• Uitgangspunten voor de mest- en ammoniakberekeningen 1999 tot en met 2001 zoals gebruikt in de Milieubalans 2001 en 2002, inclusief dataset landbouwemissies 1980 - 2001

      Hoek KW van der; LAE (2002-08-20)
      Dit rapport beschrijft de uitgangspunten die gebruikt zijn bij de modelmatige berekening van de mest- en ammoniakemissies in de jaarlijks verschijnende Milieubalans. Het modelinstrumentarium is ontwikkeld door het Landbouw Economisch Instituut en wordt gevoed met generieke invoerdata afkomstig van de jaarlijkse Landbouwtelling en met specifieke uitgangspunten. Met specifieke uitgangspunten worden bedoeld de stikstof- en fosfaatexcretie per diercategorie, de ammoniakemissie van stalsystemen en mestaanwendingstechnieken, en de mate waarin de verschillende staltypen en mestaanwendingstechnieken voorkomen. Het rapport volgt de mineralenroute van opname en excretie door het dier tot en met opslag en aanwending op het land. Een scala aan bronnen vormt de basis voor de gebruikte uitgangspunten.angesloten bij de specifieke situatie in een bepaald jaar. Dit rapport beschrijft de uitgangspunten voor de jaren 1999 en 2000* (Milieubalans 2001) en voor de jaren 2000 en 2001* (Milieubalans 2002). Het *-teken geeft aan dat het voorlopige berekeningen voor dat jaar betreft.missies in de periode 1980 - 2000.
    • Uitgangspunten voor de mest- en ammoniakberekeningen 1999 tot en met 2001 zoals gebruikt in de Milieubalans 2001 en 2002, inclusief dataset landbouwemissies 1980 - 2001

      Hoek KW van der; LAE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2002-08-20)
      This report presents the input variables for the calculated manure and ammonia data in the annual issued Environmental Balance. The applied Manure model is developed by the Agricultural Economics Research Institute and the input data are divided into general and specific. General input data are taken from the annual agricultural census. Specific input data concern the nitrogen and phosphate excretion by the different animal categories, the ammonia volatilization rates from animal housing systems and land application systems for animal manure. Also the share of systems with a low ammonia volatilization rate is taken into account. The report follows the minerals on its routing from excretion to application on the land. Various data sources are used.situation in a particular year. This report presents the input variables for the years 1999 and 2000* (Environmental Balance 2001) and for the years 2000 and 2001* (Environmental Balance 2002). The *-sign denotes the preliminary character of the results for that year.during the period 1980 - 2000.
    • Uitgavenmanagement in de zorg. Het effect van disease management en preventie op de zorguitgaven

      Boom JHC; Heijink R; Struijs JN; Baan CA; Polder JJ; VTV; PZO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2009-05-04)
      Onderzoek toont aan dat zowel preventie als disease management (DiM) een positief effect kunnen hebben op het voorkomen van en de behandeling van chronisch zieken. Preventie richt zich op het voorkomen van bepaalde risicofactoren en ziekten en in DiM-programma's wordt de zorg door verschillende behandelaars en instellingen beter op elkaar afgestemd. Zeker wanneer de verhouding tussen gezondheidswinst en kosten van preventie of een DiM-programma gunstig is, is het de moeite waard om te investeren in DiM en preventie. Dit hoeft echter nog niet te betekenen dat daardoor de totale zorguitgaven lager uitvallen. Over de relatie tussen zorguitgaven en DiM komt uit de wetenschappelijke literatuur voor vrijwel alle ziekten een wisselend en zeer divers beeld naar voren. Daar komt nog bij dat de studies vaak onvolledig zijn en methodologische verschillen een grote rol spelen. Het is op grond van de literatuur daarom niet duidelijk of DiM de kosten zal verhogen of verlagen. Van preventie kan met meer zekerheid worden gezegd dat op lange termijn geen grote kostenbesparingen verwacht mogen worden. Een aantal vaccinaties, accijnzen en gerichte preventieve interventies (op hoogrisicogroepen) vormen hierop een gunstige uitzondering. De zorg rond chronisch zieken is gefragmenteerd waardoor het risico bestaat dat chronisch zieken geen optimale zorg krijgen. Om de zorg voor chronisch zieken te optimaliseren en de groeiende zorglast door de vergrijzing het hoofd te kunnen bieden, zijn maatregelen nodig om de kwaliteit van de zorg voor chronisch zieken te verbeteren en preventie te stimuleren. Preventie en DiM moeten dan ook in de eerste plaats worden geevalueerd op basis van hun doelmatigheid en niet op het effect op zorguitgaven. In dit rapport worden de volgende ziekten besproken: beroerte, borstkanker, diabetes mellitus, hartfalen, COPD en depressie. Daarnaast worden vaccinaties en de preventie van obesitas behandeld.
    • Uitgestelde effecten van infiltratie van voorgezuiverd rivierwater in duinen op ecologie en drinkwaterkwaliteit

