• Enkele polycyclische en N-heterocyclische aromatische koolwaterstoffen in gebakken of gegrild vlees en vleesprodukten

      Vaessen HAMG; Wilbers AAMM; Jekel AA (1988-11-30)
      Beschreven worden de resultaten van het onderzoek van 12 monsters gegrilleerd resp. gebakken vlees en vleesprodukten op 15 polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK's) en 7 N-heterocyclische aromatische koolwaterstoffen (N-PAK's). De totale PAK-besmetting der monsters, som der 15 PAK's, verschilt meer dan een factor 100 ; laagste besmetting 5,1 mug/kg, hoogste 620 mug/kg. Hiervan is gemiddeld 39% afkomstig van carcinogene PAK's ; spreiding 35-43%. Driekwart van de monsters overschrijdt de West-Duitse norm voor benzo(a)pyreen van 1 mug/kg voor vlees en vleeswaren ; hoogste benzo(a)pyreengehalte ; 53 mug/kg. De N-PAK besmetting en de PAK-besmetting lopen niet parallel ; gewoonlijk is de N-PAK besmetting < 0,1 mug/kg. Kenmerkend voor de PAK-besmetting door bakken en grilleren is dat de benzo(e)pyreen/benzo(a)pyreenverhouding << 1 is. Bij andere levensmiddelen is deze verhouding gewoonlijk > 1.
    • Evaluation of the results of the 2nd intercomparison of methods for polycyclic aromatic hydrocarbons (PAHs) in food

      Vaessen HAMG; Kamp CG van de; Jekel AA (1987-08-31)
      De resultaten worden beschreven en geevalueerd van het 2e vergelijkende onderzoek uitgevoerd voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAKs) in levensmiddelen. Onderzocht werden een PAK-testoplossing (16-meetresultaten), cocosnootolie (14 meetresultaten) en gevriesdroogde boerenkool (12 meetresultaten). De resultaten verkregen met TLC geven aan dat deze techniek niet geschikt is voor PAK-certificeringsonderzoek. De meetresultaten voor cocosnootolie zijn in het algemeen beter dan die voor gevriesdroogde boerenkool. Voor de individuele analyten i.e. de afzonderlijke PAK's zijn de verschillen soms echter nog erg groot, ook wanneer laboratoria vrijwel identieke analysemethoden gebruiken. Gebleken is dat sommige deelnemers nog grote problemen hebben met de isolatie en zuivering van de PAH's. Aanbevolen wordt een derde vergelijkend onderzoek uit te voeren met een blanco en een PAK verrijkte cocosnoot olie.
    • Farmacokinetiek en biologische beschikbaarheid van benzo(a)pyreen (BaP) in de RIV:tox rat

      Lusthof KJ; Olling M; Kroese ED; Beenen J; Poelen MJ; Vaessen HAMG; Kamp CG van de (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1993-05-31)
      Eight groups of six male RIV:tox rats received oral and intravenous doses of benzo(a)pyrene (BaP) in a parallel study plan. Intravenously and orally four dose levels were administered. BaF was dissolved in soybean oil for oral administration, and in glycofurol for intravenous administration. The doses were such, that the absolute oral bioavailability could be calculated for two dose levels. The plasma pharmacokinetics of BaP after intravenous administration were described by a two-compartment model. The corresponding kinetic parameters were calculated. The elimination half-life of BaP was approx. 30-60 min. in the period 0-12 h after administration. Therefore, unchanged BaP will not accumulate after repeated administration, when it is administered once daily. The AUC values (area under the plasma concentration-time curve) increased more than proportionally with the oral or intravenous dose. The deviation from linearity was small for the doses used in this study. After oral administration multiple plasma concentration maxima were observed, which may be explained by an interaction of the oil solution with the bile. The absolute oral bioavailability of unchanged BaP was approx. 13% for a dose of 1 mg/kg and approx. 4% for a dose of 5 mg/kg. This does not mean, that the absorption of BaP decreased with increasing doses, because the non-linear increase of the AUC values with the dose may be explained by saturation of metabolism. The kinetic parameters and the oral bioavailability were in the same range as found in the literature for other rat species.
    • Integrated Criteria Document PAH&apos;s

