• Reclame voor en gebruik van alcoholvrije dranken

      de Wit, GA; Everaars, B; Bilderbeek, B; Visscher, K; Hendrikx, R; Voogt, C (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-07-06)
      Het RIVM heeft met het Trimbos-instituut feiten en cijfers verzameld over het gebruik van alcoholvrije dranken door jongeren en volwassenen. Ook is hen gevraagd wat ze van deze reclames vinden. In het Nationaal Preventie Akkoord is afgesproken dat meer onderzoek nodig is naar het effect van marketing voor deze producten. Hier was nog weinig over bekend. Uit het onderzoek blijkt dat 87,9 procent van volwassenen en 79 procent van de jongeren wel eens alcoholvrije producten heeft gebruikt. Hiervoor is een vragenlijstonderzoek gehouden onder 2075 jongeren en volwassenen. De drie meest genoemde redenen om alcoholvrije dranken te drinken zijn: kunnen deelnemen aan het verkeer (39,4 procent), de goede smaak (31,7 procent) en als vervanger van alcoholhoudende dranken (29,8 procent). Jongeren komen vaker via sociale media, internet en sluikreclame in aanraking met reclame dan volwassenen. Een positief effect van de reclames is dat jongeren vaker dan volwassenen denken dat alcoholvrije producten de alcoholhoudende producten kunnen vervangen. Een negatief effect is dat ze via alcoholvrije producten kunnen wennen aan de smaak van producten waar wel alcohol in zit. De stap naar dranken met alcohol is daardoor minder groot. De meeste ouders vinden het niet goed dat hun kinderen onder de 18 alcoholvrije producten drinken. Een op de acht ouders stelt hier geen regels voor. Van 2017 tot en met 2020 zijn 83 procent meer alcoholvrije producten verkocht in supermarkten en slijterijen. Alcoholvrij bier is verreweg het meest verkochte product (81 procent van alle alcoholvrije dranken). Fabrikanten geven per jaar zo’n 10 miljoen euro uit aan reclames voor alcoholvrije producten. Dat is ongeveer 9 procent van al het geld dat ze aan reclame uitgeven. Reclames via sociale media en sponsorcontracten zitten hier niet bij. De inhoud van reclames voor alcoholvrije producten is anders dan voor alcohol. Alcoholvrije producten benadrukken dat ze nieuw zijn, gezonder zijn dan alcohol, dat je aan het verkeer kunt deelnemen en dat je er fit bij kunt blijven (geen kater). De traditionele onderwerpen van reclames voor alcohol, zoals ‘feesten’, ‘kwaliteit’ en ‘mannelijk’ komen ook voor bij reclames over alcoholvrije dranken, maar minder vaak. Ook richten reclames over alcoholvrije dranken zich vaker op vrouwen dan alcoholreclames.
    • Voortgangsrapportage Nationaal Preventieakkoord 2020

      van Giessen, A; Boer, J; van Gestel, I; Pees, S; Douma, E; Kuijpers, T; du Pon, E; Nawijn, E; Koopman, N (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-07-06)
      Het Nationaal Preventieakkoord is in 2018 afgesloten om ervoor te zorgen dat er minder mensen roken, overgewicht hebben of problematisch drinken. Hiervoor zijn afspraken gemaakt met meer dan 70 partijen. Het RIVM evalueert elk jaar de voortgang van deze afspraken en of de gestelde doelen zijn gehaald. Voor 2020 waren 39 doelen gesteld. Daarvan zijn er dertien gehaald, en twee net niet. Bijna de helft (18) van de doelen is nog niet gehaald. Zo zijn bijvoorbeeld hogere accijnzen op tabak ingevoerd, maar zijn kinderboerderijen en speeltuinen nog niet geheel rookvrij. Ook is het doel voor minder calorieën in A-merk frisdranken gehaald, maar sommige doelen voor minder calorieën in andere voedingsmiddelen nog niet. Voor scholen zijn inmiddels interventies voor alcoholpreventie beschikbaar, maar er zijn nog geen oplossingen voor de beïnvloeding van jongeren door alcoholreclames. Van zes doelen voor 2020 is er nog te weinig informatie om te bepalen of ze zijn gehaald. Een deel van de partijen geeft aan dat de uitbraak van het coronavirus SARS-CoV-2 eraan heeft bijgedragen dat niet alle doelen voor 2020 zijn gehaald. Activiteiten konden niet doorgaan of zijn uitgesteld door bijvoorbeeld de maatregelen om contacten te beperken. Ook hadden bijvoorbeeld de zorg, de horeca en het onderwijs vanwege de coronapandemie regelmatig andere prioriteiten dan leefstijlpreventie. Volgens schattingen van het RIVM uit 2018 is het mogelijk dat de afspraken van het Nationaal Preventieakkoord ertoe leiden dat de ambitie van minder dan vijf procent rokende volwassenen wordt behaald in 2040. Hieruit bleek ook dat er extra afspraken nodig zijn om te bereiken dat er in 2040 geen jongeren en zwangere vrouwen roken. Die zijn ook nodig om de ambities voor problematisch drinken of overgewicht in 2040 te halen. Het is nog niet duidelijk in welke mate de ambities van 2040 in de knel komen door de niet behaalde doelen in 2020. Het RIVM rekent in 2023 opnieuw door in hoeverre ambities van het Nationaal Preventieakkoord kunnen worden gehaald in 2040.
    • Minimum Unit Pricing voor alcohol. Onderzoek naar de haalbaarheid van invoering in Nederland

      de Wit, A; Visscher, K; Over, E; van Gelder, N; Everaars, B; van Gils, P; Voogt, C (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-07-06)
      Mensen die veel alcohol drinken kiezen vaak voor goedkopere producten. In enkele landen, zoals Schotland en Canada, zijn deze goedkopere alcoholproducten daarom duurder gemaakt. Door deze maatregel, ‘Minimum Unit Pricing’ (MUP) gaan problematische drinkers minder drinken. Dat is beter voor hun gezondheid. Ook zijn er naar verwachting minder verkeersovertredingen, hoeven politie en justitie minder te worden ingezet, en zijn er minder medische kosten en uitval op het werk. De Nederlandse overheid denkt erover na om MUP in te voeren. Doordat MUP zich direct richt op mensen die veel drinken, is het een veelbelovende maatregel om problematisch drankgebruik te verminderen. Effecten van MUP hangen wel af van de hoogte van de eenheidsprijs. De overheid moet deze nog bepalen. Duidelijke informatie over de maatregel is ook belangrijk. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM en het Trimbos instituut. Ook blijkt dat belanghebbenden, van consumenten, producenten, verkopers tot gezondheidsdeskundigen, verschillende meningen hebben over MUP. Veel belanghebbenden erkennen de positieve effecten op gezondheid, maar anderen zien ook nadelen. De alcoholbranche heeft vooral economische argumenten om de maatregel niet in te voeren, bijvoorbeeld minder omzet. Ook denken geïnterviewde partijen dat problematische drinkers andere verslavende producten gaan gebruiken, zoals drugs. Verder kunnen mensen die dicht bij de grens wonen, alcohol goedkoper in het buitenland gaan kopen. Er is overigens geen bewijs voor deze argumenten. Bij MUP bepaalt de overheid een minimumprijs voor één eenheid alcohol (een standaardglas bier, wijn of sterke drank). Verkopers mogen alcohol niet onder deze prijs aanbieden. Bij een lagere eenheidsprijs vallen alleen de goedkoopste producten onder dit beleid. Bij een hogere MUP vallen ook duurdere producten onder het beleid, en dus ook een groter deel van het alcoholaanbod. Bijvoorbeeld: een eenheidsprijs van 45 cent maakt ongeveer 50 procent van alle alcoholproducten duurder. Bij een eenheidsprijs van 55 cent is dat ongeveer 65 procent. Bij een accijnsverhoging worden álle alcoholhoudende dranken duurder.
    • Grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland. Rapportage 2021

