• Application of the Netherlands Groundwater Model, LGM, for calculating concentration of nitrate and pesticides at abstraction wells in sandy soil areas of the Netherlands

      Kovar K; Pastoors MJH; Tiktak A; Gaalen FW van; LBG; LWD (1998-02-28)
      In het kader van een studie naar de gevolgen van historische en toekomstige stofuitspoeling naar het verzadigde grondwater is het quasi-driedimensionale RIVM grondwatermodel LGM (versie 2) gebruikt voor berekening van stroombanen, verblijftijden en concentratie-doorbraakkrommen op 165 grondwater-pompstations in de zandgebieden van Nederland. Berekend zijn de toekomstige concentraties van nitraat en pesticiden (atrazin, bentazon en 1,2-dichloorpropaan). De studie is uitgevoerd in het kader van de nationale lange-termijn planning voor drink- en industriewatervoorziening. De berekening is uitgevoerd voor 76 freatische en 89 semi-spanningslocaties, gebaseerd op de maximale vergunningshoeveelheid voor 1988. Drie economische scenario's zijn gebruikt voor de bepaling van stofuitspoeling naar het verzadigde grondwater. Nitraatuitspoeling is gesimuleerd door een combinatie van methoden, waaronder het model NLOAD voor het landbouwgebied. De uitspoeling van pesticiden is gesimuleerd m.b.v. het model GEOPESTRAS. Vervolgens, gebruik makend van de concentraties van de uitspoelingsflux, is het LGM gebruikt voor de berekening van concentraties op pompstations. Het LGM is een numeriek model (gebaseerd op de eindige elementenmethode), dat complexe geohydrologische systeem-componenten bevat. Het maakt gebruik van ruimtelijk variabele (heterogene) gegevens voor vier watervoerende pakketten voor het gehele gebied van Nederland. De doorbraakconcentraties zijn berekend m.b.v. het module LGMCAM, gebaseerd op de voorwaartse particle tracking in het verzadigde grondwater. De gebruikte processen zijn advectie en volledige menging in putfilters. Denitrificatie en degradatie van pesticiden in het verzadigde grondwater zijn buiten beschouwing gelaten. De resultaten zijn gepresenteerd als (1) kaarten van concentraties op 165 pompstations voor 2020 en 2050 en (2) als staafdiagrammen van concentraties in de tijd (1950-2050) voor de getotaliseerde onttrekkingshoeveelheid op freatische en semi-spanningslocaties. Verder is voor een aantal pompstations een vergelijking gemaakt van berekende en gemeten doorbraakkrommen. De hierop gebaseerde conclusie is dat de berekende concentraties als een 'worst-case' resultaat kunnen worden gezien. Tenslotte zijn aanbevelingen gedaan voor verdere verbetering van de berekeningsmethodiek in de toekomst.
    • Application of the Netherlands Groundwater Model, LGM, for calculating concentration of nitrate and pesticides at abstraction wells in sandy soil areas of the Netherlands