      Sloof W; Matthijsen AJCM; Montizaan GK; Ros JPM; van den Berg R; Eerens HC; Goewie CE; Kramers PGN; van de Meent D; Posthumus R; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1989-11-30)
      Dit rapport bevat een systematisch overzicht en een kritische evaluatie van de belangrijkste gegevens over de prioritaire stofgroep PAK ten behoeve van het effectgericht milieubeleid.<br>
    • Inventarisatie van analysemethoden voor afvalstoffen. Status rapport ten behoeve van een standaardisatieproces, gebaseerd op de resultaten van een workshop gehouden op 30 maart 1990 te Bilthoven

      Tukker A; de Wilde PGM; Aalbers TG; de Boer JLM; Brinkmann FJJ; Liem AKD; Reijnders HFR; Slingerland P; Vaessen HAMG; Wammes JIJ (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1990-07-30)
      On 30 March of 1990 the Dutch Inspectorate for the Environment and the National Institute of Public Health and Environmental Protection organised a workshop on the theme "Standardization of methods of analysis for hazardous waste". With the increasing attention for putting into practice environmental policy and the intensification of the enforcement of environmental legislation, a growing need was felt for uniform and standardized methods of analysis. During the workshop and its preparation 85 combinations of components and waste streams were inventoried by which methods of analysis are currently used, what quality they have, and which ones can be taken into consideration to be standardized, based on expected consensus. For twelve specific determinations (very) tentative draft proposals for (investigations for the development of) a standardised method were drawn up. The result of these activities is a thorough knowledge about the 'State of the Art' of the analysis of waste materials in the Netherlands.<br>
    • An investigation of the pathophysiological mechanisms of hydrofluoric acid intoxication in rats and pigs. Interim report concerning the results of phase 2.1: The effect of sodium fluoride infusion on the plasma concentrations of lactate and magnesium

      Boink ABTJ; de Wildt DJ; de Jong Y; de Groot G; Vaessen HAMG; Meulenbelt J; van Dijk A; Vosmeer H (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1990-08-31)
      From a previous study it was concluded that intravenous infusion of sodium fluoride (NaF) in rats is a suitable model to study the toxicity of hydrofluoric acid. In this supplementary study we investigated the effect of intravenous infusion of a high and low dose of NaF (120 and 25 mg.kg -1.hr -1) on the plasma concentration of lactate, magnesium, potassium and inorganic phosphate. As compared to the control groups an increase of the lactate concentration in plasma was found, mainly in the terminal phase of the NaF infusion period. This indicates that the decrease of base excess which is frequently found in fluoride intoxications, is caused by tissue hypoxia following impaired circulation. The magnesium concentration in plasma decreased steadily during both NaF infusions. Because magnesium ions have an essential role in many enzymatic processes and because changes of the magnesium concentration in plasma exert hemodynamical effects further studies into the consequences of these finding seem justified. In the terminal stage of NaF infusion hyperkalemia was observed. From our experiments it is unclear whether this rise of the potassium concentration is due to fluoride itself, the treatment-induced acidosis, or that cell necrosis due to hypoperfusion is responsible for this increase.<br>
    • Jodide-opname per persoon en per dag, bepaald via onderzoek van duplicaat 24-uurs voedingen bemonsterd in 1984/85

      Vaessen HAMG; Kamp CG van de (1989-04-30)
      Resultaten worden gepresenteerd van het onderzoek naar de jodide-opname met de etmaalvoeding en drank door volwassen Nederlanders, 53 vrouwen en 57 mannen, in de leeftijdscategorie 18-74 jaar. Bemonsteringsperiode: oktober 1984 (N=54) en maart 1985 (N=56). Als methode van onderzoek werd toegepast natte ontsluiting van de analyseportie gevolgd door de meting van jodide via de Sandell-Kolthoff-reactie. Ter kwaliteitsbewaking zijn alle bepalingen tenminste in duplo verricht, werd in elke meetsessie NBS "Bovine Liver" 1577 geanalyseerd en zijn opbrengstexperimenten uitgevoerd. De jodide-opname van de doelgroep bedraagt 45-933 mug per persoon en per dag ; gemiddeld wordt 197 mug opgenomen en mediaan 148 mug/persoon/dag. In 15% van de gevallen is de opname lager dan 100-200 mug jodide per persoon en per dag die algemeen voldoende wordt geacht. Het gehalte aan jodide van een kilogram gemiddelde duplicaatvoeding (dit onderzoek) en "market basket" voeding, CIVO-TNO voedingsonderzoek 1984/1986, is gelijk. De gemiddelde orale jodide-opname is in ons land iets lager dan in het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten.
    • Kant-en-klaar maaltijden ; gehalte aan ijzer, selenium, natrium (zout) en kalium