      Hoogerbrugge, R; Geilenkirchen, GP; den Hollander, HA; Siteur, K; Smeets, W; van der Swaluw, E; de Vries, WJ; Wichink Kruit, RJ (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-07-05)
      Het RIVM maakt elk jaar kaarten van de luchtverontreiniging in Nederland. Dit gebeurt voor de voor luchtverontreiniging belangrijke stoffen, waaronder stikstofdioxide, ammoniak en fijnstof. Ook wordt de neerslag van stikstof (depositie) in kaart gebracht. Het RIVM gebruikt zowel berekeningen als metingen om de kaarten te maken. Zo komen de resultaten het beste overeen met de werkelijke situatie. Naast de kaarten over het voorgaande jaar, stelt het RIVM verwachtingen op voor de concentraties en depositie in 2025 en 2030. De kaarten tonen de ontwikkeling van de luchtkwaliteit en de stikstofdepositie in Nederland. Overheden gebruiken de kaarten om beleid te maken voor een betere luchtkwaliteit en minder stikstofdepositie. Luchtverontreiniging is schadelijk voor de volksgezondheid. Te veel stikstofdepositie op natuurgebieden is schadelijk voor het aantal en de variatie van planten- en diersoorten. De concentraties van de meeste luchtvervuilende stoffen dalen al gedurende tientallen jaren. Deze daling is in 2020 versterkt door de gevolgen van maatregelen die genomen zijn vanwege de uitbraak van SARS-COV-2 (corona). Het is niet duidelijk in hoeverre deze effecten in de toekomst blijven bestaan. Stikstofdioxide- en fijnstofconcentraties De concentraties stikstofdioxide in de lucht zijn in 2020 veel lager dan in 2019, gemiddeld ongeveer 20 procent lager. Dat komt vooral doordat er in 2020 minder wegverkeer was door de coronamaatregelen, zoals het thuiswerken. Naar verwachting zullen de concentraties stikstofdioxiden in 2030 ongeveer 40 procent lager zijn dan in 2018. De concentraties fijnstof waren in 2020 ook lager dan in 2019; PM10 ongeveer 10 procent en PM2,5 ongeveer 15 procent. De verwachting is dat deze concentraties in 2030 ongeveer 25 respectievelijk 40 procent lager zullen zijn dan in 2018. Stikstofdepositie Ammoniak levert een belangrijke bijdrage aan de stikstofdepositie. De concentraties ammoniak in de lucht zijn een graadmeter voor de hoeveelheid ammoniak die neerslaat. De ammoniakconcentraties zijn in 2020 ongeveer hetzelfde gebleven als in 2019 (3 procent lager). De ontwikkeling van stikstofdepositie in natuurgebieden is in deze rapportage niet uitgewerkt. De gemiddelde stikstofdepositie op het hele Nederlandse landoppervlak was in 2020 lager dan in 2019. Deze verlaging (9 procent) valt echter binnen de bandbreedte van de jaarlijkse fluctuatie, onder andere door weersomstandigheden. Voor de prognoses op lange termijn konden de Nederlandse Klimaatwet en Stikstofwet (april 2021) nog niet worden meegenomen. Andere Nederlandse maatregelen, evenals concrete maatregelen in het buitenland om de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen te verlagen, zijn wel meegenomen. De verwachting voor 2030 is dat de stikstofdepositie dan 19 procent lager kan zijn dan in 2018.
    • Landbouwpraktijk en waterkwaliteit op landbouwbedrijven aangemeld voor derogatie in 2019

      van Duijnen, R; Blokland, PW; Vrijhoef, A; Fraters, D; Doornewaard, GJ; Daatselaar, CHG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-07-05)
      In Nederland mogen bepaalde agrarische bedrijven meer dierlijke mest, waar stikstof in zit, op hun land gebruiken dan de algemene norm van de Europese Nitraatrichtlijn voorschrijft. Zij moeten hiervoor wel aan specifieke voorwaarden voldoen. Deze verruiming heet derogatie. Het RIVM en Wageningen Economic Research meten elk jaar de gevolgen van de derogatie voor de waterkwaliteit op driehonderd bedrijven. Ook worden de ontwikkelingen sinds 2006 geanalyseerd, het jaar waarin de derogatie inging. Uit de analyse blijkt dat de derogatie geen negatieve effecten heeft op de waterkwaliteit vanaf 2006. Wel heeft de droogte er in 2019 en 2020 negatieve effecten op gehad. Door de droogte groeiden onder andere de gewassen minder goed, waardoor zij minder stikstof opnamen. Hierdoor bleef er meer stikstof in de bodem achter en kwam er meer in het grondwater terecht. Bedrijfsvoering In 2019 hebben derogatiebedrijven gemiddeld 230 kilogram stikstof uit dierlijke mest per hectare gebruikt. Dit wordt in kilogrammen stikstof aangegeven omdat het per diersoort verschilt hoeveel stikstof er in mest zit. Een derogatiebedrijf mag 230 of 250 kilogram stikstof per hectare uit graasdiermest gebruiken, afhankelijk van de bodemsoort en regio. Door verbeteringen in de bedrijfsvoering wordt dierlijke mest efficiënter gebruikt om gewassen te laten groeien. Het ‘stikstofbodemoverschot’ is daardoor van 2006 tot en met 2017 gedaald. Dit betekent dat er in deze jaren minder stikstof beschikbaar is om als nitraat met regenwater weg te zakken naar diepere lagen in de bodem en uiteindelijk het grondwater. Na een stijging in 2018 door de droogte, was in 2019 het stikstofbodemoverschot het laagste van alle onderzochte jaren. Grondwaterkwaliteit De gemiddelde nitraatconcentratie op derogatiebedrijven nam in 2019 en 2020 toe. Dit komt waarschijnlijk door de droogte. In het zuiden en oosten van de Zandregio steeg de concentratie in 2020 tot boven de EU-norm van 50 milligram per liter (63 milligram per liter). Als de hele onderzochte periode (2006-2020) wordt bekeken, is de concentratie in de hele Zandregio wel gedaald. In de Lössregio bleef de concentratie boven de norm, al is deze lager dan in 2018 (59 milligram per liter in 2019 versus 65 milligram per liter in 2018). In de Klei- en Veenregio daalde de nitraatconcentratie in 2020. In de Kleiregio is in de hele onderzochte periode de nitraatconcentratie gestegen, maar blijft deze steeds onder de norm. De monitoring wordt uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV).
    • De milieu-impact van de jaarlijkse 85 miljard euro aan inkoop door alle Nederlandse overheden. Een studie die helpt bij prioriteren voor maatschappelijke verantwoord inkopen (MVI)

