• Invloed veranderingen in inkomens, autokosten en snelheden op autobezit en -gebruik, energiegebruik en emissies

      Boose JJEC; Wee GP van; Egmond PM van; Geurs KT; Gommers FMC; MNV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1996-04-30)
      The FACTS car computer model is used for predicting the influence of income and price changes on car ownership and use, and energy and emissions. The great number of simulations show that the macro-economic scenario is seen to influence the effect of income and price measures. The influence of pricing measures on car ownership and use depend on how price increases are introduced, e.g. an absolute or percentage-wise price increase, a general increase for all car models or an increase that varies with the car model (fuel, weight). Further, the influence of pricing measures depends on the cost item increased (e.g. fuel and other variable prices, sales taxes on new cars and annual road taxes). Finally, the effect of a measure changes over time. If two measures are combined, the overall effect is in 30% of the cases seen to differ from the 'expected' effect (if measures are independent). Sometimes combined price measures can even counteract each other, causing less effect than only one pricing measure. Emissions of VOC and NOx depend on the number of kilometres driven and changes in the share of the total diesel, petrol and LPG. For these two reasons it is recommended to simulate effects of combined measures and effects on VOC and NOx emissions rather than to use existing model output and/or literature studies on effects.
    • De invloeden van klimaatverandering en zeespiegelstijging op de waterhuishouding van Nederland

      Hoog B de (1988-06-30)
      Ten gevolge van de toename van het gehalte CO2 in de atmosfeer kan een klimaatverandering optreden die van invloed is op de waterhuishouding van Nederland. Aan de hand van de schematisatie van de waterhuishouding en de ontwikkeling van scenario's op basis van de klimaatverandering zijn die aspecten in de waterhuishouding die gevoelig zijn voor verandering geinventariseerd om hiermee een basis te leggen voor het invoeren van een module in het overzichtmodel, IMAGE, van het RIVM en om een globaal inzicht te krijgen in het optreden van knelpunten in de toekomst. De gebieden die vooral gevoelig zijn voor verandering zijn polders waar aanpassing van de capaciteit van de gemalen noodzakelijk kan zijn. Tevens is de kans aanwezig, dat de watervoorziening in Nederland in de nazomer in gevaar komt. Dit kan worden verholpen door het vergroten van de voorraden en mogelijk in het toelaten van een beperkte mate van verzilting op de Nieuwe Waterweg. De watervoorziening voor West-Nederland zal dan moeten worden aangepast.
    • Invoer van NORM reststoffen

      Goemans P; Folkertsma E; ABI; VLH (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-01-16)
      In binnen- en buitenland hebben verschillende niet-nucleaire industriële sectoren, zoals de olie- en gasindustrie, te maken met materialen die van nature radioactiviteit bevatten ('NORM'). Als gevolg van de productieprocessen kunnen reststoffen ontstaan die van nature radioactiviteit bevatten ('NORM reststoffen'). 'Reststoffen' zijn in dit onderzoek gedefinieerd als materialen die nog verder verwerkt kunnen worden voor (gedeeltelijk) hergebruik. In Nederland worden NORM reststoffen ingevoerd die in het buitenland zijn ontstaan en hier worden verwerkt. Hierbij kunnen afvalstoffen ontstaan die van nature radioactiviteit bevatten ('NORM afvalstoffen'). Deze afvalstoffen kunnen niet meer worden hergebruikt en moeten als radioactieve afvalstoffen worden afgevoerd voor opslag of stort. Op verzoek van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) heeft het RIVM de omvang en mogelijke groei van de invoer van NORM reststoffen onderzocht. Hieruit blijkt dat NORM reststoffen op dit moment op beperkte schaal worden ingevoerd voor verwerking in Nederland. Deze NORM reststoffen worden ingevoerd voor activiteiten die zijn gericht op hergebruik van goederen en producten, het schoonmaken van installatiedelen en de ontmanteling van productieplatformen. Hierbij ontstaan op kleine schaal NORM afvalstoffen die in Nederland blijven. In de toekomst zullen de invoer van NORM reststoffen en de hoeveelheid NORM afvalstoffen die na verwerking vrijkomen, mogelijk toenemen. Te denken valt aan een toename van het aantal in Nederland te ontmantelen productieplatformen van zowel Nederlandse als buitenlandse olie- en gasbedrijven. Ook de toename van het aantal geothermie installaties in binnen- en buitenland kan meer NORM reststoffen opleveren die mogelijk gedeeltelijk in Nederland verwerkt zullen worden. Tot slot kunnen door veranderingen in wet- en regelgeving in Nederland en in andere landen materiaalstromen toe- of afnemen die in Nederland als afval moeten worden beheerd.
    • Invoering gebiedsdossiers : Stand van zaken per november 2011

