• Pilot-onderzoek voor het PIENTER-Project: Logistieke evaluatie (evaluatierapportage deel I)

      Conyn-van Spaendonck MAE; van Eijndhoven MJA; van Kessel RPM; de Melker HE; Meijer JG; Suijkerbuijk AWM; van der Zwan CW; CIE; GGD Zuid-Oost Utrecht; GG en GD Utrecht; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-04-30)
      Inleiding. Een belangrijke bijdrage aan het inzicht in het voorkomen van infectieziekten op basis van surveillance van gegevens uit morbiditeits- en mortaliteitsregistraties en van gegevens uit laboratoria, kan worden geleverd door serosurveillance: onderzoek naar de aanwezigheid van specifieke antistoffen in de populatie. Met name ter bewaking van de immuniteit van de bevolking voor de ziekten waartegen in het kader van het Rijksvaccinatieprogramma wordt gevaccineerd is sero- oftewel immunosurveillance noodzakelijk. Daarom zijn door het RIVM initiatieven ontwikkeld om een serumbank van een aselecte steekproef van de Nederlandse bevolking op te richten en is het zogenaamde PIENTER-project (Peiling Immunisatie Effect Nederland ter Evaluatie van het Rijksvaccinatieprogramma) van start gegaan. In 1994 werd een pilot-onderzoek uitgevoerd. Doel. Het pilotonderzoek had een tweeledig doel: ten eerste de beoordeling van de haalbaarheid van de opzet en het ontwerp van een in de praktijk getoetst protocol voor de uiteindelijke landelijke gegevensverzameling, ten tweede de toetsing van de mogelijkheid om met de gekozen opzet een representatieve dataset te verkrijgen (met behulp van uitgebreid non-respons-onderzoek waarvan in deel II van deze onderzoeksrapportage verslag wordt gedaan). Opzet. Een cross-sectioneel populatie-onderzoek werd uitgevoerd in de provincie Utrecht. Methode. In vier gemeenten werd een leeftijdsgestratificeerde steekproef van 510 inwoners (0-80 jaar) getrokken uit het bevolkingsregister. Van de beoogde deelnemers die schriftelijk werden benaderd werd verwacht dat zij een vragenlijst zouden invullen en een speciaal spreekuur bezoeken voor afname van een bloedmonster. De logistieke evaluatie vond plaats op grond van de ervaringen gedurende de pilot, deels vastgelegd in registraties en logboeken van de betrokken onderzoeksmedewerkers, deels ontleend aan de gegevens van een schriftelijke evaluatie met behulp van een vragenlijst voor alle externe participanten. Daarnaast heeft het non-respons-onderzoek veel aanknopingspunten voor optimalisatie van de aanpak gegeven. Bevindingen en aanbevelingen. Gegevensverzameling in de algemene bevolking is in samenwerking met GGD'en met een centrale coordinatie goed mogelijk. De samenwerking tussen de vele betrokken partijen was prima en ieders inbreng is goed tot zijn recht gekomen. Het opstellen van onderzoeksplannen en de ontwikkeling van een beoordelingsprocedure voordat sera aan laboratoria kunnen worden uitgegeven verdient nog meer aandacht. In deze onderzoeksplannen zal ook de verdeling van taken en verantwoordelijkheden tussen laboratoria en CIE duidelijk worden vastgelegd. Op grond van de ervaringen in de pilot wordt geconcludeerd dat de gekozen opzet voldeed ; er zijn geen grote logistieke knelpunten naar voren gekomen. Evenwel worden -in verband met de schaalvergroting bij landelijke gegevensverzameling- enkele aanpassingen in de logistiek voorgesteld. Met name zal nog moeten worden geinvesteerd in automatisering van serumwinning en -beheer. Verbetering van de efficientie en beperking van mogelijke fouten zijn daartoe de belangrijkste reden. Voorts zal met het oog op de optimalisering van de respons een meer directe benadering van de beoogde deelnemers door telefonische rappellering worden ingebouwd.<br>
    • Pilot-onderzoek voor het PIENTER-project: Non-responsonderzoek (evaluatierapportage deel II)

