• Surveillance van penicillinase vormende gonokokken in Nederland; incidentie in 1983

      Klingeren; B.van; Dessens-Kroon; M.; Verheuvel; M. (1984-06-14)
      In 1983 bleek dat gemiddeld over Nederland ca 8% van alle positieve gonokokkenkweken een penicillinase vormer was. Dit betekent ten opzichte van 1982 (ca 11%) een daling, die voornamelijk wordt veroorzaakt door een halvering van de PVG-frequentie in Amsterdam. In de loop van het jaar is ook in Den Haag de PVG-frequentie aanzienlijk gedaald, namelijk van bijna 20% tot ca 5%. Aan het eind van 1983 was de incidentie van penicillinase vormende gonokokken in alle belangrijke centra lager dan 10%, de grens waar boven penicilline niet meer als eerste keus middel wordt aanbevolen bij infecties door N.gonorrhoeae.
    • Surveillance van penicillinase vormende gonokokken in Nederland; incidentie in 1984

      Klingeren; B.van; Dessens-Kroon; M.; Verheuvel; M. (1985-06-01)
      In het kader van de surveillance van penicillinase vormende gonococcen (PVG's) in ons land zijn door enquetering van de inzendende laboratoria gegevens verzameld over de PVG-incidentie in 1984. Daaruit blijkt dat in dat jaar gemiddeld over Nederland ruim 7% van alle gonococcen isolaten een penicillinase-vormer was en derhalve resistent tegen penicilline G en aanverwante antibiotica. Deze incidentie is vrijwel gelijk aan die in 1983 (8%). Van de belangrijkste drie centra (Amsterdam, Rotterdam en Den Haag) lag in 1984 alleen in Den Haag de PVG-frequentie nog rond 10% de grens waarboven penicilline niet meer als middel van keuze wordt aanbevolen bij infecties door Neisseria gonorrhoeae.
    • Surveillance van penicillinase vormende gonokokken in Nederland; incidentie in 1985

      Klingeren; B.van; Dessens-Kroon; M.; Verheuvel; M. (1986-06-30)
      Evenals in voorafgaande jaren is voor 1985 op basis van enquetering en ontvangen isolaten een schatting gemaakt van de incidentie van penicillinase vormende gonokokken (PVG) binnen de totale populatie van positieve kweken van Neisseria gonorrhoeae in Nederland. Deze bedroeg 6,5%, hetgeen iets lager is dan in 1984 (7,2%). In het belangrijkste centrum, t.w. Amsterdam, was echter een lichte stijging waarneembaar tot ca. 9%. e belangrijkste daling deed zich voor in Den Haag, van ca. 11% in 1983 en 1984 tot ca. 5% in 1985.
    • Surveillance van resistentie bij gonokokken in Nederland ; incidentie en frequentie in 1992 en 1993

      van Klingeren B; van Santen-Verheuvel M; Dessens-Kroon M; LBA (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-02-28)
      In dit rapport worden de resultaten samengevat van de resistentie surveillance bij Neisseria gonorrhoeae in 1992 en 1993. Uit de enquete bij de medische microbiologische laboratoria blijkt dat de landelijke frequentie van penicillinase vormende gonokokken (PVG) na een aanvankelijke daling weer is gestegen tot ruim 20% van alle gonokokken isolaten in 1993. Het onderzoek in het RIVM van een collectie aselect verzamelde N.gonorrhoeae isolaten uit 5 centra toont aan dat in de periode 1991-1993 resistentie tegen tetracycline zich bij non-PVG handhaaft op 6 a 7% en bij PVG op ruim 10%. Resistentie-ontwikkeling tegen cefalosporines is nog niet waargenomen, maar isolaten met verminderde gevoeligheid voor fluorchinolonen worden reeds met een frequentie van ca. 1% gevonden. Uit het auxo- en serotyperingsonderzoek blijkt dat zowel bij PVG als non-PVG een grote diversiteit van A/S klassen voorkomt, waarbij prototrofe stammen en IB-serovars overheersen. Het merendeel van de isolaten zijn overigens geclusterd in een beperkt aantal A/S klassen. In hoeverre de isolaten binnen eenzelfde A/S klasse identiek zijn zal m.b.v. DNA-typering worden onderzocht.
    • Surveillance van resistentie bij gonokokken in Nederland ; incidentie en prevalentie in 1991

