• Eighteenth EURL-Salmonella interlaboratory comparison study (2013) on typing of Salmonella spp.

      Jacobs-Reitsma WF; Maas HME; de Pinna E; Mensink ME; Mooijman KA; VDL; I&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2014-11-21)
      De Nationale Referentie Laboratoria (NRL's) van de 28 Europese lidstaten scoorden in 2013 goed bij de kwaliteitscontrole op Salmonella-typering. Twee laboratoria hadden hiervoor een herkansing nodig. Uit de analyse van alle NRL's als groep bleek dat de laboratoria aan 98 procent van de geteste stammen de juiste naam konden geven. Sinds 1992 zijn de NRL's van de Europese lidstaten verplicht om deel te nemen aan jaarlijkse kwaliteitstoetsen, die bestaan uit zogeheten ringonderzoeken voor Salmonella. Elke lidstaat wijst een laboratorium aan, het Nationale Referentie Laboratorium (NRL), dat namens dat land verantwoordelijk is voor het aantonen en typeren van Salmonella uit monsters van levensmiddelen of dieren. Om te controleren of de laboratoria hun werk goed uitvoeren moeten zij onder andere 20 Salmonella-stammen op juiste wijze identificeren. Soms doen ook landen van buiten de Europese Unie vrijwillig mee. In 2013 waren dat de kandidaatlidstaten Macedonië en Turkije, en de EFTA-landen IJsland, Noorwegen en Zwitserland, waarbij EFTA staat voor European Free Trade Association. Van de NRL's zijn er zeven laboratoria die, behalve de standaardtoets (serotypering) op Salmonella, preciezere typeringen uitvoeren, de zogeheten faagtypering. Voor deze kwaliteitstoets moeten zij 20 extra stammen met deze methode typeren. De laboratoria ontvingen hiervoor tien Salmonella Enteritidisstammen en tien Salmonella Typhimurium-stammen. Deze NRL's typeerden 83 procent van de S. Typhimurium-stammen en 93 procent van de S. Enteritidisstammen op de juiste wijze. De organisatie van het typeringsringonderzoek is in handen van het Europese Unie Referentie Laboratorium (EURL) voor Salmonella (EURL-Salmonella). Het EURL-Salmonella is ondergebracht bij het Nationaal Instituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) in Bilthoven, Nederland. De organisatie van dit ringonderzoek is uitgevoerd in samenwerking met Public Health England in Londen, Engeland.
    • EU Interlaboratory comparison study animal feed II (2012) : Detection of Salmonella in chicken feed

      Kuijpers AFA; van de Kassteele J; Mooijman KA; VDL; I&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2013-11-01)
      In 2012 waren 30 van de 34 Nationale Referentie Laboratoria (NRL's) in de Europese Unie in staat om hoge en lage concentraties van de Salmonellabacterie in kippenvoer aan te tonen. Van de vier die daar niet in slaagden heeft één NRL de toegestuurde monsters niet ingezet vanwege organisatorische problemen. Drie labs detecteerden onterecht dat er Salmonella in een blanco monster zat (vals positief). Een van deze drie behaalde een matig resultaat als gevolg van een foutieve verwerking van ruwe data. De twee overige laboratoria scoorden ook tijdens de herkansing een vals positief resultaat, mogelijk veroorzaakt door een kruisbesmetting tijdens het onderzoek. Vanwege herhaaldelijk slechte prestaties is een van deze NRL bezocht door het overkoepelend orgaan EURL-Salmonella en zijn enkele verbeterpunten aangereikt. In totaal hebben de laboratoria, afhankelijk van de gebruikte methoden, tussen de 94 en 97 procent van de besmette monsters Salmonella aangetoond. Ringonderzoek verplicht voor Europese lidstaten Dit blijkt uit het tweede dierenvoederringonderzoek dat het Referentie- Laboratorium van de Europese Unie (EURL) voor Salmonella heeft georganiseerd. Het onderzoek is in september 2012 gehouden, de herkansing was in januari 2013. Deelname aan het onderzoek is verplicht voor alle NRL's van de Europese lidstaten die ervoor verantwoordelijk zijn Salmonella op te sporen in diervoeders. Het EURL-Salmonella is gevestigd bij het Nederlandse Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). De laboratoria tonen de Salmonellabacterie aan met behulp van drie internationaal erkende analysemethodes (RVS, MKTTn en MSRV). Vervolgens moeten zij de studie volgens voorschrift uitvoeren. Elk laboratorium krijgt daarvoor een pakket toegestuurd met kippenvoer (vrij van Salmonella) en referentiematerialen, die geen of verschillende besmettingsniveaus van Salmonella Enteritidis bevatten. Het kippenvoer en het referentiemateriaal worden vervolgens samengevoegd en onderzocht. Zogeheten Lenticule discs zijn als referentiemateriaal gebruikt en gaven in voedsel en veterinaire studies goede resultaten. MKTTn significant betere analysemethode De resultaten van dit ringonderzoek onderschrijven het nut om met meerdere analysemethoden te werken. De MKTTn bleek namelijk significant betere resultaten te tonen ten opzichte van RVS en MSRV om Salmonella aan te tonen in het kippenvoer. Dit in tegenstelling tot eerdere ringonderzoeken waarbij andere 'producten' werden onderzocht, zoals gehakt of een andere soort kippenvoer.
    • EU Interlaboratory comparison study animal feed III (2014) : Detection of Salmonella in chicken feed