      Wuijts S; IMG; mev (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2012-02-16)
      In een gebiedsdossier worden de risico's voor de waterkwaliteit rondom een winning voor de openbare drinkwatervoorziening geïnventariseerd zodat tijdig effectieve beschermingsmaatregelen kunnen worden getroffen. De invoering van deze gebiedsdossiers verloopt volgens planning. In 2010 is landelijk afgesproken dat de dossiers voor risicovolle winningen uiterlijk in 2012 zijn opgesteld, voor de overige winningen is dat 2015. Voor de gebiedsdossiers die er al zijn, is het nog te vroeg om effecten van maatregelen te kunnen vaststellen. Dit blijkt uit een enquête over de voortgang van de invoering die het RIVM onder de regiehouders van de gebiedsdossiers (provincies en Rijkswaterstaat) heeft uitgevoerd. Daarnaast zijn ervaringen benut die betrokken partijen (gemeenten, provincies, waterbeheerders en drinkwaterbedrijven) tijdens een workshop hebben uitgewisseld. Aanbevelingen: Uit de ervaringen met de inmiddels beschikbare gebiedsdossiers, blijkt dat ze veelal gericht zijn op de huidige risico's voor de waterkwaliteit bij een winning. Voorbeelden hiervan zijn de aanwezigheid van oude bodemverontreinigingen, infiltratie en afstroming van nitraat en bestrijdingsmiddelen afkomstig van landbouwgebieden naar grond- of oppervlaktewater, en emissies van afvalwaterzuiveringen naar deze wateren. Aanbevolen wordt om het gebiedsdossier ook in te zetten om toekomstige risico's te beperken - bijvoorbeeld bij het maken van ruimtelijke plannen en bij het monitoren van risico's van stoffen die vrij kunnen komen bij activiteiten in de omgeving van een winning (early warning). Daarnaast kan het gebiedsdossier waterkwaliteitsrisico's signaleren die alleen kunnen worden verminderd middels landelijk of internationaal beleid, zoals het toelatingsbeleid van stoffen en de aanpak van emissies in bovenstrooms gelegen landen. Op deze wijze heeft het gebiedsdossier een agenderende functie.
    • Invoering van het luchtverspreidingsmodel NPK-PUFF, versie 1.0, voor toepassing in de NPK-organisatie

      Uijt de Haag PAM; Geertsema GT; Kroonenberg FC; Aldenkamp FJ; LSO; KNMI (Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI)De Bilt, 1998-02-28)
      Na het ongeval van Chernobyl hebben het KNMI en RIVM gezamenlijk een model ontwikkeld voor het berekenen van de verspreiding van radioactieve stoffen in de atmosfeer op Europese schaal, het RIVM/KNMI PUFF-model. Het model wordt onder andere toegepast in het Nationaal Plan voor de Kernongevallenbestrijding (NPK). Het KNMI en het RIVM beschikken beide over een versie van het model. Door voortschrijdende modelontwikkeling zijn er in de loop van de tijd verschillen ontstaan tussen beide modelversies. Daarom is besloten om voor de toepassing van het PUFF model in de ongevalsorganisatie een nieuwe versie van het model te ontwikkelen. Dit model, het NPK-PUFF model, combineert de beste elementen van beide versies, en maakt gebruik van de meer gedetailleerde HIRLAM- en ECMWF-meteovelden. Het NPK-PUFF model is nu operationeel bij het KNMI en het RIVM. Voor toepassing van het model in de NPK-organisatie moet gecontroleerd worden of de beide operationele versies van NPK-PUFF gelijke resultaten geven. Dit rapport beschrijft het testplan en de resultaten van de vergelijking. Het testplan bestaat uit een berekening voor een hypothetische lozing op 17 november 1994 met verschillende combinaties van meteorologische invoergegevens, en een berekening voor een actuele weersituatie in juni 1997. Ook zijn in het testplan criteria opgenomen voor de vergelijking van de resultaten en de acceptatie hiervan. De resultaten van de verschillende testberekeningen laten zien dat de overeenkomst in de beide operationele versies van NPK-PUFF in het algemeen goed is. De geconstateerde afwijkingen zijn gering, niet systematisch en niet van invloed op de rapportage aan de NPK-organisatie. Enkele berekeningen voldoen voor een beperkt aantal tijdstippen niet volledig aan de criteria, maar deze afwijkingen zijn niet essentieel. Met de resultaten van deze test wordt voorgesteld versie 1.0 van NPK-PUFF te accepteren voor toepassing in de NPK-organisatie.
    • Invoering van het luchtverspreidingsmodel NPK-PUFF, versie 1.0, voor toepassing in de NPK-organisatie