      Kovar K; Pastoors MJH; Tiktak A; Gaalen FW van; LBG, LWD (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1998-02-28)
      In a study aimed at assessing the impact of historical and future solute leaching into saturated groundwater, the quasi-three-dimensional RIVM groundwater model, LGM (version 2), was used for calculating pathlines, travel times and concentration breakthrough curves at 165 groundwater abstraction locations in the sandy soil areas of the Netherlands. The future concentration variations were assessed for nitrate and three pesticides (atrazine, bentazone and 1,2-dichloropropane). This study was carried out in the framework of the Dutch government's long-term planning for industrial and drinking-water supply. The assessment was carried out for 76 phreatic and 89 semi-confined abstraction sites on the basis of the 1988 maximum-permitted abstraction rates. Three economic scenarios were used for generating solute leaching into saturated groundwater for the scenario years 2000 and 2020. The nitrate leaching flux was simulated by a combination of methods, including the NLOAD model for agricultural land. The pesticide leaching flux was simulated by means of the GEOPESTRAS model. Subsequently, LGM was applied to calculate the concentrations at the abstraction wells, using the concentrations in the leaching flux as input. LGM is a numerical model (based on the finite-element method), comprising complex geohydrological system components. LGM uses spatially variable (heterogeneous) data for four aquifers, covering the entire surface area of the Netherlands. The concentration breakthrough curves were calculated with the module LGMCAM, based on forward pathline tracking in saturated groundwater. The processes used in LGMCAM were advection and full mixing in well screens. Neither denitrification nor degradation of pesticides in saturated groundwater were taken into account. The results are presented (1) as concentration maps for the 165 abstraction sites for 2020 and 2050 and (2) by means of time-based concentration bar charts (1950-2050) for the totalized abstraction rate for phreatic and semi-confined abstraction sites. For a number of abstraction sites a comparison has also been made between calculated and observed breakthrough concentrations. The calculated concentrations can be concluded to be a worst-case outcome. Finally, recommendations for future improvements of the method are given.
    • Bodembiologische Indicator 1999. Ecologische kwaliteit van graslanden op zandgrond bij drie categorieen melkveehouderijbedrijven

      Schouten AJ; Bloem J; Didden W; Jagers op Akkerhuis G; Keidel H; Rutgers M; Alterra; WUR; Blgg; LER (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2003-04-10)
      The project Biological Indicator for Soil Quality (BISQ) has its roots in the Convention on Biological Diversity (Rio de Janeiro, 1992) and in the additional research programme of the Dutch government. The main object of the project is to develop quality standards for functional diversity of soil organisms outside protected area's, to fill the gaps in knowledge in the functional aspects of biodiversity. This report describes the measurements that were made in the first year (1999) of the biological monitoring programme. The investigated categories are pastures of (19) extensive and (20) intensive cattle farms on sandy soils. Ten organic cattle farms were used as a reference. The following groups of biota and indicators were assessed: 1) micro-organisms; 2) nematodes; 3) enchytraeids; 4) earth worms; 5) micro-arthropods; 6) potential carbon and nitrogen mineralisation. Results of ecological measurements are integrated in a so-called Amoeba-diagram. It shows the deviance of the individual indicator from the reference value. In the extensive farms 13 of the 63 indicators were significantly different from the reference. In the category intensive 17 out of 63. Of the specific diversity indicators 59% had lower values in extensive farms and 71% in intensive farms. The mean deviation of all the indicators was expressed as a Soil Quality Index (SQI). The SQI of extensive and intensive farms was 73% respectively 67% of the reference.
    • Bodembiologische Indicator 1999. Ecologische kwaliteit van graslanden op zandgrond bij drie categorieen melkveehouderijbedrijven

      Schouten AJ; Bloem J; Didden W; Jagers op Akkerhuis GAJM; Keidel H; Rutgers M; LER (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMAlterraWURBlgg, 2003-04-10)
      Het project Bodembiologische Indicator (BoBI) heeft tot doel een meetmethode op te zetten om de biologische bodemkwaliteit in beeld te brengen en te kwantificeren. De ontwikkeling van BoBI is een meerjarige activiteit waarin veldbiologische gegevens worden verzameld over de diversiteit (aantallen en samenstelling) van bodemorganismen en het verloop van processen. De volgende groepen organismen zijn in het onderzoek betrokken: 1) microorganismen; 2) nematoden; 3) potwormen; 4) regenwormen; 5) mijten en springstaarten; en daarnaast de potentiele koolstof- en stikstofmineralisatie. In het totaal werden 63 indicatoren gebruikt om de biologische bodemkwaliteit te beschrijven. Het onderzoek is gekoppeld aan het Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit (LMB). In 1999 is het meetprogramma van start gegaan voor een periode van 5 jaar. In dat meetjaar werden drie categorieen van graslanden op zandgrond onderzocht. Een groep van 10 biologische bedrijven werd als referentie gekozen voor 19 extensieve en 20 intensieve melkveehouderij bedrijven uit het LMB. Bij de extensieve bedrijven verschilde er 13 indicatorwaarden (21%) significant van de biologische bedrijven. In de categorie intensief waren dit er 17 (27%). Wanneer gekeken wordt naar de specifieke diversiteitsmaten (bijv. aantal soorten), dan had het merendeel, respectievelijk 59% en 71%, lagere waarden op de extensieve- en intensieve melkveehouderijbedrijven. Indien de indicatorwaarden van de biologische bedrijven op 100% worden gesteld, levert het gemiddelde van alle afwijkingen de volgende Bodemkwaliteitsindexen op: BKX(extensief)= 73%; BKX(intensief)= 67%.<br>
    • Het bovenste grondwaterecosysteem onder een viertal veeteeltbedrijven op zandgrond en de relatie met het bodemgebruik

