Now showing items 1-20 of 9822

    • Verkenning voor aanvullend onderzoek naar de toepassing van TGG te Perkpolder (Zeeland)

      Brand, E; Otte, P (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-09-22)
      Bij de aanleg van de Zeedijk in Perkpolder is Thermisch Gereinigde Grond (TGG) gebruikt. TGG is een mengsel van grond en andere materialen dat wordt verhit om organische verontreinigingen te verwijderen. Daarna kan de TGG opnieuw worden gebruikt. Het RIVM concludeerde in 2018 dat er nog verontreinigingen in het materiaal van de dijk zitten maar dat ze geen risico’s vormen voor de gezondheid. Wel constateerde het RIVM dat tijdens de aanleg van de dijk fijnstof kon verwaaien en tijdelijke klachten konden geven, zoals irritatie aan ogen en neus. In 2021 heeft Rijkswaterstaat (RWS) het RIVM gevraagd de situatie opnieuw te onderzoeken. Aanleiding is dat omwonenden in de buurt van de dijk nog steeds bezorgd zijn over hun gezondheid. Ook zijn er nieuwe meetgegevens over de kwaliteit van de bodem, het grondwater en het oppervlaktewateren. Voordat het onderzoek van start gaat heeft het RIVM literatuuronderzoek gedaan en gesproken met omwonenden en lokale overheden (gemeenten, provincies en waterschappen). Hierdoor heeft het inzicht gekregen in de vragen, argumenten en percepties van de betrokkenen in de omgeving van Perkpolder. Met deze kennis kan het onderzoek beter bij de vragen aansluiten. Ook wordt duidelijk welke vragen buiten de deskundigheid van het RIVM vallen, en dus buiten het onderzoek. Een voorbeeld daarvan is de toekomstige ontwikkeling van de kwaliteit van grond- en oppervlaktewater. De meeste vragen van de betrokkenen gaan over de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater in de omgeving. Daarom gaat het RIVM onder meer uitzoeken of de kwaliteit van het zoete grondwater (de zoetwaterbel) dat vlak bij de dijk ligt risico’s veroorzaakt. Daarnaast wordt gekeken naar mogelijke risico’s doordat TGG door verwaaiing in de moestuinen is gekomen. Ook gaat het onderzoek in op vragen over mogelijke gezondheidseffecten van de verontreinigingen op de langere termijn. Tot slot stelt het RIVM voor om een belevingsonderzoek te doen onder omwonenden met als doel een bredere inventarisatie van de vragen, zorgen en behoeftes die er onder de omwonenden en gebruikers van de Perkpolder leven.
    • Blootstelling aan natuurlijke bronnen van ioniserende straling in Nederland

      Smetsers, RCGM; Bekhuis, PDBM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-09-17)
      Iedereen staat de hele dag bloot aan straling. Het RIVM heeft uitgebreid beschreven wat er over natuurlijke straling bekend is. Een nieuw overzicht is nodig omdat de bijdrage van bronnen aan de totale stralingsdosis in de loop van de tijd verandert. Ook zijn soms de wetenschappelijke inzichten veranderd over het gezondheidsrisico dat een bron veroorzaakt. Natuurlijke straling komt vooral door radioactieve stoffen in de bodem en in bouwmaterialen die daarvan worden gemaakt, en uit de ruimte. Uit bouwmaterialen, zoals beton, bakstenen en gips, komen ook de radioactieve gassen radon en thoron vrij. Radon en thoron zijn de grootste bron van straling in woningen: inademing van hun radioactieve vervalproducten vergroot de kans op longkanker, vooral bij mensen die roken. Aan veel bronnen van natuurlijke straling is niets te doen, maar wel aan straling in woningen. Het RIVM geeft aanbevelingen om de hoeveelheid straling in woningen laag te houden. Het RIVM wijst daarbij vooral op de risico’s van thoron, waarvoor nog geen regelgeving bestaat. Voor de stralingsdosis in woningen geeft het RIVM twee schattingen. Internationaal gebruiken wetenschappers namelijk twee getallen om de hoeveelheid radioactieve stoffen in de lucht om te rekenen naar een stralingsdosis in huis (UNSCEAR en ICRP). Het is nog niet duidelijk welke omrekengetallen het beste zijn. ICRP schat de risico’s van radon en thoron hoger in dan UNSCEAR. Volgens de ICRP is de totale dosis straling van natuurlijke bronnen dus groter en hebben radon en thoron een groter aandeel aan het geheel. Het RIVM heeft het overzicht gemaakt in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS). Het is onderdeel van een nieuwe studie naar de dosis die mensen door alle bronnen van straling oplopen. Hierna verschijnen nog onderzoeken over de bijdragen van straling door de industrie en door medisch onderzoek, de laatste in opdracht van het ministerie van VWS. De resultaten van alle drie de onderzoeken zullen op een publieksvriendelijke website van het RIVM worden toegelicht.
    • Annual report Surveillance of COVID-19, influenza and other respiratory infections in the Netherlands: winter 2020/2021

