiewaarden om te kunnen inschatten wan-neer er gezondheidsrisico’s zijn voor de bevolking als er bij een brand fluorwaterstof vrijkomt.
  • Feitenrapportage grondwaterkwaliteitsmeetnetten

    Claessens, J; Wit, M; Wattel, E (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-04-15)
    In Nederland worden via meerdere meetnetten gegevens over de kwaliteit van het grondwater verzameld. Hiermee worden concentraties van verschillende stoffen gemeten, waaronder nitraat. Naast een landelijk meetnet heeft elke provincie een eigen meetnet. Zij gebruiken hierbij ook een deel van de landelijke putten; het verschilt per provincie in welke mate. Op hoofdlijnen zijn de resultaten over nitraat van het landelijke meetnet en de provinciale meetnetten hetzelfde, maar er zijn ook verschillen, zeker regionaal. Om het landelijk beleid over de grondwaterkwaliteit te kunnen verantwoorden en te evalueren zijn eenduidige cijfers over de concentraties nodig. Het RIVM beveelt aan om de manier van werken landelijk te verbeteren. De meetnetten hebben verschillende doelen. Het landelijke meetnet, het Landelijk Meetnet Grondwaterkwaliteit (LMG), wordt onder andere gebruikt voor de verplichte Europese rapportage over nitraat. De meetnetten van de provincies leveren gegevens voor regionale doelen en voor de verplichte Europese rapportage voor de Kaderrichtlijn Water (KRW). Over het algemeen is de dataset van het LMG consistent. De dataset van de provinciale meetnetten zijn dat minder, vooral doordat er minder vaak wordt gemeten. Statistisch onderzoek is nodig om aan te kunnen geven hoe bruikbaar de provinciale gegevens zijn voor de verschillende landelijke toepassingen. Het RIVM doet aanbevelingen om de kwaliteit van de data en het beheer ervan te verbeteren; de provincies werken hier al aan. Deze bevindingen blijken uit een feitenrapportage van het RIVM over de monitoring van de grondwaterkwaliteit in Nederland. De rapportage beschrijft de verschillen en overeenkomsten in de manier waarop de meetnetten zijn ingericht (wie doet wat) en hoe ze worden uitgevoerd (waar, welke stoffen en wanneer). Vanwege de Europese verplichtingen is hierbij vooral gekeken naar de meststof nitraat.
  • Tussentijdse resultaten Gezondheidsonderzoek in de IJmond

    Elberse, JE; Mennen, MG; Hoogerbrugge, R; Mooibroek, D; Zoch, JP; Dusseldorp, A; Janssen, N (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-04-14)
    Het RIVM onderzoekt de luchtkwaliteit en de gezondheid van bewoners in de IJmond in Noord-Holland. In deze omgeving zijn er activiteiten die het milieu belasten, zoals zware industrie van Tata Steel. Omwonenden maken zich zorgen welke effecten deze activiteiten hebben op hun gezondheid. Zij hebben het gevoel dat de luchtkwaliteit op sommige uren of dagen (pieken) slecht is waardoor zij acute klachten ervaren, zoals hoesten, benauwdheid of prikkende ogen. Acute klachten komen snel op en gaan vaak snel weer weg. Uit onderzoek van het RIVM blijkt inderdaad dat de luchtkwaliteit vaker matig tot onvoldoende is in de IJmond. Ook blijkt dat er in de IJmond meer acute gezondheidsklachten worden gemeld bij de huisarts dan in andere industriegebieden en op het platteland. Deze klachten, die het Nivel bij huisartsen heeft verzameld, zijn bijvoorbeeld benauwdheid, hoofdpijn, misselijkheid en pijn op de borst. Dit onderzoek geeft géén antwoord op de vraag wat de oorzaak is van de gezondheidsklachten. In de omgeving van Tata Steel komen vaker hogere concentraties fijnstof (PM10) voor dan in delen van Nederland zonder zware industrie. Het RIVM heeft dit met de GGD Amsterdam inzichtelijk gemaakt door aan te geven wat de concentraties fijnstof per dag en per uur zijn, waar normaal gesproken de nadruk ligt op het gemiddelde per jaar. Zo is het duidelijker wanneer en hoe vaak de concentraties fijnstof hoger zijn. Voor dit onderzoek is fijnstof gekozen als graadmeter voor de luchtkwaliteit. Fijnstof wordt op verschillende plekken in de IJmond gemeten en er is veel bekend over de effecten ervan op de gezondheid. Een studie onder omwonenden zou meer inzicht kunnen geven of er een verband is tussen de luchtkwaliteit en de acute gezondheidsklachten. Omwonenden zouden hiervoor langere tijd in een dagboek kunnen bijhouden op welke dagen zij bepaalde klachten hebben. Volgens het RIVM is zo’n onderzoek haalbaar. De provincie Noord-Holland moet afwegen of zo’n panelonderzoek ook wenselijk is.
  • Rapportage verkennende Expertconsultatie ‘Veranderingen in de veehouderij en mogelijke effecten op volksgezondheid en milieu’

