• Surveillance of work-related infectious diseases : Analysis 2011

      Heimeriks K; Meerstadt-Rombach FS; Maas JJ; Jacobi AJ; LCI; cib (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2013-03-12)
      Dit rapport is de Engelse vertaling van 205555002 Werkgevers moeten ervoor zorgen dat hun werknemers veilig en gezond hun werk kunnen uitoefenen en dus geen nadelige gezondheidseffecten ondervinden door (mogelijke) blootstelling aan ziekteverwekkers. In bepaalde beroepen kunnen werknemers door de aard van hun werkzaamheden een verhoogde kans hebben om met ziekteverwekkende organismen in contact te komen. Om een beeld te krijgen van de infectieziekten die werknemers tijdens het werk kunnen oplopen (type en aantal), analyseert het RIVM jaarlijks het aantal gemelde arbeidsgerelateerde infectieziekten. Dit gebeurt in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW). Risicovolle werkomgeving In 2011 zijn 337 meldingen geregistreerd in de twee belangrijkste registratiesystemen van arbeidsgerelateerde infectieziekten: het registratiesysteem van het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten (NCvB) en het CIb-registratiesysteem Osiris waarin volgens de Wet publieke gezondheid (Wpg) meldingsplichtige infectieziekten worden geregistreerd. De kans om tijdens het werk infectieziekten op te lopen blijkt het hoogst in de gezondheidszorg, het onderwijs en de agrarische sector. Naar verwachting worden in de registratiesystemen lang niet alle infectieziekten gemeld die zijn opgelopen in de werkomgeving. Desondanks hebben de meldingen een signaalfunctie. De gemelde infectieziekten komen in grote lijnen overeen met de registraties van de afgelopen jaren. In 2011 hebben laboratoria en GGD'en 193 werknemers met arbeidsgerelateerde infectieziekten geregistreerd in Osiris. Het gaat daarbij vooral om kinkhoest, legionella, bof en malaria. Bedrijfsartsen hebben 141 werknemers met infectieziekten gerelateerd aan het werk gemeld bij het NCvB. Het betreft voornamelijk darminfecties, huidinfecties en tuberculose (inclusief besmettingen met tuberculosebacteriën zonder ziekteverschijnselen). Meer inzicht nodig op arbeidsgerelateerde infectieziekten Om meer zicht te krijgen op de mate waarin uiteenlopende typen infectieziekten voorkomen, is nader onderzoek in de risicovolle sectoren nodig. Werknemers en werkgevers kunnen met deze informatie zicht krijgen op mogelijke blootstellingsmomenten en transmissieroutes, waardoor zij preventieve maatregelen kunnen nemen.
    • Surveillance of work-related infectious diseases : Analysis of work-related infectious diseases in the Netherlands in 2009

      Heimeriks CT; Beaujean D; Maas J; LCI; cib (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2011-01-14)
      Het aantal registraties van infectieziekten die Nederlanders tijdens hun werk oplopen is in 2009 laag, een tot twee procent van het totale aantal geregistreerde infectieziekten. Dit aantal is echter niet volledig. Dat komt gedeeltelijk omdat de arbeidsrelatie vaak niet wordt geregistreerd, en deels omdat de locatie van de infectiebron vaak als 'onbekend' wordt geregistreerd (in Osiris). Ten opzichte van voorgaande jaren is een lichte stijging waarneembaar. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM, in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW). SZW wil de kennis over arbeidsgerelateerde infectieziekten vergroten en doorgeven aan werkgevers, werknemers en arbodienstverleners, zodat zij maatregelen kunnen nemen. Voor het onderzoek zijn de twee belangrijkste Nederlandse registratiesystemen van infectieziekten/ziekten geanalyseerd: Osiris en de beroepsziektenregistratie van het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten (NCvB). In 2009 zijn in Osiris en bij het NCvB een vergelijkbaar aantal arbeidsgerelateerde infectieziekten gemeld, namelijk 154 en 155. Voor beide systemen is dit een lichte toename ten opzichte van voorgaande jaren. Bij registratie in Osiris worden vragen gesteld aan de patiënt over de opgelopen infectieziekte. Sinds augustus 2009 is de Osiris-vragenlijst aangevuld met extra vragen over blootstelling van werknemers aan infectieziekten tijdens het werk. Dit levert informatie op over de relatie tussen branches/beroepen, werkzaamheden en soorten infectieziekten. In Osiris, dat wordt beheerd door het RIVM, melden GGD'en de meldingsplichtige infectieziekten. De meeste meldingen zijn van arbeidsgerelateerde infectieziekten opgelopen door mensen die voor hun werk in het buitenland verblijven. Q-koorts is echter de voornaamste veroorzaker van de toename van het aantal arbeidsgerelateerde meldingen in Osiris. Daarnaast hebben ook malaria en hepatitis B een belangrijk aandeel. Bij het NCvB melden bedrijfs- en verzekeringsartsen infectieziekten. Zij melden hoofdzakelijk werknemers die een infectieziekte hebben opgelopen tijdens het werk in de gezondheidszorg of na contact met dieren. Infectieziekten die het meest worden gemeld bij het NCvB zijn darminfecties, huidinfecties en Q-koorts.
    • Surveillance of work-related infectious diseases in the Netherlands 2009

