• "De kwaliteit van het drinkwater in Nederland, in 1992"

      Versteegh JFM; Wetsteyn FJ; LWD; RIMH/NH-FL (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1994-06-30)
      The minister for Housing, Physical Planning and Environment promised to inform The Parliament every year about the quality of the drinking water in the Netherlands. The report "the drinking water quality in the Netherlands in 1992" is based on the information from the Water Supply Companies to the Inspectorates for Public Health and Environmental Protection. This information is used to prepare nine regional reports which are used as background information for this national report. Non-compliance of drinking water samples to the drinking water standards are incidentally. Only non-complaince of bacteriological parameters has impact on public health, however there have been no hazardous situations at all. Most case of non-compliance deal with ethic and easthetic standards. Non-complaince of drinking water standards were taken away with adequate measures.<br>
    • Een &quot;enzyme-linked immunosorbent&quot; assay van ratte-antilichamen van de klassen M, G en A tegen schape-erythrocyten: een functietest voor humorale immuniteit

      Verlaan APJ; Vos JG; van Loveren H (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1987-10-31)
      Dit rapport beschrijft "Enzyme Linked Immunosorbent Assays" (ELISA's) voor IgM, IgG en IgA antilichamen tegen schape-erythrocyten (SRBC). De resultaten die met deze methode worden verkregen zijn goed reproduceerbaar. In vergelijking met een andere veel gebruikte test voor de bepaling van antilichaamtiters tegen SRBC, de haemagglutinatietest, is de ELISA specifieker en gevoeliger. Met behulp van deze methode is het mogelijk om een effect van blootstelling aan toxische verbindingen op de humorale immuunrespons vast te stellen. Als modelstudie is in dit rapport beschreven het effect van blootstelling aan bis(tri-n-butyltin)oxide in het voer op de IgG en IgM anti-SRBC respons. Met name semichronische blootstelling aan deze verbinding verminderde de IgG respons.<br>
    • &quot;Polycyclische aromatische koolwaterstoffen. (PAK), nikkel en vanadium in luchtstof uit Bahrein (Perzische Golf): metingen en Puff-modelberekeningen voor dit gebied ten tijde van het branden van de oliebronnen in Kuwayt&quot;

      Vaessen HAMG; Wilbers AAMM; Jekel AA; van Pul WAJ; van der Meulen A; Bloemen HJT; de Boer JLM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1993-01-31)
      In 1991, air particulate matter, was sampled in Bahrein when soot clouds were over that region. Also in that period Puff-model calculations were carried out for the Persian Gulf region to forecast the dispersion of the combustion products and the impact on the environment of the burning oil wells in Kuwait. Based on the outcome of the model calculations and the analytical findings the major conclusions are that: - the PAH contamination level of the air particulate matter is equal or below that found for rural areas in the Netherlands and on average one order of magnitude below the findings of the model calculations. - there is no link between the air particulate matter content and the PAH contamination measured. - the strongly significant correlation between the Ni- and V-content both mutually and with respect to the air particulate matter content strongly suggests a common origin i.e. the burning oil wells in Kuwait. - the air particulate matter content measured is one up to two orders of magnitudes over the findings of the model calculations. - the emission factors applied in the Puff-model calculations, most probably, unsufficiently match the combustion conditions of oil wells at fire.<br>
    • &quot;Relatieve orale biobeschikbaarheid van contaminanten in bodem&quot;: Overzicht van werkzaamheden 1996-2001 met koppeling aan beleidsvragen

