• Onderzoek naar de luchtkwaliteit tijdens en na de brand op 8 juli 1992 bij Nevcin Polymers te Uithoorn. Onderzoek van gras, grond en neergedaalde verbrandingsresten afkomstig van percelen weiland te Amstelveen

      Brinkmann FJJ; Kliest JJG; Bloemen HJT; Knol-de Vos T; Michel FJ; van de Wiel HJ; Vaessen HAMG; de Boer JLM; Berkhoff CJ (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1992-12-31)
      July 8th 1992 an explosion in a production vessel followed by a conflagration took place at a polymer-plant in Uithoorn, the Netherlands. This disaster resulted in an enormous havoc and an emission of combustion products and volatile compounds. Half burned materials were blown away and deposited on neighbouring pastures. The section Environmental Incidents and Environmental Medicine of RIVM arrived within two hours at the accident site and carried out many measurements on air quality. Due to the enormous heat of the fire and a corresponding rise of the flue gasses, an exposition of the neighbouring population was unlikely during the first phase of the fire. In the second stage of less fire, the flue gasses reached the earth surface. Near the seat of fire the levels of compounds like toluene, ethylbenzene and xylene were measured in concentrations up to 40 ppm. In the surrounding residential quarters the concentrations have been below 2 ppm. Also nitrogenoxyde, ozone, dust and polycyclic aromatic hydrocarbons proved to occur at background level, benzene was not detected. A few days later half-burned material has been collected from neighbouring pastures. It contained lead in contents up to 76 g/kg. Also the lead contents of grass and soil proved to be enhanced. It is unlikely that the high lead and also the high polycyclic aromatic hydrocarbon level of grass and soil have been caused by the explosion. Former measurements (1985) of the lead and polycyclic aromatic hydrocarbon contents of soil from the surroundings showed increased levels also. In the phase of evaporation, a few days after the fire, rather high concentrations of benzene (up to 507 mug/m3) and other lower aromates could be measured near the demolished plant.<br>
    • Onderzoek naar de samenstelling van binnenlucht, stof, roet en plafonddoek na brand in het Stadhuis van Amersfoort

      Bloemen HJT; Boelhouwer HC; Bos HP; Vaessen HAMG; Savelkoul TJF; Jekel AA; Wilbers AAAM; Brinkmann FJJ (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1986-06-30)
      Na de brand zijn onderzocht: - lucht in een drietal ruimtes op vluchtige organische componenten, het gehalte inhaleerbaar luchtstof en het antimoongehalte van het (totaal)-luchtstof. - het gehalte aan polycyclische aromaten in geprecipiteerd roet. - een drietal van het plafonddoek afkomstige stofmonsters op het gehalte aan polycyclische aromaten. De resultaten van het onderzoek zijn zodanig dat geen risico's voor de gezondheid van in het Stadhuis werkzame personen verwacht hoeven te worden. Niettemin is geadviseerd het Stadhuis binnen een jaar te reinigen en het plafonddoek te verwijderen.<br>
    • Onderzoek naar het gehalte aan N-nitrosodimethylamine (NDMA) in vijfentwintig, overwegend buitenlandse, bieren van de Nederlandse markt

      Vaessen HAMG; Sahertian ET; Nieuwland RJA; Ooik A van; Terwel L (1993-01-31)
      Abstract niet beschikbaar
    • Onderzoek naar het voorkomen van vijf sulfonamiden en Dapson in nieren van Nederlandse slachtvarkens

      Vaessen HAMG; Kamp CG van de (1987-12-31)
      Onderzocht zijn 208 monsters varkensnier op voorkomen (HPTLC) en gehalte (HPLC) van sulfanilamide, sulfadimidine, sulfadoxine, sulfadiazine, sulfaquinoxaline en Dapson. De monsters waren afkomstig van slachthuizen gelegen in de zes veterinaire Inspectiegebieden. Uit het HPTLC onderzoek op voorkomen kwamen 8 monsters die kwantitatief werden onderzocht m.b.v. HPLC. Drie monsters bleken < 0,02 mg/kg sulfadimidine te bevatten, het sulfadimidinegehalte van de vijf andere monsters varieerde van 0,12 tot 1,79 mg/kg ; aantal overschrijdingen van de geadviseerde residu norm voor sulfadimidine: 2,4%. Geen van de andere verbindingen werd gevonden. De gemeten sulfadimidinegehalten vormen toxicologisch gezien geen gevaar voor de Volksgezondheid. Aanbevolen wordt het onderzoek het komende voorjaar en najaar te herhalen.
    • Onderzoek naar het voorkomen van vijf sulfonamiden in nieren van Nederlandse slachtvarkens