      Heimeriks K; Beaujean D; Maas J; LCI (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2010-05-11)
    • Surveillance of work-related infectious diseases in the Netherlands in 2010

      Heimeriks CT; Loo MAJM; Jacobi AJ; LCI; cib (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2012-01-30)
      Het aantal meldingen van infectieziekten die Nederlanders tijdens hun werk oplopen is laag, een tot twee procent van het totale aantal geregistreerde infectieziekten. In 2010 werden 278 meldingen geregistreerd. Dat meldt het RIVM in een analyse van arbeidsgerelateerde infectieziekten 2010. De onderzoekers zijn van mening dat lang niet alle arbeidsgerelateerde infectieziekten worden gemeld. Dat wordt onder andere veroorzaakt doordat het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten (NCvB) te maken heeft met een onderrapportage van alle gemelde beroepsziekten. In Osiris wordt de relatie met het werk niet altijd geregistreerd omdat bij de meldingen vaak niet bekend is wat de bron van de besmetting is. Werknemers kunnen tijdens hun werk in contact komen met ziekteverwekkers en daardoor een infectieziekte oplopen. De gezondheidszorg, het onderwijs en de agrarische sector zijn bedrijfstakken waar de kans op blootstelling aan ziekteverwekkers het grootst is. De twee belangrijkste Nederlandse registratiesystemen voor arbeidsgerelateerde infectieziekten zijn Osiris en de beroepsziektenregistratie van het NCvB. In opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW), worden jaarlijks de gegevens van Osiris en het NCvB geanalyseerd. SZW wil de kennis over arbeidsgerelateerde infectieziekten vergroten en doorgeven aan werkgevers, werknemers en arbodienstverleners. Werkgevers moeten er voor zorgen dat werknemers kunnen werken in een veilige en gezonde werkomgeving. Blootstelling aan ziekteverwekkers moet zo veel mogelijk worden vermeden. Als blootstelling niet uit te sluiten is, moeten maatregelen worden getroffen. Om preventiemaatregelen te kunnen treffen is het belangrijk een goed inzicht te krijgen welke beroepsgroepen een infectieziekte kunnen oplopen door het werk dat zij doen. In Osiris werden in 2010 189 arbeidsgerelateerde infectieziekten gemeld. Kinkhoest, malaria, bof en hepatitis B hebben in Osiris het grootste aandeel. Bij het NCvB werden in 2010 89 infectieziekten gerelateerd aan het werk gemeld. Het betreft voornamelijk darminfecties, huidinfecties en zoönosen.
    • Surveillance of zoonotic bacteria in farm animals in The Netherlands - Results from January 1998 until December 2002

      Bouwknegt M; Dam-Deisz WDC; Wannet WJB; Pelt W van; Visser G; Giessen AW van de; MGB (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2004-11-25)
      The EU Zoonoses Directive obliges the Member States to collect data on the occurrence of zoonotic agents in animal populations. For this purpose, since April 1997, the RIVM conducts a national programme for surveillance of zoonotic bacteria in farm animals in order of and in collaboration with the Inspectorate for Health Protection and Veterinary Public Health (VWA/KvW). The prevalence of Salmonella spp. in laying hens has significantly decreased in the period 1999-2002, which might indicate that the control measures taken by the poultry industry were effective. Prevalence estimates for Salmonella spp. in broiler flocks, in 1999-2002, did not yet yield a decreasing trend. The prevalence of Salmonella spp. in finishing pigs showed a decreasing trend between 2000 and 2002. The prevalence of Salmonella spp. in dairy cattle and veal calves remained at a relatively low level during the study period. The prevalence of Campylobacter spp. in broiler flocks did not increase nor decrease continuously between 1998 and 2002, which roughly corresponds with the monitoring results from the poultry industry. The prevalence estimates for E. coli O157 in dairy cattle and veal calves increased in the period 2000-2002. The vast majority of the E. coli O157-isolates concerned Shiga toxin-producing E. coli (STEC) O157. The increase of STEC O157 in dairy and veal herds may yield an increased risk of STEC O157 infections in humans.
    • Surveillance of zoonotic bacteria in farm animals in The Netherlands. Results from January 1998 until December 2000