    Post, PM; Hogerwerf, L; Lebret, E (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-04-08)
    Het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) schreef in 2018 een visie over hoe de landbouw in de toekomst duurzaam kan worden. Het doel is om een ‘gesloten voedselkringloop’ te maken waardoor veeteelt het milieu minder belast. Bijvoorbeeld door ander voer te gebruiken, en mest op het eigen bedrijf te gebruiken als grondstof voor veevoer. Een overgang naar een kringlooplandbouw brengt mogelijk ook ongewenste effecten mee, bijvoorbeeld voor de volksgezondheid. Het RIVM heeft daarom experts met verschillende achtergronden gevraagd welke effecten zij zowel op het milieu als op de gezondheid verwachten. Deze verkenning geeft een eerste indruk van verwachte effecten en dilemma’s bij een overgang naar duurzame veehouderijen. Ze kan daarmee een aanzet geven tot een brede maatschappelijke dialoog over oplossingen. De experts vergeleken onder andere vier voorbeelden van veehouderijen die kringlooplandbouw nastreven met gangbare bedrijven. Deze bedrijven hielden bijvoorbeeld andere koeienrassen of vleeskuikenrassen, gebruikten ander voer of hadden andere stallen. Het aantal dieren bleef ongeveer hetzelfde. Wat deze bedrijven anders doen heeft volgens experts een beperkt positief effect op het milieu en de volksgezondheid. Daarmee lijken de onderzochte veranderingen onvoldoende te helpen om doelen voor bijvoorbeeld klimaat, stikstof of fijnstof te halen. Ook hebben de veranderingen soms nadelen. Wanneer bijvoorbeeld mest wordt hergebruikt, kunnen stoffen uit mest en ziekteverwekkers zich opstapelen in het milieu, in dieren en in dierlijk voedsel.
  • Het peilen van veiligheidsbeleving en informatiebehoeften van omwonenden rond chemieclusters. Belevingsonderzoek Chemelot

    Neuvel, JMM; Zonneveld, M; Claassen, L; Versluis, S; Dijkstra, WA; Vegt, KR; Boomsma, C; Elberse, JE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-04-06)
    In Limburg ligt een grote groep chemiebedrijven bij elkaar, Chemelot. Het RIVM heeft onderzocht hoe veilig mensen die in de buurt wonen, zich voelen. Dat gevoel verschilt: mensen die dichter bij Chemelot wonen, voelen zich vaker onveilig dan mensen die verder weg wonen. Ook ervaren zij meer hinder en hebben ze meer behoefte aan informatie. Omwonenden kunnen zich onveilig voelen als de situatie anders is dan ‘normaal’. Bijvoorbeeld bij een vreemd geluid, een bruine rookpluim, of als er gevaarlijke stoffen vrijkomen. Dit gevoel van onveiligheid trekt meestal weg als de situatie weer normaal is. Het gevoel van veiligheid hangt samen met het vertrouwen dat mensen in de overheid en Chemelot hebben: hoe groter het vertrouwen, hoe veiliger mensen zich voelen. Iets meer dan de helft van de omwonenden heeft vertrouwen in de veiligheidsmaatregelen die worden genomen. Minder dan de helft van de omwonenden vertrouwt erop dat Chemelot en overheden tijdig, eerlijk en open communiceren over de veiligheid in de omgeving. Bewoners, vooral de mensen die dicht bij Chemelot wonen, willen graag informatie over wat ze kunnen doen bij een ongeval of hoe ze worden gewaarschuwd. Ze willen dat ook over normale activiteiten die te merken zijn in de omgeving, zoals onderhoud. Toch gaan mensen vaak niet actief op zoek naar deze informatie. De mensen die dat wel doen, begrijpen de informatie niet altijd en vinden vaak niet wat ze zoeken. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM. Het RIVM heeft een werkwijze ontwikkeld om te peilen hoe mensen die in de buurt van chemiebedrijven wonen, de veiligheid beleven. Hiervoor is een vragenlijst gemaakt en is met (groepen) omwonenden gesproken. De werkwijze geeft een goed beeld van de veiligheidsbeleving en kan daarom als basis voor peilingen rond andere chemiebedrijven worden gebruikt. Aanvullende vragen zijn nodig om aan te sluiten bij de lokale thema’s en behoeften.
  • Inventarisatie aanvullende maatregelen Nationaal Preventieakkoord. Mogelijke vervolgstappen richting de ambities voor 2040

