• Monitoringsrapportage NSL 2017 : Stand van zaken Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit

      Rutledge-Jonker S; Smeets WLM; Dam-Deisz WDC; Broek I van den; Dam-Deisz WDC; Groot-Wassink H; Sanders A; LKG; MIL (Ministerie van I&M, 2017-10-31)
      Concentraties gedaald, lokale overschrijdingen hardnekkig In het grootste deel van Nederland liggen de berekende concentraties fijnstof en stikstofdioxide in 2016 onder de Europese normen. De norm voor stikstofdioxide wordt nog overschreden in een aantal drukke straten in binnensteden, vooral in Amsterdam en Rotterdam. De norm voor fijnstof wordt lokaal nog overschreden in gebieden met intensieve veehouderijen en industrie. Hierdoor voldoet Nederland nog niet aan de Europese grenswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof. De komende jaren zal in de binnensteden het aantal locaties waarop de normen worden overschreden naar verwachting afnemen. Verwachte concentraties in 2020 De gemiddelde concentratie stikstofdioxide is in 2016 iets gestegen ten opzichte van 2015. Voor de komende jaren, tot en met 2020, wordt echter een daling van de concentraties stikstofdioxide berekend. De gemiddelde concentratie fijnstof is in 2016 gedaald ten opzichte van vorig jaar, maar het is onzeker of deze daling doorzet. Deze conclusies volgen uit de monitoring van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De NSL-monitoringsrapportage brengt de luchtvervuilende stoffen fijnstof en stikstofdioxide in beeld waaraan de bevolking wordt blootgesteld. Lagere concentraties van deze stoffen verbeteren de volksgezondheid, ook wanneer ze al onder de Europese grenswaarden liggen. Onzekerheden en risico's De basis van de berekeningen voor het NSL zijn de actuele gegevens, die overheden moeten aanleveren. De kwaliteit van deze gegevens is de laatste jaren, vooral met betrekking tot wegen, sterk verbeterd. Aandacht voor de kwaliteit blijft van belang om een betrouwbaar beeld te kunnen geven van de luchtkwaliteit. De concentraties stikstofdioxide en fijnstof liggen op veel locaties dicht bij de Europese grenswaarde. Geringe stijgingen van de concentraties kunnen het aantal overschrijdingen sterk beïnvloeden. Hierdoor is het aantal overschrijdingen gevoelig voor onzekerheden in de berekeningen.
    • The National Immunisation Programme in the Netherlands : Surveillance and developments in 2016-2017

      Dam-Deisz WDC; de Melker HE; RVP; EPI (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-11-10)
      Surveillance and developments in 2016-2017 In 2016, about 760,000 children aged 0 to 19 years received a total of 2,140,000 vaccinations within the National Immunisation Programme (NIP). Participation in the NIP was high (more than 90% depending on the vaccine), but dropped by around 0.5% for newborns for the third consecutive year. The participation in vaccinations against human papillomavirus (HPV) declined from 61 to 53 per cent. The number of reports (1,483) of adverse events following immunisation (in total 3,665) in 2016 was comparable to the number of reports in 2015. NIP target diseases The number of reported cases of most NIP target diseases was again low. However, the number of cases of Haemophilus influenzae type b (Hib) disease in 2016 (n=44) was considerably higher than in the previous five years (22-34 cases), with the highest incidence occurring among children under five years of age. Pertussis incidence in 2016 fits within the usual fluctuations. However, six people died from pertussis in 2016.The incidence of cervical cancer cases increased in 2016 (9.3 per 100,000 compared with 7.7 per 100,000 in 2015). In 2017, two fully vaccinated employees were exposed to a wild poliovirus type 2 (WPV2). Due to strict isolation, no transmission was detected. Potential NIP target diseases An increase in the number of meningococcal (Men) disease was observed after more than two decades of decrease. An ongoing increase in the number of cases of MenW disease has been observed (9, 50 and 34, respectively, in 2015, 2016 and the first five months of 2017). Dutch Health Council recommendations The RIVM facilitate the Dutch Health Council with their recommendations on vaccinations and therefore has collected and structured relevant national and international information in background documents concerning rotavirus, meningococcal disease and HPV. The Health Council has advised earlier that maternal pertussis vaccination should be provided. The Ministry of Health, Welfare and Sport (VWS) has expressed a positive attitude towards the advice but still has to make a decision. In 2017, the Health Council also advised that all employees who are in close contact with young infants during work should be offered vaccination against pertussis. In addition, the Dutch Health Council advised in September 2017 positive on vaccination against rotavirus and the minister decided to vaccinate against MenACWY in 2018.
    • The National Immunisation Programme in the Netherlands : Surveillance and developments in 2017-2018