      Bouwknegt M; Dam-Deisz WDC; Schouten JM; Wannet WJB; Pelt W van; Visser G; Giessen AW van de; KvW; MGB; WUR/QVE; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2003-06-24)
      To obtain reliable quantitative data on the occurrence of zoonotic bacteria in farm animals in The Netherlands, a surveillance programme was implemented in April 1997. Results for January 1998 through December 2000 are presented in this report. In this period, faecal samples from in total 2,378 flocks/herds of layers, broilers, finishing pigs, dairy cattle and veal calves were examined for the presence of Salmonella spp., Campylobacter spp. and/or verocytotoxin-producing E. coli O157. Questionnaires were used to obtain data for risk factor analyses. For layers, prevalences of salmonella positive flocks were 12% (1998, using Rappaport-Vassiliadis (RV) as selective enrichment medium) and averaged around 20% in 1999 and 2000 (using both RV and modified semisolid RV (MSRV)); for broilers, the salmonella prevalence declined from 28% (1998, RV) to 16% (2000, RV & MSRV). For finishing pig, 34% (1998; 4th quarter only), 13% (1999) and 16% (2000) positive herds were identified, while for dairy cattle and veal calves, salmonella prevalences were around 3% (based on the use of RV only). Serotype discrimination showed the predominance of S. Enteritidis (mainly phagetype PT4) in layers in all years; for broilers this serotype prevailed until 1999, whereas S. Paratyphi B var. Java prevailed in 2000. In finishing pigs, S. Typhimurium predominated, with an increase of phagetype DT104 during the study period. The campylobacter prevalence in broilers decreased from 31% (1998) to 18% (1999), reaching 24% in 2000. Finishing pigs, dairy cattle and veal calves showed lower campylobacter prevalences for 1999 compared to 1998. C. jejuni was the dominating species in broilers and dairy cattle, whereas C. coli predominated in pigs; both species prevailed equally in veal calves. Prevalence estimates for E. coli O157 in dairy cattle were 5% (1998), 8% (1999) and 6% (2000; 8% with an adjusted processing of samples); for veal calves these were 5% (1998), 9% (1999) and 11% (2000; 17% with the adjusted method). PCR-test results revealed the presence of the virulence associated SLT- and/or eae-genes in all isolates examined. Potential risk factors were identified for E. coli O157 in dairy cattle and for Campylobacter spp. in broilers.
    • Surveillance of zoonotic bacteria in farm animals in The Netherlands - Results from January 1998 until December 2002

      Bouwknegt M; Dam-Deisz WDC; Wannet WJB; van Pelt W; Visser G; van de Giessen AW; MGB (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2004-11-25)
      De door de EU uitgevaardigde Zoonosen Richtlijn verplicht de Europese lidstaten om jaarlijks te rapporteren over het voorkomen van ziekteverwekkende micro-organismen die van dier naar mens overdraagbaar zijn (zoonoseverwekkers). In dit kader voert het RIVM in opdracht van de Voedsel en Waren Autoriteit / Keuringsdienst van Waren (VWA/KvW) een surveillance-programma uit naar het voorkomen van zoonoseverwekkers bij landbouwhuisdieren in Nederland. De prevalentie van Salmonella spp. in koppels leghennen is in de periode 1999-2002 significant gedaald, hetgeen mogelijk het gevolg is van beheersmaatregelen die de pluimveeindustrie heeft getroffen. De prevalentie-schattingen voor Salmonella spp. in koppels vleeskuikens leverden nog geen dalende trend op, hoewel een aanzienlijke daling in 2002 werd geconstateerd. De salmonella-prevalentie in koppels vleesvarkens vertoonde een dalende trend tussen 2000-2002. Het salmonella-besmettingspercentage bij melkkoeien en vleeskalveren bleef op een constant, relatief laag niveau. De prevalentie van Campylobacter spp. in koppels vleeskuikens vertoonde geen stijgende of dalende trend tussen 1998 en 2002, hetgeen in grote lijnen overeen komt met data afkomstig uit de pluimveevleesindustrie. De prevalentieschattingen voor E. coli O157 in koppels melkkoeien en vleeskalveren namen toe in de periode 2000-2002. Het merendeel van de E. coli O157-isolaten betrof Shigatoxine-producerende E. coli (STEC) O157, welke bacterien potentieel ziekteverwekkend zijn voor de mens. De toename van STEC O157 bij melkvee en vleeskalveren kan leiden tot een verhoogd risico van STEC-infecties bij de mens.
    • Surveillance of zoonotic bacteria in farm animals in The Netherlands. Results from January 1998 until December 2000

