• Update of ecological risk limits of nickel in soil

      Verschoor A; MSP; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2015-09-25)
      Het RIVM doet een voorstel voor nieuwe Nederlandse risicogrenzen voor nikkel in de bodem. Deze grenzen geven aan bij welke concentraties nikkel negatieve effecten op het ecosysteem in de bodem kan veroorzaken. Het voorstel is gebaseerd op de meest recente data en inzichten in Europa. Met deze grenzen worden de risico's van een nikkelverontreiniging realistischer ingeschat. Als gevolg daarvan zullen de normen strenger zijn voor enkele typen bodems, zoals bodems waar meer nikkel uit vrijkomt. Voor het merendeel van de bodems zullen de normen soepeler uitvallen. Nieuw is dat bij deze normen rekening wordt gehouden met de mate waarin bodemorganismen worden blootgesteld aan de vervuilende stof, de zogeheten biobeschikbaarheid. Uit de bodem komt namelijk niet de totale concentratie vrij, omdat een deel aan bodemdeeltjes 'vast blijft zitten'. In welke mate dat gebeurt, is afhankelijk van de samenstelling van de bodem en verschilt daarom per bodemtype. In het onderzoek is ook een correctiemethode ontwikkeld waarmee de totale concentratie van een stof in de bodem kan worden omgerekend naar de concentratie die vrijkomt. e huidige bodemnormen voor nikkel dateren van 2001 en zijn gebaseerd op drie testgegevens met regenwormen. De laatste 15 jaar is er binnen de Europese Unie veel experimenteel onderzoek gedaan naar de mate waarin nikkel giftig is voor bodemorganismen. Het RIVM heeft op basis van deze 184 testresultaten, verdeeld over 43 verschillende soorten organismen of bodemprocessen, nieuwe maximaal toelaatbare risico- (MTR) en ernstige risicoconcentraties (ER) in de bodem afgeleid.
    • Update of risk assessment models for the indirect human exposure

      Rikken MGJ; Lijzen JPA; SEC; LER (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2004-07-01)
      This report describes the research into the methodology of the indirect human exposure models using two risk assessment tools, EUSES and CSOIL. Alternatives are proposed to the methodology of the indirect human exposure models, considering that their validity often remains unclear. The current plant model proved to function as an appropriate exposure route from air and soil to crops. However, improvements such as adding the particle-bound transport to leaves and using separate parameters for roots and leaves are recommended. The two equations describing the indirect exposure via fish seem sufficiently valid. Nevertheless, measured data is uncertain and the equation for hydrophobic substances leaves room for improvement. Large uncertainties for meat and milk are to be expected in the model, especially for hydrophobic chemicals. The method estimating the purification factors for the ingestion of drinking water can be seen as being rough and near worst case in its application. This method must also be updated, preferably with more European experimental data. The ingestion of soil should also include the ingestion of house dust, because part of this dust originates in the soil. In addition to the mentioned improvements, this report proposes further research for the different exposure routes.
    • Update of risk assessment models for the indirect human exposure

      Rikken MGJ; Lijzen JPA; SEC; LER (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2004-07-01)
      Dit rapport beschrijft de evaluatie van indirecte humane blootstellingsmodellen, die worden gebruikt in de risicobeoordelingsinstrumenten EUSES en CSOIL. De validiteit van deze modellen is vaak onduidelijk en daarom worden alternatieve methoden voorgesteld. Het huidige gewasmodel blijkt geschikt te zijn om de route van lucht en bodem naar de plant te beschrijven. Het model kan nog wel worden verbeterd wanneer bijvoorbeeld het deeltjesgebonden transport vanuit de lucht naar het blad wordt toegevoegd. De twee vergelijkingen, die de bioconcentratie in vis beschrijven, schijnen voldoende valide te zijn. De meetgegevens zijn echter onzeker en voor hydrofobe stoffen worden ernstige afwijkingen berekend. Bij gebruik van het model dat de concentratie in vlees en melk schat moet rekening worden gehouden met grote onzekerheden, wat vooral van belang is voor hydrofobe stoffen. De methode om de zuiveringsfactoren te schatten voor het gebruik van drinkwater is behoorlijk slecht en schetsmatig. Er moeten meer Europese gegevens beschikbaar komen om de huidige benadering te actualiseren en te valideren. Het model voor de humane bodeminname zou ook de inname van huisstof moeten meenemen, omdat een gedeelte van huisstof afkomstig is uit de bodem. Naast de al genoemde verbeteringen, wordt verder nog nader onderzoek voorgesteld voor de verschillende blootstellingsroutes.
    • Update of the exploratory report Acrolein