      Steenmeijer, MA; van der Zaag, JD; Corts, JC; Tauber, JM; Hollander, A; van den Berg, T; van der Zande, CPL; Zijp, MC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-07-05)
      In de overgang naar een circulaire economie wil de Nederlandse overheid ook zelf het milieu minder belasten. Daarvoor is het nodig om inzicht te hebben in welke producten en diensten die de overheid inkoopt veel impact op het milieu hebben. Het RIVM heeft daarom uitgezocht hoeveel overheidsorganisaties in totaal uitgeven, aan welke producten en diensten en wat de milieu-impact daarvan is. Dit is gedaan voor 2019. Met de informatie kan de overheid gericht keuzes maken om de milieu-impact te verkleinen. De Nederlandse overheid heeft in 2019 voor 85 miljard euro producten en diensten ingekocht. Dit is 15 procent van de totale inkoop van producten en diensten in Nederland. De klimaatimpact hiervan is zo’n 18 procent van de totale Nederlandse klimaatvoetafdruk: zo’n 22 mega ton CO2-equivalenten. Behalve naar de klimaatimpact is naar nog twee thema’s gekeken: het landgebruik dat nodig is om producten te maken, het gebruik van grondstoffen, en de impact op het klimaat. De inkoop van de overheid omvat zo’n 23 procent van het grondstoffenverbruik en 9 procent van het landgebruik van alle inkoop in Nederland. Het onderzoek laat zien dat de overheid via haar inkoop ook zelf een substantiële bijdrage kan leveren aan de energietransitie, de transitie naar een Circulaire Economie én, via landgebruik in de keten, het terugdringen van Biodiversiteitsverlies. Bij dit onderzoek is niet alleen gekeken naar milieu-impacts van het gebruik van producten en diensten in Nederland, maar naar impacts in de hele keten die nodig is om het product of de dienst te leveren: de productie, het transport, het gebruik en de verwerking tot afval. Daarvoor vinden dus emissies en impacts plaats in de hele wereld. De milieueffecten verschillen sterk per productgroep. Met de aanleg en het onderhoud van gebouwen en wegen blijkt de bouw veel effect te hebben op alle drie de thema’s. De productgroepen energie en transport hebben veel effect op het klimaat. Wat betreft landgebruik draagt catering veel bij. Op het grondstoffenverbruik hebben onder andere machinerie en elektronica veel effect. Het RIVM heeft dit overzicht in samenwerking met de adviesbureaus Metabolic en Purfacts gemaakt. Zij hebben gekeken naar de inkoop van de rijksoverheid, provincies, gemeenten, waterschappen, scholen, academische ziekenhuizen en speciale-sectorbedrijven. Ontwikkelen van de methode stond centraal.
    • Vaccinatiegraad en jaarverslag Rijksvaccinatieprogramma Nederland 2020

      van Lier, EA; Oomen, PJ; Giesbers, H; van Vliet, JA; Hament, JM; Drijfhout, IH; Zonnenberg-Hoff, IF; de Melker, HE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-07-01)
      In Nederland krijgen kinderen vaccinaties tegen twaalf besmettelijke ziekten. Het RIVM beschrijft elk jaar hoeveel kinderen zijn gevaccineerd (vaccinatiegraad). Ook beschrijft het de ontwikkelingen binnen het Rijksvaccinatieprogramma (RVP). Ontwikkelingen In 2020 kregen minder mensen dan in 2019 een ziekte waartegen binnen het RVP wordt gevaccineerd. Dit geldt vooral voor kinkhoest, bof, meningokokkenziekte, pneumokokkenziekte en mazelen. De kans is groot dat dit vooral komt door de maatregelen die vanwege de uitbraak van het coronavirus SARS-CoV-2 zijn ingevoerd. Voorbeelden zijn handen wassen, afstand houden, de (tijdelijke) sluiting van scholen en kinderopvang, het kleinere aantal mensen bij bijeenkomsten, en het maximale aantal te ontvangen bezoekers thuis. De uitbraak van het coronavirus had ook gevolgen voor de manier waarop het RVP in 2020 is uitgevoerd. Groepsvaccinaties (voor de kinderen van 9 jaar en ouder) zijn eerst uitgesteld of omgezet naar individuele afspraken. Vanaf 1 juli 2020 zijn de groepsvaccinaties in kleine groepjes per tijdslot uitgevoerd. De vaccinaties op de consultatiebureaus (0-4-jarigen) en de 22 wekenprik voor zwangeren gingen wel zoveel mogelijk door. De 22 wekenprik beschermt baby’s vanaf de geboorte tegen kinkhoest. Vanwege de invoering van de 22 wekenprik krijgen de meeste baby’s vanaf 1 januari 2020 hun vaccinaties iets later (bij 3, 5 en 11 maanden) en een vaccinatie minder. Ook krijgen 14-jarigen sinds 2020 standaard de vaccinatie tegen meningokokkenziekte aangeboden. Vaccinatiegraad De vaccinatiegraad betreft kinderen die hun vaccinatie(s) nog bijna allemaal vóór de uitbraak van het coronavirus kregen. Voor bijvoorbeeld zuigelingen wordt de vaccinatiegraad namelijk berekend als kinderen twee jaar zijn. De vaccinatiegraad die in 2021 is berekend, is voor de meeste vaccinaties opnieuw gestegen. Naast de toename bij zuigelingen valt vooral de stijging bij de HPV-vaccinatie met 10 procent naar 63 procent op; deze vaccinatiegraad is niet eerder zo hoog geweest. Voor het eerst is geschat hoeveel zwangeren deelnamen aan de 22 wekenprik: ongeveer 70 procent. Het lijkt erop dat de maatregelen vanwege de uitbraak van het coronavirus weinig negatieve invloed hebben gehad op het aantal kinderen dat in deze periode is gevaccineerd. Dat blijkt uit voorlopige cijfers. De precieze vaccinatiegraad voor deze kinderen kan pas volgend jaar worden berekend omdat dan pas alle cijfers erover bekend zijn.
    • Analyse van incidenten bij bedrijven met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen

