• Genetisch gemodificeerde siervissen in Nederland. 'Een gloeiend probleem?'

      van den Brandhof EJ; Banus S; IMG; LER (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2009-11-12)
      In 2006 en in 2008 zijn in Nederland genetisch gemodificeerde vissen, zogenoemde gloeivissen, voor aquariumhouders verhandeld. Deze vis mag door instanties met een vergunning gebruikt worden voor wetenschappelijke doeleinden. De handel voor particulieren is in de Europese Unie echter verboden. Importeurs en handelaren die niet bij een branchevereniging zijn aangesloten en particuliere aquariumbezitters, zijn doorgaans niet goed op de hoogte van deze wettelijke regels. De handel in gloeivissen voor de particulier lijkt niet omvangrijk, maar zal naar verwachting toenemen. Ook maken nieuwe technologische technieken het makkelijker om genetisch gemodificeerde vissoorten te vervaardigen. Niet alle genetische veranderingen zijn echter eenvoudig waarneembaar, zoals aanpassingen van de vis waardoor de temperatuurtolerantie wordt vergroot. Als deze van oorsprong tropische vissen in natuurlijke wateren in Nederland terechtkomen, kunnen zij het ecologische evenwicht verstoren. Dit blijkt uit een verkennend onderzoek van het RIVM in opdracht van de VROM-Inspectie. De aanleiding was een tip dat deze gloeivissen via internet aan particulieren werden aangeboden. Deze gloeivis bleek een zebravis te zijn die zodanig genetisch gemodificeerd was dat hij onder ultraviolet licht fluoresceerde. Voor zover nu bekend is, vormen deze gloeivissen geen gevaar voor de gezondheid en het milieu. Controle op de aanwezigheid van gloeivissen bij de import is lastig vanwege de grote hoeveelheid siervissen die op Schiphol binnenkomen. Bij import moeten de gloeivissen correct geetiketteerd zijn zodat het duidelijk is dat het een, voor gebruik door particulieren verboden, genetisch gemodificeerde vis betreft.
    • Lower organisms as alternatives for toxicity testing in rodents. With a focus on Caenorhabditis elegans and the zebrafish (Danio rerio)

      van der Ven LTM; GBO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2010-01-26)
      De rondworm C. elegans en het embryo van de zebravis zijn veelbelovende alternatieve testmodellen voor onderzoek naar schadelijke effecten van chemische stoffen in knaagdieren. Proeven met deze lagere organismen hebben naar verwachting een goede voorspellende waarde voor effecten in de mens en zijn daarmee een zinvolle aanvulling op testen met in-vitromodellen (celcultures). Dit blijkt uit een inventariserend literatuuronderzoek, uitgevoerd in opdracht van het ministerie van VWS. Het onderzoek is onderdeel van het beleid om dierproeven te verminderen, te vervangen of te verfijnen (het zogeheten 3V-beleid). Nader onderzoek naar de validatie van de testen moet nog plaatsvinden. In-vitromodellen gelden als een belangrijk alternatief voor dierproeven maar missen de complexiteit van het menselijk organisme. Hierdoor kunnen in-vitromodellen bepaalde effecten niet signaleren, zoals indirecte schadelijke effecten van stoffen of effecten ervan nadat ze in het organisme zijn omgezet en daardoor een andere structuur hebben gekregen. De lagere organismen C. elegans en het zebravisembryo kunnen deze tekortkomingen overbruggen. Bovendien ervaren ze geen ongerief, zoals pijn, vanwege de lage graad waarin hun zenuwstelsel is ontwikkeld. Testen met C. elegans en het zebravisembryo kunnen voor veel soorten toxicologisch onderzoek worden gebruikt. Voorbeelden zijn de vorming van tumoren en schadelijke effecten van stoffen op de voortplanting, het hormoonstelsel, het hart en het zenuwstelsel. Bovendien zijn experimenten gaande waarbij deze organismen worden gebruikt in het veiligheidsonderzoek van nieuwe geneesmiddelen.