      Vaessen HAMG; Kamp CG van de (1987-05-31)
      Onderzocht op voorkomen en gehalte aan sulfanilamide, sulfadimidine, sulfadoxine, sulfadiazine en sulfaquinoxaline werden 102 nieren van Nederlandse slachtvarkens. Bemonsteringsperiode: oktober tot half november 1986. Alle monsters die bij dunnelaagchromatografisch onderzoek (HPTLC) positief waren werden kwantitatief onderzocht met vloeistofchromatografie (HPLC). In 12 monsters werd sulfadimidine gemeten waarvan in 9 gevallen minder dan 0,1 mg/kg ; bereik 0.02-0,06 mg/kg. Voor de drie andere monsters werd gemiddeld gemeten 0,89 ; 1,4 en 7,4 mg sulfadimidine per kg bij nier. Geen der overige sulfonamiden werd gevonden. Het onderzoek wordt herhaald in het najaar 1987 ; dan zullen 200 monsters nier worden onderzocht.
    • Het ontwikkelen en valideren van analysemethoden voor lood in bloed en voor cadmium en kwik in urine

      Vaessen HAMG; Loon JW van; Tolsma K; Ooik A van; ARO (1993-12-31)
      Abstract niet beschikbaar
    • Polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK&apos;s) en lood van boerenkool uit volkstuintjes

      Vaessen HAMG; Ellen G; Wilbers AAMM; Loon JW van; Tolsma K (1989-03-31)
      Op gehalte aan lood en 15 PAK's, waarvan 10 carcinogeen, zijn de eetbare en gewassen delen onderzocht 35 monsters boerenkool uit volkstuintjes bemonsterd in januari (N=30) en maart 1988 (N=3). PAK's zijn bepaald met capillaire gaschromatografie en vlamionisatie als detectie in de onverzeepbare en chromatografisch gezuiverde fractie van boerenkool ; lood is bepaald met grafietoven AAS met Zeeman-achtergrond correctie na ontsluiten in een drukvat. Ter kwaliteitsbewaking van het onderzoek op PAK's en lood zijn een aantal monsters meerdere malen onderzocht en zijn opbrengstexperimenten uitgevoerd. Alle resultaten bevestigen de betrouwbaarheid van de metingen. De totale PAK-besmetting van boerenkool varieert van 140-1250 mug/kg vers produkt, gemiddelde 228 mug/kg en mediaan 196 mug/kg ; de carcinogene fracties hiervan zijn respectievelijk 44-254 mug/kg vers produkt en 66 en 61 mug/kg. Opmerkelijk is dat het profiel van de gemiddelde PAK-besmetting van boerenkool bemonsterd in volkstuintjes in 1982 en uit dit onderzoek identiek is. Een verband tussen de hoogte van de PAK- en de loodbesmetting werd niet vastgesteld. De loodbesmetting loopt uiteen van 0,32-2,86 mg/kg vers produkt, gemiddeld gehalte 0,83 mg/kg en mediaan 0,71 mg/kg, en komt goed overeen met die vermeld in de literatuur. Een van de monsters overschrijdt de norm voor lood van 2,5 mg/kg voor verse boerenkool in de Warenwet.
    • Polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK&apos;s) in vis en garnaal

      Vaessen HAMG; Kamp CG van de (1988-07-31)
      Beschreven worden de resultaten van het onderzoeka van 10 monsters vis en 1 monster garnaal op hung ehalte aan 15 polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK's). De monsters waren gekozen op basis van de voedingsgewoonte van de dieren en de bewerking (roken) die zij na vangst ondergaan. De voor PAK's gangbare methode van onderzoek moest voor deze monsters worden uitgebreid met een aceton extractie. Ter kwaliteitsbewakaing vana het onderzoek werden zes opbrengstexperimenten uitgevoerd ; niveau van toevoegen per verbindingen: 1 mug/kg. De laagste gemiddelde opbrengst voor een verbinding was 76%, de hoogste 102%. Spreiding van alle opbrengsten: 71-120%. Van alle monsters is het benzo(a)pyreengehalte duidelijk lage3r dan 1 mug, de West-Duitse norm voor gerookte vleeswaren. Toch zijn gerookte produkten zwaarder met PAK besmet dan niet gerookte produkten. Het hoogste gehalte aan carcinogene PAK's werd gemeten voor garnaal: 5,05 mug/kg waarvan 4,48 mug/kg chryseen. Voor 8 van de 10 monsters vis is echter de carcinogene fractie der gemeten PAK's kleiner dan 0,5 mug/kg. Gerookte paling is met 19,0 mug/kg het zwaarst besmet ; carcinogene deel 2,23 mug/kg waarvan 0,29 mug/kg benzo(a)pyreen i.e. de hoogste benzo(a)pyreen besmetting gemeten.
    • Preparation and validation of ampouled calibrant mixtures of polycyclic aromatic hydrocarbon (PAH) solutions