      Vaessen HAMG; Ooik A van; Vliet JJH van; ARO (1994-06-30)
      Onderzoek van 46 kant-en-klaar maaltijden, waarvan 32 van het type vakantiemaaltijd en 14 van het koelverse type, op gehalte aan ijzer, selenium, natrium en kalium. De vakantie maaltijden bevatten gemiddeld 33,9 mg/kg ijzer, 122 mug/kg selenium, 10,9 g/kg natrium en 8,8 g/kg kalium. Voor de koelverse maaltijden zijn deze gehalten 8,3 mg/kg ijzer, 46 mug/kg selenium, 4,0 g/kg natrium en 1,7 g/kg kalium. Per type maaltijd is er gemiddeld nauwelijks verschil in hoeveelheid ijzer en kalium per portie. Koelverse maaltijden bevatten daarentegen per portie gemiddeld 60 % meer selenium en natrium dan porties vakantie maaltijd. Bij consumptie van een gemiddeld "warme maaltijd vervangend" produkt wordt per portie meer dan 60% ingenomen van de volgens voedingsdeskundigen verantwoorde hoeveelheid keukenzout per dag. De molaire natrium/kalium-verhouding van de kant-en-klaar maaltijden is gemiddeld 3,6 en varieert van 0,4-12,7. Zowel een hoge keukenzoutinname als een natrium/kalium-verhouding groter dan 1 worden beschouwd als potentieel risicoverhogende factoren voor het optreden van hypertensie. Een gemiddelde portie van de bestudeerde kant-en-klaar maaltijd bevat te veel keukenzout en te weinig van de hier bepaalde voedingsstoffen. Dit weinig positieve oordeel sluit aan bij dat van consumentenorganisaties die recent dit soort produkt eveneens onderzochten. De verantwoordelijke gezondheidsinstanties wordt dringend aanbevolen afspraken te maken met de fabrikanten van deze produkten over een minimum kwantiteit en voedingskundige kwaliteit per portie kant-en-klaar maaltijd.
    • Kopergehalte van semi-synthetisch proefdiervoeder: Een probleem?

      Vaessen HAMG; Loon JW van (1989-10-31)
      Beschreven wordt het onderzoek naar de oorzaken van de te lage kopergehalten gemeten voor SSP-TOX proefdiervoeders. Voor het onderzoek zijn gebruikt drie monsters SPP-TOX voer en het standaard referentiemateriaal "Whole Meal Flour". Koper werd bepaald met drie verschillende methoden van onderzoek waarbij als meettechniek werd toegepast zowel vlam als vlamloze atomaire-absorptiespectrometrie. Vastgesteld is dat de onderzoeksmethode die tot nu toe is gebruikt voor proefdiervoeders ook goed voldoet voor SSP-TOX voer. De methode levert nauwkeurige en goed herhaalbare meetresultaten. De te lage kopergehalten zijn te wijten aan de niet homogene verdeling in het voer van kopersulfaat dat via de vitamine/spoorelement-premix wordt toegevoegd. Geconstateerd wordt dat dexe inhomogeniteit kan leiden tot een te lage koperstatus bij proefdieren ; b.v. ratten. Aanbevolen wordt poedervormig in plaats van kristallijn kopersulfaat te gebruiken voor het verrijken van het voer.
    • Lithium, rubidium en cesium opname per persoon en per dag, bepaald via onderzoek van duplicaat 24-uurs voedingen bemonsterd in 1984/1985