      Rompelberg CJM; de Zwart LL; LBM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2002-02-25)
      In current risk assessment of soil contaminants, oral bioavailability of contaminants from soil in humans (Fsoil) is considered to be equal to the bioavailability of contaminants from the matrix used in the toxicological studies (Fmatrix tox. study) underlying the Maximal Permissible Risk level. There are indications that this consideration is not valid. Research on relative bioavailability factors (=Fsoil/ Fmatrix tox. study) of soil contaminants is needed for more insight into relative bioavailiability factors and to decide whether risk assessment can be improved by experimental determination of these factors. The (still ongoing) research on relative bioavailability factors of soil contaminants at the Laboratory of Exposure Assessment and Environmental Epidemiology of the National Institute for Public Health and the Environment in the 1996-2001 period has been summarised in the current report. To date, an in vitro digestion model and a (preliminary) mathematical model have been developed and tested to explore the relative bioavailability of contaminants in soil. It can be concluded that both models are promising tools to study relative bioavailability factors. The current report will be used to decide how research has to be continued.<br>
    • Raamprogramma 1984-1988 Nationaal onderzoeksprogramma hergebruik van afvalstoffen

      LAE; PEO (Stichting Projectbeheerbureau Energieonderzoek (PEO), 1985-08-31)
      Abstract niet beschikbaar
    • Raamwerk voor kwaliteitsborging van geintegreerde studies

      Bakkes JA; Helder JC; van der Giessen A; Strik JJTWA (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1993-09-30)
      Integrated studies are - for example - the National Environmental Outlook and the Public Health Status and Forecasts. Especially through these studies the RIVM performs its role as an interface between policy and science. Quality assurance with respect to integrated studies should be based on: - Good Laboratory Practice (GLP) at the contributing RIVM Laboratories ; - quality assurance by external partners for their contributions ; - quality assurance regarding the completing, integrating and interpreting process that produces the eventual report. Quality assurance regarding the process that integrates the various contributions should take into account that the procedures cannot always be exactly described beforehand. Also the starting material by necessity offers a broad spectrum of scientific robustness, ranging from hard to soft, because a broad area has to be described in an integral manner. Therefore, the nature of the quality assurance is different from the usual GLP at the RIVM. The quality assurance regarding the integration process can best be organized analogous to quality assurance regarding research. This gives priority to the ability to reconstruct the basis of the report and the deductions that have led to the conclusions, rather than working via Standard Operating Procedures.<br>
    • Radiation Vulcanised Natural Rubber Latex: safer than conventionally processed latex?

      Geertsma RE; Orzechowski TJH; Jonker M; Dorpema JW; Asten JAAM van; LGM (1996-09-30)
      Door middel van cytotoxiciteitstesten is aangetoond dat RVNRL (straling-gevulcaniseerde natuurlijke latex rubber) materialen aanzienlijk minder cytotoxisch zijn dan zwavel-gevulcaniseerde materialen. Dit is een sterke aanwijzing dat een deel van de allergieproblemen, namelijk de zogeheten Type IV-allergieen die kunnen worden veroorzaakt door chemicalien, bij RVNRL producten niet zal optreden. Daarnaast is het effect van de toepassing van verschillende leach-tijden onderzocht. Het bleek dat leachen belangrijk is, maar dat het volledige effect al binnen een uur bereikt is. Langere leach-tijden leverden geen verdere reductie van cytotoxiciteit op. Eiwittesten hebben aangetoond dat sommige, maar niet alle eiwitten door de bestraling worden vernietigd. Voor het op deze manier bepaalde totale eiwitgehalte bleek het effect van leachen erg belangrijk. Dit werd ook onderzocht met behulp van SDS-PAGE testen: na bestraling wordt een smeer waargenomen, en na leachen van het bestraalde materiaal is het grootste deel van de smeer verdwenen. Een belangrijk eiwit (14 kD), dat een van de bekende 'major allergens' in latex is, is nog wel aanwezig en lijkt nauwelijks beinvloed te zijn. De materialen zijn ook klinisch ge-evalueerd met gebruik van goed gekarakteriseerde sera (Western Blotting), om te bepalen of de overgebleven eiwitten allergeen zijn. Wat betreft de Type I-allergieen die kunnen worden veroorzaakt door latexeiwitten, kon geen significant verschil met zwavel-gevulcaniseerde producten worden vastgesteld.
    • Radioactief jodium in huishoudelijk afval. Een verkenning