      Uijt de Haag PAM; Geertsema GT; Kroonenberg FC; Aldenkamp FJ; Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI), De Bilt; LSO; KNMI (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1998-02-28)
      Following the accident at the nuclear power station in Chernobyl, KNMI and RIVM developed a model for the long-range atmospheric transport of radionuclides. This model, the RIVM/KNMI PUFF model, is in use for application in the National Plan for Nuclear Emergency Planning and Response. The PUFF-model is used at KNMI and RIVM. However, differences exist between the two versions of the model due to new model developments. It is therefore decided to create a new version of the PUFF model, the NPK-PUFF model. This model combines the best elements of the two versions , especially in the use of the more detailed HIRLAM- and ECMWF- meteorological data. The NPK-PUFF model is now operational at KNMI and RIVM. However, before the model can be used in the National Plan for Nuclear Emergency Planning and Response, it is necessary to check whether the two operational versions of the NPK-PUFF model give similar results. This report describes the tests performed and the results. The tests consist of a calculation for a hypothetical release on 17 November 1994, using different combinations of meteorological data, and a calculation with actual data in June 1997. Various criteria are used to compare the results and to accept or reject the results. The results of the two operational versions of the NPK-PUFF model appeared to be similar. The differences in model results were small and the deviations were not systematically. For some calculations, at a few moments the criteria were not fulfilled completely. However, these deviations are considered not to be crucial. With these results, it is proposed to accept the NPK-PUFF model, version 1.0, for application in the National Plan for Nuclear Emergency Planning and Response.
    • Inzet en effect van Maatschappelijk Verantwoord Inkopen door de Nederlandse overheid in 2015-2016

      de Valk, E; Zijp, MC; Dekker, E; Blokhuis, C; Hollander, A (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-05-16)
      Overheidsorganisaties doen hun best om bij de aankoop van diensten en producten mens en milieu zo min mogelijk te belasten. Dat heet maatschappelijk verantwoord inkopen (MVI). MVI kan helpen om bijvoorbeeld de uitstoot van broeikasgassen te beperken en meer materialen te hergebruiken (circulaire economie). In andere woorden, bij MVI gaat het om meer dan alleen inkopen op basis van de laagste prijs. Het RIVM heeft berekend wat de effecten van deze inspanningen in 2015 en 2016 zijn voor productgroepen die te maken hebben met transport, energie, kantoorfaciliteiten, kantoorgebouwen, grond- weg en waterbouw en ICT. Bij deze productgroepen wordt het meeste effect van deze manier van inkopen verwacht. MVI blijkt in alle 16 onderzochte productgroepen te zijn toegepast. Hierdoor wordt in de contract- en gebruiksjaren na de uitvraag in totaal minstens 5 megaton minder koolstofdioxide uitgestoten. Het grootste effect is behaald met het maatschappelijk verantwoord inkopen van energie. Bij andere productgroepen is MVI meestal minder ambitieus ingezet en was regelmatig geen informatie beschikbaar om het effect te meten. In hoeverre MVI zich verder ontwikkelt zal uit de volgende monitor (2017-2018) blijken. Om het effect van MVI te kunnen bepalen is het belangrijk om informatie over de inkoop te verzamelen. Daarnaast zijn gegevens over de mate waarin producten het milieu belasten nodig. Om deze informatie te verzamelen blijkt het managen van het contract net zo belangrijk te zijn als de inkoop zelf. Daarom wordt aanbevolen om de benodigde informatie gedurende het hele inkoopproces te verzamelen en administreren. Tot slot is het raadzaam om voor verschillende productgroepen een database te ontsluiten die aangeeft in welke mate een product het milieu belast in zijn hele levenscyclus. Zo'n Life Cycle Assessment (LCA) maakt ook duidelijk of de milieulast op andere onderdelen van de productie- en consumptieketen wordt afgewenteld of niet.
    • Inzet van aanvullende gezondheidskundige ondersteuning op locatie : Evaluatie van een inzet op locatie en uitkomsten van een workshop