      Vaessen HAMG; Kamp CG van de; Jekel AA (1988-06-30)
      De bereiding en validatie is beschreven van geampulleerde PAK-mengsels in tolueen en acetonitril bestemd voor calibratiedoeleinden. Hiervoor zijn gekozen de PAK's: pyreen, benzo(e)pyreen, benzo(a)pyreen, indeno(1,2,3,-cd)pyreen en benzo(ghi)peryleen. De oplosmiddelen, de PAK-oplossingen en de geampulleerde calibratie-oplossingen zijn kwalitatief en kwantitatief onderzocht. Voor het kwantitatief onderzoek van alle oplossingen evenals het onderzoek op verontreinigingen van tolueen en de tolueenoplossingen werd GCGC gebruikt. "Reserved phase" HPLC in combinatie met golflengte geprogrammeerde fluorescentie detectie is gebruikt voor het kwalitatief onderzoek van acetonitril en alle acetonitril-oplossingen. Geproduceerd zijn 135 ampullen van ca. 1 ml van de tolueen calibratie-oplossing (charge ARO 88M0261) en 140 ampullen van ca. 1 ml van de acetonitril calibratie-oplossing (charge ARO 88MO262). Een verontreiniging en/of inhomogeniteit werd in geen van beide charges gevonden. De gemeten PAK-gehaltes van de geampulleerde calibratie-oplossingen komen in alle gevallen overeen met die verwacht op grond van de inweeg van de afzonderlijke PAK's.
    • &quot;Polycyclische aromatische koolwaterstoffen. (PAK), nikkel en vanadium in luchtstof uit Bahrein (Perzische Golf): metingen en Puff-modelberekeningen voor dit gebied ten tijde van het branden van de oliebronnen in Kuwayt&quot;

      Vaessen HAMG; Wilbers AAMM; Jekel AA; van Pul WAJ; van der Meulen A; Bloemen HJT; de Boer JLM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1993-01-31)
      In 1991, air particulate matter, was sampled in Bahrein when soot clouds were over that region. Also in that period Puff-model calculations were carried out for the Persian Gulf region to forecast the dispersion of the combustion products and the impact on the environment of the burning oil wells in Kuwait. Based on the outcome of the model calculations and the analytical findings the major conclusions are that: - the PAH contamination level of the air particulate matter is equal or below that found for rural areas in the Netherlands and on average one order of magnitude below the findings of the model calculations. - there is no link between the air particulate matter content and the PAH contamination measured. - the strongly significant correlation between the Ni- and V-content both mutually and with respect to the air particulate matter content strongly suggests a common origin i.e. the burning oil wells in Kuwait. - the air particulate matter content measured is one up to two orders of magnitudes over the findings of the model calculations. - the emission factors applied in the Puff-model calculations, most probably, unsufficiently match the combustion conditions of oil wells at fire.<br>
    • Some assay proposals for soya protein mentioned in the Dutch draft Soya Protein Product Order - Commodities Act

      Vaessen HAMG; Schuller PL; Jekel AA (1989-01-31)
      Dit rapport is een vertaling in het Engels van een gedeelte van rapport no. 647905001 (102/80 LCLO) dat analysevoorstellen beschrijft ten behoeve van de Soja-Eiwitproduktenbeschikking van het Eiwitproduktenbesluit van de Warenwet. Ten behoeve van het internationale overleg over eiwitprodukten zijn die delen van genoemd rapport vertaald die handelen over het bepalen van kwik, lood en cadmium in soja-eiwitprodukten.
    • Subacute toxicity of propyl gallate