      Stoop P; Bader S; Tanzi CP; Waard-Schalkx IR de; LSO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2009-07-09)
      Werknemers in de thuis- en verpleegzorg en vuilnisophalers komen soms zonder dat te weten in aanraking met de radioactieve stof jodium-131. Toch is het niet aannemelijk dat zij aan een te hoge stralingsdosis blootstaan. Voorwaarde is, dat ze de normale hygienische voorschriften naleven. Dit blijkt uit verkennend onderzoek van het RIVM. Aanleiding is een tiental stralingsmeldingen bij een afvalverbrandingsinstallatie voor huishoudelijk afval in Dordrecht tussen april 2008 en april 2009. De straling was afkomstig van jodium-131 in incontinentiemateriaal en ander afval van patienten die met deze radioactieve stof zijn behandeld wegens een schildklierafwijking. Voor het onderzoek zijn vijf ziekenhuizen bezocht en zijn gegevens van de VROM-Inspectie gebruikt. Op basis hiervan heeft het RIVM scenario's opgesteld waarmee dosisschattingen voor werknemers zijn gemaakt. Deze schattingen zijn gebaseerd op de veronderstelling dat de hoeveelheid jodium-131 in incontinentiemateriaal niet groter is dan tot nu toe in het huishoudelijk afval is waargenomen. Er zijn twee mogelijke verklaringen voor de aanwezigheid van jodium-131 in het incontinentiemateriaal. Incontinente patienten mogen in Nederland niet poliklinisch met jodium-131 worden behandeld, maar in de praktijk gebeurt dat toch. De eerste 24 uur na de behandeling bevat de urine van deze patienten relatief veel van deze radioactieve stof. Een tweede verklaring zou kunnen zijn dat patienten die met een hoge dosering zijn behandeld, in sommige ziekenhuizen vaker vervroegd worden ontslagen. In Duitsland is poliklinische behandeling met jodium-131 niet toegestaan. Gezien de beperkte risico's lijkt een dergelijk totaalverbod in Nederland niet te rechtvaardigen. Om de risico's voor derden laag te houden, zou men bij incontinente patienten terughoudend moeten zijn met poliklinische behandeling en vervroegd ontslag.
    • Radioactiviteit in Nederlandse gebruiksartikelen

      Janssen MPM; LSO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2002-07-15)
      This study took place within the framework of a general update of the average radiation dose for the Dutch population. It focuses on consumer products in which radionuclides have been intentionally incorporated and on radiation-emitting devices that can be supplied to members of the public without special surveillance. Eleven consumer products were studied in more detail. The radiation from these products determined 90% of the total collective dose due to consumer products in the Netherlands in 1988. Individual and collective doses are presented here for each product. The total collective dose has decreased from 130 personSv in 1988 to 4.6 personSv at present. This reduction was attributed to: a decrease in the number of radioactive products (gas mantles), lower estimates of the number of radioactive products present in the Netherlands thanks to new information (camera lenses, smoke detectors containing Ra-226), replacement of radioactive by non-radioactive products (gas mantles, dental protheses), and a lower estimate of the dose rate for certain products (smoke detectors, VDT). Some products were shown to be unavailable on the Dutch consumer market because importing and selling them was prohibited (antistatic brushes) or because the products were only available for professional users (TIG welding electrodes). Only a few products showed a significant change in radionuclide content. In summary, 60-70% of the reduction is due to a realistic decrease in the number of radioactive products. The remaining 30-40% is due to a better estimation of the number of products and the dose rate. The largest reduction of the total collective dose was realised through the decrease in the number of radioactive gas mantles. The contribution of gas mantles to the collective dose has decreased from 70 personSv in 1988 to 2 personSv per year at present. The total number of gas mantles has decreased by a factor of three of which still 1/10th is radioactive. A further reduction in the contribution of consumer products is to be expected as a number of radioactive products will be placed on a list of non-justified applications as a result of the new Dutch Radiation Protection Act.
    • Radioactiviteit in Nederlandse gebruiksartikelen