      Geubbels ELPE; de Wit MAS; de Melker HE; Suijkerbuijk AWM; Conyn-van Spaendonck MAE; CIE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-04-30)
      Inleiding Om de huidige immuunstatus van de Nederlandse bevolking te bepalen is het PIENTER-project (Peiling Immunisatie Effect Nederland ter Evaluatie van het Rijksvaccinatieprogramma) opgezet. In het kader van dit project wordt een serumbank opgericht, die sera moet bevatten van een representatieve steekproef van de Nederlandse bevolking. De serumbank wordt benut voor: 1. immunosurveillance onderzoek naar leeftijdspecifieke immuniteit tegen ziekten waartegen in het RVP wordt gevaccineerd ; 2. schatting van voorkomen van infectieziekten die vaak subklinisch verlopen ; 3. onderzoek naar prevalentie van serum-determinanten van andere ziekten. Om de haalbaarheid van een dergelijk project te toetsen is een pilot onderzoek uitgevoerd in de provincie Utrecht. Doel van dit pilot-onderzoek is, naast het toetsen van de logistiek en haalbaarheid van de onderzoeksopzet (zie deel 1 van de rapportage), inzicht te verkrijgen in redenen van weigering opdat responsverhogende maatregelen genomen kunnen worden in het hoofdonderzoek en het toetsen van representativiteit. Opzet. Non-responsonderzoek als onderdeel van een cross-sectioneel populatie onderzoek. Methode. Uit de provincie Utrecht is een naar inwonertal gewogen steekproef van gemeenten uitgevoerd. Uit bevolkingsregisters van vier gemeenten (Utrecht, Zeist, Amerongen en Woudenberg) is een naar leeftijd gestratificeerde steekproef getrokken van 510 personen. De beoogde respondenten werden gevraagd een vragenlijst in te vullen en een spreekuur voor bloedafname te bezoeken. Alle personen die niet hebben geparticipeerd aan de bloedafname zijn in de week na de bloedafname telefonisch of -indien dit onmogelijk was- schriftelijk benaderd voor het non-respons onderzoek. Van de non-respondenten zijn gegevens verzameld over reden van nonrespons, bereidheid tot deelname aan extra bloedafname spreekuur, vragenlijstgegevens over geloofs- of levensovertuiging, vaccinatiestatus, land van herkomst, sociaal-economische status en ervaren gezondheid. Uit bevolkingsregisters waren gegevens aanwezig over leeftijd, geslacht, nationaliteit, burgerlijke staat en woonplaats. Daarnaast was bekend of personen een schriftelijke reminder hadden ontvangen voorafgaand aan het bloedafnamespreekuur. De redenen van weigering zijn beschreven. De vergelijkbaarheid van de nonrespondenten met de respondenten is getoetst in een logistische regressie analyse. Tevens is een schatting gemaakt van de immuunstatus voor hepatitis A en mazelen voor respondenten en nonrespondenten door het percentage immunen in de respons groep te wegen met de variabelen uit het logistische regressie model. Resultaten. Er werden vier groepen van (non)respondenten onderscheiden: 1. initiele respondenten (n=714, 34%) ; 2. additionele respondenten die het extra bloedafnamespreekuur bezochten (n=113, 6%) ; 3. partiele non-respondenten waarvan gegevens uit vragenlijst bekend zijn (n=667, 27%) ; 4. absolute non-respondenten waarvan alleen gegevens uit bevolkingsregister aanwezig zijn en eventueel de reden van weigering (n=546, 27%). 1021 van de 1326 nonrespondenten zijn telefonisch benaderd. Hiervan werd 75% in twee en 95% in vijf pogingen bereikt. 301 personen zijn schriftelijk benaderd ; 49% had een geheim nummer, 30% geen aansluiting, 9% stond niet in telefoonboek vermeld, 13% weigerde actieve deelname. Van de overige 5 personen hadden 4 zelf contact opgenomen met de GGD en weigerde 1 persoon ook deelname aan het nonresponsonderzoek. Van 58,9% van de non-respondenten is schriftelijke of telefonische informatie verkregen. De redenen die non-respondenten opgaven voor non-participatie waren zeer divers. 