      Kuijpers AFA; van de Kassteele J; Mooijman KA; VDL; I&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2016-03-21)
      In 2014 waren 32 van de 34 Nationale Referentie Laboratoria (NRL's) in de Europese Unie in staat om hoge en lage concentraties Salmonella in kippenvoer aan te tonen. Twee NRL's behaalden een matig resultaat als gevolg van een rapportagefout. Vanwege herhaaldelijk slechte prestaties is een van deze NRL tijdens een herkansing bezocht door het overkoepelende orgaan EURL-Salmonella Daarbij zijn enkele verbeterpunten aangereikt, waarna er een goed resultaat is bereikt. In totaal hebben de laboratoria in 97 tot 100 procent van de besmette monsters Salmonella aangetoond. Dit blijkt uit het derde diervoederringonderzoek dat is georganiseerd door het referentielaboratorium van de Europese Unie voor Salmonella (EURL-Salmonella). Ringonderzoek verplicht voor Europese lidstaten Het onderzoek is in september 2014 gehouden, de herkansing was in februari 2015. Alle NRL's van de Europese lidstaten die verantwoordelijk zijn voor de opsporing van Salmonella in diervoeder, zijn verplicht om aan het onderzoek deel te nemen. Het EURL-Salmonella is gevestigd bij het Nederlandse Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). De laboratoria toonden de Salmonella-bacterie in kippenvoer aan met behulp van de drie internationaal erkende analysemethoden (RVS, MKTTn en MSRV). Elk laboratorium kreeg een pakket toegestuurd met kippenvoer dat ofwel besmet was met Salmonella Senftenberg in twee verschillende concentraties, of geen Salmonella bevatte. De laboratoria dienden volgens een protocol te onderzoeken of de monsters Salmonella bevatten. Uit de studie blijkt dat het gebruik van meerdere analysemethodes zijn nut heeft, aangezien het aantal monsters waarin Salmonella is aangetroffen per methode significant verschilt. Monsterbereiding In eerdere studies zijn voedsel (gehakt) en dierlijke mest op het laboratorium van het EURL-Salmonella kunstmatig besmet met een verdunde cultuur van Salmonella. In deze studie is voor het eerst kippenvoer kunstmatig besmet en is bewezen dat ook diervoeder geschikt is voor deze nieuwe werkwijze.
    • EU Interlaboratory comparison study food VI (2013) : Detection of Salmonella in minced chicken meat

      Kuijpers AFA; van de Kassteele J; Mooijman KA; VDL; I&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2015-01-19)
      In 2013 waren 32 van de 35 Nationale Referentie Laboratoria (NRL's) in de Europese Unie in staat om hoge en lage concentraties Salmonella in kippengehakt aan te tonen. Twee NRL's behaalden een matig resultaat als gevolg van een foutieve verwerking van de ruwe data. Een laboratorium scoorde ook tijdens de herkansing onvoldoende. Ondanks grote verbeteringen had het nog steeds problemen met aantonen van Salmonella. In totaal hebben de laboratoria, afhankelijk van de gebruikte methoden, Salmonella aangetoond in 61 tot 78 procent van de besmette monsters. Het aantonen van de Salmonella werd in deze studie bemoeilijkt doordat er veel "storende" bacteriën in het kippengehakt zaten. Dit blijkt uit het zesde voedselringonderzoek dat werd georganiseerd door het referentielaboratorium van de Europese Unie voor Salmonella (EURL-Salmonella). Ringonderzoek verplicht voor Europese lidstaten Het onderzoek is in september 2013 gehouden, de herkansing was in januari 2014. Alle NRL's van de Europese lidstaten die verantwoordelijk zijn voor de opsporing van Salmonella in voedsel, zijn verplicht om aan het onderzoek deel te nemen. Het EURL-Salmonella is gevestigd bij het Nederlandse Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). De laboratoria toonden de Salmonella-bacteria in kippengehakt aan met behulp van internationaal erkende analysemethoden (RVS, MKTTn en MSRV). Elk laboratorium kreeg een pakket tyoegestuurd met kippengehakt dat besmet was met Salmonella Infantis in twee verschillende concentraties, of zonder Salmonella. De laboratoria dienden de monsters volgens een protocol te onderzoeken op de aanwezigheid van Salmonella. De analysemethoden RVS en MSRV bleken in deze studie significant betere resultaten te geven dan MKTTn. Dit bewijst het nut om met meerdere analysemethoden te werken. Nieuwe werkwijzen Er zijn twee nieuwe werkwijzen ingevoerd die positief zijn ervaren. Dit keer is voor het eerst te onderzoeken voedselmateriaal (matrix) op het laboratorium van het EURL-Salmonella kunstmatig besmet met een verdunde cultuur van Salmonella. De NRL's hoeven hierdoor niet meer zelf de monsters met de Salmonella samen te voegen. Per studie wordt bekeken of deze werkwijze haalbaar is. Daarnaast konden de deelnemende laboratoria hun bevindingen via internet aanleveren. Deze werkwijze wordt geoptimaliseerd en voortgezet.
    • EU Interlaboratory comparison study food VII (2015) : Detection of Salmonella in whole liquid chicken egg

      Kuijpers AFA; Mooijman KA; VLD; I&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-05-30)
      In 2015, it was shown that all 36 National Reference Laboratories (NRLs) in the European Union were able to detect high and low levels of Salmonella in whole liquid chicken egg. One NRL reported positive results for two blank whole liquid egg samples, a possible explanation may be cross-contamination. In a follow-up study this laboratory scored all samples correctly and achieved the level of good performance. The laboratories detected Salmonella in all contaminated samples. In this report we present some of the conclusions of the 7th EU Interlaboratory Comparison Study of Food Samples, which was organised by the European Union Reference Laboratory for Salmonella (EURL-Salmonella). Interlaboratory comparison study obligatory for EU Member States The study was conducted in September 2015, with a follow-up study in January 2016. Participation was obligatory for all EU Member State NRLs that are responsible for the detection of Salmonella in food samples. EURL-Salmonella is part of the Dutch National Institute for Public Health and the Environment (RIVM). The laboratories used internationally accepted analysis methods to detect the presence of Salmonella in whole liquid chicken egg samples. Each laboratory received a package with whole liquid egg samples contaminated with two different concentrations of Salmonella Enteritidis or containing no Salmonella at all. The laboratories were required to analyse the samples for the presence of Salmonella in accordance with the study protocol. Preparation of samples In this study, for the first time, liquid egg samples were used that had been artificially contaminated with a diluted culture of Salmonella at the laboratory of EURL-Salmonella. The results showed that this method of contamination, which had been used and tested in earlier studies involving food matrices (meat), animal feed and products of the primary production stage, could also be used for whole liquid egg
    • EU Interlaboratory comparison study primary production XVI (2013) : Detection of Salmonella in chicken faeces adhering to boot socks