      Slooff W; Bont PFH; Janus JA; Pronk MEJ; Ros JPM; ECO; PPCbv; ACT; LAE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1994-04-30)
      The report is an update of the exploratory report acrolein (Slooff et al., 1991) that served as a basis for the discussion during the exploratory meeting on acrolein in March 1992. The meeting supported the conclusion that priority should be given to the compartment air and to the risks to humans. With respect to inhalation and dietary exposure of humans to acrolein, a maximum permissible concentration of 0.5 mug.m-3 and a tolerable daily intake of 0.5 mug.kg-1 bw. day-1 (equivalent to 30 mug.day-1 for a 60 kg person) has been derived, respectively. The available data on human exposure levels indicate that the current acrolein concentrations in outdoor air (incase of high traffic density) and, especially, in indoor air likely exceed the maximum permissible concentration in air and that the dietary intake of acrolein may exceed the tolerable daily intake. It is noted, however, that with respect to the Netherlands only very limited data on acrolein concentrations in outdoor air are available and that data on acrolein concentrations in indoor air and in foodstuffs and beverages are lacking. Therefor, a sound risk evaluation is not possible.<br>
    • Update of the exploratory report phthalates

      Peijnenburg WJGM; van Ewijk M; de Haan MWA; Janus JA; Ros JPM; Slooff W; van der Velde EG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1991-05-31)
      This report contains general information on phthalate esters concerning the existing standards, emissions, exposure levels, environmental fate, available methods of analysis and effect levels. The report is an update of the exploratory report phthalates, that served as a basis for the discussion during the exploratory meeting, which was held in November 1990 and was aimed at determining the contents of the integrated criteria document Pththalates. In spite of the large quantities of phthalates produced and finally ending in landfills, data on emissions, occurrence and effects are not available or insufficient. The present information does not allow an adequate risk assessment but indicates that the threat however, in the vicinity of point sources, the exposure concentrations to a limited extend may exceed the maximum acceptable risk levels. It is recommended to fill in some gaps (emission, toxicity and exposure data) before drawing the integrated criteria document on this group of compounds.<br>
    • Update van de classificatie van Afgedankte Elektrische en Elektronische Apparaten

      de Groot AC; Broekman MH; IMG; mev (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2010-09-30)
    • An updated evaluation of the Bonn Agreement: incorporating the Marrakesh Accords

      Elzen M den; Moor de A; CIM; MNV (2002-06-07)
      Deze rapportage is een vervolg op het RIVM rapport Evaluating the Bonn Agreement and some key issues door een aantal correcties op de vorige exercitie toe te passen alsmede de laatste beslissingen in Marrakesh mee te nemen. De herziene evaluatie laat zien dat de uitkomsten voor de milieu-effectiviteit en kosten nauwelijks wijzigen. Onze herziene evaluatie onderstreept de hoofdconclusie uit de vorige rapportage dat zonder deelname van de VS het banken van hot air van cruciaal belang is voor het versterken van zowel de milieu- als de economische effectiviteit van het Protocol.
    • An updated evaluation of the Bonn Agreement: incorporating the Marrakesh Accords

      Elzen M den; Moor de A; CIM; MNV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2002-06-07)
      This report updates RIVM's earlier evaluation of the Bonn Agreement by incorporating the impact of the Marrakesh Accords. Compared to our previous report, the impact on both the environmental effectiveness and economic efficiency is rather limited. Our updated evaluation underlines the main conclusion from our previous report that without US participation, banking large amounts of hot air is of absolute importance to improve both the environmental effectiveness and the economic efficiency.
    • Upflow Anaerobic Sludge Blanket (UASB) low cost sanitation research project in Bandung/Indonesia, 5th progress report (january 1987 - 30 september 1987)

      Jansen AGN; Lettinga G; Moeliono J (1988-03-31)
      In opdracht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken/DGIS voert RIVM, i.s.m. LU Wageningen/Vakgroep Waterzuivering c.q. het Borromeus Ziekenhuis te Bandung, sedert medio 1984 onderzoek uit naar de on-site anaerobe zuivering van huishoudelijk afvalwater. Tijdens de verslagperiode (Jan. - Sept. 1987) heeft voortgezet onderzoek plaatsgevonden aan 2 reactoren (860 ltr) op de locaties Cimindi en Institut Pasteur te Bandung. De verwachtingen t.a.v. de toepassing van deze technologie in de praktijk zijn optimistich. Na beeindiging van dit project per 1 mei 1988 zal door het Institut Technologi Bandung (ITB) voortgezet onderzoek naar deze kleine UASB reactoren worden uitgevoerd. Een toegepast onderzoek aan grotere UASB reactoren (gerioleerd huishoudelijk afvalwater) is inmiddels voorgesteld voor Nederlandse/Wereldbank co-financiering.
    • Upscaling and Downscaling of Regional Methane Sources - rice agriculture as a case study