      Hagens W; IJzermans J; Alting D; MNS; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMNIVEL, 2015-12-16)
      Na een (grootschalig) incident met gevaarlijke stoffen kunnen onrust, gezondheidsklachten en vragen over de gezondheid ontstaan bij de bevolking. Het is van belang om hier snel en uniform op te reageren. Daarvoor kan het meerwaarde hebben om de bevolking op locatie gezondheidskundige ondersteuning aan te bieden, als aanvulling op reguliere werkzaamheden vanuit de bestaande zorg. Dat blijkt uit een evaluatie van de gezondheidskundige ondersteuning op locatie die is opgezet na de brand bij Chemie-Pack in Moerdijk in januari 2011. Deze vorm van ondersteuning op locatie is altijd maatwerk. Per casus kan gekeken worden hoe groot de inzet moet worden. De ondersteuning kan heel beperkt van omvang zijn, bijvoorbeeld door alleen een telefoonlijn open te stellen. Maar ze kan ook worden opgeschaald tot een groot operationeel centrum, bijvoorbeeld om lokale medische faciliteiten te ondersteunen. In Moerdijk bijvoorbeeld kreeg de ondersteuning de vorm van een gezondheidskundige unit op het bedrijventerrein die twee weken operationeel is geweest. De GGD kan zelf afwegen of de aanvullende gezondheidskundige ondersteuning op locatie moet worden ingezet en welke vorm het meest geschikt is. Indien gewenst kan de GGD hierover advies inwinnen bij het centrum Gezondheid en Milieu van het RIVM. Dit centrum kan op zijn beurt een beroep doen op een breed scala aan deskundigen die zijn verbonden aan de Expertgroep Gezondheidsonderzoek en Nazorg na rampen en (milieu-) incidenten. Deze Expertgroep geeft een afgewogen en onafhankelijk advies over het nut en de noodzaak van een gezondheidsonderzoek en over de psychosociale hulpverlening na incidenten. Het is altijd een regionale afweging om het advies van de Expertgroep over te nemen.
    • Inzetbaarheid van RF en ICP-MS voor de vaststelling van metaalgehalten in verpakkingsmateriaal : Regeling Verpakking en Verpakkingsafval

      van Dijk J; van de Beek A; Ritsema R; LAC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2003-02-06)
      In het kader van de "Regeling Verpakking en Verpakkingsafval" worden eisen gesteld aan de gehalten van cadmium, lood, kwik en zeswaardige chroom. De som van de gehalten mag de grens van 100 ug/g niet overschrijden. Wegens analytische beperkingen wordt chroom als totaal chroom (Cr) bepaald i.p.v. zeswaardig chroom (CrVI). Een verkennend onderzoek is ingesteld naar toepassingsmogelijkheden van drie apparaten in het kader van handhaving: ICP-MS (Inductively Coupled Plasma Mass Spectrometry), XRF-XEPOS (XRF: X-Ray Fluorescence Spectrometry), XRF-NITON. Criteria van beoordeling zijn: Nauwkeurigheid, Snelheid/ efficiency, locatiegebondenheid met de XRF-NITON. Een beperkt aantal monsters is geanalyseerd met INAA (Instrumental Neutron Activation Analysis) als referentiemethode. De ICP-MS resultaten worden vergeleken met INAA en de resultaten van de XRF-XEPOS met die van INAA en/of ICP-MS. Uit de vergelijking van de resultaten blijkt ICP-MS het meest nauwkeurig met uitzondering van het element chroom. Chroom in casing (kunstdarmen) gaat tijdens de ontsluiting niet of onvolledig in oplossing. ICP-MS is een tijdrovende techniek en de analyse is gebonden aan het laboratorium. De resultaten verkregen met XRF-XEPOS zijn in goede overeenstemming met de INAA en/of ICP-MS resultaten. De XRF-XEPOS resultaten voor Cr verkregen met de huidige semi kwantitatieve meetmethode liggen een factor 2 tot 4 hoger dan de INAA en/of ICP-MS resultaten. Het toevoegen van vergelijkbare kalibratiemonsters aan het meetprogramma kan een verschuiving van een semi-kwantitatieve naar een kwantitatieve analyse bewerkstelligen. De XRF-XEPOS is een snelle, efficiente en op locatie inzetbare meetmethode. De XRF-NITON is alleen inzetbaar als indicatie voor monsters met een zeer hoge overschrijding van de norm, waarbij echter ook vals positieve monsters worden gemeten.<br>
    • Inzicht in beleidsacties richting een circulaire economie : Monitoring van acties en verkenning van transitie-indicatoren per prioritaire keten