      Bouwknegt M; Dam-Deisz WDC; Schouten JM; Wannet WJB; van Pelt W; Visser G; van de Giessen AW; MGB; WUR/QVE; LIS; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMKvW, 2003-06-24)
      Om betrouwbare kwantitatieve data te verkrijgen over het voorkomen van zoonotische bacterien in landbouwhuisdieren in Nederland, is in 1997 een surveillance-programma geimplementeerd. De resultaten hiervan over de periode januari 1998 tot en met december 2000 zijn in dit rapport beschreven. In deze periode zijn in totaal 2.378 koppels leghennen, vleeskuikens, vleesvarkens, melkkoeien en vleeskalveren onderzocht op de aanwezigheid van Salmonella spp., Campylobacter spp. en/of tes afgenomen om gegevens voor risicofactor-analyses te verzamelen. Salmonella-prevalenties bij leghennen waren 12% (1998, bij gebruik van Rappaport-Vassiliadis (RV) als selectief ophopingsmedium) en ongeveer 20% (1999 en 2000, bij gebruik van RV en modified semisolid RV (MSRV)); bij vleeskuikens nam deze prevalentie gedurende de onderzoeksperiode af van 28% (1998, RV) tot 16% (2000, RV & MSRV). Bij vleesvarkens zijn 34% (1998; alleen 4e kwartaal bemonsterd), 13% (1998) en 16% (2000) positieve koppels waargenomen, bij melkkoeien en vleeskalveren lagen de prevalenties rond de 3% (alle prevalenties gebaseerd op RV). S. Enteritidis (voornamelijk faagtype PT4) was het meest voorkomende serotype bij leghennen. Tot en met 1999 werd dit type ook het meest gevonden bij vleeskuikens, maar in 2000 werd hier S. Paratyphi B var. Java het meest prevalent. Bij vleesvarkens domineerde S. Typhimurium, met een toenemende rol voor faagtype DT104 in de onderzoeksperiode. De campylobacter-prevalentie bij vleeskuikens nam af van 31% (1998) tot 18% (1999), gevolgd door een niet-significante stijging tot 24% (2000). Bij vleesvarkens, melkkoeien en vleeskalveren werd een lagere campylobacter-prevalentie gemeten in 1999 ten opzichte van 1998. Bij vleeskuikens en melkkoeien werd voornamelijk C. jejuni geisoleerd, terwijl C. coli domineerde bij vleesvarkens; beide typen werden in nagenoeg gelijke mate gevonden bij vleeskalveren. Prevalentieschattingen voor E. coli O157 in melkkoeien waren 5% (1998), 8% (1999) en 6% (2000; 8% bij een gewijzigde verwerking van monsters); voor vleeskalveren waren deze cijfers respectievelijk 5%, 9% en 11% (17% met de gewijzigde methode). Minstens een van de virulentie-genen SLT-I, SLT-II en eae, werd aangetoond in alle onderzochte isolaten. Potentiele risicofactoren zijn geidentificeerd voor E. coli O157 bij melkkoeien en voor Campylobacter spp. bij vleeskuikens.<br>
    • Surveillance van arbeidsgerelateerde infectieziekten

      Heimeriks K; LCI (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2007-11-29)
    • Surveillance van bacteriele zoonoseverwekkers bij landbouwhuisdieren

      Heuvelink AE; Tilburg JJHC; Voogt N; Pelt W van; Leeuwen WJ van; Sturm JMJ; Giessen AW van de; MGB (1998-11-30)
      Sinds april 1997 vindt een gestructureerde surveillance van zoonoseverwekkers bij landbouwhuisdieren plaats. In dit rapport zijn de resultaten van het eerste jaar (april 1997 tot en met maart 1998) beschreven. De surveillance vond plaats bij vleeskuikens, legkippen, vleeskalveren en melkkoeien en was hoofdzakelijk gericht op Salmonella en E. coli O157. Koppels vleeskuikens werden tevens onderzocht op het voorkomen van Campylobacter, terwijl een selectie van de koppels werd onderzocht op het voorkomen van verocytotoxine (VT)-producerende E. coli (VTEC) in het algemeen. De surveillance werd uitgevoerd voor schatting van de prevalentie van de doelorganismen op koppelniveau. In totaal werden in het eerste jaar mestmonsters van 591 koppels landbouwhuisdieren verzameld op de boerderij, uit te splitsen naar 100 koppels vleeskuikens, 163 koppels legkippen, 192 koppels vleeskalveren en 136 koppels melkkoeien. Salmonella spp. werden geisoleerd uit 22,0% van de koppels vleeskuikens, uit 15,3% van de koppels legkippen en uit 1,6% van de koppels vleeskalveren. S. Enteritidis werd geisoleerd uit 5,5% van de koppels legkippen. Bij melkkoeien werden geen Salmonella spp. aangetoond. De prevalentie van Campylobacter bij vleeskuikens (n=84 koppels) was 29,8%. E. coli O157 werd geisoleerd uit 4,4% van de onderzochte koppels melkkoeien, 1,6% van de koppels vleeskalveren (n=191) en uit 1 van de koppels legkippen. Alle onderzochte koppels vleeskuikens werden negatief bevonden voor E. coli O157. Van de koppels vleeskalveren bleek 40,5% positief voor VTEC, van de koppels melkkoeien 17,2%, van de koppels legkippen 4,4% en van de koppels vleeskuikens 3,2%. De betekenis voor de volksgezondheid van het grote aantal VTEC-positieve koppels rundvee is niet duidelijk. Hiervoor is meer inzicht vereist in de rol die de verschillende typen VTEC spelen bij het veroorzaken van gezondheidsproblemen bij de mens. Op grond van de resultaten van het eerste jaar van deze studie kan worden gesteld dat pluimvee nog steeds een belangrijk reservoir is van Salmonella spp. en Campylobacter spp. Rundvee moet worden beschouwd als een belangrijk reservoir van E. coli O157 en overige typen VTEC.
    • Surveillance van bacteriele zoonoseverwekkers bij landbouwhuisdieren