      Notenboom J; Folkerts AJ; de Zwart D; Sterkenburg A; ECO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1997-03-31)
      De hier gerapporteerde studie beoogt duidelijker te krijgen hoe vormen van landgebruik de ecologische condities in het bovenste grondwater beinvloeden. Een inperking is gemaakt tot het allerbovenste grondwater vanwege de directe wisselwerking met de bodem. De nadruk ligt op het kwantitatief beschrijven van de leefgemeenschap van meercellige organismen in relatie tot fysisch-chemische condities en de variabiliteit in tijd en ruimte. Vanwege praktische overwegingen is de studie beperkt tot melkveehouderijbedrijven op zandgrond. Verschillen in fysisch-chemische eigenschappen tussen de onderzochte grondwatermonsters bleken duidelijk bedrijfsgerelateerd te zijn. Een scherpe scheiding tussen intensieve en extensieve bedrijven bleek echter niet aanwezig. Ondanks fysisch-chemische verschillen was er weinig differentiatie in de structuur van de meiofaunagemeenschap tussen de bedrijven. Redenen hiertoe zijn zowel methodologisch, statistisch (lage aantallen) als biologisch van aard. Biologische oorzaken voor een geringe differentiatie in de aangetroffen meiofaunagemeenschappen zijn de beperkte mogelijkheden de organismen tot op soortsniveau te identificeren, de grote ecologische amplitudo van veel soorten en sterk dominante abiotische omstandigheden die gerelateerd zijn aan het grondwatersysteem (zoals oligotrofie en laag zuurstofgehalte). Hierdoor komen grondwaterkwaliteitsverschillen, geassocieerd met verschillen in landgebruik, niet of amper tot uiting in structuurveranderingen van de leefgemeenschap. Geconcludeerd wordt dat bioindicatie met meercellige organismen van het ondiepe grondwater in zandgebieden niet zinvol is.<br>
    • Cadmium, chroom, lood, zink en arseen in het freatische grondwater van de zandgebieden van Nederland, onder bos en heidevelden

      Boumans LJM; Fraters B (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1993-07-31)
      Concentrations of chromium, lead, cadmium, zinc and arsenic in shallow groundwater under Dutch acid sandy soils with natural and semi-natural vegetation were analysed in this study. At 156 sites we took 10 samples per site of groundwater from within 5 m below the soil surface. All samples were analysed for macro-elements. For each site a pooled sample was analysed for Cd, Cr, Pb, Zn and As. Arsenic and lead concentrations gave an incidental exceedance (5%) of Dutch target values. In general (70%) cadmium and chromium concentrations were higher than the target values. Zinc frequently (70%) exceeded even the test value requiring further research. Cadmium and zinc concentrations regularly (5 and 20% respectively) exceeded the cleanup value in the sandy soils of the southern part of the Netherlands. Relationships were derived between on the one hand atmospheric deposition of SOx, Zn, and Cd, forest area and groundwater level, and on the other concentrations of Cd and Zn. Using the relationships, we predict zinc concentrations to exceed the cleanup value in 6500 to 31,000 hectares. Cadmium concentrations are predicted to exceed the cleanup value in 2100 to 10,000 hectares.
    • Changes in rainwater and groundwater quality as a result of atmospheric emission reductions : Acidification and eutrophication, 1989-2010