      Breemen N van; Denier van der Gon H; Veldkamp T; Verburg P; Bodegom P van; Goudriaan J; Leffelaar P; Stams F; Houweling S; Leleiveld J; et al. (Wageningen University (WUR)Utrecht University (UU)ECNPeking University, 2001-10-11)
      Abstract niet beschikbaar
    • The uptake of air-borne substances in plants

      Hulzebos EM; ACT (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1994-04-30)
      In order to assess the lifetime hazard of ingestion exposure of man to new substances a steady state model has been constructed called Uniform system for the Evaluation of Substances. In this risk assessment system emission concentration of organic substances in water and soil are linked to exposure concentration for humans and predators. In this prototype model the route of the compound from the air into the plant has not been included. In this report several models describing deposition on and uptake of aerosols and gaseous substances into plants have been described. In most models described here deposition and uptake are combined. In USES the deposition part has already been described and for implementation in the USES model the deposition part of these models can be left out. For implementation in USES (1992) the aerosol model of McKone and Ryan (1989) seems most appropriate. This model estimates a partition coefficient for all aerosols with a particle size < 5 mum. For gaseous substances the model of Riederer (1990) seems most appropriate, which combines physical-chemical properties of the substance and the fugacity principles of Mackay and coworkers.
    • Het uraniumgehalte van afvalwater en ventilatielucht van Urenco Nederland B.V. te Almelo in 1987

      Glastra P; Mattern FCM (1988-12-31)
      Bij steekproefsgewijs uitgevoerde controlemetingen aan afvalwater en bij metingen aan kwartaalmengsels afvalwater zijn geen overschrijdingen van de concentratielimiet vastgesteld. Op grond van onderzoek aan evenredig samengestelde monsters is berekend dat gedurende 1987 in totaal 2,3 MBq is afgevoerd, hetgeen ligt op ca. 12% van de toegestane limiet volgens de vergunning van 1981 en op ca. 4,6% van de toegestane limiet volgens de vergunning van maart 1987. Van de uraniumgehalten in de ventilatielucht van de verschillende fabrieken binnen het bedrijf varieerden de jaargemiddelden van 0,2 tot 2,4 mBq/m3, ofwel van ca. 5% tot 65% van de toegestane concentratie volgens de vergunning van 1981. Volgens de vergunning van maart 1987 varieerde dit van 0,4% tot 4,8% van de toegestane concentratie. De gemiddelde specifieke activiteit van het in de ventilatielucht aanwezige uranium bedroeg 32 MBq/kg(U) ; dit is ongeveer de helft van de gemiddelde specifieke activiteit in 1986 (4). Overschrijdingen van de in de vergunning gestelde limieten zijn niet geconstateerd.
    • Urban Air Quality Assessment Model UAQAM

      Pul WAJ van; Zantvoort EDG van; Leeuw FAAM de; Sluyter RJCF; LLO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1996-11-30)
      The Urban Air Quality Assessment Model (UAQAM) calculates the city concentration caused by city emissions themselves, the so-called city background concentration. Three versions of the model for describing the dispersion were studied: Box, Gifford Hanna (GH) and a combined form of these two (the Box-GH model). Regional background emissions contributing to the city background concentration were accounted for using measurements and TREND model calculations. The UAQAM model versions were compared to measurements of SO2 and NOX concentrations. The Box-GH and GH models were found to be more appropriate in describing the city background concentration. The Box-GH model, showing slightly better results compared to the GH model, can be taken as a starting point for the assessment of urban air quality with UAQAM.
    • Urban Air Quality Assessment Model UAQAM

      van Pul WAJ; van Zantvoort EDG; de Leeuw FAAM; Sluyter RJCF; LLO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1996-11-30)
      Het Urban Air Quality Assessment Model (UAQAM) berekent de concentratie van luchtverontreiniging in stedelijk gebied veroorzaakt door emissies uit de stad zelf. In een werkversie van dit model werden 3 beschrijvingen van de verspreiding bestudeerd: een Box-model, het Gifford-Hanna (GH)-model en een combinatie van de twee: het Box-GH-model. Deze modelversies zijn vergeleken met metingen van de concentratie van SO2 en NOx in steden. De regionale achtergrondsconcentratie van de steden, samengesteld uit metingen en TREND modelberekeningen, is aan de UAQAM berekeningen toegevoegd. De Box-GH- en GH-modellen blijken beter geschikt te zijn dan het Box-model om de stadsachtergrond te beschrijven. De resultaten en de uitbreidingsmogelijkheden van het Box-GH-model zijn iets beter dan van het GH-model en kan daarom als uitgangspunt genomen worden voor het schatten van de stedelijke luchtkwaliteit met UAQAM.<br>
    • Urbanisation, Industrialisation and Sustainable development