      Janssen MPM; LSO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2002-07-15)
      In het kader van een algehele herberekening van de gemiddelde stralenbelasting van de Nederlandse bevolking is onderzoek uitgevoerd naar de stralenbelasting door gebruiks-artikelen. Voor elf categorien van gebruiksartikelen, die 1988 90% van de door gebruiks-artikelen veroorzaakte collectieve dosis vertegenwoordigden, zijn gegevens verzameld over het type product, de activiteit per product, de reden waarom radioactiviteit wordt of werd toegepast, en het aantal van dit soort producten dat in Nederland gebruikt wordt. Op basis van deze gegevens is de collectieve stralendosis per categorie opnieuw ingeschat. De bijdrage van gebruiksartikelen in de totale Nederlandse collectieve dosis werd voor 1988 geschat op 130 mensSv per jaar. De huidige door radioactieve gebruiksartikelen veroorzaakte bijdrage bedraagt naar schatting 4,6 mensSv per jaar. Deze opmerkelijke reductie blijkt te zijn veroorzaakt door afname van het werkelijk gebruikte aantal radioactieve producten (gloeikousjes), door een lagere inschatting van het aantal op basis van nieuwe gegevens (cameralenzen, radiumhoudende rookmelders), door vervanging van radioactieve door niet-radioactieve producten (gloeikousjes, tandprothesen), door het niet voorkomen van een bepaald product op de Nederlandse consumentenmarkt (laselektroden, antistatische middelen), en door een lagere inschatting van het dosistempo, namelijk op basis van meetgegevens in plaats van een 'worst case' benadering (rookmelders, beeldschermen). Er was voor de meeste onderzochte gebruiksartikelen geen significante afname van de activiteit. Samenvattend wordt 60-70% van de reductie veroorzaakt door een reeele afname van het aantal radioactieve producten. Het resterende percentage wordt veroorzaakt door een lagere inschatting van het aantal producten en het dosistempo op basis van nieuwe gegevens. De grootste dosisreductie werd gerealiseerd doordat het huidige aantal radioactieve gloeikousjes veel lager is dan in het verleden. De bijdrage van gloeikousjes in de collectieve dosis daalde hierdoor van 70 mensSv in 1988 naar 2 mensSv per jaar nu. Het totaal aantal gloeikousjes is met circa een factor 3 gedaald, waarvan naar schatting nog slechts 1/10e radioactief is. Een verdere daling in de bijdrage van gebruiksartikelen is te verwachten, aangezien een aantal producten zal worden opgenomen in een lijst met niet-gerechtvaardigde toepassingen volgens het nieuwe Besluit Stralingsbescherming.<br>
    • Radioactiviteit in schroot : Risicoclassificering en veiligheidsmaatregelen

      Stoop P; Overwater RMW; Roobol LP; M&M; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2014-11-28)
      Schroot wordt over de hele wereld verhandeld en bevat regelmatig radioactief materiaal. Schrootbedrijven zijn aan de ingang uitgerust met detectiepoorten om radioactief materiaal in containers op te sporen. Als de poort alarm slaat, moeten zogeheten EHBO-bedrijven met specialisten op het gebied van stralingshygiëne worden ingeschakeld om te achterhalen wat voor radioactiviteit het alarm veroorzaakte en waar het zich in de container bevindt, waarna zij het veiligstellen. Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat schrootbedrijven in veel gevallen zelf de bron van straling uit het schroot kunnen opsporen als de container wordt 'uitgepakt'. Op deze manier hoeft het bedrijf niet met uitpakken te wachten tot het EHBO-bedrijf arriveert en kan de container het normale verwerkingsproces doorlopen. Wel moet het radioactieve materiaal dan nog steeds door specialisten worden gekarakteriseerd, waarna het kan worden afgevoerd. In opdracht van het ministerie van Economische Zaken heeft het RIVM een methode ontwikkeld waarmee de medewerkers van het schrootbedrijf kunnen bepalen wanneer ze zelf de lading kunnen uitpakken en wanneer daarvoor gespecialiseerde hulp nodig is. Het RIVM stelt wel enkele voorwaarden om de veiligheid van de medewerkers te waarborgen. Het schrootbedrijf moet over de juiste meetapparatuur beschikken om verschillende soorten straling te kunnen meten. Daarnaast zijn in bepaalde gevallen voorzorgsmaatregelen nodig om te voorkomen dat radioactief stof wordt verspreid of dat de werknemers besmet raken. Voorbeelden zijn beschermende kleding, een mondkap en handschoenen. Ten slotte moeten de medewerkers over de juiste kennis beschikken om bijvoorbeeld radioactief materiaal in het schroot te kunnen herkennen en besmette objecten te isoleren. De methode is ontwikkeld voor containers met roestvast staal (RVS). Hierin wordt het vaakst radioactiviteit aangetroffen. De schrootbedrijven kunnen met deze methode circa 75 procent van de alarmen bij containers met RVS-schroot zelf afhandelen.
    • Radioactiviteit van fosfaaterts en fosforslakken van Hoechst te Vlissingen