      Boumans LJM; Wattel-Koekkoek EJW; van der Swaluw E; MBW; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2014-11-20)
      In de jaren tachtig van de vorige eeuw stond 'zure regen' als milieuprobleem sterk in de belangstelling. Bossen stierven erdoor af en organismen verdwenen uit rivieren en meren. Zure regen bleek te worden veroorzaakt door luchtvervuiling. De door industrie, verkeer en landbouw uitgestoten gassen bevatten stikstof en zwavel. Deze stoffen komen via de lucht elders op de bodem terecht, waardoor de bodem en het water verzuren en vermesten. Dit heeft een negatief effect op de kwaliteit van de bodem en het water, en op de biodiversiteit. De maatregelen die internationaal zijn genomen om de uitstoot van stikstof en zwavel te verminderen, blijken hun vruchten af te werpen. Onderzoek van het RIVM laat zien dat op de meeste meetlocaties in Nederland nog wel sprake is van verzuring, maar minder sterk dan voorheen. Door de lagere uitstoot is de regenwaterkwaliteit tussen 1989 en 2010 verbeterd. Er komt daardoor nu minder stikstof en zwavel op de bodem terecht. Dit werkt in positieve zin door op het bovenste grondwater: de hoeveelheid stikstof en zwavel is met tientallen procenten gedaald. Het voorliggend onderzoek is een eerste uitgebreide analyse van de meetgegevens van het TrendMeetnet Verzuring (TMV), dat in 1989 is opgezet in natuurgebieden op zandgrond. Het meetnet monitort op 150 locaties in Nederland de invloed van de neerslag van verzurende en vermestende stoffen uit de lucht op de kwaliteit van het grondwater. Uit een literatuurstudie blijkt dat ondanks de positieve ontwikkelingen de ecosystemen nog niet zijn hersteld van de verzurende en vermestende effecten van luchtvervuiling. De vermesting door de neerslag van stikstof op de bodem in de Nederlandse natuur is nog altijd een van de grootste bedreigingen voor de variatie aan plantensoorten: bij tweederde van de onderzochte gebieden overschrijdt de depositie de norm. Verzuring is ook problematisch, maar in mindere mate.
    • Effect van neerslag op nitraat in het bovenste grondwater onder landbouwbedrijven in de zandgebieden; gevolgen voor de inrichting van het MOnitoringnetwerk effecten mestbeleid op Landbouwbedrijven (MOL)

      Boumans LJM; van Drecht G; Fraters B; de Haan T; de Hoop W; LBG; LEI-DLO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1997-04-30)
      Het RIVM en het LEI-DLO onderzochten o.a. de nitraatconcentratie van de bovenste meter van het grondwater onder landbouwbedrijven met het Meetprogramma Kwaliteit Bovenste Grondwater Landbouwbedrijven (MKBGL). Op 40 tot 99 bedrijven in het zandgebied werd jaarlijks gemeten in de periode 1992 tot en met 1995. Deze bedrijven maken deel uit van het LEI-DLO bedrijveninformatienet. De variatie in de tijd van de nitraatconcentratie in de bovenste meter grondwater is waarschijnlijk grotendeels afhankelijk van menselijk handelen en neerslag. Beleid beinvloedt het toekomstige menselijk handelen waardoor de nitraatconcentratie gaat dalen. De nitraatconcentratie is ongeveer gehalveerd tussen 1992 en 1995 terwijl het effect van beleid nog niet wordt verwacht. De nitraatconcentratie daalde nadat de neerslaghoeveelheid toenam. De mate van verdunning van de bovenste meter grondwater, gedurende 1992, 1993, 1994 en 1995 is berekend met gemeten neerslag en verdampingsgegevens en een bodemmodel. De daling is vervolgens verklaard met de verdunning. Systematische verschillen tussen jaren verdwijnen als rekening wordt gehouden met de neerslag. Andere onbekende oorzaken hebben geen duidelijke invloed gehad. Op basis van dit rapport is een voorstel gemaakt voor de inrichting van het MOL-zand. In dit voorstel zijn statistische en praktische overwegingen alsook de randvoorwaarden gesteld door het beleid geintegreerd.<br>
    • Groundwater recharge and travel times in the sandy regions of the Netherlands