      Kuijpers AFA; Mooijman KA; VDL; I&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2014-07-15)
      In 2013 waren alle 36 Nationale Referentie Laboratoria (NRL's) in de Europese Unie in staat om hoge en lage concentraties Salmonella in een stal met leghennen (kippenmest) aan te tonen. Ze behaalden direct het gewenste niveau. In totaal hebben de laboratoria in 96 procent van de besmette monsters Salmonella opgespoord. Dit blijkt uit het zestiende ringonderzoek met materiaal van de dieren (zoals uitwerpselen) dat werd georganiseerd door het referentielaboratorium van de Europese Unie voor Salmonella (EURLSalmonella). Voor dit soort onderzoek zijn monsters van de uitwerpselen van kippen verzameld door met overschoenen door de stal te 'wandelen' (omgevingsmateriaal). Ringonderzoek verplicht voor Europese lidstaten Het onderzoek is in maart 2013 gehouden. Alle NRL's van de Europese lidstaten die verantwoordelijk zijn voor de opsporing van Salmonella in dierlijke mest, zijn verplicht om aan het onderzoek deel te nemen. Het EURL-Salmonella is gevestigd bij het Nederlandse Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). De laboratoria toonden de Salmonella-bacterie in de overschoenen met kippenmest aan met behulp van de internationaal voorgeschreven analysemethode (MSRV). Elk laboratorium kreeg een pakket toegestuurd met overschoenen waaraan kippenmest zat met Salmonella in twee verschillende concentraties of zonder Salmonella. De laboratoria dienden de monsters volgens een protocol te onderzoeken op de aanwezigheid van Salmonella. Nieuwe werkwijzen Voor het eerst is het te onderzoeken materiaal (matrix) op het laboratorium van het EURL-Salmonella kunstmatig besmet met een verdunde cultuur van een Salmonella Typhimurium. Het laboratorium van het EURL-Salmonella heeft voor dit soort studies onderzocht hoe de monsters op deze wijze optimaal kunnen worden aangeleverd. De NRL's vinden deze werkwijze positief, omdat zijzelf niet meer de monsters met de Salmonella hoeven samen te voegen; dit was in eerdere studies wel het geval. Deze werkwijze wordt daarom voorgezet, al wordt per studie bekeken of het haalbaar is. Een andere vernieuwing is dat de deelnemende laboratoria hun bevindingen via internet konden aanleveren. De NRL's vonden ook dit een verbetering, en voor het analyserend EURL zijn de gegevens eenvoudiger te analyseren. Besloten is deze werkwijze te optimaliseren en voort te zetten.
    • EU Interlaboratory comparison study primary production XVII (2014) : Detection of Salmonella in chicken faeces

      Kuijpers AFA; Mooijman KA; VDL; I&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2015-09-15)
      In 2014 waren 34 van de 36 Nationale Referentie Laboratoria (NRL's) in de Europese Unie in staat om zowel hoge als lage concentraties Salmonella in kippenmest aan te tonen. Twee NRL's behaalden een matig resultaat vanwege een technische rapportagefout. In totaal hebben de laboratoria in 99 procent van de besmette monsters Salmonella aangetoond, zo blijkt uit het zeventiende ringonderzoek met monsters van kippenmest. Dit ringonderzoek wordt jaarlijks georganiseerd door het referentielaboratorium van de Europese Unie voor Salmonella (EURL-Salmonella). Europese verplichting Het onderzoek is in maart 2014 gehouden. Alle NRL's van de Europese lidstaten die verantwoordelijk zijn voor de opsporing van Salmonella in monsters van de primaire productie van dieren, zijn verplicht om aan het onderzoek deel te nemen. Het EURL-Salmonella is gevestigd bij het Nederlandse Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). De laboratoria toonden de Salmonella-bacterie in de kippenmest aan met behulp van de internationaal voorgeschreven analysemethode Modified Semi-solid Rappaport Vassiliadis (MSRV). Elk laboratorium kreeg een pakket toegestuurd met kippenmest dat ofwel besmet was met Salmonella in twee verschillende concentraties, of geen Salmonella bevatte. De laboratoria dienden de monsters volgens een protocol te onderzoeken op de aanwezigheid van Salmonella. Controlemonsters Bij een laboratoriumanalyse is het noodzakelijk dat de deelnemers via 'controlemonsters' aantonen dat zij hun analyses betrouwbaar hebben uitgevoerd. Deze controlemonsters gaven allemaal het gewenste resultaat. Enige optimalisatie van de controles is nog wenselijk.
    • EU interlaboratory comparison study primary production XVIII (2015) : Detection of Salmonella in pig faeces

      Pol-Hofstad IE; Mooijman KA; VDL; I&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2016-08-26)
      In maart 2015 vond het achttiende EURL-ringonderzoek naar detectie van Salmonella plaats. Deelname aan deze kwaliteitstoets is verplicht voor alle Nationale Referentie Laboratoria (NRL's) van de Europese lidstaten die verantwoordelijk zijn voor het aantonen van Salmonella in dierlijke mest. Voor dit ringonderzoek is een ander type mest gebruikt, dat dit keer geen geschikt alternatief bleek. Daardoor waren de resultaten van de deelnemers niet onderling te vergelijken. In totaal hebben 36 NRL's deelgenomen aan dit ringonderzoek: 29 NRL's afkomstig van 28 lidstaten in de EU, 6 NRL's afkomstig uit kandidaatlanden voor het EU-lidmaatschap of lidstaten van de European Free Trade Association (EFTA) status en 1 niet-Europees NRL op verzoek van de Europese Unie. Werkwijze Er is varkensmest gebruikt omdat het vanwege de vogelgriep in de herfst van 2014 niet was toegestaan om kippenmest te transporteren. Varkensmest staat bekend als een geschikt alternatief. Wel moeten de monsters bij een lagere temperatuur (-20 °C in plaats van 5 of 10 °C) worden bewaard om te voorkomen dat er gisten en schimmels in gaan groeien. In de testfase bleek onder deze omstandigheden een gedeelte van de toegevoegde Salmonella dood te gaan. Door extra veel Salmonella toe te voegen, zouden er genoeg bacteriën in leven moeten blijven. Tijdens de analyses van de varkensmestmonsters door de laboratoria bleek echter dat Salmonella het invriezen niet goed had overleefd. De hoeveelheid Salmonella in de aangeleverde monsters verschilde daardoor per laboratorium, zodat de resultaten niet met elkaar konden worden vergeleken. De laboratoria hebben de monsters geanalyseerd met behulp van de internationaal voorgeschreven analysemethode (MSRV). Het overkoepelend referentielaboratorium van de Europese Unie voor Salmonella (EURL-Salmonella) is gevestigd bij het RIVM.
    • EU Interlaboratory comparison study veterinary XV (2012) : Detection of Salmonella in pig faeces