      Vaessen HAMG; Kamp CG van de (1989-02-28)
      Onderzocht op lithium, rubidium en cesium is de 24-uurs voeding en drank van 53 vrouwen en 57 mannen, leeftijdscategorie 18-74 jaar, uit de regio Utrecht. Deelpopulatie is representatief voor volwassen Nederlanders en werd bemonsterd in 1984/1985. Alle drie de elementen zijn bepaald met atoomemissies spectrometrie na nat ontsluiten van de analyseportie. Ter kwaliteitsbewaking van het onderzoek zijn duplobepalingen uitgevoerd. De gemiddelde orale lithium opname bedraagt 14,6 mug/persoon/dag ; spreiding 4,5-34,9 mug/persoon/dag. De gemiddelde rubidium opname is 2,9 mg/persoon/dag ; spreiding 1,1-7,4 mg. De lithiumopname ligt nu ca. 40% lager dan in 1976/1978; de rubidium opname toen en nu is vrijwel gelijk. De cesium opname kon niet precies worden gemeten omdat de beschikbare analysemethode hiervoor onvoldoende gevoelig is. Aangetoond kon echter worden dat de opname zeer waarschijnlijk in alle gevallen lager is dan 40 mug/persoon/dag.
    • Luchtverontreiniging door de Luchthaven Schiphol. Deel III. Meetresultaten organische componenten en mutageniteit

      Bloemen HJT; Bos HP; Jekel AA; Vaessen HAMG; Voogd CE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1991-02-28)
      Air pollution around the Airport Schiphol has been characterized by the concentration of organic compounds and mutagenicity. At a limited number of days the concentration of volatile organic compounds and polycyclic aromatic hydrocarbons as well as the mutagenic activity of particulate matter, tested according to Ames, have been determined. The found concentrations and mutagenic activity are comparable with those usually measured in urban areas.<br>
    • De macro-samenstelling en energie-inhoud van duplicaat 24-uurs voedingen bemonsterd in 1984/1985

      Vaessen HAMG; Ooik A van; Zuydendorp J; Kamp CG van de (1987-06-30)
      Onderzocht zijn 110 duplicaat porties van de 24-uurs voeding van 58 mannen en 52 vrouwen in de leeftijdsgroep van 18 tot 74 jaar; verzamelperiode oktober 1984 (N=56) en maart 1985 (N=54). De bemonsteringsperiode blijkt nauwelijks van invloed op de gemiddelde en mediane inneming aan vet, eiwit, koolhydraten en energie. Verder valt op dat de gemiddelde inneming nu lager is dan in het 1976/1978 onderzoek van de duplicaat porties van 24-uurs voeding ; alleen vet vormt hierop een uitzondering. Vergeleken met internationale aanbevelingen wordt gemiddeld te veel vet en eiwit geconsumeerd en te weinig koolhydraten. De uitkomsten van dit onderzoek van duplicaat porties van 24-uurs voeding zijn vergeleken met die van voedingsonderzoek uitgevoerd volgens het "market basket" model. Conclusie: de macro-samenstelling en energie-inhoud van een kg 24-uurs voeding verschilt gemiddeld niet.
    • N-nitrosodiethanolamine (NDELA) en de N-nitrosamine problematiek in cosmetica - Een vogelperspectief

      Vaessen HAMG; Rijst van der EC; Melis PHAM; ARO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-11-30)
      The N-nitrosamine problem in cosmetics has been reviewed on behalf of the Chief Inspectorate of Health Protection (HIGB). Problem issues that emerge from this review are NDELA [N-nitroso-diethanolamine] and NMPABAO [2-ethylhexyl 4-(N-nitroso-N-methylamino)-benzoate]. Data on the NMPABAO content of Dutch retail samples are lacking and those available for NDELA date back to the early eighties. N-nitrosamines pose a potential consumer health risk and these compounds should not be present in cosmetic products. Since 1992 legal guidelines that restrict the occurrence of N-nitrosamines in cosmetics are operational in the European Union. It is advised to analyse a selected number of Dutch retail samples for NDELA and NMPABAO and to develop an appropriate method of analysis. A combination of capillary gas chromatography and chemiluminescence detection with a Thermal Energy Analyzer (TEA) is estimated to be best suitable for this.
    • N-nitrosodiethanolamine (NDELA) en de N-nitrosamine problematiek in cosmetica - Een vogelperspectief