      van Klingeren B; Dessens-Kroon M; van Santen-Verheuvel M (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1993-08-31)
      As part of the continuing surveillance of resistance among gonococci in the Netherlands the PPNG prevalence was estimated by questionnaire as well as by the study of 535 random isolates from 5 centres in Amsterdam The Hague and Rotterdam. In 1991 18% of all isolates of N.gonorrhoeae were PPNG, as compared to 30% in 1990. The prevalence of tetracycline resistance (TRNG) among PPNG further decreased to 8% (was 12% in 1990 and 40% in 1989) and remained low among non-PPNG (3 a 4%). No signs of increasing resistance to cefalosporines and fluoroquinolones were found. Among PPNG and non-PPNG many auxotypes (serovar classes) were determined ; but only a limited number of mainly non-requiring IB serovars was predominant.<br>
    • Surveillance zoönosen in de melkgeiten- en melkschapenhouderij in 2016

      Opsteegh M; van Roon A; Wit B; Hagen-Lenselink R; van Duijkeren E; Dierikx C; Hengeveld P; Franz E; Bouw E; van der Meij A; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-06-14)
      Dieren kunnen verwekkers van ziekten bij zich dragen die op mensen kunnen worden overgebracht (zoönosen). In 2016 hebben het RIVM en de NVWA onderzocht of melkgeiten en melkschapen zulke ziekteverwekkers bij zich dragen; soms is dat ook bij veehouders, gezinsleden en medewerkers gedaan. Deze ziekteverwekkers veroorzaken meestal diarree maar soms kunnen de infecties ook ernstiger verlopen. Uit het onderzoek blijkt dat een paar ziekteverwekkers vaak op melkgeiten- en melkschapenbedrijven voorkomen. De gevonden bacteriën zitten in de darmen van de dieren en komen zo in de mest terecht. Een kleine hoeveelheid mest kan rauw te drinken melk of rauwmelkse kaas al besmetten. Daarnaast kunnen bezoekers van deze bedrijven besmet raken als zij contact hebben met de dieren of hun omgeving. Een besmetting kan worden voorkomen door alle melk gepasteuriseerd te consumeren of te verwerken. Bezoekers kunnen de kans op ziekte verkleinen door hun handen te wassen als ze in contact zijn geweest met de dieren of hun omgeving. Vooral de bacteriën STEC en Campylobacter zijn in hoge mate aangetroffen. STEC kwam op vrijwel alle onderzochte bedrijven voor. Campylobacter is aangetoond op 33 procent van de geiten- en op 95,8 procent van de schapenbedrijven. Bij de veehouders en gezinsleden zijn deze bacteriën veel minder gevonden. Listeria kwam in mindere mate voor? op 8,8 procent van de geiten- en 16,7 procent van de schapenbedrijven, en niet bij de mensen. Het is wel een relevante ziekteverwekker omdat rauwmelkse zachte kaas hiervoor de belangrijkste infectiebron voor mensen is. Salmonella werd niet gevonden op melkgeitenbedrijven, maar wel op 12,5 procent van de melkschapenbedrijven. Op de meeste bedrijven werd alleen een type Salmonella gevonden dat niet overgedragen wordt op de mens. ESBL-producerende bacteriën, die ongevoelig zijn voor veel antibiotica, werden aangetoond op 1,7 procent van de geitenbedrijven en 4,2 procent van de schapenbedrijven. Daarnaast werd hij bij 6,8 procent van de mensen aangetroffen. Dit percentage is niet hoger dan bij de algemene bevolking.
    • Surveillance zoönosen in vleeskuikens 2018-2019