      Lijzen, JPA; Bastein, T; van Bruggen, AR; Hollander, A; van Kuppevelt, MA; Rietveld, E; Zwartkruis, JV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-10-16)
      De Nederlandse rijksoverheid streeft naar een circulaire economie in 2050. Om deze overgang te stimuleren heeft zij doelen en acties beschreven voor beleid, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties. De doelen en acties om deze transitie te versnellen staan beschreven in het Uitvoeringsprogramma circulaire economie 2019 het Rijksbrede programma circulaire economie (2016) en de Transitieagenda's (2018). Vijf sectoren hebben voorrang: biomassa en voedsel, kunststoffen, de maakindustrie, consumptiegoederen en de bouw. Inmiddels zijn de acties in het Uitvoeringsprogramma goed van start gegaan: in september 2019 was ruim tachtig procent in uitvoering. Om de versnelling naar de circulaire economie te realiseren, beveelt het RIVM de overheid aan om concreter te benoemen welke veranderingen Nederland in gang wil zetten. Dit maakt het makkelijker om te bepalen welke acties nodig zijn. Ook is daardoor beter te monitoren welke verandering per sector plaatsvindt. Het RIVM heeft geanalyseerd op welk type actie de nadruk ligt in de drie genoemde beleidsdocumenten. Er blijkt nog vrij weinig aandacht te zijn voor hergebruik en reparatie van producten en materialen, en voor productontwerp. Deze aandacht is nodig voor de gewenste versnelling, wat betrokken partners in reflectiebijeenkomsten bevestigen. Het RIVM beveelt ook aan gedetailleerder in kaart te brengen waar acties per sector zich vooral op richten. Uit de inventarisatie blijkt dat voor een deel van de acties data over de voortgang ontbreken. Voor een goede monitoring is het belangrijk om deze informatie voor alle acties op dezelfde wijze beschikbaar te hebben. Het bleek waardevol om de analyse van de nadruk en de voortgang met alle betrokken partners te bespreken. Het resultaat is te gebruiken voor de jaarlijkse actualisatie van het uitvoeringsprogramma. Om de resultaten van de acties te kunnen gaan meten, stelt het RIVM per sector indicatoren voor. Denk aan de mate waarin overheden circulair inkopen en de bouwsector materialenpaspoorten gebruikt. Veel data voor de indicatoren kunnen uit bestaande lokale bronnen worden gehaald, maar zijn nog niet structureel beschikbaar. Aanbevolen wordt voor een aantal indicatoren gericht data te verzamelen, te beginnen met indicatoren waarvoor data beschikbaar zijn.
    • Inzicht in de jodiuminname van kinderen en volwassenen in Nederland : Resultaten uit de Voedselconsumptiepeiling 2007-2010

      Verkaik-Kloosterman J; Buurma-Rethans EJM; Dekkers ALM; CVG; vgc (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2012-04-23)
      De Nederlandse bevolking krijgt voldoende jodium binnen, wel is de inname sinds 2008 met ongeveer 20 tot 25 procent gedaald. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM in opdracht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). Aanbevolen wordt om de jodiuminname bij de Nederlandse bevolking in de gaten te houden. Jodium is nodig voor een normale groei en ontwikkeling en voor een goede stofwisseling. Jodiumgebrek kan een slechtwerkende schildklier veroorzaken, en kan bij jonge kinderen bovendien leiden tot een verminderde hersenontwikkeling. Maar ook een te hoge jodiuminname kan de schildklierwerking verstoren. Jodium zit van nature in voedingsmiddelen als zuivelproducten en nietalcoholische dranken (zoals water, koffie en thee, vruchtensappen, frisdranken). Daarnaast is brood, door het gebruik van gejodeerd zout, een belangrijke bron voor jodium. Behalve aan brood mag gejodeerd zout sinds enkele jaren aan bepaalde voedingsmiddelengroepen (broodvervangers, vleeswaren, keukenzout) toegevoegd worden. Sinds 2008 mag jodium aan vrijwel alle voedingsmiddelen worden toegevoegd. Toen is ook het maximum gehalte van jodium in zout verlaagd om een te hoge jodiuminname te voorkomen. In de praktijk blijken producenten van voedingsmiddelen echter minder vaak gejodeerd zout te gebruiken dan was aangenomen. Dit verklaart de gedaalde jodiuminname ten opzichte van vóór 2008. Lagere zoutconsumptie en de jodiuminname: Het ministerie van VWS streeft ernaar de zoutconsumptie te verlagen. Daardoor kan ook de consumptie van gejodeerd zout dalen, een belangrijke bron voor jodium. Het is daarom van belang de jodiuminname bij de Nederlandse bevolking in de gaten te houden. Als de jodiuminname onvoldoende lijkt te worden, kan deze op peil worden gehouden door bijvoorbeeld te stimuleren dat voedingsmiddelenproducenten meer gejodeerd zout gebruiken. Ook kunnen de jodiumgehaltes in zout worden verhoogd.
    • Ionchromatografische analyse van enkele organische anionen