      Reukers, DFM; van Asten, L; Brandsema, PS; Dijkstra, F; Hendriksen, JMT; Hooiveld, M; de Lange, MMA; Lanooij, SJ; Niessen, FA; Teirlinck, AC; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-09-15)
      Het RIVM brengt elk jaar in kaart hoeveel mensen in Nederland griep en andere luchtweginfecties hebben. Dit keer staat het overzicht in het teken van de uitbraak van het coronavirus SARS-CoV-2. Dit virus overheerste in 2020 en 2021. In combinatie met de maatregelen om de verspreiding van het virus tegen te gaan, hadden hierdoor veel minder mensen andere luchtweginfecties. COVID-19 Tijdens de zomer van 2020, van mei tot en met september, hadden heel weinig mensen COVID-19, de ziekte die het coronavirus veroorzaakt. Na de zomer begon de tweede golf, die twee pieken had: in oktober en eind december. Deze golf begon onder de jongere leeftijdsgroepen (10 tot 29 jaar). Daarna kregen steeds meer mensen tussen 40 en 50 jaar COVID-19, gevolgd door mensen van 70 jaar of ouder. De derde golf begon in februari 2021. Het aantal besmettingen nam toen vooral toe door de opkomst van de Alfavariant (de Britse variant). Deze variant was tussen begin februari en eind mei 2021 de meest gemelde variant van het coronavirus. Tussen 18 mei 2020 en 23 mei 2021 zijn 1.584.237 mensen positief getest op corona. Van hen zijn 53.175 mensen opgenomen in het ziekenhuis, en 9.649 op de intensive care. Van 11.640 mensen is bekend dat ze zijn overleden. Tijdens de tweede en derde golf stierven er 14.739 mensen meer dan de afgelopen 5 jaren in dezelfde periode. Deze ‘oversterfte’ hangt naar verwachting samen met de uitbraak van dit virus. Griepepidemie Tijdens het griepseizoen zijn er nauwelijks mensen geregistreerd met de griep (2). Er was daarom deze winter geen griepepidemie. Dit komt waarschijnlijk door de coronamaatregelen, die ook helpen om de verspreiding van andere virussen te voorkomen, zoals de griep. Meldingsplichtige luchtweginfecties Sommige luchtweginfecties moeten bij de GGD worden gemeld. De GGD kan besmettingen dan intensief volgen en zo nodig snel actie nemen om te voorkomen dat ze zich verder verspreiden. Het aantal meldingen van psittacose (papegaaienziekte) is in 2020 licht gestegen naar 94, het hoogste aantal sinds 2010. Het aantal meldingen in 2020 van legionella (461), tuberculose (623) en Q-koorts (7) nam juist sterk af. Legionella kwam waarschijnlijk minder vaak voor, omdat er minder internationale reizen zijn gemaakt in 2020. Q-koorts, psittacose en legionella uiten zich meestal in de vorm van longontstekingen, maar de oorzaak daarvan wordt vaak niet onderzocht. De werkelijke aantallen liggen daardoor hoger dan de gemelde aantallen.
    • Risicogrenzen voor bromaat in oppervlaktewater. Afleiding volgens de methodiek van de Kaderrichtlijn Water

      Smit, CE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-09-15)
      Het RIVM heeft risicogrenzen bepaald voor de stof bromaat in zoet oppervlaktewater. Risicogrenzen geven aan welke concentratie in het water veilig is voor planten en dieren die in het water leven. Er zijn ook risicogrenzen bepaald voor oppervlaktewater waarvan drinkwater wordt gemaakt. Met behulp van de risicogrenzen kan het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) een besluit nemen over waterkwaliteitsnormen voor bromaat. Waterbeheerders hebben deze normen nodig om lozingen te kunnen beoordelen. Bromaat kan ontstaan als water waar bromide in zit, wordt gezuiverd met behulp van ozon. Ozon zorgt ervoor dat resten van geneesmiddelen en andere chemische stoffen worden afgebroken, maar reageert ook met bromide. Bromide komt van nature voor in oppervlaktewater en grondwater. Het zit vooral in brak en zout water. Voor planten en dieren die in het water leven, heeft het RIVM een veilige concentratie bromaat berekend van 50 microgram per liter. Op innamepunten van drinkwater stelt het RIVM een strengere waarde voor van 1 microgram per liter om aan de kwaliteitseisen voor drinkwater te voldoen. Zo’n waarde is nodig omdat bromaat kanker kan veroorzaken wanneer mensen er te veel van binnenkrijgen. Om die reden is er ook een risicogrens nodig voor oppervlaktewater om vis uit dat water te kunnen eten. Het RIVM kan alleen niet berekenen hoeveel bromaat er dan in het oppervlaktewater mag zitten. Het is namelijk niet bekend hoeveel bromaat vissen binnenkrijgen via het oppervlaktewater waar ze in leven. Het is wel aannemelijk dat mensen via vis niet meer bromaat binnenkrijgen dan via drinkwater. Als het oppervlaktewater veilig is om drinkwater van te maken, dan zijn er dus ook geen risico’s voor mensen die vis uit dat water eten. Voor dit onderzoek heeft het RIVM bestaande evaluaties van bromaat gebruikt en aangevuld met recente gegevens uit de wetenschappelijke literatuur.
    • Herhaalmeting Wonen langs het Spoor

      van Kamp, I; van Kempen, EEMM; Simon, SN; Mabaja, N; Verheijen, E; van Wijnen, H (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-09-14)
      Het RIVM heeft in 2019 onderzocht hoe mensen die tot 300 meter van het spoor wonen, trillingen door treinen ervaren. De resultaten daarvan zijn vergeleken met die van 2013, om te kijken hoe gezondheidseffecten zich in deze periode ontwikkelden. Net als in 2013 ervaart ruim 40 procent van de omwonenden ernstige hinder en 32 procent ernstige slaapverstoring door goederentreinen. Dit percentage is hoog maar stabiel gebleven. Het percentage ernstige hinder door reizigerstreinen is laag, maar in de onderzochte periode wel verdubbeld (van 8 naar 20 procent). Dat geldt ook voor het percentage ernstige slaapverstoring (van 6 naar 11 procent). De oorzaak hiervan is niet duidelijk. Landelijk gezien zijn de trillingsniveaus van reizigerstreinen hetzelfde gebleven. De verwachtingen van omwonenden over de trillingsniveaus in de toekomst zijn in 2019 zelfs iets positiever dan in 2013. Duiding van deze bevindingen moet gezocht worden in lokale omstandigheden en bieden op dat schaalniveau mogelijk aanknopingspunten voor het beleid. In het onderzoek is ook gevraagd naar andere factoren die van invloed zijn op het woonplezier in de buurt van het spoor. Omwonenden zijn over het algemeen in 2019 even tevreden over hun woonomgeving als in 2013. Over sommige zaken, zoals de buurt, het geluid van buren en wegverkeer en het beschikbare groen, en trillingen van andere bronnen dan treinen, zijn ze iets negatiever geworden. Verder bleven de slaapkwaliteit, medicijngebruik en lichamelijke klachten die niet door een ziekte kunnen worden verklaard, bij de onderzochte groep hetzelfde. Het aantal mensen dat hun gezondheid als goed tot zeer goed beoordeelt, is wel iets gedaald. Dit komt doordat de deelnemers tussen 2013 en 2019 zes jaar ouder zijn geworden. Naarmate mensen ouder worden, ervaren zij hun gezondheid doorgaans als iets minder goed. Dit onderzoek is in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) gedaan. De resultaten vormen een eerste aanzet voor verdere ontwikkeling van beleid en eventuele regelgeving over trillingen van het spoor. Een volgende meting staat gepland voor eind 2021, met als belangrijkste doel om relaties te bepalen tussen trillingen van treinen en hinder en slaapverstoring.
    • Radiologische gevolgen van mogelijke ongevalsscenario’s voor Kerncentrale Borssele