      Cuperus, T; Opsteegh, M; Wit, B; Gijsbers, E; Dierikx, C; Hengeveld, P; Dam, C; van Hoek, A; van der Giessen, J (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-09-03)
      Dieren kunnen ziekteverwekkers bij zich dragen waar mensen ook ziek van kunnen worden. De ziekten die ze veroorzaken noemen we zoönosen. In 2018 en 2019 onderzochten het RIVM en de NVWA hoe vaak een aantal van deze ziekteverwekkers voorkwamen bij vleeskuikens. Hiervoor zijn vleeskuikens op 198 Nederlandse bedrijven onderzocht. Daarnaast hebben 132 veehouders, gezinsleden en medewerkers meegedaan aan dit onderzoek. Het RIVM heeft gekeken of dezelfde ziekteverwekkers ook bij deze mensen voorkwamen. De meeste van deze ziekteverwekkers veroorzaken diarree, maar soms kunnen infecties ernstiger verlopen. Er is ook naar ESBL-producerende bacteriën gekeken, omdat zij ongevoelig zijn voor een belangrijke groep antibiotica. Bij de onderzochte vleeskuikens komen een aantal ziekteverwekkers vaak voor. Ze zitten in de darmen van de dieren en dus ook in de mest. Vlees kan besmet raken in het slachthuis als er mest op komt. Mensen kunnen een besmetting voorkomen door alleen kip te eten als het goed gaar is. Ook is het belangrijk te voorkomen dat ander voedsel in contact komt met rauw vlees. Van de onderzochte ziekteverwekkers kwamen ESBL-producerende bacteriën het vaakst voor bij de vleeskuikens: op 36 procent van de bedrijven. Bij veehouders en gezinsleden kwam dit type bacterie bij 7 procent van de deelnemers voor. Dit is ongeveer even vaak als bij de hele Nederlandse bevolking. De bacterie Campylobacter is op 32 procent van de bedrijven gevonden. Dit is ongeveer even vaak als bij onderzoek naar Campylobacter tussen 1999-2002. Bij twee van de deelnemers is deze bacterie ook gevonden. Op vleeskuikenbedrijven wordt volgens Europese regels standaard Salmonella-onderzoek gedaan. Op 11 procent van de bedrijven kwam de salmonellabacterie voor bij de vleeskuikens. De typen salmonellabacteriën die zijn gevonden, kunnen bij mensen diarree veroorzaken. Salmonella is ook bij één deelnemer gevonden. STEC en Listeria kwamen heel weinig voor bij de vleeskuikens. Deze bacteriën zijn op 1 procent (Listeria) of minder (STEC) van de bedrijven gevonden.
    • Survey analysis of microbial contamination of fresh produce and ready-to-eat salads, and the associated risk to consumers in the Netherlands

      Pielaat A; Wijnands LM; Fitz-James I; van Leusden FM; LZO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2009-04-09)
      De kans dat voorverpakte gemengde salades uit Nederlandse supermarkten de bacterie Campylobacter, Salmonella, E. coli O157 of Listeria monocytogenes bevatten is gering (minder dan 0,26 procent). Geschat is dat per jaar circa 22 mensen ziek worden door Campylobacter na het eten van deze producten. Dit is een fractie van het geschatte aantal mensen die ziek worden van Campylobacter nadat zij kip hebben gegeten (circa 12000 per jaar). Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM en de Voedsel en Waren Autoriteit (VWA). Hierin is de kans onderzocht dat deze salades in de gehele productieketen van deze groenten tot het moment dat ze worden geconsumeerd met deze bacterien besmet raken. De ingredienten van deze salades zijn hoofdzakelijk in Nederland geteeld en verwerkt. Het onderzoek omvat 4180 monsters. Op bepaalde plaatsen in de productieketen is gekeken naar de mate waarin ziekteverwekkende micro-organismen in de producten en grondstoffen voorkomen. Daarnaast is gekeken naar de kans om ziek te worden door deze producten te eten. De belangrijkste bron van onzekerheid hierbij blijft de vraag bij hoeveel bacterien een mens ziek wordt.
    • Survey of Climate Change Scenario Studies