      Kuijpers AFA; Mooijman KA; VDL; I&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2013-04-09)
      In 2012 waren 31 van de 33 Nationale Referentie Laboratoria (NRL's) in de Europese Unie in staat om hoge en lage concentraties Salmonella in varkensmest aan te tonen. Ze behaalden direct het gewenste niveau. Twee NRL's behaalden aanvankelijk onvoldoende resultaat, omdat ze problemen hadden om Salmonella in varkensmest aan te tonen. Beide laboratoria behaalden het gewenste resultaat tijdens de herkansing. In totaal hebben de laboratoria in 93 procent van de besmette monsters Salmonella opgespoord. Ringonderzoek verplicht voor Europese lidstaten Dit blijkt uit het vijftiende veterinair ringonderzoek dat het referentielaboratorium van de Europese Unie voor Salmonella (EURLSalmonella) heeft georganiseerd. Het onderzoek is in maart 2012 gehouden, de herkansing was in juni 2012. Alle NRL's van de Europese lidstaten die verantwoordelijk zijn voor de opsporing van Salmonella in dierlijke mest, zijn verplicht om aan het onderzoek deel te nemen. Het EURL-Salmonella is gevestigd bij het Nederlandse Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). De laboratoria toonden de Salmonella-bacterie in dierlijke mest aan met behulp van de internationaal voorgeschreven analysemethode (MSRV). Elk laboratorium kreeg een pakket toegestuurd met varkensmest, dat vrij was van Salmonella, en het zogeheten referentiemateriaal (lenticule discs), dat geen of verschillende niveaus Salmonella bevatte. De laboratoria dienden de varkensmest en het referentiemateriaal zelf volgens een protocol samen te voegen en te onderzoeken op de aanwezigheid van Salmonella. Twee specifieke typen Salmonella aantonen in varkensmest Tijdens de studie zijn twee typen Salmonella (serovars) die regelmatig bij varkens worden aangetroffen, onderzocht. Het blijkt dat sommige laboratoria de lage concentratie Salmonella Typhimurium minder goed kunnen aantonen dan vergelijkbare concentratie van Salmonella Derby. S. Derby was nog niet eerder in een studie gebruikt. Het laboratorium van het EURL-Salmonella heeft daarom voorafgaand aan de studie enkele extra onderzoeken uitgevoerd. Onder andere is gekeken of de temperatuur van invloed is op de aanwezigheid van S. Derby in het referentiemateriaal in combinatie met het te testen materiaal (varkensmest).
    • Evaluatie van de ebolapreparatie in Nederland (2014-2015)

      Swaan CM; Ory S; Jacobi AJ; Schol LGC; Timen A; P&B; I&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2016-11-15)
      Van 2014 tot 2016 was er een ebola-uitbraak in West-Afrika. Vanwege de kleine kans dat zich onder reizigers terugkerend uit West-Afrika besmettingsgevallen zouden voordoen, zijn in Nederland voorbereidingen getroffen. Het RIVM heeft voor medische professionals richtlijnen opgesteld hoe om te gaan met een patiënt met (verdenking van) ebola. Ook heeft het RIVM landelijke bijeenkomsten georganiseerd om de voorbereidingen onderling af te stemmen. Deze evaluatie gaat in op de manier waarop betrokkenen uit de curatieve zorg (ziekenhuizen, huisartsen en ambulances) en openbare gezondheidszorg (GGD'en en Centrum infectieziektebestrijding (CIb) van het RIVM) met elkaar hebben samengewerkt ten tijde van de eboladreiging. In het algemeen waren de betrokkenen tevreden over de onderlinge samenwerking. Wel bleek de aanpak in de verschillende regio's te verschillen. Zo verschilde per regio wie het initiatief nam voor de regionale afstemming: het UMC, de GGD of zij wachtten op landelijke instructies. Daarnaast was de regio-indeling niet altijd duidelijk omdat de regio-indeling voor verwijzingen van patiënten naar UMC's verschilt van de veiligheidsregio's waarbinnen voorbereiding op de opvang van eventuele ebolapatiënten (preparatie) plaatsvond. Ten slotte was er behoefte om de beschermende middelen en maatregelen, bedoeld om overdracht van het virus van de patiënt naar de zorgverlener te voorkomen, meer te standaardiseren. De betrokken partijen zouden hier graag meer landelijke sturing op zien, zodat er uniformiteit is in de voorbereiding en duidelijker is waar het initiatief moet liggen. De informatievoorziening door het CIb van het RIVM werd als adequaat beoordeeld. Men zou de landelijke bijeenkomsten graag willen uitbreiden om meer betrokkenen hieraan te kunnen laten deelnemen. Tot slot was er vanuit geïnterviewde medewerkers van de UMC's behoefte aan inzicht in de criteria op basis waarvan bestuurders van UMC's en het ministerie van VWS tot de keuze komen welke UMC's aangewezen worden voor langdurige behandeling van patiënten. Gewenste verbeterpunten zijn: een uniformere preparatie, de ontwikkeling van heldere criteria voor bestuurders van ziekenhuizen en zorgorganisaties voor centralisatie van opvang en behandeling van ebola patiënten, duidelijk ingedeelde regio's waarin ketenpartners samenwerken in de ebola preparatie, en een duidelijker rol voor het CIb bij de landelijke regie. Het CIb heeft inmiddels een Platform Preparatie Groep A-ziekten opgericht om deze verbeterpunten uit te werken met betrokkenen uit ziekenhuizen, ambulance, huisartsen, en GGD'en.
    • Evaluatie van het aanbod van online-aanbieders van soa-zelftesten in Nederland