      Dam-Deisz WDC; Dam-Deisz WDC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-11-27)
      In 2017 kregen ongeveer 760.000 kinderen van 0 tot 19 jaar samen 2.140.000 vaccinaties vanuit het Rijksvaccinatieprogramma (RVP). De deelname aan het RVP is hoog onder kinderen jonger dan 10 jaar, ondanks de daling van ongeveer 2 tot 3 procent voor de meeste vaccinaties sinds 2014. Een uitzondering op de hoge deelname is het aantal meisjes dat zich tegen het humaan papillomavirus (HPV) heeft laten vaccineren, dat met 15 procent is gedaald sinds 2016. Het aantal meldingen (1383) van mogelijke bijwerkingen van vaccins in 2017 was lager dan het jaar ervoor (1483). RVP-ziekten Het aantal patiënten met meningokokkenziekte door MenW blijft stijgen, met 80 patiënten in 2017 en 78 tot en met augustus 2018. Daarom is sinds mei 2018 de MenC-vaccinatie op de leeftijd van 14 maanden vervangen door MenACWY-vaccinatie. Het percentage mensen dat aan MenW-ziekte overlijdt is aanzienlijk hoger (17 procent) dan bij andere meningokokken serogroepen. In 2017 was het aantal meldingen van mazelen met 16 gevallen laag, maar wat hoger dan in voorgaande twee jaren. Het aantal meldingen van kinkhoest was in lijn met 2016 (28,7 vergeleken met 32,6 per 10.000). Er overleden drie mensen aan kinkhoest, één jonge zuigeling en twee ouderen. Het aantal meldingen van acute hepatitis B bleef stabiel (0,7 per 100.000 populatie). Ook het aantal mensen dat ziek werd van een type pneumokokkenziekte waartegen het vaccin beschermt, bleef erg laag in 2017/2018. Net als voorgaande waren er in 2017 weinig meldingen van bof (46), Haemophilus influenzae type b (Hib; 46), meningokokken serogroep C (MenC; 9), difterie (4), tetanus (1), rodehond (0) en polio (0). De inwoners van Bonaire, St. Eustatius en Saba zijn overwegend goed beschermd tegen ziekten uit het RVP. Alleen de bescherming tegen mazelen en difterie is voor sommige leeftijdsgroepen niet optimaal. Alertheid is geboden om eventuele patiënten snel op te sporen om te voorkomen dat deze ziekten zich vanuit omliggende landen verspreiden. Daar zijn sinds kort uitbraken gaande. Nieuwe adviezen en besluiten In juli 2018 heeft de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) besloten om de MenACWY-vaccinatie vanaf oktober 2018 uit te bereiden naar 13-14- jarigen; in 2019 komt er een inhaalcampagne voor alle 15-18-jarigen. Ook is besloten om vaccinatie tegen het rotavirus aan te bieden aan risicogroepen en dat kinkhoestvaccinatie voor zwangeren via het RVP wordt georganiseerd door jeugdgezondheidszorg organisaties. De Gezondheidsraad adviseert vaccinatie tegen pneumokokken aan te bieden aan 60-plussers.
    • Een onderzoek naar arbeidsbescherming en veiligheid bij de POMS-sites. : WP8.2: Normen en Recht op Bescherming: Defensie-specifiek

      Dam-Deisz WDC; Timmermans T; Sitters I; Laan G van der; Engelen J van; M&G; DMG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-06-04)
      Dit rapport maakt onderdeel uit van een serie van tien rapporten over het onderzoek naar chroom-6 op de POMS-locaties van Defensie. Dit rapport bevat geen afzonderlijke publiekssamenvatting. Een overkoepelende publiekssamenvatting van de tien rapporten is te vinden op de website van het RIVM: "Chroom-6 op de POMS-locaties van Defensie: gezondheidseffecten en verantwoordelijkheden. Bevindingen uit het onderzoek op hoofdlijnen." RIVM Rapport 2018-0061
    • Ontwikkelingen in de stikstofdepositie