      Hrubec J; LWD (1996-03-31)
      De resultaten van deze studie naar de mogelijke negatieve gevolgen van de infiltratie van rivierwater in de Nederlandse duinen voor de drinkwaterkwaliteit en duinecologie wijzen er op dat de grootste bedreiging voor de ecologie de belasting van de duinen met nutrienten, (fosfaat, nitraat en ammonia) is. De beheersing van de nutrientenrijkdom in de door de infiltratie beinvloede duingebieden kan waarschijnlijk door de toepassing van de inrichtings- en beheersmaatregelen bereikt worden. De accumulatie van sporenelementen in de ondergrond onder infiltratiemiddelen is vrij beperkt. De gegevens over de omvang van de verontreiniging van water en ondergrond in natte duinvalleien met sporenelementen zijn echter schaars en nader onderzoek is noodzakelijk. De informatie over accumulatie van organische microverontreinigingen is onvoldoende om de accumulatie betrouwbaar te kwantificeren. Niettemin bestaan er geen aanwijzingen van een ernstige accumulatie van organische microverontreinigigen als gevolg van de infiltratie.
    • Uitloging van grond. Een modelmatige verkenning

      Spijker J; Comans RJN; Dijkstra JJ; Groenenberg BJ; Verschoor AJ; LER (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMECNAlterra, 2009-07-02)
    • Uitloging van PCB's en EOX uit afvalstoffen met de kolom-, cascade- en aangepaste CEN proef (materiaalonderzoek)

      Broekman MH; Rood GA; LOC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1996-10-31)
      In het kader van het Taakstellend Plan ter ondersteuning van de normcommissie 390 11 'Uitloogkarakterisering van Bouw- en afvalstoffen' (TSP) voert het RIVM het project 'Uitloging van organische componenten' uit. Het doel van het project is het ontwikkelen van een set van uitloogproeven voor organische componenten. Het onderzoek in dit rapport omvat het bepalen van de emissieniveaus van PCB's en EOX en een toetsing van de ontwerp-NVN's 7344 en 7350. Daarnaast is het werkdocument van de CEN proef (van de commissie CEN TC 292) aangepast voor organische componenten en in dit onderzoek getest. De cumulatieve emissie van PCB's en EOX uit verontreinigd bouwpuin, zeefzand en grond is conform voornoemde voorschriften in tweevoud middels de kolom-, cascade- en aangepaste CEN proef bepaald. Op basis van het in dit rapport beschreven onderzoek is geen noodzaak gebleken voor aanpassing van de ontwerpvoornormen 7344 en 7350. In het onderzoek is een vergelijking gemaakt van het verloop van de cumulatieve emissie uitgezet tegen de L/S waarde met die van anorganische componenten. Hieruit blijkt dat het emissieverloop van PCB's en EOX gelijkenis vertoont.<br>
    • Uitlooggedrag van primaire en secundaire grondstoffen