      Beersma J; Fransen W; Klein Tank A; PB-NOP; KNMI (KNMIDe Bilt, 1996-05-31)
      Abstract niet beschikbaar
    • Survey of resistance of Pseudomonas aeruginosa against aminoglycosides and beta-lactam antibiotics in The Netherlands

      de Neeling AJ; Rutgers A; Schot C; van Klingeren B (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1985-12-31)
      De incidentie van resistentie tegen beta-lactam antibiotica en aminoglycosiden in Pseudomonas aeruginosa werd gepeild in klinische isolaten ontvangen van 23 centra in ons land. In de periode 1983/84 werden 2663 stammen getest op platen met 4 ug/ml gentamicine, tobramycine, netilmicine, amikacine resp. ceftazidim en op platen met 128 ug/ml carbenicilline. Ongeveer 10% van de isolaten was resistent tegen gentamicine en 9% tegen carbenicilline. In 1983 was 70% van de carbenicilline resistente isolaten tevens resistent tegen de ureidopenicillines en gentamicine. De MRC van carbenicilline van deze stammen werd verlaagd door clavulaanzuur. Bijna alle isolaten (99,4%) waren nog gevoelig voor ceftazidim.<br>
    • Survey on European methodologies in the risk assessment of chemical exposures in emergency response

      Heinala M; Gundert-Remy U; Wood MH; Bos PMJ; Ruijten MWAM; Zitting A; Bull S; Russell D; Nielsen E; Cassel G; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMFIOHBfRJRCCrisisTox ConsultHPADTUFOIIneris, 2013-07-05)
      Preventie of beperken van gezondheidseffecten bij de mens vormt de basis voor het opstellen van beleid ten behoeve van crisisbeheersing en rampenbestrijding bij chemische incidenten. Een adequate inschatting van het risico op gezondheidseffecten is essentieel voor een effectief crisismanagement. Aan de hand van een internetenquête zijn kennishiaten, behoeftes en zorgpunten van verschillende betrokken stakeholders geïdentificeerd. Het vrijkomen van acuut toxische of irriterende stoffen wordt gezien als een van de belangrijkste risicoscenario's binnen Europa. Daarnaast verwacht bijna 40% van de respondenten een toename van het aantal chemische incidenten in de nabije toekomst ten gevolge van een doelbewuste (terroristische) actie. Mogelijk kunnen ook ontwikkelingen binnen de nanotechnologie voor extra risico's bij incidenten zorgen, maar hiervoor is meer kennis nodig over de gezondheidsrisico's van nanodeeltjes. Een groot deel van de respondenten is tevens bezorgd over de gevolgen van globalisering, industrialisering en toenemende werkdruk (als gevolg van hogere efficiëntie-eisen) op het voorkomen van chemische incidenten en daarmee gepaard gaande gezondheidsrisico's. Interventiewaarden (Acute Exposure Reference Values; AERVs) worden gezien als een belangrijke instrument bij de crisisbeheersing en rampenbestrijding, hoewel een duidelijke behoefte werd aangegeven aan handvatten hoe deze waarden adequaat toe te passen. Naar aanleiding van dit onderzoek is geadviseerd om een gezaghebbende en Europees afgestemde methodologie te ontwikkelen voor de afleiding van interventiewaarden voor de rampenbestrijding en richtlijnen en trainingen te verschaffen voor toepassing in de praktijk. Hierbij is het belangrijk aandacht te besteden aan veelgebruikte acuut toxische en irriterende/corrosieve stoffen, specifieke gezondheidseffecten als carcinogeniteit en effecten op de reproductie en op nieuwe chemische stoffen. In het kader van prioriteitsstelling is verder onderzoek nodig naar nieuwe risicoscenario's van chemische incidenten.
    • Survival and mutations in stationary CHO cells after gamma and UV irradiation