      Dam-Deisz WDC; van Pul WAJ; DMO; MIL (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-11-26)
      Het RIVM heeft beschreven wat de samenstelling is van de stikstof die tussen 2005 en 2016 in Nederland op het oppervlak (bodem en planten) is neergedaald. Ook is beschreven op welke manier het RIVM deze zogeheten stikstofdepositie bepaalt. Hiervoor wordt onder andere gekeken in hoeverre ammoniak bijdraagt aan de totale stikstofdepositie. Ammoniak is een belangrijk onderdeel van de totale depositie van stikstof. In de onderzochte periode bestond de totale stikstofdepositie (N)voor tweederde uit ammoniak (NH3-N) en voor eenderde uitstikstofoxiden (NOx-N). De landelijk gemiddelde stikstofdepositie bedroeg in 1990 ruim 2700 mol stikstof per hectare en is sindsdien geleidelijk gedaald tot ruim 1700 mol stikstof per hectare in 2016. De daling is de laatste jaren afgevlakt. Dit komt onder andere doordat de ammoniakuitstoot niet meer daalde. Volgens de ‘Emissieramingen luchtverontreinigende stoffen Nederland - rapportage-2017’ van het Planbureau voor de Leefomgeving zal de totale uitstoot en daardoor ook de depositie van stikstof in de toekomst weer verder afnemen. De uitstoot van ammoniak wordt gebruikt om de concentraties hiervan in de lucht te berekenen, en op basis daarvan de depositie van ammoniak. De berekeningen worden vervolgens gecorrigeerd met de gemeten concentraties. Over de gehele periode tussen 2005 en 2016 is de berekende uitstoot van ammoniak gedaald. De gemeten ammoniakconcentratie over dezelfde periode steeg licht. Deze tegengestelde tendensen zijn nader onderzocht. Meerdere factoren hebben invloed op de concentraties ammoniak in de lucht. Doordat de lucht de afgelopen jaren minder vervuilende stoffen bevat waaraan ammoniak zich kan binden, zoals stikstof- en zwaveloxiden, is er relatief meer ammoniak in de atmosfeer overgebleven. Het uiteenlopen van de ontwikkelingen in de gerapporteerde emissies en de gemeten concentraties kan dus gedeeltelijk worden verklaard door de afgenomen emissies van stikstof- en zwaveloxiden. Het RIVM onderzoekt momenteel verder of er mogelijke verklaringen vanuit de emissiekant zijn voor het resterende verschil tussen de gerapporteerde emissies en de gemeten concentratie van ammoniak door de jaren heen. Dit onderzoek zal eind 2018 afgerond worden.
    • Risicogrenzen PFOA voor grond en grondwater : Uitwerking voor generiek en gebiedsspecifiek beleid (herziene versie)

      Broek I van den; Dam-Deisz WDC; Dam-Deisz WDC; Posthuma CJAM; Brand E; Swartjes FA; Broek I van den; DDB; DMG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-06-05)
      In opdracht van de gemeente Dordrecht heeft het RIVM risicogrenzen voor perfluoroctaanzuur (PFOA) in grond en grondwater afgeleid. De gemeente kan hiermee bepalen of de kwaliteit van de grond en het grondwater een risico vormt voor mens en milieu, en of maatregelen nodig zijn. De verontreiniging door PFOA is naar verwachting eind vorige eeuw ontstaan. PFOA werd door de Dupont/Chemours fabriek in Dordrecht tot 2012 gebruikt bij de productie van polymeren. In het huidige rapport zijn generieke risicogrenzen afgeleid voor grond en grondwater volgens de interventiewaardenmethodiek, waarbij rekening gehouden wordt met blootstelling van mens en milieu vanuit grond en grondwater. Daarnaast zijn locatiespecifieke of bodemgebruik-specifieke risicogrenzen afgeleid voor grond en grondwater voor verschillende bodemgebruiksvormen. Deze zijn toegespitst op de bestemming wonen en industrie, rekening houdend met de relevante blootstellingsroutes. In deze herziene versie zijn enkele risicogrenzen voor de mens aangepast vanwege nieuwe informatie en een correctie in de doorwerking van plantopname in de risicogrenzen. De gemeente kan de afgeleide risicogrenzen gebruiken om, indien gewenst, gebiedsspecifiek beleid te maken voor het bodemgebruik en grondverzet.
    • Strategisch Programma RIVM Jaaroverzicht 2015: Speerpuntnotities - publicaties

      Deleu SAM; Broek I van den; Dam-Deisz WDC; Kroode JHCM ten; Leeuwen CD van; BDR; BDV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-02-06)
      Het RIVM brengt jaarlijks verslag uit van het Strategisch Programma RIVM (SPR), voorheen het Strategisch Onderzoek RIVM (SOR). Het verslag is bedoeld om de eigenaar (VWS), de Commissie van Toezicht en geïnteresseerden binnen en buiten het RIVM te informeren over de inhoud en de voortgang. De projecten worden in een cyclus van vier jaar uitgevoerd. 2015 is het eerste jaar van de cyclus 2015-2018. Dit verslag beperkt zich daarom tot een korte impressie van de speerpunten en de thema's die de speerpunten overstijgen (crosscutting themes). Daar waar binnen de projecten al aansprekende resultaten zijn behaald, zijn deze in de beschrijvingen opgenomen. Het programma heeft niet alleen een nieuwe naam gekregen, ook de doelen zijn verbreed. Net als het SOR is het SPR bedoeld om te voorzien in de expertise en kwaliteit om nu en in de toekomst de taken van de opdrachtgevers adequaat uit te kunnen voeren. Daarnaast is er nu ook ruimte voor innovatie en expertise-ontwikkeling. Het SPR is van start gegaan met 83 projecten, georganiseerd in zes speerpunten en de crosscutting themes. Gedurende het opstartjaar worden de meerjarige projecten in de steigers gezet, aio's geworven, netwerken geactiveerd en nieuwe terreinen verkend. Vooral voor innovatie vraagt deze startperiode een investering, omdat nieuwe samenwerkingen en methoden moeten worden ontwikkeld. Publicaties en andere concrete resultaten zijn daarin doorgaans nog beperkt.
    • Study on methodology to perform an environmental noise and health assessment - a guidance document for local authorities in Europe