      Aalbers TG; Keijzer J; Gerritsen R (1990-07-31)
      Abstract niet beschikbaar
    • Uitloogonderzoek aan een wegvak met slak van een AfvalVerbrandingsInstallatie als funderingsmateriaal in Roosendaal

      Aalbers; T.G.; Fokkert; L.; Beek; A.I.M. van de; (1986-10-31)
      Het uitlooggedrag van zware metalen uit een alternatief funderingsmateriaal (AVI-slakken) is vergeleken met dat van het vaak toegepaste natuurlijke materiaal Lavalith. Teneinde dit gedrag onder praktijkomstandigheden te onderzoeken zijn twee proefvakken aangelegd waarin beide wegfunderingsmaterialen zijn verwerkt. Het blijkt dat de pH van het water, dat gedurende het tweejarig praktijkonderzoek door de proefvakken percoleert, toeneemt en in belangrijke mate het uitlooggedrag van de onderzochte materialen (As, Cd, Co, Cr, Cu, Mo, Ni, Pb, Sb, V en Zn) bepaalt. M.u.v. Co (2.5%) uit het proefvak met AVI-slakken als funderingsmateriaal, zijn de cumulatieve uitloogpercentages van de metalen voor de beschouwde onderzoeksperiode minder dan 1% van het metaalgehalte dat aanwezig is in de vaste stof. De hoogst gemeten percolaatconcentraties van het proefvak met AVI- slakken zijn m.u.v. As en Cr hoger dan die van het proefvak met Lavalith.
    • Uitloogtest voor organische componenten uit afvalstoffen

      Bauw DH; Keijzer J; Wilde PGM de; Aalbers TG (1988-12-31)
      In de eerste fase van het onderhavige onderzoek is een opwerkingsvoorschrift ontwikkeld voor de bepaling van PAK's, verkregen na uitloging van een grondmonster met de SU-test. Hierbij was in eerste instantie de aandacht gericht op de bepaling van PAK's. Deze klasse van verbindingen heeft uit milieuhygienisch oogpunt een hoge prioriteit. Het is de bedoeling dit opwerkingsvoorschrift te optimaliseren en uit te breiden voor de simultane bepaling van andere klassen van organische verbindingen. Bij de analyse van PAK's zijn de zogenaamde 16 EPA-PAK's als referentie gekozen. De methode is gebaseerd op een solid phase extractie (SPE) en is geintegreerd in de reeds vermelde SU-test, waarbij in een volgende fase onderzocht zal worden of een verdere integratie met de SU-test tot de mogelijkheden behoort. De methode is reeds met succes ingezet bij de bepaling van PAK's in het grondmonster. De resultaten hiervan worden in dit verslag gepresenteerd. De experimenten die nodig waren voor de onderbouwing van de methode, zullen eveneens aan de orde komen.
    • Het uitruilbeginsel bij hoogspanningslijnen : Een verkenning

