• The safety of donor skin preserved with glycerol - Evaluating the Euro Skin Bank preservation procedures of human donor skin against the prEN 12442 standard

      Geertsma RE; Wassenaar C; LGM (2000-08-31)
      De procedures voor de preservatie van humane donorhuid zoals die worden toegepast door de Euro Skin Bank (ESB) zijn geevalueerd met behulp van de Europese standaard prEN 12442: "Dierlijke weefsels en daarvan afgeleide producten die voor de vervaardiging van medische hulpmiddelen worden gebruikt". Dit overzicht heeft zich gericht op de risico's betreffende de overdracht van ziekte. Eerst werden productgerelateerde gevaren geidentificeerd en vervolgens werden de hieraan verbonden risico's en de beheersmaatregelen hiervoor van de ESB besproken. Verder werd geevalueerd of de overblijvende risico's accepteerbaar zijn door de risicoverlagende maatregelen te vergelijken met de eisen in de volgende standaarden: prEN 12442, EN 1441, EN 1174 en ISO 14160. De conclusies geven aan dat de ESB-procedures op dit moment niet aan alle eisen van deze standaarden voldoen. Met behulp van de geconstateerde tekortkomingen is vervolgens een validatieplan opgesteld, dat overwegingen en suggesties ten aanzien van proces-definitie en -beheersing en de beoordeling van bacteriologische en virologische inactivatie en/of eliminatie bevat. Implementatie van dit plan zou ertoe moeten leiden dat de procedures volledig aan de standaarden gaan voldoen.
    • The safety of donor skin preserved with glycerol - Evaluating the Euro Skin Bank preservation procedures of human donor skin against the prEN 12442 standard

      Geertsma RE; Wassenaar C; LGM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2000-08-31)
      The procedures for preservation of human donor skin with glycerol, as applied by the Euro Skin Bank (ESB), were evaluated against the prEN 12442 standard: animal tissues and their derivatives used in the manufacture of medical devices. The focus chosen for this review is on risks related to the transmission of diseases. Product-related hazards were identified. Subsequently, the associated risks and the ESB measures to reduce these risks were discussed. The acceptability of the residual risks was also evaluated by comparing the risk-reducing measures with the prEN 12442, EN 1441, EN 1174 and ISO 14160 standards. Conclusions drawn indicate that ESB procedures as they now stand do not meet all the requirements of these standards. Nonconformities were used to formulate a validation plan containing considerations and suggestions on process definition and control, as well as an assessment of bacteriological and virological inactivation and/or elimination. The implementation of this plan should lead to full conformance with the standards.
    • Salmonella onderzoek bij Nederlands pluimvee

      van de Giessen AW; Berkers PATA; Peters R; Notermans SHW (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1989-10-31)
      Gedurende de eerste helft van 1989 werden 59 pluimveebedrijven uit de leg- en mestsector onderzocht op de aanwezigheid van Salmonella-kiemen. Op 53 bedrijven (90%) kon Salmonella bij pluimvee worden aangetoond. Op 10 bedrijven (17%) bleek S. enteritidis bij pluimvee aanwezig te zijn. Van de 19 bedrijven met in totaal 49 stallen legdieren werd S. enteritidis op 5 bedrijven bij in totaal 9 stallen aangetoond. Van de 40 bedrijven met in totaal 52 koppels mestkuikens werd S. enteritidis op 5 bedrijven bij in totaal 6 koppels aangetoond. De resultaten maken duidelijk dat de tot nu toe door het bedrijfsleven getroffen maatregelen ter indamming van de besmetting met S. enteritidis nog onvoldoende effectief zijn geweest om de besmettingsdruk te verlagen. Meer ingrijpende maatregelen, waaronder het ruimen van besmette koppels, een adequate reiniging en desinfectie van besmette hokken en het doorbreken van besmettingskringlopen in het milieu, zullen nodig zijn om de besmetting terug te dringen.<br>
    • Salmonella onderzoek bij varkensfokbedrijven