      van Kamp I; Schreckenberg D; van Kempen EEMM; Basner M; Brown AL; Clark C; Houthuijs DJM; Dam-Deisz WDC; van Beek AJ; Janssen-Stelder BM; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-10-29)
      The Environmental Noise Directive (END) is for local authorities the most important instrument to determine the levels of noise pollution. Also, the Directive is aimed at the evaluation of effect of measures and can make the effects of alternative measures visible. The Directive stimulates the Member States to take action to reduce the adverse effects of environmental noise . Annex III of the Directive is currently under revision and will include a method to calculate the effects of different noise sources, such as road- and rail traffic, according to the latest scientific evidence. In preparation of this update, RIVM in collaboration with international partners has prepared a guidance document. Not only annoyance and sleep disturbance are addressed as health effects, but also cardiovascular effects and cognitive impact in children (comprehensive reading impairment). The document is worded in such a way that it is easily used by local authorities. The guidance document was prepared on request of the EU commission. The document describes the steps of a health impact assessment one by one and explains the accompanying decisions and conditions. Next, the actual calculation methods are further explained for two indicators: the number of healthy life years adjusted for disease, disability and death (DALY) and the number of people that experiences adverse effects of noise ((NafP). Finally, as an example, the health impact of noise in Düsseldorf is described.
    • Surveillance of zoonotic bacteria in farm animals in The Netherlands - Results from January 1998 until December 2002

      Bouwknegt M; Dam-Deisz WDC; Wannet WJB; Pelt W van; Visser G; Giessen AW van de; MGB (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2004-11-25)
      The EU Zoonoses Directive obliges the Member States to collect data on the occurrence of zoonotic agents in animal populations. For this purpose, since April 1997, the RIVM conducts a national programme for surveillance of zoonotic bacteria in farm animals in order of and in collaboration with the Inspectorate for Health Protection and Veterinary Public Health (VWA/KvW). The prevalence of Salmonella spp. in laying hens has significantly decreased in the period 1999-2002, which might indicate that the control measures taken by the poultry industry were effective. Prevalence estimates for Salmonella spp. in broiler flocks, in 1999-2002, did not yet yield a decreasing trend. The prevalence of Salmonella spp. in finishing pigs showed a decreasing trend between 2000 and 2002. The prevalence of Salmonella spp. in dairy cattle and veal calves remained at a relatively low level during the study period. The prevalence of Campylobacter spp. in broiler flocks did not increase nor decrease continuously between 1998 and 2002, which roughly corresponds with the monitoring results from the poultry industry. The prevalence estimates for E. coli O157 in dairy cattle and veal calves increased in the period 2000-2002. The vast majority of the E. coli O157-isolates concerned Shiga toxin-producing E. coli (STEC) O157. The increase of STEC O157 in dairy and veal herds may yield an increased risk of STEC O157 infections in humans.
    • Surveillance of zoonotic bacteria in farm animals in The Netherlands. Results from January 1998 until December 2000