      Mattern; F.C.M. (1984-12-18)
      Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat de activiteitsconcentraties aan 238-U en 226-Ra zowel in fosfaaterts als in de daaruit bereide pellets en in de fosforslak vrijwel gelijk zijn en liggen tussen de 1,1 en 1,5 kBq/kg. In het erts zijn 210-Pb en 210-Po vrijwel in evenwicht met het 226-Ra. In de pellets is de 210-Pb-concentratie sterk verhoogd, waarschijnlijk als gevolg van het bijmengen van retourmaterialen. De 210-Pb- en 210-Po-concentraties in de slakken bedragen slechts enkele procenten van die in het erts. De 210-Pb-gehalten werden vergeleken met die van stabiel Pb. De verhouding 210-Pb/Pb in de slakken (ca. 10 kBq/g) blijkt veel lager dan de verhouding in het erts of in de pellets (72 kBq/g).
    • Radioactiviteitsmetingen aan ‘negatieve ionen’-consumentenproducten

      PN Brandhoff (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-12-16)
      Van producten met ‘negatieve ionen’, zoals sieraden en slaapmaskers, zeggen verkopers dat ze de gezondheid verbeteren. Maar deze producten kunnen radioactieve stoffen bevatten die zogeheten ioniserende straling uitzenden. Deze straling kan weefsel en DNA beschadigen, wat schadelijk is voor de gezondheid. De drager van de sieraden staat aan deze straling bloot. In de Verenigde Staten mogen deze producten daarom inmiddels niet meer worden verkocht. Op verzoek van de ANVS heeft het RIVM onderzoek gedaan aan 10 negatieve ionen-producten. De aanleiding was een signaal van een inwoner van Nederland dat negatieve ionen-producten radioactieve stoffen kunnen bevatten. Het RIVM heeft uitgezocht of dit echt zo was, en aan welke stralingsdosis de huid blootstaat als iemand het product draagt. Alle 10 producten bevatten meer radioactiviteit dan volgens de wet is toegestaan. De drager van de producten staat hierdoor via de huid bloot aan een extra dosis straling. Ook kan niet worden uitgesloten dat bijvoorbeeld de huid rood wordt op de plek waar het product wordt gedragen. In de wet staat dat er geen radioactiviteit in consumentenproducten mag zitten, tenzij daarvoor een rechtvaardiging is afgegeven. Dat is niet het geval voor deze producten. Rechtvaardiging betekent dat blootstelling aan ioniserende straling alleen is toegestaan als de voordelen opwegen tegen de mogelijke gezondheidsschade.
    • Radioecologie van en stralingsbelasting door Nederlands afvalgips in het buitenmilieu