      van den Broek IVF; Sukel B; Bos H; den Daas C; SOA; I&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMSOAIDS, 2016-09-20)
      Via internet zijn steeds meer testen beschikbaar waarmee mensen zelf kunnen testen of ze een seksueel overdraagbare aandoening (soa) hebben. Er zijn twee soorten: de zogeheten thuistesten die mensen thuis kunnen doen (zoals een zwangerschapstest) en laboratoriumtesten waarvoor ze zelf een monster afnemen en naar een laboratorium sturen voor een diagnose. Het aanbod op websites varieert sterk, ook in prijs, wat tevens geldt voor de inhoud en kwaliteit van de informatie. Een goede soa-test en een correcte behandeling zijn belangrijk voor de individuele gezondheid én de bestrijding van soa. Daarom is de informatievoorziening op de website van het product heel belangrijk om consumenten een goede keuze te kunnen laten maken over de aankoop van een test en die test op de goede manier te gebruiken. Ook is het van belang dat ze weten wat ze moeten doen als de testuitslag een soa aangeeft (behandeling, partnerwaarschuwing). Het RIVM onderzocht de kwaliteit en informatievoorziening van websites met chlamydia-testen, omdat die veel op internet worden aangeboden. Hieruit bleek dat de betrouwbaarheid van thuistesten voor chlamydia vaak niet is aangetoond. Ook is de informatievoorziening op de websites van dit type test minder goed dan bij laboratoriumtesten. De laboratoriumtesten zijn doorgaans betrouwbaar; de informatievoorziening is beter dan bij thuistesten, maar voldoet nog niet altijd. Een aantal aanbieders van laboratoriumtesten voldeed aan de criteria waarop ze werden geëvalueerd door het RIVM. Twee punten waren hierbij essentieel: een bewezen betrouwbaarheid met een sensitiviteit en specificiteit van meer dan 95 procent en een duidelijk online-advies wat mensen kunnen doen als de testuitslag een soa aangeeft.
    • Gezondheidsrisico's gerelateerd aan het gebruik van baden met Garra rufa vissen

      Schets FM; van den Berg HHJL; Swaan CM; de Roda Husman AM; MLU; I&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2014-03-03)
      In bedrijven met zogeheten garra-rufabaden, zoals sauna's en wellnessresorts, kunnen bezoekers hun handen of voeten onderdompelen in baden met garrarufavissen. Deze visjes knabbelen huidschilfers en dode huidcellen van de handen en voeten af, waardoor de huid zachter aanvoelt. Het is niet uitgesloten dat mensen via de baden huidinfecties kunnen oplopen. Infecties kunnen worden overgedragen van vissen op mensen, of, via de vissen of het water, van mens op mens. Dat blijkt uit een studie van het RIVM, die in opdracht van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) is uitgevoerd. Volgens het RIVM is het infectierisico van het gebruik van garra-rufabaden voor gezonde personen met een intacte huid en zonder ernstige ziekte verwaarloosbaar. Mensen met (kleine) huiddefecten lopen een klein risico op lokale huidinfecties. Personen met onderliggend lijden of een verminderde weerstand (inclusief diabetici) wordt ontraden gebruik te maken van garrarufabaden. Voor de studie is literatuuronderzoek gedaan en is de waterkwaliteit van garrarufabaden bij 16 bedrijven in Nederland onderzocht. Bij de meeste van hen zijn vier soorten bacteriën aangetroffen in het water van verschillende typen baden (hand, voet of lichaam): Aeromonas spp., Pseudomonas aeruginosa, Vibrio spp. en snelgroeiende mycobacteriën. De Psoriasis Vereniging Nederland, de Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie en de Nederlandse Vereniging voor Huidtherapeuten hechten weinig tot geen waarde aan therapie met Garra rufa bij psoriasispatiënten. Zij zijn van mening dat er niet voldoende informatie is over de effectiviteit en de risico's van de therapie.
    • HPV vaccination: Background information for the Dutch Health Council

      Schurink TM; de Melker HE; RVP; I&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-05-16)
      Dit rapport bevat een erratum d.d. 23-03-2018 op de laatste pagina<br> <br>Veel (jonge) seksueel actieve vrouwen en mannen zijn geïnfecteerd met het humaan papillomavirus (HPV), dat baarmoederhalskanker veroorzaakt. Sinds 2010 worden 12-jarige meisjes via het Rijksvaccinatieprogramma gevaccineerd om baarmoederhalskanker te voorkomen. Inmiddels weten we meer over deze vaccinatie; zij beschermt niet alleen tegen kanker in de baarmoederhals, maar ook tegen kanker aan penis, anus, vagina en vulva. Ook zijn er aanwijzingen dat het tegen kanker van de mond- en keelholte beschermt. <br> <br>Naar aanleiding van deze nieuwe inzichten heeft de minister van VWS de Gezondheidsraad gevraagd te bekijken of het advies uit 2008 om meisjes te vaccineren moet worden aangepast. Om de Gezondheidsraad hierin te ondersteunen heeft het RIVM de relevante informatie uit binnen-en buitenland verzameld en gestructureerd. Het gaat bijvoorbeeld om informatie over de mate waarin HPV-infecties en HPV-gerelateerde ziekten voorkomen bij meisjes/vrouwen en jongens/mannen en over de effectiviteit en veiligheid van de vaccins. <br> <br>De laatste jaren hebben meer mannen een vorm van kanker gekregen die door het HPV-virus veroorzaakt kan worden. Er zijn drie vaccins tegen HPV op de markt die zowel voor vrouwen als mannen geschikt zijn. In Nederland wordt het vaccin gegeven dat tegen twee typen van het HPV-virus beschermd (HPV-typen 16 en 18). De andere twee vaccins beschermen tegen meerdere typen van het HPV-virus. 61 procent van de meisjes heeft zich laten vaccineren. Door het huidige vaccinatieprogramma zullen per jaar naar schatting 350 minder vrouwen baarmoederhalskanker krijgen en 100 vrouwen minder aan deze vorm van kanker overlijden. <br>
    • Implementatie hygienerichtlijnen bij justitiele inrichtingen

      Hazeleger FGM; ROI; I&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2013-12-18)
      Tussen mei 2011 en oktober 2012 heeft het Landelijk Centrum Hygiëne en Veiligheid (LCHV) bij 29 justitiële inrichtingen adviezen gegeven om het risico op de verspreiding van infectieziekten te verminderen. Dit is gedaan op basis van de hygiënerichtlijnen van het LCHV. Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat deze adviezen de hygiëne aanzienlijk hebben verbeterd op het gebied van gezond binnenmilieu, de schoonmaak en desinfectie en de hygiëne rond de medische zorg in de justitiële inrichtingen. Voorbeelden van genomen maatregelen zijn: reiniging van de ventilatieroosters, de algehele schoonmaak van gebouwen, verbetering van de handhygiëne en onderhoud aan sterilisatieapparatuur. Op het gebied van infectiepreventie in de openbare gezondheidszorg hebben GGD's een belangrijke taak in de uitvoering van technische hygiënezorg. Het is dan ook van belang dat de infectiepreventiemaatregelen die de adviseurs technische hygiënezorg (THZ-adviseurs) adviseren zo goed mogelijk geïmplementeerd worden in het dagelijks handelen binnen de justitiële inrichtingen. Om te onderzoek welke werkwijze het meest effectief is, heeft het LCHV twee methoden gebruikt om de adviezen over te brengen: een advies op papier in de vorm van een rapport, en een advies op papier dat gepaard gaat met persoonlijke begeleiding. De veronderstelling is dat de persoonlijke begeleiding van THZ-adviseurs meerwaarde heeft om het gedrag van de medewerkers te veranderen. Dit onderzoek heeft nog niet kunnen aantonen of dat het geval is. Aanbevolen wordt de discussie over de wijze waarop de adviezen zo goed mogelijk geïmplementeerd kunnen worden, voort te zetten.
    • Infectieziektebestrijding en werknemersgezondheid : Jaarrapportage 2013