      Heuvelink AE; Tilburg JJHC; Voogt N; Pelt W van; Leeuwen WJ van; Sturm JMJ; Giessen AW van de; MGB (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1999-00-00)
      In order to obtain reliable data on the prevalences and trends of zoonotic agents in farm animals in the Netherlands, a monitoring system based on statistical principles was implemented in April 1997. This report presents the results of the first year of monitoring. The monitoring was focused on the occurrence of Salmonella spp. and E. coli O157 in broilers, laying hens (layers), veal calves and dairy cattle. In addition, broiler braces were examined for the presence of (thermophilic) Campylobacter spp. and a selection of braces from all farm animal categories were examined for the presence of verocytotoxin (VT)-producing E. coli (VTEC) of all serotypes. The prevalences of the zoonotic agents were estimated at brace level. Braces were sampled by randomly collecting fresh faecal droppings on the farms. Salmonella spp. were isolated from 22.0% of the broiler braces (n=100), 15.3% of the layer braces (n=163) and 1.6% of the veal calf herds (n=192). S. Enteritidis was isolated from 5.5% of the layer braces. Salmonella spp. were not isolated from any of the dairy cattle herds (n=136). The prevalence of Campylobacter in broiler braces (n=84) was 29.8%. E. coli O157 was isolated from 4.4% of the dairy cattle herds, from 1.6% of the veal calf herds (n=191) and from one of the layer braces. E. coli O157 was not isolated from any of the broiler braces. Found positive for VTEC were 40.5% and 17.2% for the veal calf and dairy cattle herds, and 4.4% and 3.2% for the layer and broiler braces, respectively. Poultry can therefore be concluded to still be an important reservoir of Salmonella spp. and Campylobacter spp. Cattle should be considered as an important reservoir of E. coli O157 and other VTEC serotypes.
    • Surveillance van difterie als zeldzame ziekte

      Keli SO; Rumke HC (1992-07-31)
      Abstract niet beschikbaar
    • Surveillance van het verloop van influenza-uitbraken en oseltamivir gebruik in verpleeg- en verzorgingshuizen in Nederland

      Gageldonk-Lafeber AB van; Sande MAB van der; Vliet JA van; Koopmans MPG; Ruijs WLM; Meijer A; Wilbrink B; Plas SM van der; Landelijke Coordinatiestructuur Infectieziektebestrijding; CIE; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2006-07-13)
      Nursing home surveillance in the winter of 2003-2004 did not produce conclusive evidence as to the effect of oseltamivir on the course of influenza outbreaks after its administration to nursing home residents as post-exposition profylaxis and/or therapy. Surveillance was carried out to assess the effect of oseltamivir in protecting nursing home residents from influenza infection. The Dutch Ministry of Health had urged provision of oseltamivir to this group after a mismatch between the epidemic influenza A(H3N2) strain and the A(H3N2) vaccine strain. In our study of the effect of oseltamivir on influenza outbreaks in institutions, we found that in 6 institutions residents of all care units were administered oseltamvir profylaxis and/or therapy, while in 2 institutions all residents received only oseltamivir therapy. In one institution the method of administration varied per care-unit. Of care-units with a known treatment starting-date, no additional cases were found after the start of treatment both in 50% of the care-units that administered oseltamivir profylaxis and/or therapy (n=12) and 50% of the care-units that administered only oseltamivir therapy (n=4). One additional case of clinical influenza was found in 2 care-units administered oseltamivir profylaxis and/or therapy. Due to absence of control institutions and delayed administration of oseltamivir for profylaxis, it is unclear if the few additional cases were the result of oseltamivir treatment or of a natural decline in the influenza epidemic in nursing homes. A study comparing the course of the influenza outbreaks in nursing homes administering oseltamivir with those not adminstering oseltamivir could clarify the effect of oseltamivir.
    • Surveillance van het verloop van influenza-uitbraken en oseltamivir gebruik in verpleeg- en verzorgingshuizen in Nederland