      Kelfkens G; Pruppers MJM; LSO; mev (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2010-12-17)
      Een geografisch informatiesysteem (GIS) helpt bij het opstellen van een lijst met delen van bovengrondse hoogspanningslijnen die volgens het rijksbeleid het eerst in aanmerking komen om ondergronds te brengen. Dit blijkt uit verkennend onderzoek van het RIVM in opdracht van het ministerie van VROM. De minister van EZ heeft namelijk bepaald dat het aantal kilometers bovengrondse hoogspanningslijn niet mag toenemen. Voor elk deel van een nieuwe, bovengrondse hoogspanningslijn met spanning van 220 kV of hoger moeten daarom delen van bestaande hoogspanningslijnen van 150 kV of 110 kV, met dezelfde lengte, ondergronds worden gebracht. Dit zogeheten uitruilbeginsel wordt alleen toegepast als de nieuwe bovengrondse hoogspanningslijn niet met een bestaande hoogspanningslijn kan worden samengevoegd. Met het binnen RIVM ontwikkelde GIS voor hoogspanningslijnen is inzichtelijk gemaakt hoe en waar een hoogspanningslijn op het ruimtelijke beleid van de overheid ingrijpt. Dat is gebeurd door te bepalen hoeveel woningen of scholen er dicht bij een hoogspanningslijn liggen en door te berekenen over welke lengte een hoogspanningslijn een Unesco Werelderfgoedgebied, een beschermd natuurgebied, een Nationaal Landschap of een Rijksbufferzone doorsnijdt. De resultaten van die GIS analyse kunnen de basis vormen voor nog te maken beleidsafwegingen. De onderlinge weging van de verschillende beleidscategorieën (wonen, natuur, open ruimte, verstedelijking) die daarvoor nodig is,blijft een verantwoordelijkheid van de betrokken ministers. De GIS-analyse kan op enkele punten worden geoptimaliseerd. Het gaat dan vooral om een betere functionele eenheid voor het hoogspanningsnet, een betere definitie van de zones die om het hoogspanningsnet worden gelegd en een betere kwaliteit en actualiteit van de ruimtelijke bronbestanden.
    • Uitspoeling en grondwaterbelasting onder een bosgebied

      Krajenbrink GJW (1988-11-30)
      In het kader van het stikstofproject heeft het RIVM-onderzoek verricht naar de gevolgen van atmosferische depositie voor de kwaliteit van infiltratiewater onder loof- en naaldbos in het wat erwingebied Putten. Het gebied ligt beneden winds van een gebied met een hoge ammoniakemissie. Het bodemvocht op 1.2 m -m.v. onder bomen en open plekken in het bos is bemonsterd met poreuze cups. De bovenste meter grondwater is oim de 30 cm in de verticaal bemonsterd met een zogenoemde multilayer sampler. De interceptie depositie leidt vooral onder naaldbomen tot een groot verrijkingseffect in het bodemvocht. De kwaliteitsvariatie van de grondwatervoeding is zeer groot, waarbij open plekken een belangrijk verdunnend effect hebben op de grondwatersamenstelling. De effecten van de bodemverzuring in het grondwater zijn zeer plaatsafhankelijk. Met name in de bosrand leidt de atmosferische depositie tot nitraatconcentraties die de drinkwaternorm overschrijden (max. 28.5 mg N/l).
    • De uitspoeling van het stikstofoverschot naar grond- en oppervlaktewater op landbouwbedrijven

      Fraters B; Boumans LJM; van Leeuwen TC; Reijs JW; LVM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMLEI, 2007-12-07)
      In deze studie is per grondsoort berekend in welke mate een stikstofoverschot bij bouwland en grasland uitspoelt naar het grond- en oppervlaktewater. De uitspoeling verschilt namelijk tussen grondsoorten en vormen van bodemgebruik. Bij bouwland op droge zandgrond spoelt negentig procent van het stikstofoverschot uit. Bij grasland op veengrond is dat slechts vijf procent. Een stikstofoverschot is het verschil tussen de aanvoer van stikstof, bijvoorbeeld via kunstmest en dierlijke mest, en de afvoer van stikstof, bijvoorbeeld bij de oogst van gewas. Van de drie grondsoorten, die in deze studie zijn onderzocht, neemt de uitspoeling af in de volgorde: zand - klei - veen. Bij de zandgronden is de uitspoeling het grootst bij droge gronden en het laagst bij natte gronden. De uitspoeling is bovendien bij bouwland groter dan bij grasland. Deze gegevens zijn belangrijk om te voorkomen dat door bemesting te veel stikstof uitspoelt naar grond- en oppervlaktewater. Volgens de Nitraatrichtlijn zijn alle lidstaten van de Europese Unie verplicht dit te voorkomen. Nederland heeft een stelsel van stikstofgebruiksnormen ontwikkeld waarmee zowel de totale stikstofbemesting als de stikstofbemesting met dierlijke mest wordt gereguleerd. Voor de akker- en tuinbouwgewassen op zand- en lossgrond zijn voor de jaren 2008 en 2009 nog geen stikstofgebruiksnormen vastgesteld. Deze informatie zal door de Werkgroep Onderbouwing Gebruiksnormen worden gebruikt bij de afleiding van milieuverantwoorde gebruiksnormen voor het totale stikstofgebruik en het stikstofgebruik met dierlijke mest. Voor de studie zijn meetgegevens gebruik van het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM) van het RIVM en het LEI.
    • De uitspoeling van het stikstofoverschot naar grond- en oppervlaktewater op landbouwbedrijven : Herberekening van uitspoelfracties