      Leenhouts HP; Sijsma MJ; LSO (1995-12-31)
      Dit rapport bevat de resultaten van experimenteel onderzoek met stationaire CHO-cellen voor celoverleving en hypoxanthine-fosforibosyl-transferase(HPRT)-mutaties na blootstelling aan gammastraling en ultraviolette straling (UV). Speciale aandacht gaat uit naar het herstel van de stralingsschade na vertraagde uitplating en bij gefractioneerde bestralingen. De resultaten worden verklaard aan de hand van een moleculair model voor cellulaire radiobiologische effecten. De resultaten tonen dat zowel voor gamma straling als voor UV er een nauwe relatie is tussen de effecten celoverleving en mutaties. In het radiobiologische model wordt dit verklaard door aan te nemen dat beide effecten worden veroorzaakt door een type basisschade, nl. dubbelstrengsschade aan DNA. Voor gammastraling kan het effect voor zowel celoverleving als mutaties beschreven worden met een lineair-kwadratische dosis-effectrelatie. Vertraagde uitplating resulteert in een verkleining van zowel de lineaire als de kwadratische term van de dosis-effectrelatie. Dit herstel kan slechts 30% van het effect verwijderen. Met gefractioneerde bestraling kan herstel van sublethale schade aangetoond worden, dat samenhangt met een verandering van de kwadratische term (beta-D2): als de tijd tussen fracties vergroot wordt, is er minder effect. Dit herstel kan oplopen tot 100%, en is verantwoordelijk voor een lagere beta voor lage dosistempi. Voor UV is de dosis-effectrelatie conceptueel en experimenteel puur kwadratisch, zowel voor celoverleving als voor mutaties, hoewel er in de stationaire fase twee populaties cellen met verschillende gevoeligheid gevonden zijn. Het UV-effect vermindert met vertraagde uitplating en heeft een significant langere herstelperiode dan het effect van gammastraling. De combinatie van gammastraling en UV kan resulteren in een extra effect door de interactie tussen sublethale schade van gammastraling en UV. Deze extra bijdrage wordt lager met langere tussentijd tussen de fracties en is met tussentijden langer dan 24 uur niet significant meer. Er is een poging gedaan om deze extra term te karakteriseren als gamma-type- of UV-type-effect. De resultaten waren echter niet eenduidig
    • Survival of E.coli K12 on laboratory coats made of 100% cotton

      Canter Cremers HCJ; Groot HF (1991-11-30)
      Abstract niet beschikbaar
    • Survival of the Greenest - Evolutionaire Economie als inspiratie voor energie- en transitiebeleid

      Bergh JCJM van den; Faber A; Idenburg AM; Oosterhuis FH; NMD (VUIVM, 2005-02-15)
      De evolutionaire economie toont inzicht in de mechanismen achter innovaties, transities en veranderingen in institutionele structuur. Deze theorie kan daarom bijzonder waardevol zijn in de vormgeving van het huidige milieubeleid, dat transities naar een duurzame ontwikkeling als doelstelling hanteert. Dit rapport geeft eerst een overzicht van de belangrijkste literatuur op het vakgebied van de evolutionaire economie, waaruit een aantal centrale concepten van de evolutionaire economie wordt gedestilleerd: diversiteit, innovatie, selectieomgeving, beperkte rationaliteit, padafhankelijkheid, insluiting en co-evolutie. Deze concepten worden gebruikt ten behoeve van een beter begrip van en inzicht in processen van verandering in economische structuur, technologische ontwikkeling en institutionele verandering. Aan de hand hiervan tonen we een aantal inzichten, dat van belang kan zijn voor beleidsmakers, zoals het bewustzijn van historische technologische paden en het creeren van een gelijk speelveld. Vervolgens evalueren we het Nederlandse beleid ten aanzien van energie-innovaties aan de hand van de evolutionair-economische concepten. Hiervoor is gebruik gemaakt van de beschikbare documenten op het gebied van innovatiebeleid, energiebeleid en transitiebeleid. Tenslotte is het evolutionair-economische raamwerk gebruikt om de ontwikkeling van een aantal specifieke technologieen te onderzoeken. . Dit betreft brandstofcellen, kernfusie en fotovoltaische energie (PV). Uit de evolutionair-economische analyse komen een aantal zeer concrete aanbevelingen voor beleid, die deels strijdig zijn met huidige beleidsadviezen en trends in beleid. De case studie toont tevens aan dat evolutionair-economische mechanismen een belangrijke rol hebben gespeeld in de totstandkoming van energie-innovaties in het verleden.
    • Survival of the Greenest - Evolutionaire Economie als inspiratie voor energie- en transitiebeleid