      Neele J; Cleven RFMJ; Jonker N; Versteegh JFM; LAC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2001-03-23)
      Er wordt een beschrijving gegeven van de ontwikkeling, de prestatiekenmerken en de toepassing van een ionchromatografische methode voor de bepalingen van enkele organische anionen in water. Acetaat, formiaat en oxalaat worden van o.a. anorganische anionen gescheiden met een AS10 HC kolom met gradient elutie met loog. Na chemische suppressie wordt gedetecteerd met geleidbaarheids- en UV-detectie bij 192 nm. De aantoonbaarheidsgrenzen voor acetaat, formiaat en oxalaat in ruw water bedragen 0,1 umol/l. De terugvinding van de methode is getoetst in drinkwater en watertypen (grond- en oppervlaktewater) waaruit drinkwater geproduceerd wordt. De gemiddelde waarden bedragen 83, 95 en 91 % (n=24) respectievelijk voor acetaat, formiaat en oxalaat. De herhaalbaarheid voor een 1 umol/l mengstandaard van acetaat, formiaat en oxalaat bedraagt respectievelijk 5, 3 en 2% en voor een 4 umol/l mengstandaard 3, 1 en 3%. De ontwikkelde methode is toegepast in het onderzoek naar organische anionen in onder andere geozoniseerd drinkwater en watertypen waaruit drinkwater geproduceerd wordt. Voorbehandeling is voor deze analyses niet noodzakelijk gebleken. Bepalingen van ionchromatografische analyses van acetaat, formiaat en oxalaat in de diverse matrices zijn verricht. De aanwezigheid van de hoeveelheden aan monsters toegevoegd acetaat, formiaat en oxalaat kon met de methode worden bevestigd. De acetaat-, formiaat- en oxalaat- concentraties in de monsters varieerden van 0,1 tot 5,6 umol/l. De ontwikkelde methode is beschreven in een bruikbaar formaat dat in dit rapport is opgenomen. Het onderzoek werd verricht in de periode januari 2000 tot april 2000.<br>
    • Een ionchromatografische methode voor de analyse van bromaat in drink- en oppervlaktewater in het nanomolbereik

      Neele J; Cleven RFMJ; LAC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-12-31)
      Bromaat kan ontstaan als bijproduct van desinfectie bij de drinkwaterbereiding. Voor bromaat wordt een zeer lage normwaarde 0,5 mug/l in drinkwater voorgesteld. Het doel van het onderzoek was het ontwikkelen, karakteriseren en in gebruik nemen van een automatische analysemethode om bromaat in drink- en oppervlaktewater te kunnen bepalen beneden het nivo van 1mug/l. Het onderzoek heeft geresulteerd in een geautomatiseerde methode met voorconcentrering en gradientelutie voor de scheiding en kwantificering van bromaat in een waterig milieu. Voorbehandeling van het monster met zilver- en chelaatkolommen verwijderen respectievelijk de overmaat aan halogeniden en metalen. De scheiding van sporen bromaat van matrices die zelf hoge anionenconcentraties bevatten is beperkt door de lage capaciteit van de scheidings- en voorconcentreringskolommen. Het volume van het monster dat voorgeconcentreerd moet worden is beperkt. De samenstelling van de eluentia en het gebruik van gradientelutie om het voorgeconcentreerde monster van de kolommen te verwijderen zijn eveneens slechts in een kleine bandbreedte te varieren. De bepalingen worden verricht met een combinatie van een geleidbaarheids- en een UV-detector, waardoor bevestiging van de identificatie van de component mogelijk is. Met de ontwikkelde methode zijn enkele bepalingskarakteristieken getest en vastgesteld, de bromaatbepaling is gevoelig en selectief. De resoluties tussen enkele relevante componenten zijn in dit verslag opgenomen. De bromaatrecoveries van een aantal monsters zijn vastgesteld. Zowel met geleidbaarheidsdetectie als met UV-detectie zijn zeer lage onderste analyse grenzen voor bromaat berekend. De aantoonbaarheidsgrens werd voor bromaat met geleidbaarheids- detectie vastgesteld op 0,8 nmol/l (0,10 mug/l), de bepalingssgrens op een nivo van 2,5 nmol/l (0,33 mug/l). Met UV-detectie zijn deze waarden respectievelijk 0,96 nmol/l (0,12 mug/l ) en 3,2 nmol/l (0,41 mug/l).<br>
    • Een ionchromatografische methode voor de bepaling van chroom(III) en chroom(IV) in drink-, grond-, regen-, en oppervlaktewater in het lage picomolbereik