      van Gageldonk-Lafeber AB; van der Sande MAB; van Vliet JA; Koopmans MPG; Ruijs WLM; Meijer A; Wilbrink B; van der Plas SM; CIE; LIS (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMLandelijke Coordinatiestructuur Infectieziektebestrijding, 2006-07-13)
      Er is nog niet met zekerheid vastgesteld of het middel oseltamivir griepuitbraken in verpleeg- en verzorgingshuizen verkort. De lage vaccinatiegraad onder het personeel en verlate inzet van oseltamivir veroorzaken deze onzekerheid. Dit blijkt uit een surveillance in negen zorginstellingen in het winterseizoen 2003-2004. Deze surveillance is uitgevoerd door het RIVM, GGD'en en verpleeghuisartsen. van Volksgezondheid, Welzijn en Sport beschikbaar werd gesteld. Het middel zou bewoners van zorginstellingen extra moeten beschermen tegen griep en griepuitbraken kunnen verkorten. In de negen zorginstellingen was de vaccinatiegraad onder bewoners gemiddeld 93% en onder personeel 20%. In 6 instellingen kregen de bewoners oseltamivir om zowel griep te behandelen (therapeutisch) als te voorkomen (profylactisch). In 2 zorginstellingen werd oseltamivir alleen gebruikt om de bewoners te behandelen. In 1 instelling werd oseltamivir in sommige zorgeenheden gebruikt als therapie terwijl het in andere zorgeenheden gebruikt werd om griep te voorkomen. Door de vertraagde inzet van oseltamivir ter voorkoming van nieuwe grieppatienten en de afwezigheid van controles (grieppatienten waarbij geen oseltamivir toegediend is) is het onzeker of nieuwe casussen zijn uitgebleven door de behandeling of door de natuurlijke uitdoving van de epidemie.
    • Surveillance van HIV-infectie onder injecterende druggebruikers in Nederland: meting Almelo/Enschede/Hengelo 2000

      Haks K; Berns MPH; Snijders BM; Watzeels JCM; Regteren AF van; Laar MJW van de; CIE (Tactus instelling voor verslavingszorgHengelo, 2001-09-24)
      Tussen 19 mei en 4 juli 2000 werden bij 79 IDs (injecterende druggebruikers) uit Almelo, Enschede en Hengelo een speekselmonster en een vragenlijst naar risicogedrag afgenomen. De deelnemers werden geworven via de methadonposten in Almelo en Enschede.Van de 79 IDs waren twee deelnemers HIV-positief (prevalentie 2,5%; 95% betrouwbaarheidsinterval 0,3-8,8). Van de 40 deelnemers die in de laatste zes maanden intraveneus drugs hebben gebruikt ('actuele spuiters') had 30% in de laatste zes maanden een gebruikte spuit of naald van een ander geleend. Dit percentage is veel hoger dan in de andere steden (11-17%). De geleende spuit/naald werd door 83% niet of niet goed schoongemaakt. Achttien procent van de actueel spuitende IDs had recent een gebruikte spuit of naald uitgeleend. Dit gebeurt meer in Twente dan in andere steden, zoals Heerlen/Maastricht, Amsterdam en Groningen, waar een vergelijkbare meting werd uitgevoerd. Spuitattributen (watje, lepel, filter, spoelwater) werden door 40% van de actuele spuiters wel eens geleend.Van alle IDs had 49% in de laatste zes maanden een vaste seksuele partner. Bij 44% van deze IDs was de vaste partner geen druggebruiker en bij 15% een niet-injecterende druggebruiker. Bij seksueel contact met de vaste partner gebruikte slechts 8% van de IDs altijd een condoom. Met losse partners en met klanten (prostitutie) werden condooms vaker gebruikt (altijd condooms gebruikt: 32% en 50% respectievelijk). Toch wordt, gezien de lage HIV-prevalentie, het risico van verspreiding van HIV naar niet-IDs of de rest van de algemene bevolking laag ingeschat.
    • Surveillance van HIV-infectie onder injecterende druggebruikers in Nederland: meting Amsterdam 1998