      Bergh JCJM van den; Faber A; Idenburg AM; Oosterhuis FH; VU; IVM; NMD (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2005-02-15)
      Evolutionary economics offers clear insights into the mechanisms that underlie innovations, structural changes and transitions. It is therefore of great value for the framing of policies aimed at fostering environmental innovations and a transition to a sustainable development. This report offers an overview of the main literature on evolutionary economics and derives some core concepts from this theory, namely 'diversity', 'innovation', 'selection environment', 'bounded rationality', 'path dependence and lock-in', and 'coevolution'. These concepts are subsequently used to assess and understand processes of change in economic structure, technological development and institutions, as well as to formulate guidelines for the role of the government and the design of public policies, such as the learning from historical technological pathways and the creation of an extended level playing field. Next, current Dutch policies relating to energy technologies - and related policy documents - are evaluated against the background of the identified concepts and derived policy suggestions. In addition, the developments of certain energy technologies are examined in detail within the adopted evolutionary economics framework. Three particular technologies received attention, namely fuel cells, nuclear fusion, and photovoltaic cells. The evolutionary-economic analysis results in a number of very concrete policy recommendations, which partly conflict with current policy advise as well as current policy developments. The case study further illustrates that evolutionary-economic mechanisms have played an important role in the emergence of energy-innovations in the past.
    • SusClime: a simulation game on population and development in a resource- and climate-constrained two-country world

      Vries B de; CWM (1995-11-30)
      In dit rapport wordt het simulatiespel SusClime geintroduceerd als een manier om de lange-termijn toekomst te verkennen. De modelwereld van SusClime is een eenvoudige wereld met twee kapitaalvoorraden, een die goederen produceert (goods producing capital) en een die aan mensen diensten verleent waaronder consumpties (population capital). De vereiste energie wordt geleverd door twee kapitaalvoorraden, waarvan er een is gebaseerd op olie (carbon energy) en een hernieuwde bron (alternative). Investeringen in energiebesparing verminderen de energievraag. De belangrijke beslissingen in het spel betreffen investeringen, namelijk, de verdeling van geproduceerde goederen over deze vijf kapitaalvoorraden. Bovendien kunnen de twee landen olie verhandelen en leningen sluiten. De uitdaging is om door de demografische transitie heen te geraken door de welvaart per persoon te doen toenemen en om de overgang te maken van olie naar vernieuwbare energiebronnen. Dit laatste is van belang om te verhinderen dat de economie negatieve gevolgen ondervindt van klimaatverandering als gevolg van stijgende CO2-concentraties. Na de beschrijving van het spel volgen enkele suggestie om systematisch experimenten te doen en op die wijze een beter begrip te krijgen van de manieren waarop culturele waarden de waarneming van mensen en hun gedrag inzake aspecten van duurzame ontwikkeling beinvloeden.
    • Sustainable Use of Groundwater. Problems and threats in the European Communities