      Koster; H.W.; Weers; A.W.van* (1985-06-30)
      In Nederland ontstaan ten gevolge van industriele activiteiten 9 soorten afvalgips, 90% van de totale hoeveelheid hiervan is fosfogips. Alleen de afvalgipssoorten uit de fosfaatindustrien hebben verhoogde radioactiviteit, fosfogips het sterkst. Al het fosfogips, 2 Tg.a-1, wordt geloosd op de Nieuwe Waterweg. Langs de Nederlandse kust veroorzaakt het een toename van de radionucliden uit de U-238 reeks. De toename van de stralingsbelasting hierdoor, via consumptie van visserijprodukten is berekend op 170 manSv.a-1 voor de gehele Nederlandse bevolking en voor een persoon op maximaal 150 muSv.a-1. Bij landopslag van fosfogips is de stralingsbelasting een orde van grootte minder. Bij gebruik van fosfogips in bouwmateriaal worden de fijne en grove frakties niet verwerkt, de behoefte zal blijven bestaan om deze te lozen of op te slaan.
    • Radioimmunochemisch onderzoek naar de aanwezigheid van stilbeenderivaten in slachtdieren. IX. De bepaling van diethylstilbestrol in gal na zuivering via hoge druk vloeistofchromatografie

      Jansen EHJM; van Blitterswijk H; Stephany RW (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1984-07-17)
      Een radioimmunochemische bepalingsmethode (RIA) voor diethylstilbestrol (DES) in rundergal werd ontwikkeld door gebruikmaking van hoge druk vloeistofchromatografie (HPLC). De HPLC-zuiveringsstap werd geautomatiseerd. Met deze procedure kunnen 36 monsters binnen 24 uur gezuiverd worden. Indien gewenst kunnen ook dienestrol en hexestrol bepaald worden. Monsters gal en urine zijn geanalyseerd, afkomstig van een RIV/IVVO modelproef met 24 vleesstieren. De DES-gehalten in urine en gal blijken een goede correlatie op te leveren. De DES-gehalten in gal liggen gemiddel hoger dan die in urine (een factor 2 tot 5). Vooral bij de lage gehalten is dit verschil het grootst. Om deze redenen is gal evenals urine geschikt als onderzoeksmateriaal om illegaal gebruik van DES bij runderen aan te tonen.
    • De radioimmunochemische bepaling van de prostaglandines E2 en F2alfa

      Elvers LH; Smit PJ; Loeber JG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1986-01-31)
      In het kader van het onderzoek naar het werkingsmechanisme van de tumorpromotor activiteit van chemische stoffen (LCM, project 658113) werden radioimmunochemische bepalingsmethoden (RIA) voor de prostaglandines E2 (PGE2) en F2alfa (PGF2alfa) ontwikkeld. Het onderzoeksmateriaal, celextracten en media, bevatte naast PGE2 en PGF2afla onder andere ook PGE1 en PGF1alfa. Door de sterke kruisreactie van het anti-PGE2alfa-serum met PGE1 (11%) en het anti- PGF2alfa-serum met PGF1alfa (25%) was een HPLC-voorzuivering van de monsters noodzakelijk. Deze hoge kruisreactie maakte het echter ook mogelijk om in gefractioneerde monsters met de PGE2- en de PGF2alfa-RIA eveneens PGE1 respectievelijk PGF1alfa te bepalen. De kwantificering van de afzonderlijke PG's werd door de noodzakelijke HPLC-voorzuivering echter dusdanig arbeidsintensief dat besloten werd dit facet van het tumor-promotor onderzoek voorlopig op te schorten.<br>
    • Radiologisch onderzoek bij kinderen : Inventarisatie van de Nederlandse praktijk met de focus op dosis-reducerende maatregelen