      Tomas, JM; Kloosterman, A; Twenhöfel, CJW; van Dillen, T (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-09-10)
      Ongevallen met kernenergiecentrales waarbij radioactieve stoffen vrijkomen, vormen een gevaar voor de gezondheid. De gevolgen van zo’n ongeval hangen af van de hoeveelheid radioactiviteit die vrijkomt, de hoeveelheid waar iemand aan blootstaat en de effecten van deze blootstelling op de gezondheid. Volgens Europese richtlijnen moeten landen in Europa zich voorbereiden op een mogelijk stralingsongeval. In een noodsituatie kunnen ze dan maatregelen nemen die de gezondheidseffecten zoveel mogelijk beperken. Naar aanleiding van de nieuwste Europese richtlijnen werkt ook Nederland aan een nieuwe ‘stralingsbeschermingsstrategie’ voor verschillende noodsituaties waarbij radioactiviteit kan vrijkomen. Naar aanleiding daarvan heeft het RIVM berekend tot welke afstand van de kerncentrale in Borssele beschermende maatregelen voor de bevolking nodig kunnen zijn bij een stralingsongeval. De afstanden zijn berekend voor vijf emissiescenario’s (van klein tot ernstig) bij verschillende weersomstandigheden. Het weer heeft namelijk veel invloed op de afstand tot waar de radioactieve stoffen zich kunnen verspreiden. Het RIVM heeft dit in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) gedaan. De resultaten uit dit onderzoek geven een indicatie tot welke afstand deze maatregelen nodig kunnen zijn bij een stralingsongeval met Kerncentrale Borssele. De resultaten kunnen worden gebruikt om de nieuwe stralingsbeschermingsstrategie te ontwikkelen. Bij een kernongeval zijn, afhankelijk van de ernst ervan, verschillende maatregelen mogelijk. Voorbeelden zijn evacueren, schuilen (binnenblijven met de deuren en ramen dicht) en jodiumtabletten innemen (jodiumprofylaxe). Ook kunnen maatregelen worden genomen om te voorkomen dat voedsel besmet raakt. Denk aan koeien niet laten grazen en kassen sluiten.
    • Potentieel ziekteverwekkende micro-organismen in lucht afkomstig uit mestverwerkingsinstallaties

      Dollmann, SK; Vermeulen, LC; Schmitt, H; van der Wal, A; de Roda Husman, AM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-09-10)
      Mestbewerkingsinstallaties bewerken het overschot aan mest. In dierlijke mest kunnen bacteriën of virussen zitten. Het is niet bekend in hoe ver de installaties deeltjes uitstoten die schadelijk zijn voor de gezondheid. Omwonenden maken zich daar zorgen om. Het RIVM werkt daarom aan een monitoringsprogramma om ziekteverwekkende organismen te kunnen meten in de buitenlucht rondom deze installaties. De eerste stap is daar nu in gemaakt. Het RIVM doet dit in opdracht van de provincie Noord-Brabant. Het is veel werk om alle mogelijke ziekteverwekkers te meten in lucht rondom mestverwerkingsinstallaties. Bepaalde groepen ziekteverwekkers gedragen zich hetzelfde in mest en in lucht. Het RIVM heeft daarom uitgezocht welke organismen verschillende groepen ziekteverwekkende bacteriën en virussen kunnen vertegenwoordigen. Als deze ‘indicatoren’ in de lucht zitten, kan gericht in kaart worden gebracht welke ziekteverwekkers uit de installaties komen. De voorgestelde indicatoren zijn de bacteriën Campylobacter, Clostridium, E. coli, enterokokken en endotoxine. Somatische colifagen zijn een indicator voor virussen. Het RIVM adviseert ook met welke methoden het beste de uitstoot van de gekozen indicatoren kunnen worden gemeten. Het RIVM adviseert om luchtmetingen op meerdere afstanden van de installaties te doen. Veel ziekteverwekkers sterven namelijk snel af in de buitenlucht. Als er ziekteverwekkers in de lucht zitten, zullen die aantallen op grotere afstand van een installatie kleiner zijn.
    • Recycling van matrassen : analyse van risico’s van verwerking en nieuwe toepassingen