      Langeweg F; Hilderink H; Maas R; MNV (2000-03-31)
      Millenniumconferentie 'On the Threshold' over de toekomst van de VN, Tokio, 19-21 januari 2000. Op de millenniumconferentie georganiseerd door de VN-Universiteit in Tokio presenteerde Rob Maas een rapport onder de titel 'Verstedelijking, industrialisatie en duurzame ontwikkeling'. Dit rapport vat de uitdagingen die zich in de komende eeuw zullen voordoen bij het nastreven van een duurzame ontwikkeling samen en gaat in op de mogelijke rol van de VN daarbij. Aan de VN-conferentie werd deelgenomen door een select gezelschap van ongeveer 100 beleidsmakers, parlementariers, ministers en wetenschappers op het terrein van handel, armoede, milieu, vrede en veiligheid. Deelnemers waren o.a. mevr Frechette (plaatsvervangend secretaris-generaal van de VN), Andrew Mack (directeur Strategische planning van het bureau van de secretaris generaal van de VN), prof. Akashi (VN-bemiddelaar in Bosnie), prof. Norman Myers (ecoloog), mevr. Domoto (senator Japan en bestuurder Globe-initiatief) en prof. van Wolferen (econoom en Japan-kenner). Het was een informele bijeenkomst onder het motto 'een beter leven in een veiliger wereld'. Globalisering, liberalisering en toenemende concentratie van het economische kapitaal in handen van weinigen vragen om voldoende tegenwicht om sociale en ecologische problemen te verminderen. Waterschaarste, armoede en toenemende inkomensverschillen, honger, verlies aan biodiversiteit en een trage bestuurlijke reactie op verrassingen (klimaat, biotechnologische en nucleaire dilemma's, ed) werden als de belangrijkste aandachtspunten voor de komende decennia gezien. Ideeen die passeerden waren onder andere: versterking van de rol van de veiligheidsraad (naar een meer preventieve beheersraad), uitbreiding van de G8 met een achttal ontwikkelingslanden, de voor- en nadelen van (verdere) regionalisatie van de VN naar continenten (en culturen) en toepassing van subsidiariteitsprincipes, de vormgeving van de algemene vergadering met vertegenwoordigers van parlementen, de versterking van de rol van de secretaris-generaal (vorming van een soort kabinet a la de Europese Commissie met een omvorming van de VN-instituties naar beleidsthema's), de financiering van de VN met een belasting op internationale kapitaaloverdrachten, en de groeiende betrokkenheid van bedrijfsleven en belangenroepen in VN-besluitvormingsprocessen. De rector van de UN-universiteit, prof. van Ginkel, pleitte voor ondersteuning van de besluitvormingsprocessen met integrale systeem-dynamische modellen en scenario's, zoals het RIVM die ontwikkelt.
    • Urbanisation, Industrialisation and Sustainable development

      Langeweg F; Hilderink H; Maas R; MNV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2000-03-31)
      This paper describes two important transformations of the past century: industrialisation and urbanisation. These transformations will continue in the new century and create policy challenges because the use of land, materials and energy will increasingly meet natural limits or be constrained by intergenerational equity arguments. New local and international institutional arrangements will be needed to meet these challenges. Increased public participation and involvement of private companies will be needed in order to balance the different perspectives on sustainable development. The UN can show leadership because of the global character of many environmental problems and the growing need for environmental and social minimum requirements in the global liberalised market.
    • Urinary and fecal excretion of 17 alfa-methyltestosterone by veal calves injected with an anabolic combination of methyltestosterone and estradiol benzoate

      Jansen EHJM; van den Berg RH; Enkelaar-Willemsen C; Both-Miedema R; Zomer G; Stephany RW (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1986-07-31)
      De uitscheiding van 17 alfa-methyltestosteron (MT) in urine en faeces is onderzocht bij twee mannelijke vleeskalveren die ingespoten zijn met een combinatie van methyltestosteron en 17 beta-estradiol-3-benzoaat opgelost in olie. Om mogelijke metabolieten op te sporen zijn immunogrammen gemaakt met de combinatie hoge druk vloeistofchromatografie en chemiluminescente-immunochemische detectie via een antiserum tegen MT. In urine zijn gehalten waargenomen tot circa 400 mug/l. In de immunogrammen zijn ook nog andere belangrijke responsies waargenomen tot maximaal 150 mug/l MT equivalenten, mogelijk afkomstig van een metaboliet. In faeces zijn gehalten aan MT waargenomen tot circa 100 mug/kg. In de immunogrammen werd tevens een responsie waargenomen die mogelijk veroorzaakt wordt door metabolieten. Het schijnbare gehalte hiervan was maximaal circa 150 mug/kg MT equivalenten.<br>