      Manuel, HJ; Kamps, GJ; Kooi, ES; Wolting, AG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-07-01)
      Het RIVM analyseert de aard, omvang en oorzaak van incidenten bij bedrijven met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen in Nederland. Voor dit rapport zijn zeventien incidenten geanalyseerd. Bij vijftien incidenten kwamen gevaarlijke stoffen vrij, waardoor twee keer een brand is ontstaan. Bij een ander incident was er brand in een installatie. Bij de incidenten overleed één persoon. Twee mensen houden waarschijnlijk blijvend letsel door brandwonden en oorsuizen. Bedrijven zijn ervoor verantwoordelijk dat installaties op orde zijn en dat werknemers de productieprocessen en werkzaamheden veilig kunnen uitvoeren. Bij de onderzochte incidenten ging het op verschillende onderdelen mis. Zo raakten materialen verzwakt bij zes incidenten of waren chemische processen niet goed onder controle bij vier incidenten. Hierdoor liepen de processen anders, wat niet op tijd is ontdekt en hersteld. Bij zes incidenten hadden bedrijven de noodmaatregelen die zij moeten hebben, niet of niet goed ingevoerd. Een noodmaatregel is bijvoorbeeld voorkomen dat gevaarlijke materialen vrijkomen door ze in een afgesloten vat op te vangen. Bij vijftien van de zeventien incidenten schoten de ‘plannen en procedures’ voor de werkzaamheden tekort. Ze waren er niet, of onvoldoende om een incident te voorkomen. Dit kwam vooral doordat sommige risico’s van tevoren niet waren verwacht. Soms hadden eenvoudige checklists kunnen helpen om het incident te voorkomen. Bij negen incidenten is het met maatregelen gelukt om schadelijke effecten van gevaarlijke stoffen te beperken. Deze rapportage maakt deel uit van de opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) om incidenten te analyseren die de Inspectie SZW heeft onderzocht. Het RIVM gaat na wat de overeenkomsten en verschillen tussen deze incidenten zijn. De resultaten kunnen worden gebruikt voor inspectie- en handhavingsstrategieën. Bedrijven kunnen de inzichten gebruiken om hun veiligheidsbeleid te verbeteren.
    • Sexually transmitted infections in the Netherlands in 2020

      Staritsky, LE; Visser, M; van Aar, F; op de Coul, ELM; Heijne, JCM; van Wees, DA; Kusters, JMA; Alexiou, ZW; de Vries, A; Gotz, HM; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-06-25)
      In 2020 hebben minder mensen zich bij een Centrum voor Seksuele Gezondheid (CSG) laten testen op seksueel overdraagbare aandoeningen (soa) dan in 2019, door de uitbraak van het coronavirus. Het percentage dat ook echt een soa had (21 procent), is gestegen. Chlamydia bleef de meest voorkomende soa onder heteroseksuelen. Bij mannen die seks hebben met mannen (MSM) kwam gonorroe het meest voor. Bij CSG’s kunnen mensen die een grotere kans hebben op een soa, bijvoorbeeld jongeren onder de 25, zich gratis laten testen. In 2020 zijn er in totaal 105.936 consulten geregistreerd bij de CSG’s. Het aantal consulten nam af onder zowel vrouwen, heteroseksuele mannen en MSM. Infecties zijn relatief het vaakst gevonden bij mensen die een melding hadden ontvangen dat ze een risico op een soa lopen. Naast de CSG-cijfers worden schattingen gemaakt van het aantal soa-consulten en -diagnoses bij huisartspraktijken. Zij voeren de meeste soa-consulten uit. Hun gegevens gaan over het voorgaande jaar omdat de 2020 data pas later beschikbaar zijn. Chlamydia In 2020 waren er 15.979 chlamydia-diagnoses bij cliënten van de CSG’s, 24 procent minder dan in 2019 (21.134). Het percentage vrouwen en heteroseksuele mannen met chlamydia was stabiel tussen 2016 en 2019 (respectievelijk 15 en 18 procent). In 2020 is het percentage onder vrouwen toegenomen naar 17 procent en naar 22 procent onder heteroseksuele mannen. Voor MSM ligt dit percentage al jaren rond de 10 procent; in 2020 steeg het licht naar 11,2 procent. Gonorroe Het aantal gonorroe-diagnoses bij cliënten van de CSG’s is het afgelopen jaar met 18 procent afgenomen tot 6.722 infecties. Het percentage consulten waarbij gonorroe is gevonden steeg tussen 2016 en 2020: onder heteroseksuele mannen van 1,9 naar 2,5 procent en onder vrouwen van 1,4 naar 2,1 procent. Het percentage onder MSM was tussen 2015 en 2019 stabiel rond de 11 procent maar nam toe tot 12 procent in 2020. Bij de CSG’s is geen antibioticaresistentie tegen het huidige ‘eerste keus’ antibioticum voor gonorroe (ceftriaxon) gemeld. Wel is er resistentie tegen andere antibiotica. De resistentie tegen ciprofloxacine bleef hoog in 2020 met 57 procent. Syfilis In 2020 had 7,4 procent minder cliënten van de CSG’s een syfilis-diagnose dan in 2019 (1.324 versus 1.430). Daarvan is 96 procent bij MSM gevonden. Het percentage met syfilis onder MSM daalde van 2,9 procent in 2016 naar 2,4 procent in 2018 en steeg weer naar 2,9 procent in 2020. Het percentage was voornamelijk hoger onder MSM die een melding hadden ontvangen voor syfilis (13 procent). Het aantal diagnoses onder vrouwen en heteroseksuele mannen bleef in 2020 laag, respectievelijk 17 en 35. Hiv In 2020 kregen 122 mensen via de CSG’s te horen dat ze hiv hadden, 26 procent minder dan in 2019. Hiervan waren 107 diagnoses bij MSM. Het aantal diagnoses onder vrouwen en heteroseksuele mannen bleef laag, respectievelijk 5 en 10. Het aantal mensen met hiv dat in 2020 voor het eerst voor behandeling bij een van de Nederlandse hiv-behandelcentra kwam (‘in zorg’) was 755. Dat was minder dan in 2019 (972). In totaal zijn in 2020 21.186 mensen met hiv geregistreerd als in zorg.
    • Antibioticaresistente bacteriën in slachterijafvalwater