36% van de redenen die opgegeven waren, werden beinvloedbaar geacht. Uit de logistische regressie bleek dat kinderen van 0-4 jaar, mannen, ongehuwden, personen die geen schriftelijke reminder ontvingen, personen met een lagere sociaal-economische status, niet-Nederlandse nationaliteit en slechte ervaren gezondheid minder vaak participeerden. Personen die een geloof aanhangen waarbij vaccinaties worden geweigerd doen minder frequent mee met name als zij niet ingeent zijn. Personen van 5-14 jaar namen frequenter deel. De schatting voor de immuniteit van hepatitis A en mazelen is niet vertekend door de non-respons. Conclusie. Het is mogelijk gebleken door telefonische benadering informatie te verkrijgen over nonrespondenten. Het nonrespons onderzoek heeft waardevolle informatie opgeleverd over aanpassingen waarmee de respons in vervolgonderzoek verbeterd kan worden. Zo bleek het mogelijk een redelijke responsverhoging te bereiken door personen telefonisch te herinneren aan de bloedafname. Hoewel selectieve nonrespons is opgetreden, heeft deze niet geleid tot vertekening van de prevalentie-schatting van mazelen en hepatitis A. De resultaten van het non-respons onderzoek kunnen gebruikt worden om ook de gemeten seroprevalentie van andere ziekten te corrigeren voor de selectieve non-respons.<br>
    • Pilot-onderzoek voor het PIENTER-project: vragenlijstevaluatie (evaluatierapportage deel III)

      de Melker HE; Suijkerbuijk AWM; Heisterkamp SH; Conyn-van Spaendonck MAE; CIE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-04-30)
      INLEIDING In 1994 is als voorloper op een landelijk onderzoek een pilot-onderzoek voor het PIENTER-project (Peiling Immunisatie Effect Nederland ter Evaluatie van het Rijksvaccinatieprogramma) uitgevoerd. In het kader van dit project wordt een serumbank opgericht die sera moet bevatten van een representatitieve steekproef van de Nederlandse bevolking. Met behulp van deze gedefinieerde serumbank kan populatie-onderzoek worden verricht naar de immuniteit van ziekten uit het Rijksvaccinatieprogramma, naar het voorkomen van infectieziekten en naar serumderterminanten voor andere aandoeningen. Onderdeel van het pilot-onderzoek is de evaluatie van de vragenlijst zodat een vragenlijst kan worden ontwikkeld voor het landelijke onderzoek. DOEL Evaluatie van vragenlijst als onderdeel van een pilot van een cross-sectioneel populatie-onderzoek in de provincie Utrecht. METHODE Uit de provincie Utrecht is een naar inwonertal gewogen steekproef van gemeenten getrokken. Uit bevolkingsregisters van vier gemeenten (Utrecht, Zeist, Amerongen en Woudenberg) is een leeftijd gestratificeerde steekproef (leeftijdklassen 0, 1-4, 5-9 t/m 75-79 jaar) getrokken van 510 personen. Deelnemers werden gevraagd een vragenlijst in te vullen en deze tezamen met Rijksvaccinatieboekje, tropenvaccinatieboekje en militairpaspoort mee te nemen naar een spreekuur voor bloedafname. Inentingsgegevens uit deze boekjes werden op het spreekuur geregistreerd. De mening van de deelnemers over de lengte en duidelijkheid van vragen en frequenties van ontbrekende waarden zijn beschreven. Tevens zijn de naar leeftijd gewogen percentages voor de zelf-gerapporteerde vaccinatiestatus en de relatie met geloofs- of levensbeschouwelijke groepering beschreven. De zelf-gerapporteerde vaccinatiestatus voor DKTP en BMR zijn vergeleken met de vaccinatiestatus uit het Rijksvaccinatieboekje. De naar leeftijd gewogen percentages voor ervaren gezondheidstoestand, nationaliteit en hoogst voltooide opleiding zijn vergeleken met cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Het verwachte aantal personen en nauwkeurigheid van prevalentieschattingen in een landelijk onderzoek voor subgroepen voor wat betreft hoogst voltooide