      Bouwknegt M; Dam-Deisz WDC; Schouten JM; Wannet WJB; Pelt W van; Visser G; Giessen AW van de; KvW; MGB; WUR/QVE; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2003-06-24)
      To obtain reliable quantitative data on the occurrence of zoonotic bacteria in farm animals in The Netherlands, a surveillance programme was implemented in April 1997. Results for January 1998 through December 2000 are presented in this report. In this period, faecal samples from in total 2,378 flocks/herds of layers, broilers, finishing pigs, dairy cattle and veal calves were examined for the presence of Salmonella spp., Campylobacter spp. and/or verocytotoxin-producing E. coli O157. Questionnaires were used to obtain data for risk factor analyses. For layers, prevalences of salmonella positive flocks were 12% (1998, using Rappaport-Vassiliadis (RV) as selective enrichment medium) and averaged around 20% in 1999 and 2000 (using both RV and modified semisolid RV (MSRV)); for broilers, the salmonella prevalence declined from 28% (1998, RV) to 16% (2000, RV & MSRV). For finishing pig, 34% (1998; 4th quarter only), 13% (1999) and 16% (2000) positive herds were identified, while for dairy cattle and veal calves, salmonella prevalences were around 3% (based on the use of RV only). Serotype discrimination showed the predominance of S. Enteritidis (mainly phagetype PT4) in layers in all years; for broilers this serotype prevailed until 1999, whereas S. Paratyphi B var. Java prevailed in 2000. In finishing pigs, S. Typhimurium predominated, with an increase of phagetype DT104 during the study period. The campylobacter prevalence in broilers decreased from 31% (1998) to 18% (1999), reaching 24% in 2000. Finishing pigs, dairy cattle and veal calves showed lower campylobacter prevalences for 1999 compared to 1998. C. jejuni was the dominating species in broilers and dairy cattle, whereas C. coli predominated in pigs; both species prevailed equally in veal calves. Prevalence estimates for E. coli O157 in dairy cattle were 5% (1998), 8% (1999) and 6% (2000; 8% with an adjusted processing of samples); for veal calves these were 5% (1998), 9% (1999) and 11% (2000; 17% with the adjusted method). PCR-test results revealed the presence of the virulence associated SLT- and/or eae-genes in all isolates examined. Potential risk factors were identified for E. coli O157 in dairy cattle and for Campylobacter spp. in broilers.
    • Surveillance of zoonotic bacteria in farm animals in The Netherlands - Results from January 1998 until December 2002

      Bouwknegt M; Dam-Deisz WDC; Wannet WJB; van Pelt W; Visser G; van de Giessen AW; MGB (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2004-11-25)
      De door de EU uitgevaardigde Zoonosen Richtlijn verplicht de Europese lidstaten om jaarlijks te rapporteren over het voorkomen van ziekteverwekkende micro-organismen die van dier naar mens overdraagbaar zijn (zoonoseverwekkers). In dit kader voert het RIVM in opdracht van de Voedsel en Waren Autoriteit / Keuringsdienst van Waren (VWA/KvW) een surveillance-programma uit naar het voorkomen van zoonoseverwekkers bij landbouwhuisdieren in Nederland. De prevalentie van Salmonella spp. in koppels leghennen is in de periode 1999-2002 significant gedaald, hetgeen mogelijk het gevolg is van beheersmaatregelen die de pluimveeindustrie heeft getroffen. De prevalentie-schattingen voor Salmonella spp. in koppels vleeskuikens leverden nog geen dalende trend op, hoewel een aanzienlijke daling in 2002 werd geconstateerd. De salmonella-prevalentie in koppels vleesvarkens vertoonde een dalende trend tussen 2000-2002. Het salmonella-besmettingspercentage bij melkkoeien en vleeskalveren bleef op een constant, relatief laag niveau. De prevalentie van Campylobacter spp. in koppels vleeskuikens vertoonde geen stijgende of dalende trend tussen 1998 en 2002, hetgeen in grote lijnen overeen komt met data afkomstig uit de pluimveevleesindustrie. De prevalentieschattingen voor E. coli O157 in koppels melkkoeien en vleeskalveren namen toe in de periode 2000-2002. Het merendeel van de E. coli O157-isolaten betrof Shigatoxine-producerende E. coli (STEC) O157, welke bacterien potentieel ziekteverwekkend zijn voor de mens. De toename van STEC O157 bij melkvee en vleeskalveren kan leiden tot een verhoogd risico van STEC-infecties bij de mens.
    • Surveillance of zoonotic bacteria in farm animals in The Netherlands. Results from January 1998 until December 2000