      Meerstadt-Rombach FS; Heimeriks CT; Swaan CM; Sitters I; P&B; I&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2014-01-09)
      Sinds 2006 heeft het Centrum Infectieziektebestrijding (CIb) van het RIVM structureel aandacht voor de gezondheid van werknemers. Dit komt voort uit het project 'Infectieziektebestrijding en Werknemersgezondheid', dat het CIb in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) sindsdien uitvoert. Het doel van dit project is de gezondheid van werknemers, die als gevolg van hun werkzaamheden risico lopen te worden blootgesteld aan infectieziekten, te bewaken en te bevorderen. Werknemersgezondheid vast onderdeel binnen CIb De gezondheid van werknemers wordt bevorderd door bij uitbraken van infectieziekten expliciet rekening te houden met specifieke risico's voor werknemers. Zo vormt sinds 2011 een arboprofessional een vast onderdeel van de experts van het Outbreak Management Team (OMT), dat voor een dreigende epidemie wordt ingezet, en van het Deskundigenberaad, dat voor minder acute zaken samenkomt. Ook wordt bij de vier overlegstructuren die het CIb heeft voor zijn taak om infectieziekten te signaleren structureel naar werknemersgezondheid gekeken: het wekelijkse CIb-signaleringsoverleg, het wekelijkse LCI-casuïstiekoverleg, het maandelijkse Signaleringsoverleg zoönosen (SO-Z) en het landelijk Overleg Infectieziekten (LOI). Kennis verbreden en verspreiden Om het doel van het project te bereiken is het van belang de kennis over arbeidsgerelateerde infectieziekten bij arboprofessionals te vergroten. Kennis over infectieziekten in relatie tot de werkomstandigheden wordt op diverse manieren verspreid, bijvoorbeeld via de digitale berichtenservice voor arboprofessionals (Arbo-inf@ct), onderwijs (NSPOH), presentaties voor beroepsgroepen en artikelen in vaktijdschriften. Bovendien is er structureel aandacht voor werkgerelateerde aspecten in voorlichtingsmateriaal van het RIVM (toolkits) en in de LCI-richtlijnen. Andere maatregelen en producten uit 2013 Net als in voorgaande jaren is in 2013 een veelheid aan andere producten geleverd. Voorbeelden hiervan zijn: arboparagrafen in de LCI-richtlijnen en toolkits, signalen en risico-inschattingen richting SZW, beantwoording van vragen uit het veld en arborelevante input bij werkgroepen. Extra aandacht was er dit jaar voor verscheidene arbo-onderwerpen bij de mazelenuitbraak, zoals een bijdrage de aangepaste landelijke richtlijnen en informatie voor arboprofessionals en SZW.
    • Inventarisatie Screening carbapenemase-producerende bacteriën in dieren en dierlijke producten: is de huidige screening toereikend?

      Wit B; Veldman K; Hordijk J; Heuvelink A; Vellema P; Dierikx CM; Backer JA; Takumi K; van Duijkeren E; I&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-07-17)
      In dit onderzoek is gekeken of de huidige monitoring van carbapenemase-producerende bacteriën (CPE) voldoende is om betrouwbare uitspraken te kunnen doen over het vóórkomen van deze bacteriën in dieren en/of dierlijke producten. De conclusie van dit rapport is dat méér en gerichter monsters van dieren en dierlijke producten genomen zouden moeten worden om lage prevalenties (vóórkomen) van CPE te kunnen monitoren. Daarmee wordt tevens de kans verhoogd besmettingen met CPE te ontdekken, voordat het verspreid is naar meerdere bedrijven, dieren en/of (dierlijke) producten. Het gaat om antibioticaresistente bacteriën die resistent zijn tegen het soms nog laatste redmiddel bij infecties, carbapenem antibiotica. Deze bacteriën worden gezien als bedreiging voor de volksgezondheid. Gelukkig komen deze nog niet zo vaak bij mensen in Nederland voor. Als dit type bacteriën in ziekenhuizen wordt aangetroffen, worden maatregelen getroffen om ervoor te zorgen dat ze zich niet verder kunnen verspreiden naar risicogroepen. Hoewel CPE tot nu toe in Nederland nog niet in dieren en/of dierlijke producten zijn aangetroffen, kunnen ook dieren en/of dierlijke producten een rol spelen bij de verspreiding ervan naar de mens. CPE zijn in het buitenland al wel incidenteel gevonden bij dieren. In de Nederlandse veestapel, onder gezelschapsdieren en in (dierlijke) producten vindt op dit moment een monitoring plaats naar CPE. Het is echter onzeker of deze monitoring voldoende is om veranderingen in het vóórkomen van CPE te bepalen en om CPE te vinden, op het moment dat deze nog niet verspreid zijn naar meerdere bedrijven, dieren en/of (dierlijke) producten. Daarom heeft het ministerie van VWS het RIVM gevraagd voorliggend onderzoek te doen. Het brengt de huidige monitoring van CPE in de Nederlandse veestapel, gezelschapsdieren en dierlijke producten gedetailleerd in kaart, geeft een overzicht van de betrouwbaarheid van deze metingen en inventariseert mogelijke verbeteringen. Uit het onderzoek blijkt dat de aantallen monsters die van dieren en producten genomen worden te klein zijn om betrouwbare uitspraken te doen over de afwezigheid van CPE in de veestapel en om veranderingen bij een lage prevalentie te kunnen waarnemen. Daarom wordt aanbevolen om in de monitoring meer monsters te onderzoeken. Ook is het zinvol om te analyseren waar de grootste risico's voor introductie van CPE in dieren en/of dierlijke producten liggen, zodat de aanvullende metingen zo gericht mogelijk kunnen worden uitgevoerd. Een eerste verkennende risico inventarisatie laat zien dat import van dieren en/of dierlijke producten uit gebieden waar CPE voorkomt, een mogelijk risico is voor invoer van CPE naar Nederland. Productiedieren kunnen ook besmet worden door overdracht vanuit bedrijven hoger in de productieketen, waar op dit moment geen monitoring plaatsvindt. Daarnaast kan er ook overdracht plaats vinden via besmette mensen. Door méér en gerichter monsters van dieren en (dierlijke) producten te nemen kan de afwezigheid van CPE met een betere betrouwbaarheid worden bepaald. Daarmee wordt tevens de kans verhoogd besmettingen met CPE te ontdekken, voordat het verspreid is naar meerdere bedrijven, dieren en/of (dierlijke) producten.
    • Jaarrapportage surveillance respiratoire infectieziekten 2012