      Faber, M; Heens, F; Spanbroek, N; Lijzen, JPA; van Drongelen, AW (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-09-09)
      De Nederlandse overheid wil dat de economie in 2050 helemaal circulair is. Daarin worden grondstoffen steeds opnieuw gebruikt zodat er zo min mogelijk afval is. Matrassen zijn een groot deel van het huishoudelijk afval. Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) wil daarom gebruikte matrassen zoveel mogelijk recyclen. Ze worden nu gebruikt voor bijvoorbeeld judomatten, poetslappen en een zachte ondergrond in speeltuinen. Het RIVM heeft uitgezocht of de recycling van gebruikte matrassen risico’s kan hebben. Daar kunnen namelijk schadelijke stoffen in zitten. Het RIVM keek naar risico’s voor werknemers en voor de gebruikers van producten die ervan zijn gemaakt. Hierbij is ook aandacht voor stoffen die in het verleden waren toegestaan, maar waar nu strengere regels voor zijn. Verder kunnen er tijdens het gebruik van het matras micro-organismen, zoals schimmels en bacteriën, in terechtkomen. Het RIVM richt zich op de vier belangrijkste materialen in matrassen: polyurethaanschuim, latexschuim, textiel en metaal. Er blijken weinig metingen te zijn gedaan naar gevaarlijke stoffen en vervuilingen met micro-organismen in deze (gerecyclede) materialen. Bij de metingen die er zijn, zijn de wettelijke grenswaarden voor producten, zover deze bestaan, niet overschreden. Micro-organismen kunnen in de matrastijk of het schuim zitten maar gaan dood wanneer de tijken tijdens de recycling worden gewassen en het schuim met stoom wordt behandeld. Daardoor kunnen de micro-organismen niet in gerecyclede producten terechtkomen. Meer onderzoek is nodig naar de recycling en de gerecyclede producten van het schuim en textiel uit matrassen. Er is weinig bekend of er in gerecyclede producten gevaarlijke stoffen zitten en, als dat zo is, in hoeverre mensen daar aan blootstaan. Ook is het belangrijk om te onderzoeken of werknemers aan schadelijke stoffen blootstaan als zij de matrassen uit elkaar halen. In het algemeen adviseert het RIVM alle bedrijven die te maken hebben met de productie, het gebruik en recycling van matrassen meer en beter samen te werken. Bijvoorbeeld door er bij het ontwerp van een matras al rekening te houden dat ze makkelijk en veilig kunnen worden gerecycled. Ook is het belangrijk om met elkaar te delen welke stoffen en materialen worden gebruikt; dit geldt voor alle te recyclen producten.
    • Strategisch Programma RIVM Jaarrapportage 2020

      van Binsbergen, R (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-09-09)
      Het Strategisch Programma (SPR) is het RIVM-programma voor strategisch onderzoek, innovatie en kennisontwikkeling. Hiermee kijkt het RIVM vooruit naar onderwerpen die in de toekomst invloed kunnen hebben op onze volksgezondheid en leefomgeving, en daarom extra aandacht verdienen. Het RIVM doet elk jaar verslag van de inhoud en voortgang van de SPR projecten die hiervoor worden gedaan. Het SPR 2019-2022 is in twee fasen van elk twee jaar opgedeeld: SPR 2019-2020 en SPR 2021-2022. Een aantal projecten heeft een looptijd van twee jaar, andere projecten hebben een looptijd van de volle vier jaar. Deze jaarrapportage blikt terug op het jaar 2020, het tweede jaar van het programma 2019-2022. In de eerste fase is gewerkt aan 39 projecten, verdeeld over acht thema’s. Ondanks alle beperkingen als gevolg van de uitbraak van SARS-CoV-2 is veel werk uitgevoerd. Toch zijn ook veel projecten vertraagd, waardoor is besloten dat alle projecten hun resultaten later mogen opleveren. Dit betekent dat fase 1 met een jaar verlengd zal worden tot eind 2021. In 2020 zijn ook nieuwe projecten opgestart om nog beter aan de doelstellingen van het SPR 2019-2022 tegemoet te komen. In navolging van het advies van de Commissie van Toezicht, ligt het accent van deze projecten op wetenschappelijke publicaties, deels uitgevoerd door promovendi. Het programma zal hierdoor uitlopen, aangezien promovendi vier jaar aan hun onderzoek werken om tot een proefschrift en de bijhorende wetenschappelijke publicaties te komen.
    • Westnijlvirus in Nederland: Aanpak surveillance en respons 2021-2023

      Braks, MAH; van den Kerkhof, JHTC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-09-08)
      Het westnijlvirus veroorzaakt westnijlkoorts. Dit virus komt voor bij vogels en wordt overgebracht door muggen die zich voeden met bloed van besmette vogels. Deze muggen verspreiden het virus naar andere vogels, en soms ook naar mensen en zoogdieren, zoals paarden. In oktober 2020 hebben in Nederland voor het eerst mensen westnijlkoorts gekregen. Het RIVM heeft nu met alle betrokken partijen een aanpak opgesteld om risico’s voor mensen te verminderen. Het doel is om vroeg te signaleren dat het virus in Nederland wordt overgedragen, zodat de juiste maatregelen kunnen worden genomen. Op deze manier is Nederland goed voorbereid en weten alle betrokken partijen wat er van hen wordt verwacht. In de aanpak is vastgesteld hoe signalen dat het westnijlvirus in Nederland is, vroeg kunnen worden opgepakt. Ook is vastgesteld wanneer er een risico is voor mensen, welke acties dan nodig zijn, en door wie. Hieronder valt publiekscommunicatie over wat mensen zelf kunnen doen. Vanwege de overdracht van dier op mens is een nauw samenwerking tussen de gezondheidszorg voor mens en dier belangrijk (one health). De aanpak vloeit voort uit een werkgroep die in 2018 is opgericht en bestaat uit partijen die zich met de gezondheid van mens en dier bezighouden. Aanleiding hiervoor was de eerste besmetting van een mens in Duitsland; voor die tijd was het westnijlvirus al regelmatig in Zuid-Europa te vinden. De komende drie jaar wordt onderzocht hoe het westnijlvirus zich in Nederland gedraagt. Deze kennis is nodig om het virus beter in de gaten te houden en te weten welke maatregelen het beste werken. De meeste mensen worden niet ziek van een infectie met het virus. Ongeveer 1 op de 5 van de besmette mensen krijgt milde griepachtige symptomen zoals koorts, hoofdpijn en spierpijn. Slechts een zeer klein deel (1 procent) van de besmette mensen krijgt een ernstige ziekte, zoals hersenontsteking (encefalitis) of hersenvliesontsteking (meningitis).
    • Signaleringsoverleg Voedselveiligheid: Jaarrapportage 2020