      Bouwknegt M; Dam-Deisz WDC; Schouten JM; Wannet WJB; van Pelt W; Visser G; van de Giessen AW; MGB; WUR/QVE; LIS; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMKvW, 2003-06-24)
      Om betrouwbare kwantitatieve data te verkrijgen over het voorkomen van zoonotische bacterien in landbouwhuisdieren in Nederland, is in 1997 een surveillance-programma geimplementeerd. De resultaten hiervan over de periode januari 1998 tot en met december 2000 zijn in dit rapport beschreven. In deze periode zijn in totaal 2.378 koppels leghennen, vleeskuikens, vleesvarkens, melkkoeien en vleeskalveren onderzocht op de aanwezigheid van Salmonella spp., Campylobacter spp. en/of tes afgenomen om gegevens voor risicofactor-analyses te verzamelen. Salmonella-prevalenties bij leghennen waren 12% (1998, bij gebruik van Rappaport-Vassiliadis (RV) als selectief ophopingsmedium) en ongeveer 20% (1999 en 2000, bij gebruik van RV en modified semisolid RV (MSRV)); bij vleeskuikens nam deze prevalentie gedurende de onderzoeksperiode af van 28% (1998, RV) tot 16% (2000, RV & MSRV). Bij vleesvarkens zijn 34% (1998; alleen 4e kwartaal bemonsterd), 13% (1998) en 16% (2000) positieve koppels waargenomen, bij melkkoeien en vleeskalveren lagen de prevalenties rond de 3% (alle prevalenties gebaseerd op RV). S. Enteritidis (voornamelijk faagtype PT4) was het meest voorkomende serotype bij leghennen. Tot en met 1999 werd dit type ook het meest gevonden bij vleeskuikens, maar in 2000 werd hier S. Paratyphi B var. Java het meest prevalent. Bij vleesvarkens domineerde S. Typhimurium, met een toenemende rol voor faagtype DT104 in de onderzoeksperiode. De campylobacter-prevalentie bij vleeskuikens nam af van 31% (1998) tot 18% (1999), gevolgd door een niet-significante stijging tot 24% (2000). Bij vleesvarkens, melkkoeien en vleeskalveren werd een lagere campylobacter-prevalentie gemeten in 1999 ten opzichte van 1998. Bij vleeskuikens en melkkoeien werd voornamelijk C. jejuni geisoleerd, terwijl C. coli domineerde bij vleesvarkens; beide typen werden in nagenoeg gelijke mate gevonden bij vleeskalveren. Prevalentieschattingen voor E. coli O157 in melkkoeien waren 5% (1998), 8% (1999) en 6% (2000; 8% bij een gewijzigde verwerking van monsters); voor vleeskalveren waren deze cijfers respectievelijk 5%, 9% en 11% (17% met de gewijzigde methode). Minstens een van de virulentie-genen SLT-I, SLT-II en eae, werd aangetoond in alle onderzochte isolaten. Potentiele risicofactoren zijn geidentificeerd voor E. coli O157 bij melkkoeien en voor Campylobacter spp. bij vleeskuikens.<br>
    • Technische en inhoudelijke beperkingen ten aanzien van SAFETI-NL 6.54

      Kooi ES; Dam-Deisz WDC; MSO; VLH (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-07-05)
      Met het rekenprogramma SAFETI-NL kunnen de externe veiligheidsrisico's van bedrijven en transportleidingen met gevaarlijke stoffen worden berekend. De uitkomsten van de risicoberekeningen worden gebruikt voor vergunningverlening en ruimtelijke ordening. Het rekenprogramma is ontwikkeld door het adviesbureau DNVGL. De huidige versie, 6.54, is zowel technisch als inhoudelijk verouderd. De berekende veiligheidsrisico's passen daardoor niet meer bij de actuele inzichten. In de nieuwe versie van SAFETI-NL, versie 8.1, zijn deze tekortkomingen weggenomen. Als beheerder van het rekenprogramma wil het RIVM daarom overgaan op de nieuwe versie. Inhoudelijk zijn er meer dan 40 modelverbeteringen gerealiseerd. In sommige gevallen zijn oude modellen geheel vervangen door nieuwe. In andere gevallen zijn waarden geactualiseerd naar de huidige inzichten. Technisch gezien is de belangrijkste tekortkoming dat versie 6.54 niet wordt ondersteund voor Windows 8 en Windows 10. Daardoor ervaren gebruikers steeds vaker installatieproblemen. Ook werkt het programma mogelijk niet meer met toekomstige versies van Windows. Andere tekortkomingen zijn de verouderde look and feel van het programma en dat actuele ICT-mogelijkheden die de rekencapaciteit ten goede komen, niet beschikbaar zijn. Als SAFETI-NL 8.1 in gebruik genomen wordt, dan leidt dat tot andere uitkomsten van risicoberekeningen. De aard en omvang van de verschillen in uitkomsten en de ruimtelijke consequenties ervan zijn in een afzonderlijk rapport beschreven.
    • De toekomstverwachtingen over ATMP's