      Fraters B; van Leeuwen TC; Hooijboer A; Hoogeveen MW; Boumans LJM; Reijs JW; CMM; mev (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMLEI, 2012-08-30)
      Per grondsoort is berekend in welke mate een stikstofoverschot bij akkerland en grasland tussen 1991 en 2009 uitspoelde naar het grond- en oppervlaktewater. Het stikstofoverschot is het verschil tussen de hoeveelheid stikstof die op het land wordt aangevoerd door het gebruik van mest en kunstmest, en de hoeveelheid die met de oogst wordt afgevoerd. Deze hoeveelheid die in de bodem achterblijft kan uitspoelen naar grond- en oppervlaktewater. De mate waarin dat gebeurt blijkt te verschillen tussen grondsoorten en vormen van bodemgebruik. De resultaten van dit onderzoek verschillen nauwelijks van eerder onderzoek naar de mate van uitspoeling tussen 1991 en 2004. De resultaten worden gebruikt om met behulp van een model de gebruiksnormen voor het totale stikstofgebruik te bepalen die verantwoord zijn voor het milieu. Mate van uitspoeling stikstofoverschot verschilt tussen grondsoorten Van de drie grondsoorten die in deze studie zijn onderzocht, is de mate van uitspoeling in zandgronden het grootst, gevolgd door klei en ten slotte veen. Bij bouwland op droge zandgrond spoelt 90% van het stikstofoverschot uit. Bij natte zandgronden is dat percentage lager. Dat komt doordat de omstandigheden in de bodem gunstiger zijn om nitraatstikstof af te breken, zodat het niet in het grond- en oppervlaktewater terechtkomt. Bij grasland op veengrond is spoelt slechts 5% van het stikstofoverschot uit. Hier wordt nagenoeg alle nitraatstikstof afgebroken. Nieuwe stikstofnormen in 2014 Deze gegevens zijn belangrijk om te voorkomen dat door bemesting te veel stikstof uitspoelt naar grond- en oppervlaktewater. Volgens de Nitraatrichtlijn zijn alle lidstaten van de Europese Unie verplicht dit te voorkomen. Nederland heeft een stelsel van normen ontwikkeld om zowel de totale stikstofbemesting als de stikstofbemesting met dierlijke mest te reguleren. Deze gebruiksnormen worden elke vier jaar geëvalueerd; voor de periode 2014-2017 worden ze opnieuw vastgesteld. Voor de het onderzoek zijn meetgegevens gebruikt van het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM) van het RIVM en LEI, onderdeel van Wageningen Universiteit en Research Centrum.
    • De uitstroom van geneesmiddelen uit het verzekerde pakket: benzodiazepinen en acetylcysteïne nader bekeken