      de Jonge, R; Razenberg, L; van de Giessen, A; van Gorcom, R (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-09-08)
      Mensen kunnen ziek worden van bacteriën, virussen, of chemische stoffen in voedsel. In 2019 adviseerde de Onderzoeksraad voor Veiligheid om nieuwe risico’s voor de voedselveiligheid systematisch en tijdig in beeld te brengen. Op die manier kunnen sneller maatregelen worden genomen om de gezondheid van mensen te beschermen. Naar aanleiding daarvan hebben de ministeries van Volksgezondheid Welzijn en Sport (VWS) en Landbouw, Natuur en Visserij (LNV) het Signaleringsoverleg Voedselveiligheid ingericht. Het gaat hierbij over twee onderwerpen: microbiologische en chemische risico’s. In het signaleringsoverleg zitten experts van het RIVM, Wageningen Food Safety Research (WFSR), de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA), het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) en het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG). In de tweede helft van 2020 zijn de eerste twee overleggen geweest. De experts hebben verschillende signalen ingebracht, besproken en geduid. Daarvan hebben zij er twee na een zorgvuldige afweging vertrouwelijk gemeld aan VWS en LNV en de NVWA.
    • Meet- en bemonsteringsmethoden voor radioactieve materialen

      van der Linden, M; Cats, KH (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-09-07)
      Bij sommige handelingen kunnen materialen overblijven die licht radioactief zijn, bijvoorbeeld bij industriële processen of na behandelingen in ziekenhuizen. Het is dan belangrijk om te weten of de materialen als radioactief afval moeten worden afgevoerd of mogen worden hergebruikt. Daarom moet met metingen worden bepaald of de radioactiviteit niet te hoog is. Soms is het niet mogelijk om het hele materiaal te meten, bijvoorbeeld bij grote voorwerpen, of een grote berg puin. Dan worden daar monsters van genomen. Het RIVM heeft op een rij gezet met welke methode radioactiviteit in materialen kan worden bemonsterd en gemeten. Er staan namelijk geen duidelijke voorschriften voor meten en bemonsteren in de Nederlandse wet- en regelgeving over stralingsbescherming. Ook geldt er sinds 2018 nieuwe, strengere, regelgeving voor radioactiviteit in materialen. Het RIVM heeft dit onderzoek gedaan in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS). Het RIVM heeft elke methode om radioactief afval te meten of te bemonsteren beschreven en kort samengevat. Daarnaast heeft het een stappenplan gemaakt. Hierin staat waar bij de metingen rekening mee moet worden gehouden om het afval te kunnen vrijgeven voor hergebruik. Ondernemers kunnen het overzicht en het stappenplan gebruiken om hun afval goed te verwerken. Ten slotte blijkt uit het overzicht voor welke situaties nog geen geschikte methode bestaat. Door de strengere wetgeving is vaker andere, meestal dure, laboratoriumapparatuur nodig die lagere hoeveelheden radioactiviteit kan meten. Verder kan het lastig zijn om de radioactiviteit te meten. Bijvoorbeeld als het afval bestaat uit verschillende soorten materialen. Of als de concentraties zo laag zijn dat ze dicht bij het toegestane hoeveelheid liggen.
    • Depositieonderzoek IJmond 2020. Monstername, analyse en risicobeoordeling van PAK en metalen in neergedaald stof binnen- en buitenshuis in de IJmondregio

      Mennen, MG; Geraets, L; ter Burg, W; Elberse, JE; van Putten, EM; Boshuis-Hilverdink, ME; van Veen, NW (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-09-02)
      In de IJmond in Noord-Holland is neergedaald stof te zien rondom het terrein van Tata Steel, bijvoorbeeld op vensterbanken, tuinmeubelen of op straat. Bij bewoners geeft het overlast. Ook maken zij zich zorgen over hun gezondheid en die van hun kinderen. Het RIVM en de GGD Kennemerland hebben daarom gemeten hoeveel polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) en metalen in het neergedaald stof zit. Daarnaast is een inschatting gemaakt wat voor risico het kan hebben voor de gezondheid van kinderen van tussen de één en twaalf jaar in dit gebied. Het onderzoek richt zich op PAK en metalen omdat deze stoffen zijn te verwachten in de buurt van de staalindustrie en schadelijk kunnen zijn voor de gezondheid. Om een algemeen beeld te krijgen van het neergedaald stof is in verschillende dorpen rond Tata Steel drie keer stof verzameld en onderzocht. Dit is gedaan op 29 locaties buiten, en op 12 locaties binnen in woningen. In Wijk aan Zee, Beverwijk, Velsen-Noord en IJmuiden zijn buitenshuis de hoeveelheden PAK en metalen groter dan op locaties buiten de IJmond. Ze zijn het grootst in Wijk aan Zee. Daar zijn van sommige metalen zoals ijzer, mangaan, vanadium en chroom, en PAK, hoeveelheden van 20 tot 100 keer meer gemeten. Binnen in de woningen in Wijk aan Zee zijn de hoeveelheden PAK en de meeste metalen ook wat groter. Maar de hoeveelheden in de woningen zijn veel lager dan erbuiten en dragen nauwelijks bij aan de totale hoeveelheid waar mensen aan blootstaan. Kinderen die buiten en binnen spelen komen in contact met het neergedaald stof. Zij komen via hun huid in contact met PAK en metalen die in het stof zitten. Ook krijgen ze het via hun handen in hun mond. De blootstelling aan de hoeveelheden lood en PAK in neergedaald stof is ongewenst voor de gezondheid van kinderen. Mensen krijgen in hun dagelijks leven ook op andere manieren al te hoge hoeveelheden PAK en lood binnen, zoals via voeding. Daarom is het belangrijk deze extra blootstelling via neergedaald stof zo veel mogelijk te beperken. Van de andere hoeveelheden metalen in het stof wordt geen gezondheidsrisico verwacht.
    • Sport- en Beweeggedrag in 2020