      Dam-Deisz WDC; Dam-Deisz WDC; Weda M; EVG; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-05-28)
      Advanced Therapy Medicinal Products (ATMP's) zijn geneesmiddelen voor geavanceerde therapie, zoals celtherapie en gentherapie. De meeste ATMP's zijn bedoeld om ernstige, vaak zeldzame aandoeningen te behandelen. Ze kunnen levensverlengend, soms zelfs genezend zijn, of de kwaliteit van leven sterk verbeteren. Ondanks de ontwikkelingen van de afgelopen 20 jaren zijn de hoge verwachtingen nog niet uitgekomen. Wel blijft de techniek hoopgevend en worden er tussen 5 en 10 jaar nieuwe producten verwacht. Dit blijkt uit een verkenning van de ontwikkelingen van ATMP's die het RIVM in opdracht van het ministerie van VWS heeft uitgevoerd. In algemene zin wordt bij ATMP's een (bijvoorbeeld ontbrekende) eigenschap aan cellen toegevoegd die bepaalde processen in het lichaam in gang zet. Zo kunnen bijvoorbeeld kankercellen worden uitgeschakeld of een stollingsfactor worden gemaakt. In Nederland wordt veel onderzoek met ATMP's bij patiënten gedaan en stijgt het aantal studies met ATMP's die in een vergevorderde ontwikkelingsfase zijn. Komende jaren zullen voor verschillende vormen van kanker behandelingen met zogenoemde CAR-T-cellen beschikbaar komen. Met deze ATMP's worden afweercellen van de patiënt bewerkt om de tumor te herkennen en uit te schakelen. Een andere hoopvolle ontwikkeling is gentherapie voor zeldzame aandoeningen als hemofilie B. Deze ziekte is met gentherapie te genezen. Deze ervaringen kunnen als prototype dienen om andere ziekten te behandelen. Verschillende factoren belemmeren dat ATMP's beschikbaar komen. Zo zijn ATMPs moeilijk in te passen in de huidige wetgeving voor markttoelating van geneesmiddelen. De zogeheten hospital exemption procedure is een belangrijke optie om een ATMP toe kunnen passen bij de patiënt, zonder markttoelatingsprocedure. Het ATMP wordt dan door een ziekenhuis gemaakt van de eigen cellen van de patiënt. Elk land geeft de hospital exemption procedure een eigen invulling, maar naar verwachting zal de Europese Unie deze regeling voor alle lidstaten gelijk willen trekken. Deskundigen vrezen hierdoor dat de regeling dan minder gunstig wordt in Nederland. Andere belemmerende factoren zijn financiering (de ontwikkeling van ATMP's is kostbaar) en de snel veranderende technologie om ATMP's te maken (waardoor het ATMP onbedoeld kan veranderen). Ook is er een maatschappelijk druk om ATMP's al beschikbaar te maken voor patiënten zonder dat het werkingsmechanisme goed bekend is. Verbetermogelijkheden zijn onder andere een flexibele en pragmatische toepassing van de geneesmiddelenregelgeving en meer geld voor onderzoek naar het ingewikkelde werkingsmechanisme van ATMP's.
    • Verkenning van de microbiologische risico's van mest voor de gezondheid : Op basis van een systematisch literatuuronderzoek

      Dam-Deisz WDC; Hoeksma P; Broek I van den; Dam-Deisz WDC; Schmitt H; Dam-Deisz WDC; MLU; Z&O (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-10-30)
      In dit literatuuronderzoek is verkend welke gezondheidsrisico's er zijn door blootstelling aan ziekteverwekkers die via mest worden verspreid. Er werden weinig studies gevonden over de eventuele gevolgen voor de gezondheid als mensen via water en lucht aan ziekteverwekkers uit mest worden blootgesteld. De infectierisico's door blootstelling via de lucht lijken kleiner te zijn dan via het oppervlaktewater. De onderzochte wateren luchtoverdraagbare ziekteverwekkers zijn vaak aanwezig in mest. Het aantal ziekteverwekkers neemt af als mest wordt verwerkt, bijvoorbeeld door compostering, vergisting en biologisch zuiveren. Hoe groot de afname is, is sterk afhankelijk van de omstandigheden waaronder het mestverwerkingsproces plaatsvindt, zoals de temperatuur en het vocht- en zuurstofgehalte. Ook is de duur van het mestverwerkingsproces van groot belang. Mestverwerking wordt ingezet om overschotten van mest te verwerken of om nieuwe producten te maken en deze eventueel te exporteren. In dit rapport is de wetenschappelijke literatuur doorzocht naar aantallen ziekteverwekkende bacteriën in mest van varkens en rundvee. Ook is onderzocht in welke mate deze ziekteverwekkers in het oppervlaktewater en de lucht terechtkomen, en wat de eventuele gezondheidsrisico's kunnen zijn. De focus lag in deze verkenning op de ziekteverwekkende variant van de E. coli-bacterie en de bekende resistente bacterie MRSA, omdat deze bacteriën goed in water respectievelijk lucht kunnen overleven. Deze verkenning is uitgevoerd in opdracht van het Programmacollege Gezondheid en Milieu en is gefinancierd door het Ministerie van VWS. Het project is uitgevoerd door het RIVM en Wageningen UR (Livestock Research). Inzicht in de uitstoot van ziekteverwekkers via mest naar het milieu, de eventuele toe- of afname van ziekteverwekkers in mest en de mate van blootstelling daaraan is belangrijk om eventuele risico's voor de gezondheid in te kunnen schatten.
    • Verkenning werkwijze controle en beoordeling grondwaterkwaliteitsdata in LMG, KMG, PMG