      Brandsema P; Dijkstra F; Euser SM; van Gageldonk-Lafeber AB; de Lange MMA; Meijer A; Slump E; van der Hoek W; RES; I&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMStreeklaboratorium voor de Volksgezondheid KennemerlandHaarlem., 2013-11-22)
      Er waren in 2012 geen grote uitbraken van de meldingsplichtige luchtweginfecties legionellose, psittacose, Q-koorts en tuberculose. Wel duurde de influenza (griep)epidemie van het seizoen 2012/2013 uitzonderlijk lang: met 18 weken was het de langstdurende epidemie in de afgelopen 25 jaar. Mogelijk heeft dit geleid tot meer longontsteking en meer sterfgevallen. Griep en longontsteking leiden jaarlijks tot veel ziekteverzuim en huisartsenbezoeken. Ook zijn ze een belangrijke oorzaak van ziekenhuisopname en sterfte. De meldingsplichtige luchtweginfecties komen veel minder voor dan griep of longontsteking in het algemeen. Ze zijn meldingsplichtig, omdat tijdige maatregelen, zoals de besmettingsbron opsporen, belangrijk kunnen zijn om uitbraken of verdere verspreiding van de ziekte te voorkomen. Het RIVM voert met partners continue surveillance uit om ontwikkelingen in luchtweginfecties tijdig te signaleren. Meldingsplichtige longontstekingen De meldingsplichtige longontstekingen vormen een klein deel van het totaal aantal longontstekingen. In 2012 was het aantal longontstekingen veroorzaakt door de legionellabacterie (veteranenziekte) met 304 meldingen vergelijkbaar met vorig jaar. Bijna de helft van de patiënten had tijdens de incubatietijd een reis gemaakt; vooral bij een reis naar Italië was het risico op een legionella-infectie hoger. Er waren 46 meldingen van psittacose, een vorm van longontsteking waarbij vooral vogels de bron van infectie zijn. Dit is het laagste aantal sinds 2004. Er was echter wel een uitbraak van psittacose bij medewerkers van een vogelopvang. Met slechts 66 meldingen was er weinig acute Q-koorts, wat bevestigt dat de grote Q-koortsepidemie van 2007-2010 voorbij is. In Friesland werden echter meer Q-koortspatiënten gezien dan voorgaande jaren, zonder dat hier een bron van infectie gevonden werd. Tuberculose Het aantal tuberculosepatiënten in Nederland is sinds 2002 met een derde gedaald. Na een tijdelijke toename in 2009 tot 1158 meldingen, zette de daling in de jaren erna door tot 958 meldingen in 2012. Evenals voorgaande jaren is in 2012 bijna driekwart van het aantal tbc patiënten geboren in het buitenland. Vooral onder Somaliërs komt relatief vaak tuberculose voor. Griep In het griepseizoen van 2012-2013 circuleerden er vier verschillende griepvirussen: twee verschillende influenzavirussen type A, en twee soorten influenzavirus type B. De effectiviteit van het influenzavaccin was voor één virustype zeer laag en voor de andere drie soorten virussen redelijk tot goed. Tijdens de influenza-epidemie werd langdurig een verhoogd aantal sterfgevallen waargenomen, dat mogelijk deels aan de griep kan worden toegeschreven.
    • Jaarrapportage Surveillance Respiratoire Infectieziekten 2013

      Teirlinck AC; van Asten L; Brandsema PS; Dijkstra F; Donker GA; Euser SM; van Gageldonk-Lafeber AB; Hooiveld M; de Lange MMA; Meijer A; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2014-09-26)
      Het griepseizoen (influenza) 2013/2014 was erg mild, na de uitzonderlijk langdurende epidemie in het seizoen 2012/2013. Ook was het een mild seizoen wat betreft het aantal mensen dat een longontsteking (pneumonie) opliep. In 2013 waren er geen grote uitbraken van de meldingsplichtige luchtweginfectieziekten legionellose (308 meldingen), papegaaienziekte (psittacose; 51 meldingen), Q-koorts (19 meldingen) en tuberculose (848 meldingen). Deze aantallen waren in het verslagjaar vergelijkbaar of lager dan het aantal meldingen in voorgaande jaren. Dit blijkt uit de jaarlijkse surveillance luchtweginfectieziekten 2013 van het RIVM. Griep en longontsteking leiden tot veel ziekenhuisopnames en sterfte in Nederland, waardoor het RIVM ze actief volgt. In vergelijking met griep komen de meldingsplichtige luchtweginfecties in Nederlands maar weinig voor. Ze zijn meldingsplichtig, omdat tijdige maatregelen, zoals de besmettingsbron opsporen, belangrijk kunnen zijn om uitbraken of verdere verspreiding van de ziekte te voorkomen. Het RIVM volgt ook potentieel gevaarlijke nieuwe luchtweginfecties die elders in de wereld voorkomen. In mei 2014 werden voor het eerst in Nederland twee patiënten gediagnostiseerd met het MERS coronavirus. In het seizoen 2013/2014 lag het aantal mensen dat met griepachtige klachten bij de huisarts kwam begin 2014 gedurende vier weken boven de grens waarmee een griepepidemie wordt geduid. Bij de patiënten met griepachtige klachten kwam naast influenzavirus vaak RSV (respiratoir syncytieel virus) en neusverkoudheid (rhinovirus) voor. Er kwamen minder mensen met een longontsteking bij de huisarts dan voorgaande seizoenen, maar het aantal longontstekingpatiënten in verpleeghuizen bleef gelijk.
    • Kinkhoestsurveillance in 2013 en 2014