opleiding, geloofs- of levensbeschouwelijke groeperingen waarbij vaccinaties worden geweigerd, nationaliteit, ethnicititeit en deelname aan het Rijksvaccinatieprogramma worden berekend op grond van de resultaten van de pilot. BELANGRIJKSTE BEVINDINGEN EN CONCLUSIES De resultaten van de pilot bevestigen het verschil in vaccinatiestatus en attitude van personen die behoren tot geloofs- of levensbeschouwelijke groeperingen waarbij vaccinaties worden geweigerd. Deze personen zijn frequenter onvolledig gevaccineerd en zijn vaker van mening dat DKTP- en BMR-vaccinaties niet noodzakelijk zijn op grond van hun geloofsovertuiging. Tevens geven zij frequenter principiele weigering als reden voor onvolledige vaccinatie aan. Het merendeel van de personen die behoren tot een dergelijke geloofs- of levensbeschouwelijke groepering rapporteerde echter wel gevaccineerd te zijn. Aangezien geloofs- of levensovertuiging van personen is gerelateerd aan de vaccinatiestatus en attitude is het van belang om bij analyse van serologische profielen in het landelijke onderzoek gegevens te verzamelen over de geloofs- of levensovertuiging van de personen. De zelf-gerapporteerde vaccinatiestatus voor DKTP en BMR komt niet overeen met de vaccinatiestatus volgens het Rijksvaccinatieboekje en lijkt derhalve niet betrouwbaar. Ook uit de toetsing van de begrijpelijkheid van de vragenlijst blijkt dat vragen over vaccinatiegeschiedenis de meeste problemen opleveren. Vragen over vaccinaties kunnen derhalve in het landelijk onderzoek worden beperkt. Wel lijkt het zinvol gegevens uit het Rijksvaccinatieboekje te verzamelen. In het Pienter-project zijn personen met een niet-Nederlandse nationaliteit ondervertegenwoordigd. Op grond van vergelijking tussen resultaten van het CBS gebaseerd op een steekproef van huishoudens in Nederland, is behalve voor nationaliteit de representativiteit in het Pienter-project mogelijk niet gewaarborgd voor wat betreft sociaal-economische status. Wel komen de resultaten voor ervaren gezondheidstoestand met uitzondering van personen met een slechte ervaren gezondheid overeen met die van het CBS. Op grond van de te verwachten betrouwbaarheid voor prevalentieschattingen in het landelijk onderzoek lijken subgroepanalyses mogelijk voor subgroepen naar geslacht, naar sociaal-economische status en voor personen die rapporteren deel te hebben genomen aan het Rijksvaccinatieprogramma. Gezien de te verwachten betrouwbaarheid van prevalentieschattingen voor subgroepen van personen met een niet-Nederlandse nationaliteit of ethniciteit is het van groot belang om in het landelijke onderzoek maatregelen te nemen die ervoor zorgen dat de respons onder allochtonen toeneemt. Voor personen die behoren tot een geloof waarvan bekend is dat vaccinaties worden geweigerd en voor personen die rapporteren niet deel te hebben genomen aan het Rijksvaccinatieprogramma lijken in het landelijke onderzoek geen betrouwbare analyses mogelijk. Door onderzoek te verrichten in gemeenten met een lage vaccinatiegraad zal het aantal personen dat niet is gevaccineerd toenemen waardoor betrouwbare seroprevalentieschattingen mogelijk zijn.<br>
    • Severity of pertussis: paediatric surveillance and notification study in the Netherlands in 1997

      Neppelenbroek SN; de Melker HE; Schellekens JFP; Rumke HC; Suijkerbuijk AWM; Conyn-van Spaendonck MAE; CIE; LIS (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1999-06-14)