    van Giessen, A; Douma, E; Kuijpers, T; Nawijn, E; van Gestel, I; Pees, S; Koopman, N; de Pon, E; Boer, J (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-04-06)
    In 2018 is het Nationaal Preventieakkoord gesloten, met daarin afspraken om roken, problematisch alcoholgebruik en overgewicht terug te dringen. Het RIVM schatte toen in dat de afspraken niet genoeg zijn om in 2040 de ambities voor problematisch alcoholgebruik en overgewicht te halen. Op verzoek van het ministerie van VWS heeft het RIVM onderzocht welke extra maatregelen ingezet kunnen worden om problematisch alcoholgebruik en overgewicht verder te verminderen. Het heeft hiervoor literatuuronderzoek gedaan en geïnventariseerd welke maatregelen volgens experts impact hebben. Op basis daarvan is voor zowel problematisch alcoholgebruik als overgewicht een top 10 van maatregelen gemaakt. Om ervoor te zorgen dat minder mensen overgewicht hebben staan in de top 10 onder andere maatregelen om ongezonde producten duurder te maken en gezonde producten goedkoper. Voorbeelden zijn belasting heffen op dranken waar suiker in zit en de BTW op producten uit de Schijf van Vijf afschaffen. De experts stellen ook voor om met werkgevers strengere afspraken te maken over gezond eten op de werkvloer. Verder adviseren ze om op minder plaatsen fastfood te verkopen. Ook voor problematisch alcoholgebruik staan er een aantal prijsmaatregelen in de top 10. Zo raden de experts aan om de accijns te verhogen, een minimumeenheidsprijs voor alcohol in te voeren en om kortingsacties te verbieden. Daarnaast adviseren ze om geen reclame te maken voor alcohol op plaatsen waar veel jongeren komen, zoals op sportverenigingen. Een ander advies is alcohol alleen nog bij slijters te verkopen. Meer voorlichting over de schadelijke effecten van alcohol wordt ook aangeraden. Er is in dit onderzoek niet gekeken naar de haalbaarheid van de maatregelen. Bijvoorbeeld of er genoeg geld of draagvlak is. Daarnaast is een doorrekening van de maatregelen nodig om te bepalen in hoeverre de ambities uit het NPA hiermee binnen bereik komen.
  • CPE en colistine resistentie

    Dierikx, C; Gijsbers, E; van Duijkeren, E; Hengeveld, P; Meijs, A (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-04-06)
    Tegen bepaalde type bacteriën werken antibiotica niet meer. Ze zijn daar resistent tegen geworden. Voorbeelden zijn colistine-resistente bacteriën. Deze bacteriën kunnen in de ontlasting van mensen, vee, en huisdieren zitten en in vlees. Het RIVM heeft voor het eerst onderzocht hoe vaak deze resistente bacteriën voorkomen bij de Nederlandse bevolking. Van 661 mensen is de ontlasting onderzocht. Colistineresistente bacteriën kwamen bij 36 mensen voor. De gegevens zijn als controle gebruikt voor de AREND-studie. Daarin is onder andere onderzocht of colistine-resistente bacteriën even vaak bij dierenartsen en hun assistenten voorkomen dan bij de bevolking. Dat blijkt het geval te zijn. Antibioticaresistente bacteriën kunnen in de darmen zitten van gezonde personen of dieren zonder dat zij daar last van hebben. Maar ze kunnen ook infecties veroorzaken. Infecties door deze bacteriën zijn moeilijker te behandelen met antibiotica. De bacteriën worden onder andere via de ontlasting of via besmet voedsel verspreid. Een goede hygiëne is dan ook belangrijk om besmetting te voorkomen.
  • Stikstofeffecten van criteria ten behoeve van de Landelijke Beëindigingsregeling Veehouderijlocaties