      van de Giessen AW; van Leeuwen WJ; Ritmeester WS; Notermans SHW; LWL (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-04-30)
      Van november 1990 tot en met oktober 1991 werd bij 50 varkensfokbedrijven onderzoek uitgevoerd naar het voorkomen van Salmonella, met name S.typhimurium. In totaal werd op 31 (62,0%) van de 50 bedrijven Salmonella aangetoond. Het totaal aantal onderzochte monsters faeces van de onderzochte 50 bedrijven bedroeg 992. Uit 103 (10,4%) van deze monsters werd Salmonella geisoleerd. Bij het onderzoek werden verschillende diercategorieen onderscheiden en apart onderzocht. Bij de categorie opfokzeugen werd het meest frequent Salmonella aangetoond en bij de categorie gespeende biggen het minst frequent. S.typhimurium was het meest frequent geisoleerde serotype en werd aangetoond bij 10 (20,0%) van de 50 bedrijven. Andere frequent geisoleerde serotypen waren S.derby, S.livingstone, S.panama en S.brandenburg.<br>
    • Salmonella ringonderzoek III: bacteriologische detectie van Salmonella in aanwezigheid van competitieve flora

      Voogt N; Veld PH in &apos;t; Nagelkerke N; Giessen AW van der; MGB (1999-07-31)
      In oktober 1998 werd het derde bacteriologisch ringonderzoek voor de detectie van Salmonella in aanwezigheid van stoorflora georganiseerd door het Nationaal Referentie Laboratorium (NRL) voor Salmonella (RIVM, Bilthoven). Aan het ringonderzoek werd deelgenomen door 21 laboratoria in het kader van het Plan van aanpak Salmonella en Campylobacter. Het belangrijkste doel van dit ringonderzoek was te testen of de deelnemende laboratoria in staat zijn om Salmonella te detecteren in aanwezigheid van stoorflora. Daarvoor werden referentiematerialen met Salmonella gebruikt die dienden te worden onderzocht met en zonder toevoeging van kippenfaeces. De deelnemende laboratoria voerden het ringonderzoek uit met de methode welke het laboratorium zelf gebruikt voor onderzoek van pluimveemestmonsters uit de praktijk. Naar aanleiding van resultaten behaald tijdens eerdere ringonderzoeken onderzochten vier laboratoria 50 capsules en 17 laboratoria 15 capsules. Twee van de vier laboratoria die 50 capsules testten en zestien van de 17 laboratoria die 15 capsules onderzochten isoleerden Salmonella uit alle positieve monsters.
    • Salpeterzuurdestructie en ICP-MS analyse van biotisch materiaal en voeding

      Velde-Koerts T van der; LAC (2000-07-21)
      Voor de bepaling van elementen in voeding en biotisch materiaal werd een analytische methode ontwikkeld, bestaande uit een salpeterzuurdestructie en een ICP-MS-analyse. De destructie werd geoptimaliseerd op basis van de salpeterzuurconcentratie en de destructietijd. De ICP-MS-analyse werd geoptimaliseerd op basis van minimale spectrale storingen en matrixeffecten, waarbij gebruik werd gemaakt van storingscorrecties, interne standaarden en matrix matching van de kalibratiestandaarden. Op basis van de aantoonbaarheidsgrenzen, reproduceerbaarheid, juistheid en terugvinding was de analytische methode geschikt voor de bepaling van As, B, Ba, Cd, Co, Cu, Mn, Mo, Pb, Rb, Sr, Zn in voeding en in biotisch materiaal. De methode was ook geschikt voor de bepaling van Al, Fe, Cr, Co, Ni in voeding en dierlijk materiaal, maar niet voor deze bepaling in plantaardig materiaal: de destructie van Al, Fe, Cr, Co en Ni was niet volledig. De methode was niet geschikt voor de bepaling van B, Br, S, Se en Sn. De juistheid voor Sb, Si, Ti, Tl en V kon niet worden geverifieerd, omdat referentiematerialen ontbraken. De elementen Ca, K, Mg, Na en P kunnen beter bepaald worden met ICP-AES vanwege de hoge concentraties.
    • Salpeterzuurdestructie en ICP-MS analyse van biotisch materiaal en voeding