      Blaak, H; Kemper, MA; Schilperoort, R; de Rijk, SE; de Roda Husman, AM; Schmitt, H (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-06-25)
      In afvalwater van twee slachterijen, een varkensslachterij en een runderslachterij, zijn geen bijzonder resistente CPE (carbapenemase-producerende Enterobacteriaceae) aangetroffen. Dit betekent dat CPE in Nederland niet bij varkens of rundvee voorkomen, of maar heel weinig. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM. Het RIVM onderzocht het afvalwater van de twee slachterijen tussen 10 april en 23 juli 2019 (varkens) en van 28 oktober 2019 tot 22 januari 2020 (rundvee). In totaal zijn op 45 dagen monsters van het afvalwater genomen en onderzocht. Op die dagen zijn in totaal 400.000 tot 500.000 varkens en ruim 7000 runderen geslacht. De genomen monsters zijn daarmee representatief voor een groot aantal dieren. Via afvalwater kunnen dergelijke aantallen dieren met relatief weinig moeite worden onderzocht op antibioticaresistente bacteriën. Deze aantallen zijn veel groter dan het aantal dat elk jaar standaard wordt onderzocht op deze bacteriën tijdens de nationale monitoring van antibioticaresistentie bij landbouwhuidieren. Bij deze landelijke monitoring wordt elk dier apart gemeten. In de afvalwatermonsters zijn wel ESBL-producerende E. coli-bacteriën gevonden, en vaker dan in de landelijke monitoring. Deze resultaten bevestigen het idee dat een methode preciezer (gevoeliger) wordt naarmate meer dieren worden gescreend. Vanwege de nauwkeurigheid en vrij kleine inspanning is meten in afvalwater een efficiënte manier om te onderzoeken of landbouwhuisdieren zeldzame vormen van antibioticaresistente bacteriën, zoals CPE, bij zich dragen. De methode moet de komende jaren nog wel worden verfijnd.
    • Voorbereiding van Brzo bedrijven op klimaatverandering

      Pompe, CE; Pijnenburg, H; Uijt de Haag, PAM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-06-25)
      Door klimaatverandering is de kans groter dat in Nederland overstromingen, piekbuien, droogte en hittegolven komen. De chemische industrie is wettelijk verplicht om zich hierop voor te bereiden. Zo blijft de kans op ongevallen, en daarmee het risico voor de omgeving, klein. Uit een eerdere analyse van het RIVM blijkt dat bedrijven in hun veiligheidsrapporten niet duidelijk aangeven hoe zij zich hierop voorbereiden. Het RIVM, adviesbureau Econos en Rijkswaterstaat hebben daarom met bedrijven een overzicht gemaakt van de gevaren en mogelijke maatregelen. Door er samen over te brainstormen konden ze kennis delen en van elkaar leren. Bedrijven kunnen het overzicht gebruiken om gevaren voor hun eigen situatie te analyseren en gericht maatregelen te nemen. Ook kan het bevoegd gezag het overzicht gebruiken bij hun beoordeling of bedrijven zich genoeg voorbereiden. De bedrijven bleken nog niet planmatig te analyseren welke problemen bij een dreigende overstroming, hittegolf en dergelijke kunnen ontstaan. Het is belangrijk dat zij zich bewust worden van de gevaren en er van tevoren oplossingen voor bedenken. Zo is het belangrijk dat bedrijven weten hoeveel tijd ze bij een dreiging hebben om maatregelen te nemen. Ook moeten ze regelen dat dan genoeg mensen beschikbaar zijn om de maatregelen uit te voeren. Het blijkt dat maatwerk nodig is omdat dreigingen per bedrijf kunnen verschillen.
    • NethMap 2021. Consumption of antimicrobial agents and antimicrobial resistance among medically important bacteria in the Netherlands in 2020 / MARAN 2021. Monitoring of Antimicrobial Resistance and Antibiotic Usage in Animals in the Netherlands in 2020

      de Greeff, SC; Schoffelen, AF; Verduin, CM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-06-24)
      De uitbraak van SARS-CoV-2 (het coronavirus) heeft de gezondheidszorg in Nederland erg belast. Er hebben meer mensen op de IC gelegen en de reguliere zorg is afgeschaald. Toch lijkt het er niet op dat er in 2020 meer bacteriën resistent zijn geworden tegen antibiotica. Bij sommige bacteriesoorten is de resistentie zelfs afgenomen ten opzichte van de jaren ervoor. Ook is het aantal bacteriën dat resistent is tegen verschillende antibiotica tegelijk, waardoor ze moeilijker te behandelen zijn, gelijk gebleven. De effecten van de coronauitbraak op de antibioticaresistentie op de langere termijn zijn nog niet duidelijk. Wereldwijd komt het steeds vaker voor dat infecties worden veroorzaakt door bacteriën die resistent zijn tegen antibiotica. In Nederland is dat probleem minder groot dan in veel andere landen. Vanwege de situatie in de wereld blijft het belangrijk om in Nederland waakzaam te blijven. Dan kan het op tijd worden opgemerkt als het resistentieprobleem toeneemt. Om antibioticaresistentie te voorkomen is het belangrijk om antibiotica op de juiste manier te gebruiken en alleen als het nodig is. Huisartsen schreven het afgelopen jaar in Nederland ongeveer 10 procent minder antibioticakuren voor dan de jaren daarvoor. Door de maatregelen tegen het coronavirus, zoals afstand houden en thuis werken, kwamen veel infectieziekten die van mens op mens overdraagbaar zijn minder vaak voor. Ook gingen er minder mensen naar een huisarts. In ziekenhuizen bleef de totale hoeveelheid gebruikte antibiotica in 2019 ongeveer stabiel. De gegevens over het gebruik in ziekenhuizen in 2020 zijn nog niet bekend. De maatregelen die in Nederland zijn genomen om antibioticaresistentie te bestrijden, reiken verder dan de gezondheidszorg. Resistente bacteriën komen namelijk ook voor bij dieren, in voeding en in het milieu (One Health-aanpak). De laatste tien jaar zijn bij varkens, koeien en kippen die voor de voedselproductie worden gehouden (landbouwhuisdieren) de aanwezige darmbacteriën steeds minder resistent geworden. Ten opzichte van 2019 is de antibioticaresistentie in de verschillende diersectoren ongeveer gelijk gebleven. ESBLproducerende darmbacteriën in vleeskuikens en op kippenvlees kwamen in 2020 minder vaak voor. In de andere diersectoren zijn deze resistente bacteriën ongeveer even vaak aangetroffen als in 2019. ESBL zijn enzymen die veelgebruikte antibiotica kunnen afbreken, zoals penicillines. In 2020 zijn voor landbouwhuisdieren iets meer antibiotica verkocht dan in 2019. Ten opzichte van 2009, het referentiejaar, is de verkoop met bijna 70 procent verminderd. Voor landbouwhuisdieren zijn de afgelopen jaren bijna geen antibiotica gebruikt die van cruciaal belang zijn om infecties bij de mens te behandelen. Dit blijkt uit de jaarlijkse rapportage NethMap/MARAN 2021. Hierin presenteren diverse organisaties samen de gegevens over het antibioticagebruik en -resistentie in Nederland, voor mensen en dieren.
    • The 25th EURL-Salmonella workshop, 17 and 18 September 2020, Online