      Doel: Inzicht verkrijgen in de ernst van kinkhoest in relatie tot de vaccinatiestatus en leeftijd. Methoden: In 1997 werd met behulp van pediatrische surveillance gegevens verzameld van ziekenhuisopnamen. Ook werden in 1997 additionele gegevens verzameld van aangiften bij de Inspectie van de Gezondheidszorg. Resultaten: Van de 180 ziekenhuisopnamen was 42% jonger dan 3 maanden en ongevaccineerd; 14% was 3-5 maanden oud waarvan 69% onvolledig gevaccineerd; 42% was 6 maanden en ouder waarvan 70% gevaccineerd. Bij 53% werd de diagnose bevestigd door positieve kweek of PCR; bij 44% door positieve serologie. Twee kinderen van 3 weken oud overleden. Alleen bij jonge ongevaccineerden kwamen convulsies (3%), encephalopathie (1%) en atelectase (1%) voor. Ten opzichte van gevaccineerden hadden ze vaker cyanose (77% vs. 40%) en apneu (22% vs. 5%) en waren langer opgenomen (12 vs. 5 dagen). Van de 507 aangiften was 6% jonger dan 1 jaar; 36% 1-4 jaar; 28% 5-9 jaar; 10% 10-14 jaar; 21% 15 jaar en ouder. Zeven procent was ongevaccineerd, 2% onvolledig gevaccineerd, 80% gevaccineerd en van 11% was dit onbekend. Bij 83% werd de diagnose bevestigd door positieve serologie. Paroxysmaal hoesten (93%), braken (78%), kinken (67%) en ademnood (61%) werden het vaakst gerapporteerd. Bij ongevaccineerde kinderen kwam ten opzichte van gevaccineerden cyanose (43% vs. 21%) en ziekenhuisopname (38% vs. 3%) vaker voor. De ernst van kinkhoest neemt af met de leeftijd. Conclusie: Ernstige kinkhoest met ziekenhuisopname komt vooral voor bij ongevaccineerden kinderen jonger dan 3 maanden. Ziekenhuisopname en klassieke kinkhoest komt ook voor bij recent gevaccineerde kinderen maar kinkhoest met ernstige complicaties is onwaarschijnlijk.<br>
    • Social cost-benefit analysis of regulatory policies to reduce alcohol use in The Netherlands : Maatschappelijke kosten-batenanalyse van beleidsmaatregelen om alcoholgebruik te verminderen

      de Wit GA; van Gils PF; Over EAB; Suijkerbuijk AWM; Lokkerbol J; Smit F; Mosca I; Spit WJ; KZG; V&X (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMTrimbos InstituutEcorysMaastricht University, 2016-10-03)
      Als alle kosten en baten van alcohol in geld worden uitgedrukt, waren de kosten in 2013 ongeveer 2,3 tot 2,9 miljard euro. Kosten kunnen bijvoorbeeld ontstaan door een lagere arbeidsproductiviteit, door inzet van politie en justitie, en door verkeersongevallen. Deze kosten zijn verminderd met de baten van alcoholgebruik, bijvoorbeeld in de vorm van accijnzen voor de overheid. Maar ook het geluksgevoel dat consumenten kunnen ontlenen aan alcohol is in dit onderzoek in geld uitgedrukt. Maatregelen zijn mogelijk om mensen minder alcohol te laten drinken, zoals een accijnsverhoging, een beperking van het aantal verkooppunten en een totaalverbod op alcoholreclame en -sponsoring. Zulke maatregelen kunnen de samenleving forse besparingen opleveren en hebben daarmee netto een positief effect op de Nederlandse samenleving. Voorbeelden van die positieve effecten zijn minder sterfte en betere kwaliteit van leven doordat ziekten die met alcoholgebruik samenhangen worden voorkomen, een hogere arbeidsproductiviteit, minder verkeersongevallen en minder inzet van politie en justitie. Op de lange termijn, over een periode van 50 jaar, levert een accijnsverhoging van 50 procent tussen de 14 en 20 miljard euro op, een accijnsverhoging van 200 procent 37 tot 47 miljard euro. Het saldo van kosten en baten na 50 jaar is 3 tot 5 miljard euro wanneer 10 procent van de verkooppunten worden gesloten. Dit bedrag loopt op tot 8 tot 12 miljard euro bij een sluiting van 25 procent van de verkooppunten. Een mediaban levert de samenleving circa 7 miljard euro op na 50 jaar, maar hierover bestaat meer onzekerheid. Dit blijkt uit onderzoek geleid door het RIVM. Met een zogeheten maatschappelijke kosten-batenanalyse (MKBA) zijn deze drie beleidsmaatregelen doorgerekend. MKBA's zijn een hulpmiddel om de welvaartseffecten van maatregelen in kaart te brengen en kunnen beleidsmakers ondersteunen bij hun beslissingen over toekomstig overheidsbeleid.