      Vekde-Koerts T van der; LAC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2000-07-21)
      An analytical method consisting of a nitric acid digestion and an ICP-MS analysis, has been developed for the determination of elements in food and biological material. The digestion was optimised for nitric acid concentration and destruction time. The ICP-MS analysis was optimised for minimal spectral interferences and matrix effects using interference corrections, internal standards and matrix matching of the calibration standards. Based on detection limits, reproducibility, trueness and recovery, the analytical method was found suitable for the determination of As, B, Ba, Cd, Co, Cu, Mn, Mo, Pb, Rb, Sr, Zn in food and biological material. The method was also found suitable for the determination of Al, Fe, Cr, Co, Ni in food and animal material, but not for this determination in plant material: the digestion of Al, Fe, Cr, Co and Ni in plant material was not complete. The method was found not suitable for the determination of Bi, Br, S, Se and Sn. Trueness for Sb, Si, Ti, Tl and V could not be checked, because reference materials were lacking. The elements Ca, K, Mg, Na and P can be better determined using ICP-AES because of the high concentrations.
    • Samen staan we sterk! : Bundeling van de 3V-krachten op het internationale speelveld

      Deleu S; Akkermans A; NKA; V&|Z (Nationaal Kenniscentrum Alternatieven voor dierproeven (NKCA), 2014-06-18)
    • Samen werken aan duurzame zorg : Landelijke monitor proeftuinen

      Drewes HW; Heijink R; Struijs JN; Baan CA; KZG; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2015-07-10)
      In 2013 heeft het ministerie van VWS op voordracht van de verzekeraars negen regionale initiatieven benoemd tot proeftuinen. Deze proeftuinen hebben als doel om preventie, zorg en welzijn in samenhang vorm te geven. Dit rapport beschrijft de proeftuinen en de ontwikkelingen die zich sinds de oprichting hebben voorgedaan. Daarnaast geeft het de gezondheid, de kwaliteit van de zorg en de kosten in de proeftuinregio's weer. Ook wordt ingegaan op de ervaringen van bestuurders met de proeftuinen. Zorgaanbieders, verzekeraars, en vaak ook gemeenten en vertegenwoordigers van burgers / patiënten, werken binnen de proeftuin gezamenlijk aan duurzame zorg en maatschappelijke ondersteuning. Met behulp van een aantal interventies proberen deze partijen een basis te leggen voor de benodigde samenwerking, de organisatie en de bekostiging van de proeftuinen. De proeftuinen worden bestuurd door vertegenwoordigers van de betrokken partijen. Volgens hen wijzen de eerste ervaringen op een verbeterde samenwerking. Tegelijkertijd zoeken zij nog naar een goede aansturing van de proeftuin en de mogelijkheden van nieuwe bekostigingsvormen. Voor het welslagen van de proeftuinen is een goede samenwerking essentieel. Hiervoor is het van belang dat de organisatiebelangen van álle partijen meer op één lijn komen te liggen met de doelstelling van de proeftuin. Ook is aandacht nodig voor alternatieve vormen van bekostiging en voor transparantie van de kwaliteit en kosten van de zorg.
    • Samenhang tussen therapietrouw en kosteneffectiviteit voor geneesmiddelen in Nederland. Een casestudie naar statines en bloeddrukverlagers

      Over EAB; van Gils PF; de Wit GA; Feenstra TL; Hoebert JM; EVG; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-04-03)
      Als patiënten geneesmiddelen volgens voorschrift innemen, levert dat veel gezondheidswinst op tegen relatief lage kosten. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM naar de samenhang tussen therapietrouw en kosteneffectiviteit van twee groepen geneesmiddelen. De studie onderstreept daarmee het belang om de effecten van therapietrouw mee te nemen in kosteneffectiviteitsberekeningen van geneesmiddelen. Overigens kan dat alleen worden gedaan als gegevens over therapietrouw beschikbaar zijn. Voor dit onderzoek zijn casestudies uitgevoerd naar cholesterol- en bloeddrukverlagers. Van deze geneesmiddelen is bekend dat patiënten er vaak voortijdig mee stoppen of ze niet volgens voorschrift innemen (bijvoorbeeld een verkeerde dosering gebruiken). Voor het basispakket van de ziektekostenverzekering wordt bepaald welke middelen wel of niet worden vergoed. Een van de criteria hiervoor is kosteneffectiviteit: de verschillen tussen (ten minste) twee geneesmiddelen (of situaties) wat betreft de kosten en de effecten. Bij goede berekeningen van de kosteneffectiviteit wordt de gebruiker betrokken. Zo wordt geschat hoeveel mensen voortijdig zullen stoppen met de behandeling en het effect van onjuist gebruik en de invloed hiervan op de kosten.
    • Een samenhangend beeld van kanker: ziekte, zorg, mens en maatschappij : Themarapportage van de Staat van Volksgezondheid en Zorg