      Meinardi CR; LBG (1994-05-31)
      Abstract niet beschikbaar
    • Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit: Nematodenfauna. Deel 3: Bemonstering 1995 (akkerbouwgebieden op zandgrond)

      Esbroek MLP van; Alkemade JRM; Schouten AJ; LBG (1997-02-28)
      Betreft een beschrijving van de nematodenfauna in 19 akkerbouwbedrijven welke over vijf jaar opnieuw bemonsteren zullen worden om trends op te kunnen sporen in eventuele veranderingen in de chemische of biologische samenstelling van de bodem. Hiervoor werden van de nematodenfauna de dichtheid en de soortensamenstelling vastgesteld, waaruit verschillende ecologische indices berekend werden. De nematodendichtheden bleken relatief laag en kwamen nog onder het niveau van de eerder bemonsterde meest intensieve melkveehouderij-bedrijven uit het LMB te liggen. Alleen de dichtheden in de voedselarme boslocaties liggen nog lager. De volgende genera werden in vrijwel alle akkerbouwbedrijven gevonden; Acrobeles, Aphelenchoides, Filenchus en Plectus. Verdeling van de nematoden in trofische groepen laat vooral hoge percentages aan bacterie-eters zien, die vrijwel overeen komen met die gevonden in de meest intensieve melkvee-houderijbedrijven en duiden op een relatief hoge bacteriele activiteit. Een sterke verrijking van de bodem in de vorm van mest weerspiegelt zich in de fosfaatgehaltes. Vrijwel alle indicatoren wijzen op een verstoringstrend. De meeste verstoring wordt gevonden in de akkerbouw- en de meest intensieve melkveehouderijbedrijven. Deze neemt vervolgens af via minder intensieve melkveehouderijbedrijven naar bossen. Een experiment is uitgevoerd om de meest efficiente bemonsteringsmethode vast te kunnen stellen. Hieruit bleek dat de variantie tussen de bedrijven veel hoger is dan die binnen de bedrijven, wat tot de conclusie heeft geleid dat de bemonsteringsstrategie 'zoveel mogelijk bedrijven bemonsteren' is. Zodoende is de huidige bemonsteringsmethode van analyses verrichten uit een mengmonster per bedrijf de beste in deze situatie, waarbij trends per bedrijfscategorie worden bepaald.
    • Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit: Nematodenfauna. Deel 2: Bemonstering 1994 (boslocaties op zandgrond)

      Esbroek MLP; Schouten AJ; Alkemade JRM; LBG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1996-06-30)
      Het tweede rapport over jaarlijkse bodembiologische metingen in het Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit geeft een beschrijving van de nematodenfauna in twee verschillende lagen, strooisel en minerale bodem, van 20 boslocaties op zandgrond in Nederland. Het gaat hier om loof-, naald- en gemengde bossen. Deze locaties worden in principe vanaf 1994 iedere vijf jaar bemonsterd. Het doel is om eventuele trends te onderscheiden in de verandering van bodemkwaliteit. De locaties zijn zo gekozen dat ze een representatief beeld geven van een bepaald grondgebruik in Nederland, in dit geval "bos". De nematodendichtheden zijn in het strooisel veel hoger dan in de minerale bodem. In beide horizonten van alle bossen wordt het taxon Aphelenchoides gevonden. Op een enkel bos na worden ook in beide lagen de taxa Plectus, Wilsonema, Acrobeloides, en Filenchus gevonden. De volgende taxa lijken een ecologische preferentie te hebben: voor strooisel zijn dat Bunonema, Mesodorylaimus, Metateratocephalus, Plectus, Teratocephalus en Wilsonema schuurmans-stekhoveni en voor de minerale bodem zijn dat Acrobeloides, Cephalenchus en Cervidellus serratus. Het aantal taxa en de verschillende diversiteitsindices (H', SR, J') en de 'maturity'indices (PPI, MI en SigmaMI) vertonen slechts geringe verschillen tussen de beide lagen. De indices in het strooisel liggen iets hoger dan in de minerale bodem, behalve de PPI die in de minerale bodem hoger is. De verdeling in trofische groepen laat zien, dat bacterie-eters in hogere aantallen in het strooisel voorkomen en dat planteneters en schimmeleters vooral voorkomen in de minerale bodem. De daarvan afgeleide trofische diversiteitsindex (T) is hoger in de minerale bodem. Op basis van de soortensamenstelling is een zeker onderscheid tussen de bostypen herkenbaar. De diversiteit aan locaties is echter groot (geografische ligging, leeftijd opstand en ondergroei) en hiermee ook de variatie in soortensamenstelling. Significante verschillen in nematodendichtheden, indices en trofische verdeling tussen de verschillende bostypen zijn in deze steekproef van 20 boslocaties niet gevonden.<br>
    • Meetprogramma &apos;kwaliteit bovenste grondwater landbouwbedrijven&apos;; resultaten tweede bemonstering 1993