      Duijvestijn, M; Schurink, T; van den Berg, S; Euser, S; Wendel-Vos, W (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-08-11)
      Vanaf half maart 2020 kreeg Nederland te maken met maatregelen om de verspreiding van het SARS-CoV-2 virus tegen te gaan. 30 tot 50 procent van de Nederlandse bevolking zegt dat ze tijdens de coronapandemie minder zijn gaan bewegen. Slechts 15 procent is naar eigen zeggen meer gaan bewegen. Per saldo voldeden meer Nederlanders aan de beweegrichtlijnen dan in 2019 (53 procent versus 49). Vooral doordat ze vaker activiteiten deden in en rondom het huis, zoals wandelen, huishouden en klussen. Mensen die vaker aan de beweegrichtlijnen voldeden waren vooral volwassenen van 30 tot en met 39 jaar, mensen met betaald werk, een hoger inkomen en een hogere opleiding, ouders met thuiswonende kinderen, kinderen die thuis wonen en mensen in stedelijk gebied. Het aantal mensen dat elke week minstens een keer sportte, was hetzelfde in 2020 en 2019. Wel sportten deze wekelijkse sporters per week iets vaker (3 tot 4 keer in plaats van 3 keer) en iets langer (20 minuten per week) dan in 2019. Ze deden vaker aan hardlopen (19 procent in 2020 versus 16 procent in 2019). Mogelijk zijn door de coronapandemie de cijfers van de Gezondheidsenquête/Leefstijlmonitor gunstiger uitgevallen dan ze werkelijk zijn. Zo konden bijvoorbeeld vanwege de coronamaatregelen bepaalde groepen niet thuis worden bezocht voor een interview. Hierdoor ontbreekt informatie van mensen die met een online enquête moeilijk te benaderen zijn. In het algemeen bewegen zij minder. Dit blijkt uit het onderzoek van het RIVM. Het RIVM onderzoekt al 20 jaar het sport- en beweeggedrag van de Nederlandse bevolking. Vanwege de coronapandemie is dit keer ook gevraagd of mensen meer of minder zijn gaan bewegen. Voor dit onderzoek zijn twee bronnen gebruikt: de Gezondheidsenquête/Leefstijlmonitor en het Vragenlijstonderzoek van de Corona Gedragsunit van het RIVM en GGD GHOR Nederland.
    • Exploring the necessity of additional data requirements under the pesticide regulation to take into account endophytes

      J Scheepmaker (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2021-07-28)
      Gewasbeschermingsmiddelen op basis van schimmels en bacteriën worden gebruikt om insecten, bacteriën en schimmels te bestrijden bij de teelt van gewassen als mais en tarwe. Bij de risicobeoordeling van deze ‘microbiële gewasbeschermingsmiddelen’ wordt vooral gekeken of ze aan de buitenkant van een plant kunnen groeien. Sinds kort is bekend dat sommige micro-organismen ook in planten kunnen groeien. In het algemeen is het zo dat bacteriën en schimmels schadelijke stoffen kunnen maken als ze groeien (metabolieten). Wanneer micro-organismen in planten groeien, zouden deze schadelijke stoffen in de plant kunnen ontstaan. In dat geval zouden mensen die deze planten eten blootgesteld kunnen worden aan deze metabolieten. Het RIVM heeft verkend of micro-organismen die via gewasbeschermingsmiddelen in planten groeien, andere of meer stoffen produceren dan bekend is. Voor zover bekend kunnen verschillende micro-organismen die als gewasbeschermingsmiddel worden gebruikt, in planten groeien. Maar dat gebeurt in kleine hoeveelheden die na toepassing snel afnemen. Er zijn geen aanwijzingen gevonden dat de hoeveelheid metabolieten die ze produceren schadelijk is voor de mens. De risico’s van microbiologische gewasbeschermingsmiddelen kunnen daarom met de bestaande risicobeoordeling worden bepaald. Daarvoor is geen andere of extra informatie nodig. Het RIVM concludeert dit na een verkennend literatuuronderzoek. Dat is in opdracht van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) uitgevoerd.
    • An inventory of innovation in recycling waste streams with substances of concern