      Neele J; Cleven RFMJ; LAC (1999-10-30)
      De prestaties en de uitvoering van de valentie specifieke analyse van chroom in watermonsters wordt in dit rapport beschreven. Een geautomatiseerde ionchromatografische methode voor de gelijktijdige bepaling van lage gehalten chroom(III) en chroom(IV) in diverse typen water is ontwikkeld en geoptimaliseerd. De scheiding werd verricht met een gemengde anion- en kationwisselaarskolom van Dionex, type CS5A. Hoge gevoeligheid werd bereikt met een voorconcentrering van 6 ml monster via twee CG5A guardkolommen en met een na-kolom reactie, gebaseerd op de katalystische oxidatie van luminol, met chemilumenescentie als detectie. De aantoonbaarheidsgrenzen voor chroom(VI) in Milli-Q water werd vastgesteld en bedraagt 20 ng/l. Voor chroom(III) is dit 90 ng/l. De resolutie tussen chroom(III) en chroom(VI) is uitstekend en bedraagt 10. De methode is getest voor de toepassing van drink-, regen-, grond- en oppervlakte water. De totale duur van de analyse van de beide componenten bedraagt minder dan 30 minuten. De operationele parameters van de methode zijn in een direct bruikbaar formaat in dit rapport opgenomen.
    • Een ionchromatografische methode voor de bepaling van fluoride in water

      Beld WA van den; Cleven RFMJ; Neele J; LAC (1998-08-31)
      Dit rapport bevat resultaten van het onderzoek naar het ontwikkelen van een geautomatiseerde ionchromatografische methode voor de bepaling van fluoride, acetaat en formiaat in diverse waterige milieu's. Het onderzoek heeft geresulteerd in een betrouwbare, selectieve en gevoelige methode voor de bepaling van fluoride in water. De interferenties of meerdere nivo's van een aantal zouten, zuren en basen op de ontwikkelde ionchromatografische en een ionselective methode zijn onderzocht. Voor de ionchromatografische isocratische methode zijn prestatiekenmerken getest en vastgesteld. De aantoonbaarheidsgrens van fluoride bedraagt 0,1 mumol/l en de precisie voor deze component bedraagt 0,5 %.
    • Een ionchromatografische methode voor de simultane bepaling van nitriet, bromide en sulfiet in water

      Beld WA van den; Cleven RFMJ; LAC (1996-12-31)
      Betreft resultaten van een onderzoek naar het ontwikkelen van een geautomatiseerde ionchromatografische methode voor de bepaling van nitriet, bromide en sulfiet. Het onderzoek heeft geresulteerd in een betrouwbare, selectieve en gevoelige methode voor de simultane bepaling van nitriet, bromide en sulfiet in water. Met deze ionchromatografische isocratische methode zijn bepalingskarakteristieken getest en vastgesteld. De aantoonbaarheidsgrenzen van nitriet, bromide en sulfiet bedragen resp. 0,2mumol/l, 0,3mumol/l en 2mumol/l. De precisie voor deze componenten bedraagt resp 1,4%, 0,6% en 2,0%.
    • Ionisatoren en gezondheid

      de Meer G; Duijm F; Hall EF; IMG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2010-06-08)
      Niet beschikbaar
    • Ionising radiation exposure in the Netherlands