      van Swinderen EC; Fraters B; Vissenberg HA; de Haan T; de Hoop DW; LBG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMhet Landbouw Economisch Instituut van de Dienst Landbouwkundig Onderzoek (LEI-DLO)Den Haag, 1996-09-30)
      In maart 1992 is een driejarig meetprogramma gestart voor de kwaliteitsmeting van het bovenste grondwater onder landbouwbedrijven in het zandgebied. Naast het bepalen van de huidige toestand is dit programma ook bedoeld om relaties te vinden tussen de grondwaterkwaliteit en het bodemgebruik (waaronder het gebruik van meststoffen). Het meetprogramma is een proefproject dat moet leiden tot de inrichting van een meetnet voor de kwaliteitsmonitoring van het bovenste grondwater onder landbouwbedrijven. De opzet van het meetprogramma is primair gericht op uitspraken kunnen doen over de kwaliteit van het bovenste grondwater op bedrijfsniveau. Het project wordt uitgevoerd door het RIVM in samenwerking met het LEI-DLO in opdracht van de ministeries van VROM en LNV. Dit tweede rapport doet verslag van de resultaten van het onderzoek in 1993 op circa 100 landbouwbedrijven in het zandgebied. Het betreft 4 categorieen veehouderijbedrijven en de akkerbouwbedrijven in de veenkolonien. De resultaten uit 1993 worden vergeleken met de resultaten van 1992. Met de bemonsterde bedrijven wordt een representatief beeld gegeven van de kwaliteit van het bovenste grondwater in ongeveer 62% van het areaal cultuurgrond in de zandgebieden van Nederland.<br>
    • Meetprogramma 'kwaliteit bovenste grondwater landbouwbedrijven'; resultaten tweede bemonstering 1993

      Swinderen EC van; Fraters B; Vissenberg HA; Haan T de; Hoop DW de; het Landbouw Economisch Instituut van de Dienst Landbouwkundig Onderzoek (LEI-DLO), Den Haag; LBG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1996-09-30)
      A three-year monitoring programme was started in 1992 to assess the quality of the upper groundwater in the sandy regions of the Netherlands due to fertilisers and manure in agriculture. This programme is a cooperative effort of the National Institute of Public Health and the Environment (RIVM) and the Agricultural Economics Research Institute (LEI-DLO). The report contains the monitoring results of the first two years of the programme. Furthermore, a multiple regression analysis was carried out using data from the LEI-DLO farm-accounting system. This was to find a relationship between farm management practice and groundwater quality. The upper 100 cm of groundwater occurring within five metres from the surface was sampled at 94 farms and analysed for chloride, nitrate, ammonium, potassium, dissolved organic carbon, phosphate (ortho and total) and the heavy metals cadmium, copper and zinc. The farms (75 cattle farms and 19 arable farms) are situated in the central, northern, eastern and southern sandy regions of the Netherlands.
    • Meetprogramma Kwaliteit Bovenste Grondwater Landbouwbedrijven; resultaten eerste bemonstering 1992