      Vaessen HAMG; Rijst EC; Melis PHAM; ARO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-11-30)
      Op verzoek van de HIGB is de N-nitrosamine problematiek in cosmetische produkten in kaart gebracht. Deze spitst zich toe op de verbindingen NDELA [N-nitrosodiethanolamine] en NMPABAO [2-ethylhexyl 4-(N-nitroso-N-methylamino)benzoaat]. Gegevens over NMPABAO-gehalten in cosmetica van de Nederlandse markt ontbreken terwijl de informatie over NDELA-gehalten stamt uit het begin van de tachtiger jaren. N-nitrosaminen vormen een potentiele bedreiging voor de gezondheid van de gebruiker en horen niet in cosmetica thuis. Sinds 1992 is er een wettelijke regeling van kracht in de Europese Unie wat het voorkomen van N-nitrosaminen in cosmetica betreft. Aanbevolen wordt een selectief aantal monsters van de Nederlandse markt te onderzoeken op NDELA en NMPABAO en de hiervoor benodigde analysemethode te ontwikkelen. De beste basis hiervoor is capillaire gaschromatografie in combinatie met chemiluminescentie-detectie met behulp van een Thermal Energy Analyzer (TEA).<br>
    • Natrium, kalium, magnesium, calcium en fosfor opname per persoon en per dag, bepaald via onderzoek van duplicaat 24-uurs voedingen bemonsterd in 1984/1985

      Vaessen HAMG; Kamp CG van de (1988-05-31)
      Onderzocht zijn 110 duplicaatporties van de 24-uurs voeding en drank van 52 vrouwen en 58 mannen uit de regio Utrecht in de leeftijdscategorie 18-74 jaar. Bemonsterd werd in oktober 1985 (N=56) en maart 1985 (N=54). De gevriesdroogde deelporties van de monsters werden onderzocht op natrium, kalium, magnesium en calcium met atoomabsorptie spectrometrie ; fosfor werd met molecuulabsorptie spectrometrie (colorimetrie) gemeten. Kwaliteitsborging van de metingen: duplo bepalingen en onderzoek standaard referentiematerialen. Gemiddelde en spreiding van de inneming per persoon en per dag ; natrium: 2,55 en 0,90-5,59 (g) ; calcium: 841 en 167 - 1927 mg ; kalium: 2,86 en 1,00-5,50 (g) ; fosfor: 1230 en 370 - 2300 mg ; magnesium: 258 en 103 - 440 (mg). In vergelijk met aanbevelingen van de Deutsche Gesellschaft fur Ernahrung is de gemiddelde inneming van natrium te hoog, van kalium aan de krappe kant, van magnesium te laag, van calcium iets te hoog en van fosfor veel te hoog.
    • Nitraat en Nitriet in Urine, Maagsap, Speeksel en Bloedplasma - Bepaling met Hoge Prestatie Ion Chromatografie (HPIC) en UV-detectie