      Bijwaard H; Valk D; ABI; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2015-06-02)
      In opdracht van de Inspectie voor de Gezondheidszorg heeft het RIVM onderzoek gedaan naar stralingsbescherming in de kinderradiologie. Volgens recente wetenschappelijke inzichten zijn de risico's van ioniserende straling voor kinderen namelijk groter dan eerder werd gedacht. Ten eerste valt op hoe verschillend ziekenhuizen te werk gaan. Zo worden in kinderziekenhuizen speciale kinderprotocollen voor radiologische verrichtingen gebruikt, in algemene ziekenhuizen gebeurt dat niet altijd. Ook zijn er grote verschillen in het gebruik van tegen straling beschermende maatregelen. Daarnaast is het aantal verrichtingen waarbij relatief hoge doses straling worden gebruikt de afgelopen jaren sterk gestegen. Voorbeelden zijn CT-scans en zogenoemde doorlichtonderzoeken, waarbij de patiënt real time wordt bekeken tijdens een ingreep. Vooral de toename met grofweg 80% van het aantal CTscans ten opzichte van 2005 is opmerkelijk. Overigens doet deze stijging zich ook onder volwassenen voor. Ten slotte worden in ongeveer de helft van de ziekenhuizen de gebruikte doses niet vergeleken met de zogeheten Diagnostische Referentieniveaus (DRN's) voor kinderen. Dit komt waarschijnlijk door het geringe aantal kinderen dat wordt onderzocht; voor deze toets is een minimaal aantal van twintig kinderen nodig. In de ziekenhuizen waar die vergelijking wel wordt gemaakt, worden deze waarden in gemiddeld een op de vijf gevallen overschreden. DRN's zijn bedoeld als indicatie voor een aanvaardbare dosis waarmee een goed radiologisch beeld kan worden verkregen bij radiologische handelingen. Bij zware patiënten en complexe procedures kunnen DRN's overschreden worden. Afdelingen radiologie zijn niet verplicht zich aan de waarden te houden. De redenen van het toegenomen aantal verrichtingen bij kinderen zijn niet bekend. Het is van belang dit nader uit te zoeken. Ook het geringe aantal vergelijkingen met de DRN's en de regelmatige overschrijding ervan verdienen aandacht. Verder wordt aanbevolen om de kennis bij de kinderziekenhuizen breder uit te dragen naar de algemene ziekenhuizen, opdat alle ziekenhuizen bij kinderen gebruik maken van state-of-the-art-kinderradiologie. Voor deze studie is literatuuronderzoek gedaan naar de state of the art in kinderradiologie. Daarnaast is een digitale enquête gehouden onder alle zeven kinderziekenhuizen in Nederland en bij 22 algemene ziekenhuizen.
    • Radiologische aspecten van opslag en lozing van afvalstoffen door de fosfaatindustrie

      Eggink GJ; LSO (1995-03-31)
      Bij de produktie van fosfaatkunstmest uit fosfaaterts komt fosfogips vrij. Dit fosfogips mag door zijn hoge radioactiviteit niet direct verwerkt worden. De verwijdering van radionucliden uit het ruwe gips vindt nog slechts op zeer geringe schaal plaats. Het overgrote deel wordt op land opgeslagen in speciale depots, of in oppervlaktewater geloosd. Europa produceerde in 1991 fosfaatkunstmest met in totaal ruim 4 Mton P2O5, hetgeen gepaard ging met een geschatte fosfogipsproduktie van 19 Mton. De totale Europese fosfaatkunstmestproduktie neemt af sinds 1987. Van negen landen waarvan in het kader van dit onderzoek gedetailleerde kwantitatieve gegevens zijn aangetroffen (Belgie, Frankrijk, Duitsland, Nederland, Noorwegen, Portugal, Spanje, Zweden en Groot-Brittannie) bedroeg in 1991 de gezamenlijke geschatte fosfogipsproduktie ca 11,8 Mton (deze landen produceerden samen ca 63% van de totale Europese fosfogipsproduktie). Hiervan werd 27% geloosd in het oppervlaktewater (3,2 Mton) ; 68% werd op land opgeslagen (8 Mton), en 5% (0,6 Mton) werd verder verwerkt tot produkten die geschikt zijn voor gebruik in de bouw, wegenaanleg etc. Dit laatste vond voor zover bekend uitsluitend plaats in Belgie, door toepassing van een gipsconditioneringsinstallatie, waarmee o.a. radionucliden uit het fosfogips worden verwijderd. De geschatte activiteit (in GBq) geloosd in water respectievelijk opgeslagen op land door genoemde landen in 1991 wordt gegeven.