      van der Maas NAT; de Melker HE; Heuvelman CJ; van Gent M; Mooi FR; RVP; I&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2014-12-22)
      Door aanpassingen in het Rijksvaccinatieprogramma is kinkhoest onder gevaccineerde kinderen in de afgelopen 15 jaar gedaald. Onder baby's die nog niet zijn gevaccineerd blijft het aantal zieken hoog, vooral als er veel extra adolescenten en volwassenen ziek zijn. Bij tieners en volwassenen neemt het aantal kinkhoestinfecties al jaren toe. Aangezien ouders een belangrijke besmettingsbron zijn voor hun baby's, vormt dit een (toenemende) bedreiging voor baby's. De stijging van het aantal kinkhoestgevallen komt doordat de weerstand die wordt opgewekt door de vaccinatie wegebt. Daarnaast is de bacterie resistenter geworden tegen vaccinatie. Dit blijkt uit de RIVM-monitoring van kinkhoest in Nederland tussen 1989 en 2014. Sinds 1952 worden kinderen tegen kinkhoest gevaccineerd. De gemiddelde deelname aan de vaccinatie (vaccinatiegraad) was de afgelopen decennia hoog (ruim 96-97 procent). Desondanks neemt kinkhoest onder de algemene bevolking sinds 1996 toe. Daarbij wordt om de 2 tot 4 jaren een extra stijging (epidemie) van het aantal gevallen in Nederland waargenomen, vooral bij adolescenten en volwassen. Kinkhoest kan vooral bij niet- of onvolledig gevaccineerde baby's zeer ernstig verlopen, en is in sommige gevallen zelfs dodelijk. Om hen beter te beschermen zijn drie veranderingen doorgevoerd in de kinkhoestvaccinatie. Eerder vaccineren, een extra inenting en een ander vaccin Sinds 1999 worden baby's een maand eerder gevaccineerd; de eerste inenting is vervroegd naar twee maanden. Kinderen van 4 jaar krijgen een extra vaccinatie. Het cellulaire kinkhoestvaccin (dat hele, gedode, bacteriën bevat) is vervangen door een a-cellulair vaccin (dat gezuiverde stukjes van de bacterie bevat). Het nieuwe is effectiever en heeft een kleinere kans op bijwerkingen. Vaccinatie van zwangeren De toename van het aantal kinkhoestinfecties bij tieners en volwassenen komt onder andere doordat de kinkhoestbacterie meer circuleert. Aangezien ouders een belangrijke bron zijn in de overdracht van kinkhoest naar baby's, kan een hoger aantal infecties bij hen meer ernstige infecties bij on(volledig) gevaccineerde baby's veroorzaken. In Engeland is aangetoond dat de vaccinatie van moeders in het laatste trimester van de zwangerschap, zuigelingen goed beschermt. De opgebouwde immuniteit van de moeder wordt namelijk overgedragen op het ongeboren kind. Ook kan de gevaccineerde moeder de ziekte dan niet overdragen naar haar kind. Betere kinkhoestvaccins Uit RIVM-onderzoek blijkt dat de kinkhoestbacterie is veranderd in de loop der jaren en resistenter geworden tegen vaccinatie. Deskundigen zijn het er dan ook over eens dat kinkhoestvaccins verbeterd moeten worden. Het RIVM monitort de gegevens over kinkhoest om zo de effectiviteit van de vaccinatie in de gaten te houden en de overheid te adviseren over verbeteringen. Uiteindelijke doel van de monitoring is ernstige ziekte onder baby's te voorkomen en het aantal zieken onder de gehele bevolking te verminderen. In Nederland buigt de Gezondheidsraad zich op dit moment over de kinkhoestvaccinatie.
    • Kunnen natte lucht- en gaswassers aerosolen met legionellabacteriën verspreiden naar de omgeving?

      Bartels AA; Schalk JAC; Melse RW; MLU; I&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMLCHV, 2013-12-02)
      Industrieën en veehouderijen gebruiken luchtwassers om ongewenste chemische of organische stoffen, gassen of geuren te verwijderen uit lucht of gas. Onder bepaalde condities (temperatuur en zuurgraad), kan legionella in bepaalde typen natte luchtwassers uitgroeien. Als waternevel het systeem kan verlaten, is niet uit te sluiten dat legionella zich naar de omgeving kan verspreiden. Of legionella daadwerkelijk bij deze luchtwassers groeit en zich verspreidt, moet nader worden onderzocht. Dit blijkt uit literatuuronderzoek en interviews, uitgevoerd door het RIVM. Aanleiding zijn vragen van GGD-en en milieudiensten over mogelijke gezondheidsrisico's voor omwonenden door verspreiding van legionella via natte luchtwassers. Met deze installaties worden ongewenste componenten in de lucht verwijderd door de lucht in contact te brengen met verneveld water. Ook worden hiervoor in sommige typen wassers chemicaliën (zure en basische wassers) of bacteriën (biowassers) aan het waswater toegevoegd. Het waswater wordt vaak opgevangen en hergebruikt. Legionella kan groeien in water als dat een neutrale zuurgraad heeft en een temperatuur van tussen de 20 en 50 graden Celsius. Stofwassers, biowassers en biofilters hebben een neutrale zuurgraad. De temperatuur kan onbedoeld stijgen als de luchtwassers bijvoorbeeld worden opgewarmd door apparaten in de directe omgeving of door een hoge buitentemperatuur. Bij zure luchtwassers met een zuurgraad onder de 4 en basische luchtwassers met een zuurgraad boven de 9 is legionellagroei niet waarschijnlijk. Van de ongeveer 1.500 luchtwassers in de veehouderij bestaat circa 90 procent uit zure wassers met een zuurgraad van 4 of lager, waarin legionellagroei niet waarschijnlijk is. De overige 10 procent bestaat voornamelijk uit biowassers. In deze wassers is groei van legionella niet uit te sluiten als de watertemperatuur in de wassers hoger dan 20 graden Celsius wordt. In de industrie wordt ook gebruikgemaakt van biowassers en stofwassers, waarbij legionella-groei en - verspreiding niet uit te sluiten is. Uit het uitgevoerde onderzoek, kon niet worden vastgesteld bij hoeveel industriële luchtwassers dit het geval is. Dit rapport biedt handvatten voor GGD-en en milieudiensten bij de beantwoording van vragen over legionellarisico's van luchtwassers.