    Bleeker, A; Wilmot, MJ; Bijsterbosch, J (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-04-02)
    Een van de regelingen die moeten bijdragen aan een structurele oplossing van de stikstofproblematiek is de Landelijke Beëindigingsregeling Veehouderijlocaties (Lbv). Het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) wil hiermee de uitstoot van stikstof door landbouwbedrijven verminderen, en daarmee de neerslag van stikstof op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Landbouwbedrijven (melkvee-, varkens- en pluimveehouders) kunnen zich vrijwillig aanmelden om met subsidie hun bedrijf te beëindigen. LNV werkt nog uit welke bedrijven voor de regeling in aanmerking komen. Het is hierbij van belang in welke volgorde de aanmeldingen worden geselecteerd. Hiervoor wil het ministerie weten wat het effect van verschillende opties om bedrijven te selecteren is op de uitstoot en neerslag van stikstof in Nederland. Het RIVM heeft het effect van vier opties uitgerekend. Ook is gekeken wat de kosten per gereduceerde hoeveelheid neerslag voor de verschillende opties zijn. LNV wil bovendien een ‘drempelwaarde’ instellen voor de grootte en het type landbouwbedrijf dat zich kan aanmelden. Hiervoor heeft het RIVM enkele drempelwaarden doorgerekend. De eerste optie kijkt naar de totale uitstoot van stikstof van een bedrijf. Het idee is dat de totale uitstoot in Nederland kan afnemen door bedrijven die veel stikstof uitstoten te sluiten. Bij de tweede optie wordt niet naar de uitstoot gekeken, maar naar de hoeveelheid stikstof die op de bodem neerslaat. De derde optie kijkt naast de uitstoot en neerslag naar het effect van een lagere neerslag op het aantal overschrijdingen van de zogeheten kritische depositiewaarde (KDW) in een natuurgebied. Deze waarden geven aan hoeveel stikstof er maximaal in een natuurgebied mag neerslaan zonder de natuur te schaden. Ten slotte is gekeken op welke plekken in Nederland er grote behoefte is aan bouwprojecten die stikstof uitstoten, zoals de aanleg van woningen en wegen. Vanuit die gedachte wordt gekeken in hoeverre de beëindiging van bedrijven dat mogelijk kan maken. De resultaten van de opties zijn niet alleen in absolute zin met elkaar vergeleken, maar ook ruimtelijk. Voor de tweede optie wordt in alle opzichten de grootste reductie in de neerslag van stikstof bereikt, en dan met name regionaal. Dit hoeven echter niet de regio’s te zijn waarbij met die reductie de overbelasting van de KDW in belangrijke mate wordt teruggebracht. Daar zit dan ook met name het verschil met de derde optie. Daar wordt namelijk een beperktere extra depositiereductie gerealiseerd, maar dat wel in Natura2000-gebieden waarin de overbelaste situatie sneller oplosbaar is. Voor de vierde optie is er landelijk weliswaar een lagere reductie dan bij de tweede optie, maar wordt de depositiereductie dan wel gerealiseerd op locaties waar behoefte is aan stikstofruimte ten behoeve van economische ontwikkeling.
  • Cijfermatige onderbouwing RIVM Langetermijn Verkenning Stikstofproblematiek

    Bleeker, A (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-03-29)
    Te veel stikstof op de bodem is schadelijk voor de kwaliteit en variatie van de planten en dieren in de Natura 2000-gebieden in Nederland. Zogeheten kritische depositiewaarden (KDW) geven aan hoeveel stikstof in een gebied maximaal op de bodem mag terechtkomen. In veel gebieden worden de kritische depositiewaarden nog overschreden. De belangrijkste bronnen die stikstof uitstoten zijn landbouw, industrie en verkeer. De Nederlandse overheid zoekt naar oplossingen om de overschrijdingen zo veel mogelijk te verminderen. Daarom is het RIVM gevraagd om via berekeningen te onderzoeken of daarvoor een ideale ‘mix’ van maatregelen bestaat. Het gaat dan om een mix van lokale, nationale of zelfs internationale maatregelen om de stikstofuitstoot te beperken. Uit dit onderzoek blijkt dat het per regio verschilt hoe deze mix er precies uit moet zien. Hier is dus niet één antwoord op te geven. Eerst moet duidelijk worden welke bronnen een Natura 2000-gebied het meest belasten, hoeveel er uit het buitenland komt, en welke bronnen lokaal bijdragen aan de uitstoot. De resultaten van de berekeningen van het RIVM kunnen helpen om daar meer inzicht in te krijgen. De berekeningen maken in ieder geval duidelijk dat de uitstoot in Nederland flink lager moet worden om de kritische depositiewaarden in natuurgebieden zo min mogelijk te overschrijden. De maatregelen die Nederland hierbij zelf kan nemen, zijn voor sommige gebieden niet genoeg. Dat is vooral zo langs de grens met België en Duitsland. Het RIVM heeft de berekeningen gemaakt voor de ‘Lange Termijn Verkenning Stikstof (LTVS)’. Deze verkenning wordt uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV).

View more