      Füssenich K; Feenstra TL; Hoebert JM; EVG; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-03-15)
      In Nederland bestaan uitgebreide procedures om te bepalen welke geneesmiddelen worden vergoed via de basisverzekering. De minister voor Medische Zorg en Sport besluit welke geneesmiddelen dit betreft en wordt hierin geadviseerd door het Zorginstituut Nederland. Soms worden geneesmiddelen na verloop van tijd uit het verzekerde pakket gehaald of wordt de vergoeding beperkt. De procedures om dat te bepalen zijn nog volop in ontwikkeling. Als bijdrage daaraan heeft het RIVM de uitstroom van geneesmiddelen tussen 2009 en 2011 geanalyseerd, mede op basis van twee casestudies. <br> <br>In Nederland zijn snel data beschikbaar die laten zien in welke mate geneesmiddelen nog worden gebruikt nadat hun vergoeding is beperkt. Deze data bieden ook inzicht of mensen de medicijnen zelf gaan betalen. De methode waarmee de twee casussen zijn geanalyseerd (ITS) voegt een statistische onderbouwing toe aan deze data. Daardoor geven de resultaten niet alleen inzicht in de kortetermijneffecten van een beperkende maatregel, maar ook in de langetermijneffecten. Verder blijkt dat een gebrek aan effectiviteit van een geneesmiddel meestal is gebruikt als argument om een vergoeding te schrappen. Zelden ging het om de kosten-effectiviteit of andere financiële argumenten. <br> <br>De casestudies naar slaapmiddelen (benzodiazepinen) en een slijmverdunner (acetylcysteïne) geven aan dat een deel van de patiënten de middelen zelf gaat betalen als ze niet meer worden vergoed. De mate waarin dat gebeurt hangt af van het inkomen van de patiënt. Ook andere effecten kunnen plaatsvinden, zoals het gebruik van andere geneesmiddelen en/of zorg. Al deze effecten worden beïnvloed door kenmerken van de patiënt, zoals leeftijd, geslacht, sociaaleconomische status, type verzekering. Meer inzicht hierin is nodig omdat deze informatie voor beleidsmakers van belang is. <br>
    • Uitvoerfile&apos;s van de hydro-3 databank

      Prins HF (1988-01-31)
      Dit rapport maakt deel uit van het HYDRO-3 project van het OPLA-onderzoeksprogramma. Het bevat hydrogeologische gegevens van het Tertiair, voorzover die via openbare bronnen toegankelijk zijn. Deze data zijn opgeslagen in de HYDRO-3 databank (zie RIVM rapp. nr. 728512003)., zodat er eenvoudig een aantal handelingen mee kan worden verricht.
    • Uitvoering van maatregelen bij winningen drinkwater : Implementation of measures at drinking water extraction sites

      Wuijts S; van den Brink C; DDB; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMRoyal Haskoning DHV, 2015-08-25)
      Sinds enkele jaren worden in Nederland programma's opgesteld met afspraken over maatregelen die nodig zijn om de risico's voor de kwaliteit van bronnen van drinkwater weg te nemen of te voorkomen. Of met deze maatregelen Nederland ook zal kunnen voldoen aan de concrete kwaliteitsdoelstellingen van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) voor bronnen van drinkwater, is nog niet duidelijk. Uit een inventarisatie van het RIVM blijkt dat hierover zorg bestaat bij de betrokken partijen (provincies, drinkwaterbedrijven en waterbeheerders). Wel is de bewustwording van de kwetsbaarheid van de waterwinningen bij deze partijen vergroot, evenals de betrokkenheid om mee te werken aan oplossingen. De programma's zijn onder regie van provincies en waterbeheerders opgesteld. Een van de problemen die bij de bescherming van de kwaliteit van de drinkwaterbronnen speelt is dat verschillende kaders, zoals de Drinkwaterwet en de Wet bodembescherming, van toepassing zijn. Dit geldt bijvoorbeeld voor historische bodemverontreinigingen en het gebruik van mest. Hierdoor kan het voorkomen dat betrokken partijen voldoen aan hun wettelijke verplichtingen voor de bodem maar er toch een probleem blijft bestaan voor de kwaliteit van het water dat bestemd is voor de drinkwatervoorziening. Daarnaast zijn lozingen van vervuilende stoffen op oppervlaktewater lastig aan te pakken. Dat komt doordat veel partijen, zowel binnen Nederland als daarbuiten, betrokken zijn en ieders verantwoordelijkheid hierin niet helemaal duidelijk is. De Drinkwaterwet biedt hiervoor wel allerlei handvaten, maar die moeten wel nader worden uitgewerkt en in de praktijk gebracht.
    • Uitvoeringstoets bevolkingsonderzoek naar darmkanker : Opsporing van darmkanker in praktijk gebracht