      Kohsiek LHM; Ven F van der; Beugelink GP; Pellenbarg NP (1991-11-30)
      Abstract niet beschikbaar
    • Sustaining Health. Towards an integrated global health model

      Niessen LW; Rotmans J (1993-05-31)
      Abstract niet beschikbaar
    • Symposium "Balans in Duurzaamheid"; 4 juni 2002 Rolzaal, Binnenhof, Den Haag

      Duijvenbooden W van; Poolman AM; MNP/Sector 5 (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2002-11-07)
      The symposium on 'Balance in Sustainability' was organised by the Office for Environmental Assessment (MNP) of the RIVM in The Hague on June 4th 2002. Mr Van Egmond, Director of the MNP started off the symposium with a presentation on the structure and the content of a 'Balance in Sustainability'. Mr Brinkhorst, Dutch Minister of Agriculture, Nature Management and Fisheries and Mr Van Geel, a Dutch Member of Parliament, followed with arguments promoting a broad definition of the concept of 'sustainability'. Mr Wijffels, Chair of the Social Economic Council, supported this view; however, he expressed doubts about the feasibility in the short term.entific Council for Government Policy, to start with a narrow definition from an ecological point of view. Wijffels suggested that a gradual attempt be made to map the interactions between the different domains. Another idea put forward was to present Parliament not only with the annual national budget but also the current status of the nation's ecology. Nevertheless, we were warned about including value judgements in the reportage.Hoek of the Bureau for Economic Policy Analysis expressed his doubts about the added value of a Balance in Sustainability, after which Mr Brinkhorst warned us about the one-sidedness of sectoral reports. The Director of the Social and Cultural Planning Office, Mr Schnabel, was of the opinion that the economy, being the weak link in the 'economy-socio-cultural-ecology' trio, would have to react to the developments in the other two domains. He argued for the following order of priorities: 'ecology-socio-cultural-economy'.
    • Symposium &quot;Balans in Duurzaamheid&quot;; 4 juni 2002 Rolzaal, Binnenhof, Den Haag

      Duijvenbooden W van; Poolman AM; MNP/Sector 5 (2002-11-07)
      Het Milieu- en Natuurplanbureau organiseerde het symposium 'Balans in Duurzaamheid' in Den Haag op 4 juni 2002. The sessie startte me een presentatie door de heer Van Egmond, waarbij hij in ging op de problematiek rond de opzet en inhoud van een Duurzaamheidsbalans. De heren Brinkhorst en Van Geel pleitten voor een brede definitie van het begrip "duurzaamheid". Ook de heer Wijffels ondersteunde dit, maar twijfelde aan de haalbaarheid daarvan op de korte termijn. Door de heer Scheltema werd voorgesteld primair uit te gaan van een smalle definitie en daarbij startend vanuit de ecologische invalshoek. In dat kader stelde de heer Wijffels voor om gaandeweg te proberen de onderlinge interacties tussen de verschillende domeinen beter in kaart te brengen. De heer Van Geel bleek bereid om in voorkomende gevallen voorlopig genoegen te willen nemen met globale gegevens. Ook werd gepleit om op naast de financi6le koffer ook een ecologische koffer aan het parlement te presenteren: "De ecologische staat van de natie zou net zo duidelijk in beeld moeten worden gebracht als de economische staat van de natie". Gewaarschuwd werd een duidelijke scheiding te maken tussen de rapportage en het waardeoordeel hierover. an de meerwaarde van een Duurzaamheidsbalans. De heer Brinkhorst waarschuwde naar aanleiding hiervan voor de eenzijdigheid van sectorale rapportages. De heer Schnabel (SCP) vond dat in de trits "economie, sociaal-cultureel en ecologie" feitelijk de economie de zwakke schakel is, die moet reageren op de ontwikkelingen in de 2 andere domeinen. Hij pleitte voor de volgorde "ecologie-sociaal-economie".