      Beuker RJ; Berns MPH; Rozendaal CM van; Snijders BM; Ameijden EJC van; Houweling H; Laar MJW van de; CIE (GG&amp;GD Amsterdam, 2000-01-27)
      Tussen 2 juni en 18 augustus 1998 werd bij 202 IDs uit Amsterdam een speekselmonster en een vragenlijst naar risicogedrag afgenomen. De IDs werden geworven via straatwerving (76%) en via een laagdrempelige instellingen voor druggebruikers (24%). Van de 197 IDs waren 51 deelnemers HIV-positief (prevalentie 25,9%; 95% betrouwbaarheidsinterval [BI] 19.9 - 32.6%). Van de 197 IDs had 12% in de laatste zes maanden een gebruikte spuit of naald van een ander geleend. Van hen was 4% HIV-positief. Elf procent had een spuit of naald uitgeleend (1996: 8,5%, niet significant). Spuitattributen (gebruikt watje, lepel, filter of spoelwater) werden door 28% gedeeld. Zevenenvijftig procent van de IDs had in de laatste zes maanden een vaste seksuele partner gehad. Bij 31% hiervan was dat geen druggebruiker, bij 13% een niet-injecterende druggebruiker. In beide groepen was 1 ID HIV-positief. Met de vaste seksuele partner werd in 85% van de contacten niet altijd een condoom gebruikt (1996: 76%). Met losse partners en klanten worden condooms vaker gebruikt (niet altijd condoom gebruikt: losse partners 42%, klanten 29%). De prevalentie van HIV onder IDs in Amsterdam is 26% en vergelijkbaar met de meting van 1996. Het lenen van gebruikte spuiten/naalden is in vergelijking met de vorige meting niet significant gedaald. Het condoomgebruik in vaste, losse en commerciele seksuele contacten is laag en niet veranderd sinds de laatste meting. Er zijn aanwijzingen voor een beperkte maar continue HIV-transmissie in deze groep.
    • Surveillance van HIV-infectie onder injecterende druggebruikers in Nederland: meting Den Haag 2000

      Beuker RJ; Berns MPH; Watzeels JCM; Hendriks V; Coster EJM de; Tonino-van der Marel E; Laar MJW van de; CIE (Parnassia Psychometrisch CentrumGGD Den Haag, 2001-09-07)
      Tussen 21 maart en 3 juli 2000 werd bij 217 IDs uit Den Haag een bloedmonster en een vragenlijst naar risicogedrag afgenomen. De IDs werden geworven via methadonposten (35%) en laagdrempelige instellingen voor druggebruikers (65%). Van de 211 IDs waren vier deelnemers HIV-positief (prevalentie 1,9%; 95% betrouwbaarheidsinterval [BI] 0,5 - 4,8%). Vijfendertig procent van de deelnemers had antistoffen tegen HBc (vroeger doorgemaakte of huidige HBV-infectie), bij 3% van de deelnemers werd HBsAg aangetoond in het bloed (dragerschap). Bij 47% werden antistoffen aangetoond tegen HCV. De prevalentie van anti-HBc en anti-HCV is lager dan in andere Nederlandse steden. Van de 81 actuele spuiters had 20% in de laatste 6 maanden een gebruikte spuit of naald van een ander geleend, relatief veel in vergelijking met metingen in andere steden. Eveneens 20% had een spuit of naald uitgeleend. Eenenzestig procent van de IDs had in de laatste zes maanden een vaste seksuele partner gehad. Bij 48% van deze IDs was de vaste partner geen druggebruiker, bij 17% een niet-injecterende druggebruiker. Met de vaste seksuele partner werd in 84% van de contacten niet altijd een condoom gebruikt. Met losse partners en met klanten werden condooms vaker gebruikt. Door de lage HIV-prevalentie wordt het risico op verspreiding van HIV naar niet-IDs of de rest van de algemene bevolking laag ingeschat.
    • Surveillance van HIV-infectie onder injecterende druggebruikers in Nederland: meting Eindhoven/Helmond/&apos;s Hertogenbosch 1999

      Berns MPH; Snijders BM; Rozendaal CM; Hoek AFM; Laar MJW van de; CIE (GGD EindhovenGGD HelmondGGD &apos;s HertogenboschNovadic, 2000-06-29)
      Tussen 3 maart en 15 april 1999 werden bij 132 IDs (Infecterende Druggebruikers) uit Eindhoven, Helmond en 's Hertogenbosch een speekselmonster en een vragenlijst naar risicogedrag afgenomen. De deelnemers werden geworven via de methadonverstrekking in de drie steden. Van de 130 IDs waren zes deelnemers HIV-positief (prevalentie 4,6%; 95% betrouwbaarheidsinterval 1,7 - 9,7). Van de 85 actuele spuiters had 17% in de laatste zes maanden een gebruikte spuit of naald van een ander geleend, vergelijkbaar met metingen in andere steden. Vierentwintig procent had een spuit of naald uitgeleend, relatief veel vergeleken met andere metingen. Spuitattributen (gebruikt watje, lepel, filter of spoelwater) werden door 47% gedeeld. 37% van de IDs had in de laatste zes maanden een vaste seksuele partner gehad. Bij 19% van deze IDs was dat geen druggebruiker, bij 17% een niet-injecterende druggebruiker. Met de vaste seksuele partner werd in 88% van de contacten niet altijd een condoom gebruikt. Met losse partners en met klanten werden vaker condooms gebruikt (niet altijd condooms gebruikt: 61%, resp. 17%). De prevalentie van HIV onder IDs in Eindhoven, Helmond en 's Hertogenbosch is 5%. Het lenen van gebruikte spuiten/naalden is vergelijkbaar met de metingen in de andere steden, het uitlenen is meer dan in andere steden.Het condoomgebruik in vaste seksuele contacten is laag en vergelijkbaar met dat in de metingen in de andere steden. Door de lage HIV-prevalentie wordt het risico op verspreiding van HIV naar niet-IDs of de rest van de algemene bevolking laag ingeschat.
    • Surveillance van HIV-infectie onder injecterende druggebruikers in Nederland: meting Groningen 1997/1998