      Zweers, PGPC; van Kuppevelt, MA; de Boer, LM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2021-07-20)
      Om afval opnieuw te kunnen gebruiken (onderdeel van circulaire economie) zijn al veel maatregelen genomen, zowel beleidsmatig als in de praktijk. Afval kan zorgwekkende stoffen bevatten die niet in nieuwe materialen of producten mogen komen. Voorbeelden zijn schadelijke chemische stoffen, medicijnresten of ziekteverwekkende stoffen. Voor een veilig hergebruik van afval moeten de zorgwekkende stoffen hier zo veel mogelijk worden uitgehaald. Het RIVM heeft op een rij gezet welk afval waar zorgwekkende stoffen in zitten, op grond van wat nu bekend is, het meest een probleem vormt. Ook is gekeken welk afval slechts beperkt gerecycled wordt en waar mogelijk veel meer materialen kunnen worden gerecycled. Tot slot is gekeken welke vernieuwende technologie al wordt ontwikkeld om zorgwekkende stoffen uit het afval te te halen. Zeven soorten afval scoren het hoogst op deze punten en zouden volgens het RIVM verder moeten worden uitgediept. Dat zijn textiel, plastic en rubber, batterijen, rioolwaterzuiveringsslib, bouw- en sloopafval, banden en elektronische apparatuur. Het RIVM werkt in een vervolgonderzoek drie onderwerpen uit: straling in bouwmaterialen, cellulose terugwinnen uit afvalwater en chemische recycling van plastics. De inventarisatie heeft verder duidelijk gemaakt dat afval meer kan worden gerecycled als het uitgebreider wordt gesorteerd nadat het is ingezameld. Hier is veel aandacht voor bij de ontwikkeling van nieuwe technieken. Dat is vooral nuttig voor afval waarvan de samenstelling niet altijd hetzelfde is, zoals bij bouw- en sloopafval. Met dit rapport wil het RIVM de Nederlandse inzichten en informatie over de nationale wetgeving en zorgwekkende stoffen delen met het buitenland. Onder andere omdat afval en de verwerking daarvan niet bij de grens ophouden. Om die reden is het rapport in het Engels geschreven. In Nederland lijken afvalverwerkers nog niet veel aandacht te hebben voor zorgwekkende stoffen, al groeit het besef. Financiële prikkels om het afval te verkopen lijken vaak zwaarder te wegen dan veiligheid. Daarnaast raakt veel informatie over de aanwezigheid van zorgstoffen in de keten en daarmee in het afval verloren. Ook daarom wil het RIVM meer aandacht voor veiligheid vragen, in combinatie met andere duurzaamheidsoverwegingen. Een belangrijke voorwaarde hiervoor is dat in de keten meer informatie wordt gedeeld over de aanwezigheid van zorgwekkende stoffen.
    • Agricultural practices and water quality on farms registered for derogation in 2019

      van Duijnen, R; Blokland, PW; Vrijhoef, A; Fraters, D; Doornewaard, GJ; Daatselaar, CHG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2021-07-16)
      In Nederland mogen bepaalde agrarische bedrijven meer dierlijke mest, waar stikstof in zit, op hun land gebruiken dan de algemene norm van de Europese Nitraatrichtlijn voorschrijft. Zij moeten hiervoor wel aan specifieke voorwaarden voldoen. Deze verruiming heet derogatie. Het RIVM en Wageningen Economic Research meten elk jaar de gevolgen van de derogatie voor de waterkwaliteit op driehonderd bedrijven. Ook worden de ontwikkelingen sinds 2006 geanalyseerd, het jaar waarin de derogatie inging. Uit de analyse blijkt dat de derogatie geen negatieve effecten heeft op de waterkwaliteit vanaf 2006. Wel heeft de droogte er in 2019 en 2020 negatieve effecten op gehad. Door de droogte groeiden onder andere de gewassen minder goed, waardoor zij minder stikstof opnamen. Hierdoor bleef er meer stikstof in de bodem achter en kwam er meer in het grondwater terecht. Bedrijfsvoering In 2019 hebben derogatiebedrijven gemiddeld 230 kilogram stikstof uit dierlijke mest per hectare gebruikt. Dit wordt in kilogrammen stikstof aangegeven omdat het per diersoort verschilt hoeveel stikstof er in mest zit. Een derogatiebedrijf mag 230 of 250 kilogram stikstof per hectare uit graasdiermest gebruiken, afhankelijk van de bodemsoort en regio. Door verbeteringen in de bedrijfsvoering wordt dierlijke mest efficiënter gebruikt om gewassen te laten groeien. Het ‘stikstofbodemoverschot’ is daardoor van 2006 tot en met 2017 gedaald. Dit betekent dat er in deze jaren minder stikstof beschikbaar is om als nitraat met regenwater weg te zakken naar diepere lagen in de bodem en uiteindelijk het grondwater. Na een stijging in 2018 door de droogte, was in 2019 het stikstofbodemoverschot het laagste van alle onderzochte jaren. Grondwaterkwaliteit De gemiddelde nitraatconcentratie op derogatiebedrijven nam in 2019 en 2020 toe. Dit komt waarschijnlijk door de droogte. In het zuiden en oosten van de Zandregio steeg de concentratie in 2020 tot boven de EU-norm van 50 milligram per liter (63 milligram per liter). Als de hele onderzochte periode (2006-2020) wordt bekeken, is de concentratie in de hele Zandregio wel gedaald. In de Lössregio bleef de concentratie boven de norm, al is deze lager dan in 2018 (59 milligram per liter in 2019 versus 65 milligram per liter in 2018). In de Klei- en Veenregio daalde de nitraatconcentratie in 2020. In de Kleiregio is in de hele onderzochte periode de nitraatconcentratie gestegen, maar blijft deze steeds onder de norm. De monitoring wordt uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV).
    • Programmatische Aanpak Meten Vliegtuiggeluid: Nationale meetstrategie. Kaders en inventarisatie meetsystemen