      Mooijman, KA (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-06-17)
      Het RIVM heeft de verslagen gebundeld van de presentaties van de 25e workshop voor de Europese Nationale Referentie Laboratoria (NRL’s) voor Salmonella (17-18 september 2020). Deze workshop wordt elk jaar georganiseerd. Het doel is dat het overkoepelende orgaan, het Europese Referentie Laboratorium (EURL) voor Salmonella, en de NRL’s informatie uitwisselen. Door de uitbraak van het coronavirus is de workshop online georganiseerd. In elke workshop is er veel aandacht voor de ringonderzoeken die het EURL elk jaar organiseert om de kwaliteit van de NRL’s te controleren. In 2020 is voor het eerst een ringonderzoek georganiseerd om Salmonella in mosselen te analyseren. De NRL’s scoorden goed in de ringonderzoeken van 2019 en 2020. In dit rapport staan de ringonderzoeken kort beschreven. Uitgebreide informatie staat in de rapporten die over elk ringonderzoek worden uitgegeven. Om Salmonella heel precies te karakteriseren wordt Whole Genome Sequencing gebruikt. Verschillende presentaties lieten zien dat deze techniek goed te gebruiken is voor Salmonella. Vooral bij onderzoek naar uitbraken is deze techniek zeer waardevol. Andere presentaties gaven informatie over andere methoden om Salmonella aan te tonen en te karakteriseren. Ook zijn de procedures om methoden te valideren en verifiëren uitgelegd. Het EURL voor Salmonella, dat onderdeel is van het RIVM, organiseert deze workshop. Een belangrijke taak van het EURL-Salmonella is de kwaliteit van de nationale referentielaboratoria voor deze bacterie in Europa controleren.
    • Monitor cliëntondersteuning 2020: cijfers en ervaringen

      Hulshof, TA; de Bekker, A; Verweij, A; Baâdoudi, F; Bauer, F; de Bruin-Kooistra, M; Eeuwijk, J; van den Brink, CL (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-06-14)
      Onafhankelijke cliëntondersteuning is ingevoerd om met mensen mee te denken over zorg en ondersteuning. Een cliëntondersteuner geeft informatie, advies en korte tijd ondersteuning om de cliënt op weg te helpen bij hulpvragen. Het gaat hierbij om vragen over bijvoorbeeld maatschappelijke ondersteuning, zorg, jeugdhulp, onderwijs, wonen, werk en inkomen. Het doel van cliëntondersteuning is de zelfredzaamheid en participatie van mensen te versterken. Als mensen eenmaal een cliëntondersteuner aan hun zijde hebben, zijn ze daarmee goed geholpen. Het ontlast hen dat er iemand meekijkt en weet welke wetten en regels er gelden, zeker bij complexe zorgvragen. Alleen weten veel mensen niet dat ze een cliëntondersteuner kunnen krijgen en hoe ze ermee in contact kunnen komen. Dit blijkt uit de eerste Monitor cliëntondersteuning van het RIVM. Het RIVM heeft in kaart gebracht hoe het er voor staat met de vraag, het aanbod, de bekendheid en kwaliteit van cliëntondersteuning in Nederland. De Monitor cliëntondersteuning is in opdracht van het ministerie van VWS ontwikkeld. De monitor bevat cijfers uit onderzoeken en ervaringen uit interviews met onder andere cliëntondersteuners en cliënten. Gemeenten en zorgkantoren zijn wettelijk verplicht om cliëntondersteuning aan te bieden. Toch zijn er mensen die ervoor in aanmerking zouden komen (potentiële cliënten) en er gebruik van hadden willen maken, maar dat niet hebben gedaan. Vaak komt dat omdat ze niet weten dat cliëntondersteuning bestaat (50 procent van de potentiële cliënten). Ook zijn niet alle professionals die mensen op cliëntondersteuning kunnen wijzen, zoals huisartsen en wijkverpleegkundigen, ermee bekend (46 procent van deze ‘toeleiders’). Uit gesprekken met cliëntondersteuners, cliënten en gemeenten blijkt dat een aantal zaken rond cliëntondersteuning onduidelijk zijn. Zo is het niet altijd duidelijk wat de rol van de cliëntondersteuner precies is en hoe die zich verhoudt tot andere partijen in de zorg. Bovendien komt de onafhankelijkheid van de cliëntondersteuner soms in het geding. Bijvoorbeeld als zijzelf ook besluiten of ondersteuning wordt toegekend, of bij een organisatie werken die zelf zorg aanbiedt.
    • Prijsgevoeligheid van rokers. Gedragseffecten van accijnsverhoging: stoppen, minderen, goedkoper product roken of kopen over de grens?

      Visscher, K; Lambooij, M; Suijkerbuijk, A; van Gils, P; de Wit, A (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-06-11)
      In Nederland sterven elk jaar 20.000 mensen aan ziekten die een gevolg zijn van roken, zoals hart- en vaatziekten en kanker. Sterfte als gevolg van roken is te voorkomen. In het Preventieakkoord staan verschillende maatregelen om er voor te zorgen dat mensen stoppen met roken of om te voorkomen dat ze daarmee beginnen. Tabak duurder maken is een maatregel waarvan bewezen is dat hij effect heeft. Daarom is vanaf 1 april 2020 de accijns op een pakje sigaretten (20 stuks) verhoogd met €1, en op een pakje shag (50 gram) met €2,50. Het RIVM heeft onderzocht of deze accijnsverhoging effect heeft gehad op rookgedrag. Hiervoor is een groep mensen, voordat de accijnsverhoging werd ingevoerd, gevraagd wat zij verwachten te gaan doen. Na de accijnsverhoging is hen gevraagd wat zij daadwerkelijk hebben gedaan. Mensen hebben inderdaad hun rookgedrag veranderd, maar minder dan zij vooraf verwachtten. Rookgedrag is in de onderzochte periode niet alleen beïnvloed door de prijsverhoging maar ook door de uitbraak van SARS-CoV-2 dat jaar. Vanaf april 2020 is 11 procent van de ondervraagde rokers met roken gestopt. Dat is meer dan de circa 3 procent van de rokers die gemiddeld per jaar stoppen. Van de bevraagde mensen is 25 procent minder gaan roken, en 8 procent een ander, goedkoper product gaan gebruiken. Vier procent kocht zijn rookwaren vaker in het buitenland. Dat deden vooral mensen die vlak bij de grens met Duitsland en België wonen, waar tabak goedkoper is. De accijnsverhoging heeft er niet toe geleid dat veel meer mensen hun rookwaar over de grens gingen kopen. Dat komt ook omdat de grens met België gesloten was tijdens de eerste lockdown. Ruim een kwart van de rokers gaf aan dat zij dat wel vaker zouden hebben gedaan als de grenzen open waren gebleven. De resultaten van dit onderzoek zijn duidelijk beïnvloed door de uitbraak van SARS-CoV-2. Deelnemers gaven aan dat het virus eraan heeft bijgedragen dat zij zijn gaan minderen of gestopt zijn om gezonder te leven. Andere deelnemers (32 procent) zijn er juist meer door gaan roken.
    • Implementatieplan vitamine K-profylaxe voor zuigelingen