      Eleveld H; LSO (2003-07-11)
      De Nederlandse bevolking wordt blootgesteld aan ioniserende straling door verschillende natuurlijke en antropogene bronnen. Hier wordt een overzicht gegeven van de stralingsdoses voor leden van de bevolking door alle bronnen voor het jaar 2000. De gemiddelde jaarlijkse effectieve dosis per hoofd van de bevolking wordt geschat op 2,5 mSv, hetgeen bijna dezelfde waarde is als geschat voor 1988. In de review voor 1988 is de dosis gepresenteerd als een effectief dosisequivalent, waarbij gebruik is gemaakt van de toenmalige dosisconversiefactoren. Om een goede vergelijking te maken met de gegevens uit 1988 zijn ze opnieuw geanalyseerd, gebruikmakende van een betere kennis van de toenmalige situatie en de huidige dosiscoefficienten. Deze herberekening gaf dezelfde waarde voor de totale gemiddelde jaarlijkse blootstelling: 2,4 mSv. Echter, de onderliggende geanalyseerde blootstelling ten gevolge van de specifieke bronnen vertoont behoorlijke verschillen. De grootste verschillen tussen de gemiddelde jaarlijkse blootstelling aan straling tussen het huidige overzicht en dat van de herberekening voor 1988 betreffen de toegenomen medische diagnostische blootstelling (+0,12 mSv) en de toegenomen blootstelling aan radon (+0,05 mSv). De blootstelling aan straling ten gevolge van de andere bronnen bleef of gelijk of vertoont een kleine afname (<0,03 mSv per bron).Tegenwoordig wordt 75% van de totale blootstelling aan straling toegeschreven aan natuurlijke bronnen, waarbij bouwmaterialen in deze categorie meegenomen worden. Bouwmaterialen en blootstelling aan radon dragen voor 47% bij aan de totale gemiddelde stralingsdosis. Andere natuurlijke bronnen zijn kosmische straling, inclusief de extra blootstelling aan kosmische straling in vliegtuigen (11%), interne bestraling door consumptie van radioactiviteit in voedsel (15%) en externe straling vanuit de bodem (2%). Medisch diagnostisch gebruik van straling draagt voor 24% bij aan het totaal en levert veruit de grootste bijdrage aan de stralingsbelasting door de antropogene bronnen. Ongeveer 1% wordt toegeschreven aan andere antropogene bronnen als fall-out door nucleaire wapenproeven in de beginjaren '60 van de vorige eeuw, het Tjernobyl-ongeval van 1986 en radioactieve uitstoot door industriele activiteiten.In vergelijking met de ons omringende landen is de stralingsdosis voor leden van de bevolking in ons land het laagst. Dit komt voornamelijk door de relatieve lage radonconcentratie in woningen en de relatief lage gemiddelde stralingsbelasting door medisch diagnostisch onderzoek.
    • Ionising radiation exposure in the Netherlands

      Eleveld H; LSO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2003-07-11)
      The Dutch population is exposed to ionising radiation from various sources, both natural and man-made. This is a review of the radiation exposure for members of the public from all sources for the year 2000. The average annual effective dose per capita is estimated at 2.5 mSv, which is almost the same value as in the previous review for 1988. In the previous review the radiation dose was presented in effective dose equivalent using the accompanying dose conversion coefficients. For a good comparison the 1988 data were reanalysed using the improved knowledge for the situation at that time and the current dose conversion coefficients. This reanalysis revealed the same value, 2.4 mSv, for the total average radiation exposure in 1988. Nevertheless, the underlying analysed exposure due to specific sources showed quite a few differences. The main differences between the average annual radiation exposure in the current review and the reanalysed review for 1988 are ascribed to the increased medical diagnostic exposure (+0.12 mSv) and increased radon exposure (+0.05 mSv). The radiation exposure from other sources remained the same or showed a minor decrease (<0.03 mSv per source).At present, 75% of the total exposure is ascribed to natural sources, although it should be noted here that building materials are included in this category. Building materials and radon exposure attribute 47% to the total average radiation dose. Other natural sources are cosmic radiation, including exposure during aircraft flights (11%), internal radiation from consumption of radioactivity in foodstuffs (15%) and external radiation from the soil (2%). Medical (diagnostic) uses of radiation account for 24% of the total exposure and is by far the most important component of the man-made sources. About 1% is ascribed to other man-made sources like fallout from nuclear weapon tests in the early 1960s, the Chernobyl accident (1986) and emissions of radionuclides from industries.Comparing the radiation dose of the population in the Netherlands to that in surrounding countries, the total radiation dose in the Netherlands appears to be the lowest, due to the relatively low radon concentration indoors and the relatively low average exposure from medical diagnostic procedures.
    • IOP-Milieutechnologie, deelprogramma Milieubiotechnologie; Meerjarenprogramma 1990-1993

      Brinkman J; Raijmakers WMF (1991-06-30)
      Abstract niet beschikbaar