    • State of Infectious Diseases in the Netherlands, 2014

      Bijkerk P; Suijkerbuijk AWM; Lugner AK; Nijsten DRE; Hahne SJM; SIS; I&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2015-11-19)
      De wereldwijde epidemie van ebola was de meest in het oog springende infectieziekte van dit jaar. In Nederland waren geen ebolapatiënten, maar is veel tijd besteed aan de voorbereiding om patiënten te kunnen verzorgen en verspreiding van het virus te voorkomen. Daarnaast was er de uitbraak van mazelen in Nederland, die in 2013 begon en eindigde in de eerste maanden van 2014. In die periode zijn verspreid over Nederland 2700 zieken gemeld en is 3,9 miljoen euro besteed om de epidemie te bestrijden. De grootste kostenposten waren de werkzaamheden van de betrokken GGD'en en de kosten van ziekenhuisopname van ernstig zieke patiënten. Dit blijkt uit de Staat van Infectieziekten in Nederland 2014, een jaarlijks rapport dat inzicht geeft in ontwikkelingen van infectieziekten bij de Nederlandse bevolking. Daarnaast worden elk jaar de ontwikkelingen op het gebied van de infectieziekten in het buitenland beschreven die voor Nederland relevant zijn. Met deze jaarlijkse uitgave informeert het RIVM beleidsmakers van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). Het thema van dit jaar zijn de kosten voor de behandeling, preventie en bestrijding van de infectieziekten. Om inzicht in de kosten te krijgen, zijn deze berekend voor de mazelenepidemie en voor de Salmonella Thompson-uitbraak door gerookte zalm in 2012. Voor deze twee is gekozen omdat ze omvangrijk waren en verspreid over heel Nederland zieken veroorzaakten. Bij de Salmonella Thompson-uitbraak zijn 1149 ziektegevallen gemeld die met behulp van laboratoriumdiagnostiek werden vastgesteld en is 1,7 miljoen euro aan kosten gemaakt. De grootste kostenposten betroffen de inzet van de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA) om de bron van de besmetting op te sporen en de kosten van ziekenhuisopname van ernstig zieke patiënten. In de studie staat ook beschreven hoe de kosten en de opbrengsten van interventies met elkaar kunnen worden vergeleken. Met kosteneffectiviteitstudies kan worden bepaald hoe budgetten het meest efficiënt voor de gezondheidszorg kunnen worden ingezet. In dit rapport zijn de meest gebruikte methoden van kosteneffectiviteitsstudies en bijbehorende uitkomstmaten toegelicht.
    • Three years of surveillance of invasive infections by Haemophilus influenzae after introduction of immunisation in the National Immunisation Programme

      Veldhuijzen IK; Conyn-van Spaendonck MAE; Suijkerbuijk AWM; van Alphen L; Dankert J; CIE; Nederlands Referentie Laboratorium voor Bacteriele Meningitis (RBM) (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMNederlands Referentie Laboratorium voor Bacteriele Meningitis (RBM), 1997-10-31)
      Ter voorkoming van sterfte, morbiditeit en blijvende schade als gevolg van invasieve Hib-infecties heeft de Gezondheidsraad geadviseerd vaccinatie tegen Hib in het Rijksvaccinatieprogramma op te nemen, hetgeen in 1993 is gerealiseerd. Vaccinatie wordt aangeboden aan alle kinderen geboren sinds 1 april 1993. Om de effectiviteit van deze immunisatie te beoordelen is surveillance geindiceerd. In dit rapport over de surveillance van invasieve infecties door Haemophilus influenzae (Hi) door het Nederlands Surveillance-Centrum Kindergeneeskunde (NSCK) en het Nederlands Referentie Laboratorium voor Bacteriele Meningitis (RBM) in de periode 1994-1996 wordt het voortschrijdende effect van Hib vaccinatie duidelijk. Het aantal gevallen van invasieve Hi-infectie was 179 in 1994, 68 in 1995 en 40 in 1996. Dit betekent een belangrijke vermindering vergeleken met de geschatte aantallen van voor de start van vaccinatie. De daling vond plaats bij alle klinische ziektebeelden. Een verschuiving in de leeftijdsverdeling vond plaats, wat verklaard kan worden door de geleidelijke invoering van immunisatie vanaf april 1993. In 1994 manifesteerde nog drie kwart van de invasieve Hi-infecties zich als meningitis, in 1996 was dit nog de helft van het totale aantal aan het RBM gerapporteerde gevallen. Vanaf 1 januari 1995 werd de casus-definitie voor de NSCK surveillance veranderd naar invasieve Hi-infecties ongeacht het serotype. Als gevolg hiervan werd het ook mogelijk om invasieve Hi-ziektebeelden veroorzaakt door niet serotype b stammen te bestuderen. Serotypering werd door het RBM verricht bij alle ingestuurde stammen. Het deel van de gevallen in het NSCK systeem waarbij serotypering plaatsvond steeg van 84% in 1994 tot ruim 90% in 1996. De gegevens van het RBM tonen een duidelijke daling in het deel van de invasieve Hi-infecties veroorzaakt door serotype b. Zeven gevallen van echt vaccin-falen, 4 van schijnbaar- en 2 van mogelijk vaccin-falen werden geregistreerd. In de toekomst zal het RBM verdere immunologische gegevens verzamelen voor de evaluatie van gevallen van vaccin-falen.<br>