      Vaessen HAMG; Kamp CG van de; Vliet JJH van; ARO (1994-08-31)
      Dit rapport beschrijft de methode-ontwikkeling en de prestatiekenmerken van een HPIC/UV-methode voor de bepaling van nitraat en nitriet in urine, maagsap, speeksel en bloedplasma van humane herkomst. Gedetecteerd wordt bij 208 nm waardoor voldoende selectiviteit voor nitriet en nitraat wordt verkregen t.o.v. chloride-, sulfaat- en fosfaat-ionen. Urine en maagsap worden op identieke wijze voorbewerkt door een deelportie van het monster te verdunnen met water en vervolgens chromatografisch te zuiveren over een SPE-kolomopstelling bestaande uit een C18-kolom die in serie geschakeld is met een IC/Ag+ kolom. De meetoplossing wordt onderzocht met HPIC/UV bij 208 nm. Nitriet blijkt in beide monstersoorten alleen kwalitatief te meten. De terugwinning voor nitraat in urine is gemiddeld 96% (N=25) voor het lage niveau van verrijken en gemiddeld 103% (N=8) voor het hoge verrijkingsniveau. Voor maagsap zijn deze resultaten respectievelijk gemiddeld 98% (N=12) voor het lage en gemiddeld 101% (N=4) voor het hoge niveau van verrijken met nitraat. De monstervoorbewerking van speeksel is eenvoudig. Na certifugeren wordt het monster verdund met water, nogmaals gecentrifugeerd en het supernatant onderzocht op nitriet- en nitraatgehalte. Zowel nitriet als nitraat zijn goed kwantificeerbaar. De terugwinning voor nitriet toevoegingen bedraagt gemiddeld 103% (N=12) voor het lage en gemiddeld 102% (N=4) voor het hoge niveau van verrijken. Voor nitraat is de terugwinning gemiddeld 102% (N=12) voor het lage en gemiddeld 103% (N=4) voor het hoge niveau van verrijken. De monster-voorbewerking van bloedplasma was het moeilijkst. Verschillende manieren zijn onderzocht om dit monstermateriaal te onteiwitten. Hiervoor zijn ultrafiltratie- en precipitatie-technieken getest. Uiteindelijk is het gelukt om met methanol de aanwezige eiwitten neer te slaan en vervolgens, na zuiveren van een deelportie van het supernatant over een C18-IC/Ag+ kolomopstelling, beide analyten kwantitatief te bepalen met HPIC/UV bij 208 nm. De resultaten voor terugwinningsexperimenten zijn goed en bedragen voor nitriet gemiddeld 100% (N=19) en voor nitraat gemiddeld 98% (N=34). De verrijkingen zijn voor bloedplasma alleen op het lage niveau van toevoegen uitgevoerd. De ontwikkelde methode van onderzoek is beschreven in SOP nr. ARO/385.
    • Onderzoek aan uit Poortvliet, gemeente Tholen, afkomstige monsters

      Brinkmann FJJ; Cleven RFMJ; Vaessen HAMG; Vlugt JC van der (1991-05-31)
      Abstract niet beschikbaar
    • Onderzoek naar de gehalten aan polycyclische aromaten in binnen het voormalige Laura-terrein te Kerkrade verzamelde monsters. Uitloogbaarheidsproeven. Risico-evaluatie met betrekking tot de Volksgezondheid

      Brinkmann FJJ; Knaap AGAC; Kramers PGN; Aalbers TG; Jekel AA; Keijzer J; Kliest JJG; Michel FJ; Montizaan GK; Savelkoul TJF; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1989-04-30)
      De PAK gehalten zijn bepaald in bodem, luchtstof en vloerstof. Op basis van deze metingen en reeds bij de provincie beschikbare meetresultaten is een risico-analyse uitgevoerd. Blootstelling via de huid, via consumptie van zelfgeteelde groenten en via gebruik van drinkwater is nagenoeg nihil. De belangrijkste blootstellingsroute is hand- mondgedrag van kinderen. Hoewel het risico groter is dan een extra sterfgeval per miljoen personen bij levenslange blootstelling zullen geen aantoonbare gevallen aan te wijzen zijn. Bevolkingsonderzoek is dan ook zinloos.<br>
    • Onderzoek naar de immissie en depositie van een aantal geselecteerde stoffen in de nabije omgeving van een illegale kabelverbrandingsplaats te Sittard

      Brinkmann FJJ; van der Meulen A; Vaessen HAMG; de Boer JLM; van Maaren HLJ; Bloemen HJT (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1991-02-28)
      The impact of illegal wire reclamation incineration on the vicinity has been investigated. Airborne particulates have been sampled during the night over a period of two and a half week. The samples have been analysed for lead, copper, cadmium and polycyclic aromatic hydrocarbons. Likewise local air has been investigated for volatile organic components. In addition some gras and soil samples have been analysed for lead, copper, cadmium and polycyclic aromatic hydrocarbons, as well as apples grown in the neighbourhood of the incineration site. Lastly the soil samples have been analysed for antimony also. Only one of the soil samples turned out to be polluted with lead and copper and at a lower level also with cadmium and polycyclic aromatic hydrocarbons. The antimony content of this sample is also relatively high. It is unlikely that air transport will be the cause of this pollution.<br>