      Verkaik-Kloosterman, J; de Jong, MH (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-06-10)
      Baby’s krijgen vlak na de geboorte vitamine K, omdat een tekort aan vitamine K bloedingen kan veroorzaken. De gevolgen van deze bloedingen kunnen heel ernstig zijn, vooral als dat in de hersenen gebeurt. Zuigelingen krijgen vitamine K nu in de vorm van druppels. De Gezondheidsraad gaf in 2017 aan dat druppels vitamine K sommige kinderen niet genoeg beschermen en een andere vorm nodig is. Het gaat om kinderen die borstvoeding krijgen en een verstoorde vetopname hebben. Bij de geboorte is niet te zien bij welke kinderen dit het geval is. Uit internationale studies blijkt dat toediening bij hen via een prik beter werkt. Om een keuze te kunnen maken heeft het ministerie van VWS eerder aan het RIVM gevraagd aanvullende informatie te verzamelen, over bijvoorbeeld de uitvoerbaarheid en kosten van de verschillende toedieningsvormen en het draagvlak onder professionals daarvoor. Naar aanleiding daarvan denkt VWS erover om baby's na de geboorte vitamine K via een prik te geven. Daarna heeft het RIVM in opdracht van VWS een plan gemaakt wat nodig is om de toedieningsvorm te veranderen (implementatieplan). Het RIVM heeft dit plan met zorgprofessionals uit de geboortezorg en belangenorganisaties van ouders gemaakt. Het plan is nodig omdat de toediening via een prik gevolgen heeft voor verschillende processen in de geboortezorg. Zo moeten het voorlichtingsmateriaal voor ouders en de digitale dossiers van het kind worden aangepast. Het is namelijk belangrijk om bij te houden welke baby’s de prikvorm krijgen en of dat inderdaad goed werkt. Verschillende beroepsgroepen in de geboortezorg en organisaties die ouders vertegenwoordigen, steunen allemaal de andere aanpak. Baby’s krijgen hierbij direct na de geboorte een prik met vitamine K. Eén prik is dan genoeg. Als ouders dit niet willen, kan hun baby de vitamine via de mond krijgen. Dan zijn er drie doses nodig.
    • Beoordeling van gezondheidsrisico’s bij gebruik van ethanol bevattende handgel

      Hendriks, HS; Woutersen, M; ter Burg, W; Bos, PMJ; Schuur, AG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-06-04)
      Ethanol (alcohol) is een chemische stof die bacteriën en virussen kan doden. Het wordt daarom vaak gebruikt als ontsmettingsmiddel, bijvoorbeeld in desinfecterende handgels. Ethanol heeft ook eigenschappen waardoor het ernstige ziekten kan veroorzaken. Voorbeelden zijn kanker of een verminderde vruchtbaarheid. Ook kan het de ontwikkeling van een ongeboren kind beïnvloeden. Dit betekent niet dat iemand die in contact komt met de stof altijd deze ziekten krijgt. De kans daarop wordt groter naarmate iemand meer, vaker en een lange tijd ethanol binnenkrijgt. Om te voorkomen dat het coronavirus (SARS-CoV-2) zich verspreidt, zijn veel mensen vaker handgels met ethanol gaan gebruiken. De ministeries van VWS en SZW wilden weten of mensen hierdoor een grotere kans hebben om (ernstige) ziekten te krijgen. Het RIVM heeft daarom de gezondheidsrisico’s van het gebruik van ethanol bevattende handgels beoordeeld. Bij een risicobeoordeling beoordeelt het RIVM de gezondheidsrisico’s voor groepen mensen in de samenleving, zoals in dit geval consumenten en werknemers. Daardoor is het niet mogelijk om kansen aan te geven voor individuen. De beoordeling richt zich op de kans op borstkanker, darmkanker en verminderde vruchtbaarheid. Het blijkt dat de totale hoeveelheid ethanol waarmee mensen over een langere periode in aanraking komen zo laag is, dat het geen darmkanker of verminderde vruchtbaarheid veroorzaakt. Wel neemt de kans op borstkanker zeer licht toe. Het RIVM heeft de kansen op borstkanker op een rij gezet bij verschillende frequenties van het gebruik op een dag en de totale periode waarin handgel wordt gebruikt. De kans op borstkanker wordt in het algemeen aangegeven met het aantal personen dat op 1 miljoen mensen de kans heeft om tijdens hun leven deze ziekte te krijgen. Borstkanker komt vaak voor in Nederland. Vrouwen die geen ethanol bevattende handgel gebruiken, hebben een kans van ongeveer 143.000 op 1.000.000 mensen om tijdens hun leven borstkanker te ontwikkelen. Vrouwen die bijvoorbeeld 1 jaar elke dag 10 keer handgel gebruiken hebben een kans van 143.006 op 1.000.000 om gedurende hun leven borstkanker te ontwikkelen. Ook is gekeken naar werknemers die beroepsmatig veel in aanraking komen met handgels, zoals in de zorg. Bij hen is de kans op borstkanker iets groter dan bij consumenten. Bijvoorbeeld: wanneer zij een jaar lang 25 keer per werkdag handgel met ethanol gebruiken, is er een kans van 143.015 op 1 miljoen mensen om borstkanker te ontwikkelen. Voor werknemers zijn grenzen gesteld met hoeveel ethanol zij beroepsmatig per dag in aanraking mogen komen. Deze zogenoemde wettelijke grenswaarde wordt bereikt wanneer een volwassen medewerker elke dag 32 keer ethanol bevattende handgel gebruikt.
    • Herziening van de risicobeoordeling van GenX en PFOA in moestuingewassen in Dordrecht, Papendrecht en Sliedrecht