      Strik JJTWA; Danse LHJC; Helleman PW; van Leeuwen FXR; Speijers GJA; Vaessen HAMG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1986-06-30)
      The 4 week oral toxicity of propyl gallate in rats, exposed to 0, 1000, 5000 and 25000 mg/kg feed, was investigated. Parameters studied comprised growth, food and water intake, biochemistry, hematology, organ weights and histopathology. In the highest dose group both females and males gained less weight than those in the control group. Hemoglobin concentration, packed cell volume, red blood cell concentration, mean corpuscular volume and mean corpuscular hemoglobin were lowered in the highest dose group (males and females). In accordance with the anemia, an increased extramedullary hematopoiesis and slightly descreased hemosiderosis were noted in the spleen. In kidneys hyperplastic tubuli in the outer medulla were detected. In liver of the 5000 and 25000 mg/kg fed groups increases in activity of aminopyrin-N-demethylase and glucuronyltransferase and glutathione S-transferase and an increase in cytochrome P-450 content were detected. Based on these data a semi-chronic feeding study with a dose range of 1000-10000 mg propyl gallate/kg feed, and a detailed study into the mechanism of the hyperplastic tubular alterations in kidneys, are suggested.<br>
    • Subchronic toxicity of propyl-gallate

      Speijers GJA; Janssen GB; Wallbrink-de Dreu Y; van Leeuwen FXR; van Loenen HA; Krajnc-Franken MAM; Vaessen HAMG; Wester PW (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1993-05-31)
      A subchronic toxicity experiment with propyl gallate in SPF-derived Wistar RIVM:TOX rats was performed. Groups of 10 female and 10 male rats were fed a semisynthetic diet containing 0, 490, 1910 and 7455 mg propyl gallate /kg feed. Body weight gain was recorded weekly and food-intake twice weekly. Other parameters comprised haematology, biochemical determinations in urine, serum and liver and complete histopathological examinations. Adverse effects of propyl gallate observed in the high dose group were effects on the haemopoeitic system reflected in the haematological parameters and the morphological changes in the spleen. The other effects observed comprised decreased incidence of the nephrocalcinosis in female rats, the increased activity of EROD in the high dose group and increased activity of the conjugating enzymes; glucorynyl-transferase and glutathion-s-transferase, in the mid and high dose group of propyl gallate. The effects on the nephrocalcinosis and on the conjugating enzymes may be considered as not adverse. The no observed adverse effect level (NOAEL) is 1910 mg propyl gallate /kg feed corresponding with 135 mg propyl gallate /kg body weight.<br>
    • Sulfonamiden en Dapson in vleeswaren

      Vaessen HAMG; Kamp CG van de (1987-09-30)
      Onderzocht op sulfanilamide, sulfadiazine, sulfadimidine, sulfadoxine en sulfaquinoxaline alsmede Dapson zijn 245 monsters vleeswaar waaronder: leverworst, kookworst, bloedworst, boterhamworst, rookworst en tongeworst. Bij HPTLC-screening was in geen van de monsters DAPSON aantoonbaar, wel waren er twijfels in 9 gevallen. Van de overige verbindingen was alleen sulfadimidine aantoonbaar nl. 19-maal ; twijfels t.a.v. de aanwezigheid van deze verbinding was er 9-maal. Bij HPLC-onderzoek van de HPTLC-positieve dan wel twijfelachtige monsters was sulfadimidine meetbaar in 19 monsters, waarvan 2 boven de 0,1 mg/kg grens. Meetbare hoeveelheden DAPSON bevatten 13 monsters met als hoogste waarde 0,25 mg/kg ; alle andere monsters bevatten < 0,02 - 0,04 mg/kg. De HPTLC-screening gaf twee vals-positieve resultaten voor sulfadimidine en is voor DAPSON onvoldoende selectief op het residu niveau van ca. 0,3 mg/kg en lager. Vanuit toxicologische overwegingen vormen de gevonden sulfadimidine- en DAPSONgehalten geen gevaar voor de Volksgezondheid.
    • Sulfonamiden en Dapson in nieren van Nederlandse slachtvarkens, bemonsterd in het najaar 1988