      Vonk R; Korevaar J; van Saase L; Schoemaker C; VZP; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2016-11-30)
      Jaarlijks krijgen 100.000 mensen in Nederland te horen dat ze kanker hebben. De afgelopen decennia is de behandeling van kanker steeds effectiever geworden waardoor er steeds minder mensen aan overlijden. Er is echter weinig informatie over de ingrijpende langetermijneffecten van de ziekte en de behandeling op de kwaliteit van leven en de maatschappelijke participatie van (ex)patiënten. De beschikbare informatie is nu zo veel mogelijk samengevoegd en in beeld gebracht. Het is van belang deze informatie te integreren in de zorg en in wetenschappelijk onderzoek. Lange tijd lag de focus op behandelen en overleven, en daar is wel veel informatie over. Informatie over de samenhang tussen alle betrokken onderdelen in de zorgketen - van huisarts tot oncoloog, fysiotherapeut en psycholoog - is vaak beperkt en versnipperd. Hetzelfde geldt voor de kwaliteit van leven tijdens en na de ziekte, de impact op gezinsleden en maatschappelijke gevolgen zoals het (on)vermogen om te werken. In een bijbehorende illustratie is informatie over de overlevingskansen, de zorgketen, en 'mens en maatschappij' in beeld gebracht. Hierin wordt zichtbaar waar nog kennislacunes zijn, en waar losstaande gegevens op een zinvolle manier gekoppeld zouden kunnen worden. Daarnaast worden vier vormen van kanker nader uitgediept: borstkanker, dikkedarmkanker, longkanker en acute lymfatische leukemie bij kinderen. Dit is gedaan omdat de wijze van ontstaan, de gemiddelde leeftijd van de patiënt, de gevolgen, de behandeling en de kans op overleven, per type kanker sterk verschilt. De rapportage is geschreven in opdracht van het ministerie van VWS en maakt deel uit van de Staat van Volksgezondheid en Zorg. Ze is het product van samenwerking tussen RIVM, NIVEL, Zorginstituut Nederland, Trimbos Instituut en CBS.
    • Samenstelling en stroming van het grondwater op een proeflocatie te Best

      Meinardi; C.R. (1985-05-31)
      Op de proeflocatie Best zijn op de hoekpunten van een vierkant van 40 x 40 m een aantal boringen gezet tot een maximale diepte van 30 m. Deze boringen zijn uitgerust met een groot aantal pomp-, peil- en minifilters. Uit de filters zijn monsters getrokken die in het veld en op het laboratorium zijn onderzocht op hun fysische en chemische eigenschappen (hoofdcomponenten). Hieruit bleek een zeer sterke variatie in deze eigenschappen. Deze variatie is verklaarbaar indien de stroming van het grondwater nader wordt beschouwd. De verschillen in samenstelling volgen uit verschillen in het lokale landgebruik.
    • Samenstelling van een voedingsmiddelentabel met gehalten aan alpha-linoleenzuur t.b.v. o.a. de Zutphen Studie

      Voskuil DW; Feskens EJM; CCM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1994-08-31)
      Alpha-linolenic acid (C18:3 n-3) is an essential fatty acid with a possible beneficial effect on coronary heart disease. Research of the effects of alpha-linolenic acid however is interfered with by the lack of food consumption data on this fatty acid. The Netherlands Food Table (NEVO) for instance does not contain any information on alpha-linolenic acid. A food table with data on alpha-linolenic acid has been composed to fill this gap, possibly in aid of others as well. For comparison with the NEVO-table linolenic acid was also included in the table. The table has been composed by using data of chemical analysis on Dutch foods, using foreign food tables, by deducting from other values and by calculations based on recipes. The food table consists of 999 products, which are all foods that were reported to be used during the nutritional surveys of the Zutphen Study in 1985 and 1990. Of these 999 products, 972 occur in the NEVO-table, whereas 27 have a special code. Finally, for only 3 foods the alpha-linolenic acid contents could not be found. Compared to the NEVO-table, calculation of the intake of linolenic acid by this table results in a mean overestimation of 5-10%. Possibly, a similar overestimation applies to alpha-linolenic acid as well. Validation of the table for alpha-linolenic acid, by means of for instance chemical analysis of a package of much used foods, is recommended. The table has recently been applied in a study of the intake of alpha-linolenic acid by the participants of the Zutphen Study.