      Boon, PE; te Biesebeek, JD; Bokkers, BGH; Bulder, AS (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-06-04)
      In 2018 heeft het RIVM een risicobeoordeling uitgevoerd van GenX en PFOA (perfluoroctaanzuur) in moestuingewassen rond het chemiebedrijf Dupont/Chemours in Dordrecht. Deze stoffen zijn door de uitstoot van dit bedrijf in de bodem terechtgekomen en zijn opgenomen door gewassen in deze moestuinen. De conclusie was toen dat moestuingewassen die binnen een straal van 1 kilometer rondom het bedrijf zijn geteeld, konden worden gegeten, maar niet te vaak en niet te veel. Gewassen buiten deze straal konden veilig worden gegeten. Dit advies is gegeven op basis van de gezondheidskundige grenswaarden die toen golden en concentraties van GenX en PFOA die in 2017 in deze moestuingewassen zijn gemeten. In 2020 heeft de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid EFSA een nieuwe gezondheidskundige grenswaarde bepaald. Nieuwe wetenschappelijke informatie was daar de aanleiding voor. De nieuwe grenswaarde is lager, en dus strenger. De stoffen kunnen al bij een lagere blootstelling schadelijk zijn voor de gezondheid. Deze kennis was er bij de eerdere beoordeling niet. Deze nieuwe grenswaarde is nu vergeleken met de hoeveelheid GenX en PFOA die mensen binnen kunnen krijgen via de moestuingewassen. Hiervoor zijn de concentraties uit 2017 gebruikt. Op basis van deze kennis adviseert het RIVM om geen gewassen te eten uit moestuinen die binnen een straal van 1 kilometer rondom DuPont/Chemours liggen. Bij dit advies is er rekening mee gehouden dat mensen waarschijnlijk ook via andere bronnen aan deze stoffen worden blootgesteld. Voorbeelden zijn drinkwater en andere voedselproducten dan uit de moestuin. Het is niet mogelijk om met de nieuwe inzichten een conclusie te trekken voor de moestuingewassen uit tuinen die verder weg liggen, in een straal van 1 tot 4 kilometer rondom DuPont/Chemours. In deze gewassen waren bijna alle concentraties lager dan de concentraties die in 2017 konden worden gemeten. Voor deze gewassen is de precieze concentratie van GenX en PFOA dus niet bekend, waardoor er geen risicobeoordeling kan worden uitgevoerd. De risicobeoordeling is gebaseerd op concentraties die in 2017 zijn gemeten. Sinds die tijd is de methode waarmee deze stoffen worden gemeten verder verbeterd. Nieuwe metingen in gewassen kunnen daardoor beter inzicht geven in de hoeveelheid van GenX en PFOA die mensen nu binnen kunnen krijgen via moestuingewassen afkomstig uit de omgeving van het chemiebedrijf.
    • Herziening van de risicobeoordeling van PFAS in moestuingewassen in Helmond

      Boon, PE; te Biesebeek, JD; Bokkers, BGH; Bulder, AS (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-06-04)
      In 2019 heeft het RIVM een risicobeoordeling uitgevoerd van GenX en PFOA (perfluoroctaanzuur) in moestuingewassen uit het volkstuinencomplex Sluisdijk. Deze moestuinen liggen 450 meter ten noordoosten van chemiebedrijf Custom Powders in Helmond. De stoffen, die horen bij de groep poly- en perfluoroalkylstoffen (PFAS), zijn door de uitstoot van dit bedrijf in de bodem terechtgekomen en opgenomen door gewassen in de moestuinen. De conclusie was toen dat de moestuingewassen veilig konden worden gegeten. Dit advies is gegeven op basis van de gezondheidskundige grenswaarden die toen golden en concentraties van GenX en PFOA die in 2018 in deze moestuingewassen zijn gemeten. In 2020 heeft de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid EFSA een nieuwe gezondheidskundige grenswaarde bepaald voor PFAS. Nieuwe wetenschappelijke informatie was daar de aanleiding voor. De nieuwe grenswaarde is lager, en dus strenger. De stoffen kunnen al bij een lagere blootstelling schadelijk zijn voor de gezondheid. Deze kennis was er bij de eerdere beoordeling niet. Deze nieuwe grenswaarde is nu vergeleken met de hoeveelheid GenX en PFOA die mensen kunnen binnenkrijgen via de moestuingewassen uit het volkstuinencomplex Sluisdijk. In deze herbeoordeling is ook onderzocht hoeveel PFHpA (perfluorheptaanzuur) mensen kunnen binnenkrijgen; dit is een andere PFAS die is aangetroffen in de moestuingewassen. Op basis van de nieuwe kennis over PFAS adviseert het RIVM om geen gewassen te eten uit volkstuinencomplex Sluisdijk (Helmond). Bij dit advies is er rekening mee gehouden dat mensen ook via andere bronnen aan deze stoffen worden blootgesteld. Voorbeelden zijn drinkwater en andere voedselproducten dan uit de moestuin. De risicobeoordeling is gebaseerd op concentraties die in 2018 zijn gemeten. Sinds die tijd is de methode waarmee PFAS worden gemeten, verder verbeterd. Nieuwe metingen in gewassen kunnen daardoor beter inzicht geven in de hoeveelheid PFAS die mensen nu binnen kunnen krijgen via moestuingewassen afkomstig uit de omgeving van het chemiebedrijf.
    • Risicoschatting PFAS in recreatieplas Berkendonk in Helmond

      Geraets, L (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-06-04)
      Het RIVM heeft in 2018 een voorlopige risicoschatting uitgevoerd voor twee perfluoralkyl-stoffen (PFAS), namelijk PFOA en GenX, in de recreatieplas Berkendonk in Helmond. De voorlopige conclusie was toen dat er geen negatieve effecten zijn voor de gezondheid door te zwemmen in deze plas. Voor de risicobeoordeling zijn toen de gezondheidskundige grenswaarden voor PFOA en GenX gebruikt die het RIVM in 2016 voor deze stoffen bepaalde. In opdracht van de gemeente Helmond heeft het RIVM dit onderzoek opnieuw gedaan met nieuwe gegevens over PFAS. Ook nu concludeert het RIVM dat mensen aan PFAS worden blootgesteld door te zwemmen in deze recreatieplas. Maar deze blootstelling is zo laag dat deze geen negatieve effecten heeft voor de gezondheid. Voor dit onderzoek is de nieuwe gezondheidskundige grenswaarde voor PFAS gebruikt én uitgebreidere informatie over de hoeveelheid PFAS in recreatieplas Berkendonk. De Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid EFSA heeft in 2020 een nieuwe gezondheidskundige grenswaarde bepaald. De nieuwe grenswaarde is lager, en dus strenger. Nieuwe wetenschappelijke informatie was daar de aanleiding voor. De stoffen kunnen al bij een lagere blootstelling schadelijk zijn voor de gezondheid. PFAS horen tot een groep van chemische stoffen die door mensen gemaakt is en van nature niet voorkomt in het milieu. Dit onderzoek en de conclusie gaan alleen over de mogelijke risico’s van een blootstelling aan PFAS door zwemmen. Mensen kunnen ook via andere bronnen aan PFAS worden blootgesteld, zoals voedsel, drinkwater, lucht. Al deze bronnen dragen bij aan de totale blootstelling aan PFAS. De risico’s van de totale blootstelling aan PFAS valt buiten de scope van dit onderzoek.