      Vaessen HAMG; Kamp CG van de (1989-02-28)
      Onderzocht op sulfonamiden en Dapson zijn 102 varkensnieren bemonsterd in november 1988 in slachthuizen in drie Veterinaire Inspectiegebieden. Alle monsters zijn dunnelaagchromatografisch gescreend op sulfanilamide, sulfadimidine, sulfadoxine en sulfadiazine, sulfaquinoxaline en Dapson. Alleen sulfadimidine werd gevonden en deze monsters zijn vervolgens kwantitatief onderzocht met HPLC. Twee monsters bevatten meetbare hoeveelheden met sulfadimidinegehalten van 0,59 en 1,25 mg/kg ; gehalte van de andere vier monsters: <0,02 mg/kg. In een van deze vier monsters werden residuen gevonden van sulfadimethoxine ; een sulfonamide nog niet eerder door ons in varkensnieren aangetoond. De identiteit van deze verbinding werd met molecuulspectrometrie (diode array) bevestigd. Sulfadimethoxine-gehalte: 0,4 mg/kg. Aanbevolen wordt het onderzoek in het voorjaar en najaar 1989 te herhalen met telkens 100 monsters.
    • Sulfonamiden en Dapson in vleeswaren bemonsterd in het voorjaar 1988

      Vaessen HAMG; Kamp CG van de (1988-07-31)
      Onderzocht op sulfanilamide, sulfadimidine, sulfadoxine en sulfaquinoxaline (alle sulfonamiden) alsmede Dapson zijn 102 monsters vleeswaar waaronder: leverworst, kookworst, pluimveevlees en pluimveevleesprodukten, rookworst, tongeworst enz. In geen van de monsters werd een sulfonamidegehalte gemeten dat hoger was dan de USA norm van 0.1 mg/kg voor eetbare delen van slachtdieren. Totaal aantal sulfadimidine positieve monsters: 5. In geen van de vleeswaren was sulfanilamide, sulfadoxine, sulfadiazine of sulfaquinoxaline aantoonbaar c.q. met HPLC meetbaar. Meetbare hoeveelheden Dapson bevatten 2 monsters met als hoogste waarde 0,10 mg/kg ; het andere gehalte ligt met 0,03 mg/kg daar duidelijk onder. De HPTLC-screeningsmethode is voor Dapson onvoldoende selectief en behoeft verbetering ; de herhaalbaarheid van de HPLC-bepaling van sulfadimidine en Dapson is uitstekend. Het onderzoek wordt voorlopig niet herhaald.
    • Sulfonamiden en Dapson in vleeswaren bemonsterd in het voorjaar 1990

      Vaessen HAMG; Kamp CG van de (1990-09-30)
      Abstract niet beschikbaar
    • Two-year feeding study in rats with bis(tri-n-butyltin) oxide (TBTO)

      Wester PW; Kranjc EI; van Leeuwen FXR; Loeber JG; van der Heijden CA; Vaessen HAMG; Helleman PW (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1988-02-29)
      Dit rapport beschrijft een 2-jarige toxiciteitsstudie en carcinogeniteitsstudie met het slakkenbestrijdend en aangroeiwerend middel, bis (tri-n-butyltin)oxide (TBTO) met ratten. Tussentijds (na 1 jaar) is een toxiciteitsstudie verricht. In beperkte mate traden toxische verschijnselen op in de hoogste doseringsgroep (50 mg/kg voer), waarbij het immuunsysteem, endocrien systeem en het erythrocytaire systeem de doelorganen bleken. De tumorincidenties waren veranderd (m.n. verhoogd) in de hoogste doseringsgroep. Het betreft goedaardige tumoren van endrocriene organen (hypophyse, bijnieren, bijschildklier). Dit effect wordt beschouwd als een epigenetisch fenomeen, mogelijk als gevolg van invloed op immuun- of endocrien systeem. In enkele vrouwelijke dieren werd een maligne pancreascarcinoom gevonden. Ondanks de lage incidentie, is deze bevinding interessant, met name voor een studie met 2e diersoort. Mede gezien de resultaten van immuunfunctietesten kan een concentratie van 0,5 mg TBTO/kg voer, overeenkomend met 25 mug/kg lichaamsgewicht, als "no-effect level" beschouwd worden.<br>
    • Vergelijkend onderzoek van twee methoden voor de gaschromatografische bepaling van fluoride in lichaamsvloeistoffen

      Vaessen HAMG; Ooik A van; Kraats H van de (1993-01-31)
      Abstract niet beschikbaar
    • Vlees en enkele vleesprodukten - gehalte aan calcium en magnesium

      Vaessen HAMG; Ooik A van (1993-04-30)
      Abstract niet beschikbaar