      Berns MPH; Snijders BM; Rozendaal CM van; Have J van der; Houweling H; Laar MJW van de; CIE (GGD Groningen, 1999-11-30)
      Tussen 24 november 1997 en 30 januari 1998 werd bij 196 IDs uit Groningen een speekselmonster en een vragenlijst naar risicogedrag afgenomen. De deelnemers werden geworven via de methadonverstrekking (91%), twee laagdrempelige dagcentra voor druggebruikers (5%), een dagbestedingsproject voor druggebruikers (2%) en via straatwerving (2%). Van de 196 IDs was een deelnemer HIV-positief (prevalentie 0,5%; 95% betrouwbaarheidsinterval 0,0 - 1.5%). Van de 126 actuele spuiters had 11% in de laatste zes maanden een gebruikte spuit of naald van een ander geleend, relatief weinig vergeleken met de metingen in andere steden. Twaalf procent had een spuit of naald uitgeleend. Spuitattributen (gebruikt watje, lepel, filter of spoelwater) werd door 38% gedeeld. 43% van de IDs had in de laatste zes maanden een vaste seksuele partner gehad. Bij 48% hiervan was dat geen druggebruiker, bij 14% een niet-injecterende druggebruikers. Met de vaste seksuele partner werd in 89% van de contacten niet altijd een condoom gebruikt. Met losse partners en met klanten werden vaker condooms gebruikt (niet altijd condooms gebruikt: 58%, resp. 24%). De prevalentie van HIV onder IDs in Groningen is 0.5%. Het lenen en uitlenen van gebruikte spuiten/naalden is minder dan in de metingen in de andere steden. Het condoomgebruik in vaste seksuele contacten is laag en vergelijkbaar met dat in de metingen in de andere steden.Door de lage HIV-prevalentie wordt het risico op verspreiding van HIV naar niet-IDs of de rest van de algemene bevolking laag ingeschat.
    • Surveillance van HIV-infectie onder injecterende druggebruikers in Nederland: meting Heerlen/Maastricht 1998/1999

      Beuker RJ; Berns MPH; Rozendaal CM van; Snijders BM; Jansen M; Hoebe CJPA; Laar MJW van de; CIE (GGD Zuidelijk Zuid-LimbergGGD Oostelijk Zuid-Limburg, 2001-06-29)
      Tussen 30 oktober 1998 en 27 mei 1999 werd bij 222 IDs uit Heerlen en Maastricht een bloedmonster en een vragenlijst naar risicogedrag afgenomen. De IDs werden geworven via methadon-posten (63%), laagdrempelige instellingen voor druggebruikers (19%), straatwerving (10%) en arrestantenverblijven (7%). Van de 214 IDs waren 30 deelnemers HIV-positief (prevalentie 14,0%; 95% betrouwbaarheidsinterval [BI] 9,7 - 19,4%). De HIV-prevalentie was hoger in Heerlen (21,6%) dan in Maastricht (5,1%). In Heerlen was een stijgende trend te zien ten opzichte van eerdere metingen (1994: 10%). Van de 134 actueel spuitende IDs had 14% in de laatste zes maanden een gebruikte spuit of naald van een ander geleend. Van hen was 11% HIV-positief. Dertien procent had een spuit of naald uitgeleend. Vijfenveertig procent van de IDs had langer dan zes maanden voor het onderzoek spuiten/naalden van een ander geleend, waarvan 24% HIV-positief was. Veertig procent van de IDs had in de laatste zes maanden een vaste seksuele partner gehad. Bij 36% hiervan was deze partner geen druggebruiker, bij 21% een niet-injecterende druggebruiker. Met de vaste seksuele partner werd in 89% van de contacten niet altijd een condoom gebruikt. Met losse partners en klanten worden condooms vaker gebruikt (niet altijd condoom gebruikt: losse partners 49%, klanten 25%). Door de aanwezigheid van spuitgerelateerd en seksueel risicogedrag in combinatie met een hoge HIV-prevalentie is het risico op HIV-transmissie aanwezig.