      Sahai, A; Hogenhuis, R; Heblij, S; Smetsers, R; Assink, J (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-07-08)
      Het RIVM, het NLR (Nederlands Lucht- en Ruimtevaartcentrum) en het KNMI hebben een nationale meetstrategie voor vliegtuiggeluid ontwikkeld. De meetstrategie richt zich op twee doelen: de huidige rekenmodellen valideren en omwonenden betrouwbare informatie geven. De nationale meetstrategie bevat kaders voor het hele land. Op basis van deze kaders kunnen meetsystemen rondom Nederlandse luchthavens consistent worden ingericht. Op dit moment verschilt het van regio tot regio hoe vliegtuiggeluid wordt gemeten. De kaders bevatten eisen en criteria voor de twee meetdoelen. De eisen en criteria gelden voor zowel afzonderlijke meetposten als voor de combinatie van meetposten (het meetsysteem). Voor het meetsysteem zijn handvatten bepaald over hoe de meetposten het beste rondom de luchthaven kunnen worden verspreid (de dekking van het meetsysteem). Om de kwaliteit van meetposten te beoordelen zijn als onderdeel van de nationale meetstrategie ‘kwaliteitsindicatoren’ ontwikkeld. Hiermee kan worden beoordeeld in hoeverre een meetpost of meetsysteem voor beide meetdoelen aan de criteria voldoet. De nationale meetstrategie zal in een volgende fase op regionaal niveau worden uitgewerkt. Ter voorbereiding op de regionale uitwerkingen is de meetinfrastructuur rond de luchthavens van nationale betekenis geïnventariseerd. Vervolgens zijn de kaders van de nationale meetstrategie als pilot op het meetsysteem rond Schiphol getest. Hieruit blijkt dat de kaders de meetkwaliteit en verschillen per meetpost goed zichtbaar maken. Met de kaders kan dus worden beoordeeld of meetsystemen voor de twee doelen geschikt zijn. De nationale meetstrategie is ontwikkeld als onderdeel van de Programmatische Aanpak voor het Meten van Vliegtuiggeluid (PAMV). Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) heeft dit programma ingesteld. De overheid wil hiermee metingen en berekeningen van vliegtuiggeluid beter op elkaar afstemmen. Zo vormen ze een solide basis voor informatie aan omwonenden en voor beleidsbeslissingen.
    • Op weg naar een optimale meetstrategie voor stikstof

      Wichink Kruit, R; Bleeker, A; Braam, M; van Goethem, T; Hoogerbrugge, R; Rutledge-Jonker, S; Stefess, G; Stolk, A; van der Swaluw, E; Voogt, M; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-07-08)
      Het RIVM meet al over een reeks van jaren verschillende onderdelen van stikstof, zoals ammoniak en stikstofoxiden. Het gaat dan om de concentraties van deze stoffen in de lucht en om de neerslag van stikstof op de bodem door regen (natte depositie), en vanuit de lucht (droge depositie). Om de stikstofdepositie in kaart te brengen worden de metingen gecombineerd met modelberekeningen. De komende jaren wordt het aantal meetpunten uitgebreid om onzekerheden kleiner te maken. Zo kan de stikstofdepositie nog beter in kaart worden gebracht. Dit rapport onderbouwt de locatiekeuzes voor de uitbreiding van het meetnet. Het RIVM beschrijft de doelen van de metingen in het algemeen, en van de uitbreidingen van de meetpunten in het bijzonder. De vier belangrijkste doelen zijn: rekenmodellen valideren, ontwikkelingen in de tijd volgen, stikstofprocessen bestuderen, en de kwaliteit van metingen beoordelen. Daarnaast zijn de criteria beschreven die bepalen waar de nieuwe meetpunten moeten komen. Om rekenmodellen te valideren moeten de meetpunten bijvoorbeeld goed verspreid staan over Nederland en representatief zijn voor de ruimtelijke schaal waarop wordt gerekend. Deze studie is een eerste stap in de uitbreiding van het meetnet en draagt bij aan een verfijnd meetnetwerk. In lijn met ontwikkelingen van wetenschappelijke inzichten en technieken zal het RIVM de meetstrategie regelmatig herzien. De wetenschap ontwikkelt zich bijvoorbeeld doordat er in de loop van de jaren nieuwe meettechnieken bij komen. Zo zal worden onderzocht hoe de depositiebepaling in de toekomst kan worden verfijnd met metingen van satellieten en sensoren (uit citizen science-projecten). Ook kunnen de bestaande wetenschappelijke onzekerheden mogelijk worden verkleind door meerdere rekenmodellen te gebruiken. Telkens wordt nagegaan wat voor elke stikstofcomponent de beste combinatie is van modelberekeningen en metingen.
    • Verhogen van testdeelname tijdens de pilot grootschalig testen in de gemeente Dronten en gemeente Bunschoten

      Sanders, J; Zomer, C; Hoekstra, R; de Ron, J; Blanken, T; Epskamp S; van Dijken, S; Gerkema, M; Hart, L; Visser, O; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-07-07)
      Het ministerie van VWS neemt verschillende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus (SARS-CoV-2) onder controle te krijgen. Zo is het belangrijk dat mensen zich laten testen bij klachten of na contact met een besmet persoon. Een onderdeel van de aanpak van VWS is dat grote groepen mensen zich meerdere keren laten testen, ook als ze geen klachten hebben (grootschalig testen). Hiervoor kunnen bijvoorbeeld alle inwoners van een dorp of buurt worden uitgenodigd als er daar veel mensen besmet zijn. VWS wil weten welke omstandigheden stimuleren dat zoveel mogelijk mensen zich laten testen. In twee gemeenten – Dronten en Bunschoten - is onderzocht welk effect twee factoren hebben op het aantal mensen dat zich laat testen en hoe vaak ze dat doen: de afstand tot een testlocatie en de informatie in een uitnodigingsbrief. Het blijkt dat meer mensen zich laten testen als de testlocatie dichtbij is, op minder dan 2 kilometer van hun woning. Ook laten ze zich dan vaker testen. Het effect van de informatie in de uitnodigingsbrieven is niet goed te bepalen. Dat komt omdat er naast de brieven ook in de media (radio, sociale media, reclameborden) veel aandacht aan de pilots is besteed. In beide gemeenten zijn twee soorten brieven gestuurd met een verschillende inhoud. Een deel van de inwoners ontving een brief met alleen basisinformatie over grootschalig testen. Het andere deel ontving een brief waarin de basisinformatie werd aangevuld met informatie over het risico op een besmetting met het coronavirus en de verspreiding ervan. De opkomst was bij beide groepen inwoners bijna even hoog. De Corona Gedragsunit van het RIVM heeft dit onderzoek in samenwerking met de Universiteit van Amsterdam, GGD’en en gemeenten uitgevoerd.