      Baumann RA; Claessens JW; Dam-Deisz WDC; LGW; MIL (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-11-13)
      In Nederland bestaan drie monitoringsprogramma's die data verzamelen over de kwaliteit van het grondwater: een van het RIVM (het Landelijk Meetnet Grondwaterkwaliteit, LMG) en twee van de provincies (het KRW Monitoringsprogramma Grondwaterkwaliteit, KMG, en het Provinciale Monitoringsprogramma grondwaterkwaliteit, PMG). Er wordt aan gewerkt om deze data in één systeem onder te brengen, de Basisregistratie Ondergrond (BRO). Het is dan ook belangrijk dat de data onderling vergelijkbaar zijn. In dat verband heeft het RIVM in kaart gebracht hoe de data worden gevalideerd. Het bestaande protocol, dat de partijen voor de validatie gebruiken, geeft ruimte voor vrijheden op dit gebied. Uit de verkenning blijkt dat voor het protocol uiteenlopende software wordt gebruikt om de data te controleren en te beoordelen. Bovendien worden de controle en beoordeling door verschillende partijen uitgevoerd (het RIVM, de provincies of een ingehuurde partij). Ook verschilt de manier waarop de data uiteindelijk worden vastgelegd. Deze constatering heeft geleid tot de afspraak in het Platform Meetnetbeheerders Bodem- en Grondwaterkwaliteit om te komen tot een geautomatiseerde standaard voor de controle en beoordeling van de data. Het is van belang dat dit gebeurt onder de verantwoordelijkheid van de partijen die de data aanleveren, de zogeheten bronhouders. Ondanks deze verschillen kan naar verwachting minstens 90 procent van de data gevalideerd en met voldoende kwaliteitsborging in de BRO worden opgenomen. 5 tot 10 procent behoeft een aanpassing die met feiten kan worden onderbouwd. Ongeveer 2 procent van de data staat dan nog ter discussie. Over dit laatste deel moet een panel van experts afwegen welke informatie in de BRO wordt opgenomen en op welke wijze. Ook voor de behandeling van deze groep data is het belangrijk om tot een uniforme werkwijze te komen.
    • Zoönotische pathogenen bij de wasbeerhond en wasbeer in Nederland

      Maas M; Mulder J; Montizaan M; Dam-Deisz WDC; Jaarsma RI; Takumi K; van Roon A; Franssen FFJ; van der Giessen JWB; Z&O (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-03-06)
      De wasbeerhond en de wasbeer worden in Nederland steeds vaker waargenomen, vooral in het oostelijke grensgebied. De komst van nieuwe diersoorten als deze kan ziekteverwekkers (her)introduceren of invloed hebben op de mate waarin reeds aanwezige ziekteverwekkers voorkomen. Zo leggen wasbeerhonden grote afstanden af en kunnen ze zich in meerdere leefomgevingen handhaven. Zowel wasbeerhonden als wasberen kunnen ziekteverwekkers bij zich dragen waar mensen ziek van kunnen worden. Bij onderzoek in 2014-2015 werd bij één van negen onderzochte wasbeerhonden Trichinella spiralis gevonden en bij één wasbeerhond Echinococcus multilocularis. Daarnaast is bij twee wasberen, die eind 2014 dood werden gevonden in de omgeving van Doetinchem, Baylisascaris procyonis aangetoond. Daarom heeft het RIVM in 2016-2017 12 wasbeerhonden en 5 wasberen onderzocht om meer inzicht te krijgen in de mate waarin een aantal ziekteverwekkers voorkomt: Echinococcus multilocularis (vossenlintworm), Trichinella spp. en Francisella tularensis bij wasbeerhonden en Baylisascaris procyonis (wasberenspoelworm) bij wasberen. Vossenlintworm, Trichinella spp. en Francisella tularensis zijn niet gevonden. Bij één wasbeer is Baylisascaris procyonis aangetroffen. De wasbeer was afkomstig uit Limburg. Het is nog onduidelijk of de wasberen die worden gevonden in Nederland uit wilde populaties komen of dat ze ontsnapte of losgelaten huisdieren zijn. Dit maakt het lastig om de vondst van Baylisascaris procyonis in Limburg (Elsloo) te duiden. Bij besmette wasberen worden spoelwormeieren via de ontlasting uitgescheiden in de omgeving, waar zij lange tijd kunnen overleven. Wanneer mensen deze eieren binnenkrijgen, ontwikkelen zich larven die zich door het lichaam kunnen verplaatsen naar onder andere de hersenen en dan neurologische klachten kunnen veroorzaken. Die kans lijkt nu nog klein, maar meer inzicht in de verspreiding van besmette wasberen is van groot belang om een goede risico-inschatting te maken.