      van Veldhuizen-Eshuis H; Carpay MEM; van Delden JA; Grievink L; Hoebee B; Lock AJJ; Reij R; CVB; vz (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2011-06-06)
      Het is mogelijk een landelijk bevolkingsonderzoek naar darmkanker in Nederland in te voeren en uit te voeren. Wel zijn een goede voorbereiding en een gefaseerde invoering vereist om de kwaliteitseisen van het bevolkingsonderzoek te garanderen. Het zelfde geldt voor voldoende capaciteit om eventueel vervolgonderzoek te kunnen uitvoeren. Dit blijkt uit een zogeheten uitvoeringstoets naar dit bevolkingsonderzoek, uitgevoerd door het RIVM. De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zal de toets gebruiken bij de besluitvorming of dit bevolkingsonderzoek wordt ingevoerd. Een bevolkingsonderzoek naar darmkanker is kosteneffectief en kan op termijn jaarlijks 2400 sterfgevallen voorkomen. Na de besluitvorming is minimaal 2 jaar aan voorbereidingen nodig om het bevolkingsonderzoek gefaseerd te kunnen invoeren. Het bevolkingsonderzoek is bedoeld voor mensen van 55 tot en met 75 jaar (4,4 miljoen mensen). Zij worden door screeningsorganisaties elke 2 jaar uitgenodigd deel te nemen aan het bevolkingsonderzoek. Zij ontvangen daarvoor thuis een test (iFOBT), die zij zelf opsturen voor analyse. Bij een afwijkende uitslag zullen zij worden doorverwezen voor verdere diagnostiek (coloscopie) en zo nodig behandeling. De uitvoeringstoets is in samenwerking met de betrokken beroepsroepen, patientenorganisaties, screeningsorganisaties en andere stakeholders tot stand gekomen. Onder hen is een breed draagvlak om de screening in te voeren. Voor de uitvoeringstoets is in kaart gebracht welke voorbereidende activiteiten zouden moeten worden uitgevoerd, en onder welke voorwaarden. Zo is beschreven welke richtlijnen en kwaliteitseisen nodig zijn en hoe de kwaliteit van het programma kan worden bewaakt. Er worden maatregelen voorgesteld om de berekende capaciteitstekorten op te vangen, zoals taakverschuiving en een efficiënte uitvoering van de coloscopie. Verder moet erop worden toegezien dat er geen lange wachttijden ontstaan voor coloscopie en verdere behandeling; zonodig wordt de gefaseerde invoering bijgestuurd. Tevens moet er voldoende aandacht zijn voor communicatie, zowel in algemene zin bij de introductie van het bevolkingsonderzoek als voor de deelnemers over het doel, nut en proces ervan. Daarnaast zijn de belangrijkste implementatiewerkzaamheden en een prognose van kosten weergegeven.
    • Uitvoeringstoets implementatie Niet-Invasieve Prenatale Test (NIPT)

      Hitzert, MF; de Vries, CGJCA; Hoebee, B; Klein, AW; Labots, O; van der Weide, WE; Wieringa, J (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-04-03)
      Zwangeren kunnen laten onderzoeken of hun ongeboren kind down-, edwards- en patausyndroom heeft. Lange tijd werd dit bepaald met de combinatietest. Dat is een bloedonderzoek bij de zwangere en een echo bij het kind. Sinds 2017 kunnen zwangere vrouwen ook voor een ander bloedonderzoek kiezen: de niet-invasieve prenatale test (NIPT). De voorwaarde is wel dat de vrouwen meedoen aan een onderzoek naar deze test (TRIDENT-studies). De NIPT ontdekt meer kinderen met down-, edwards- of patausyndroom en de uitslag klopt vaker dan bij de combinatietest. Zwangeren kunnen de NIPT vanaf de 11e week van de zwangerschap laten doen. De onderzoeken naar de NIPT stoppen in 2023. Uit deze zogeheten uitvoeringstoets van het RIVM blijkt dat het mogelijk is de NIPT in 2023 in het landelijke screeningsprogramma in te voeren. Er is hiervoor voldoende draagvlak bij de beroepsgroepen en andere betrokken partijen. Het blijkt niet haalbaar om de combinatietest naast de NIPT te blijven aanbieden. Het is ingewikkeld maar haalbaar om de NIPT in te voeren. De invoering heeft gevolgen voor alle processen in het programma, van communicatie- en voorlichtingsmaterialen tot ict. Daarnaast moeten onder andere de laboratoria die de NIPT uitvoeren, de laboratoriumproducten en de locaties waar bloed wordt afgenomen op een eerlijke manier worden geselecteerd. Zo'n aanbesteding kost veel tijd. De onderzoeken die nu voor de NIPT lopen, moeten de komende jaren worden afgebouwd, net als de combinatietest. Het RIVM heeft de uitvoeringstoets in opdracht van het ministerie van VWS gedaan. De minister besluit onder andere op basis van deze resultaten of de NIPT wordt ingevoerd in het landelijke screeningsprogramma.
    • Uitvoeringstoets neonatale hielprikscreening in Caribisch Nederland 2013

      Dekkers EHBM; Abbink F; CVB; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2013-10-16)
      Het is mogelijk de neonatale hielprikscreening te implementeren in Caribisch Nederland. Wel zijn hiervoor een goede voorbereiding en een gefaseerde invoering vereist om de kwaliteitseisen van het bevolkingsonderzoek te garanderen. Hetzelfde geldt voor bevestigingsdiagnostiek en follow-up na een afwijkende uitslag. Dit blijkt uit de uitvoeringstoets naar de invoering van deze landelijke screening bij pasgeborenen op Bonaire, Saba en Sint Eustatius, uitgevoerd door het RIVM. De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zal de toets gebruiken bij de besluitvorming of dit bevolkingsonderzoek ook in Caribisch Nederland wordt ingevoerd. De neonatale hielprikscreening is bewezen kosteneffectief en wordt wereldwijd uitgevoerd. Gezien de status van bijzondere Nederlandse Gemeente binnen het Koninkrijk der Nederlanden kunnen de drie eilanden sinds oktober 2010 aanspraak maken op het aanbod van preventie en zorg zoals dat geldt binnen het Koninkrijk. Vanuit de eilanden is in 2011 het verzoek gekomen de neonatale hielprikscreening in te mogen voeren. Na de besluitvorming is minimaal 1 jaar aan voorbereiding nodig om het bevolkingsonderzoek gefaseerd te kunnen invoeren, startend met Bonaire. De neonatale hielprikscreening heeft als doel pasgeborenen op te sporen met een zeldzame - meestal erfelijke - aandoening. De pasgeborene krijgt kort na de geboorte de hielprik aangeboden. Het bloed wordt gescreend op achttien aandoeningen. Het tijdig inzetten van behandeling voorkomt of beperkt ernstige schade aan de lichamelijke en geestelijke ontwikkeling van het kind. De uitvoeringstoets is in nauwe samenwerking met contactpersonen uit Caribisch Nederland en betrokken beroepsgroepen en uitvoeringsorganisaties in Europees Nederland tot stand gekomen. Onder de professionals bestaat een breed draagvlak om de screening in te voeren.