      Swinderen EC van; Willems WJ; Daatselaar CHG; Haan T de; Hoop DW de; Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiene RIVM; Landbouw Economisch Instituut LEI-DLO; LBG; LEI-DLO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1994-07-31)
      In 1992 a three-year monitoring program was started to assess the quality of the upper groundwater in the sandy regions of the Netherlands as a result of using fertilizers and manure in agriculture. This program is a cooperative effort of the National Institute of Public Health and Environmental Protection (RIVM) and Agricultural Economics Research Institute (LEI-DLO). From march to august 1992 the upper groundwater from 93 farms was sampled and analyzed for chloride, nitrate, potassium, dissolved organic carbon and phosphate (ortho and total). The report contains the monitoring results of the first year of the program. Mean nitrate and potassium concentrations exceed quality objectives, especially under grassland and silage maize on cattle farms. Nitrate and potassium concentrations in the groundwater of arable farms were generally lower than of cattle farms but on average above quality objectives. In the reports to follow a more detailed analyses will be carried out and the monitoring strategy will be evaluated with a view to the desirability of detecting trends in groundwater quality in future.
    • Milieugevolgen van het aanvullend stikstofbeleid

      Bresser AHM; Egmond PM van; Fraters B; Hoogervorst NJP; Liere L van; Mulschlegel JHC; Willems WJ; Boers PCM; LAE; LWD; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1999-05-01)
      The Dutch government has announced additional nitrogen measures on ca. 240,000 ha dry sandy soils in order to realise quality standards for nitrate in groundwater (i.e. 50 mg/l).The most important element of this additional policy is the introduction of lower levy-free surpluses for N for dry sandy areas. Here we estimate the effects of these additional measures. Provided the levy-free N surpluses are not exceeded, the area in which the nitrate standards will be met will increase from ca. 55% (present situation) to 75-85% of the total agricultural area in the Netherlands. The effect of the additional measures on the surface water quality will be small. However, it is questionable whether the levy-free N-surpluses wil be achieved in practise.
    • Milieugevolgen van het aanvullend stikstofbeleid

      Bresser AHM; van Egmond PM; Fraters B; Hoogervorst NJP; van Liere L; Mulschlegel JHC; Willems WJ; Boers PCM; LAE; LWD; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1999-05-02)
      Het aanvullend stikstofbeleid betreft een versnelde invoering van de generieke N-verliesnormen t.o.v. vanaf 2000, lagere N-verliesnormen voor grasland en bouwland op gronden die gevoelig zijn voor nitraatuitspoeling (droge gronden) in 2008/2010 en een maximale veebezetting van 2,5 grootvee-eenheden per hectare in 2008/2010. Daarnaast is flankerend beleid aangekondigd o.a. bedrijfsverplaatsing, demonstratieprojecten, verbetering van de bedrijfsontsluiting en van de waterbeheersing.In dit rapport is aangegeven wat de gevolgen van dit beleid zijn op de kwaliteit van grond- en oppervlaktewater. Conclusies zijn dat bij realisatie van de voorgestelde N-verliesnormen (generieke en lagere) een duidelijke verbetering van de kwaliteit van het bovenste grondwater, zowel wat betreft het areaal boven de nitraatnorm, als wat betreft de hoogte van de nitraatconcentraties. Ten opzichte van de huidige situatie (ca 55% van het totale landbouwareaal voldoet aan de norm) zal naar verwachting ca 75-85% van het areaal aan de norm voldoen. De belasting van het oppervlaktewater zal op grond van de huidige inzichten vooral door het realiseren van de generieke verliesnormen worden teruggedrongen. De effecten van het aanvullend N-beleid (lagere verliesnormen voor droge zandgronden) op de N-concentraties van de grote wateren zullen beperkt zijn. Regionaal kunnen mogelijk wel positieve effecten op de waterkwaliteit verwacht worden). Onzeker is echter of de beoogde verliesnormen zullen worden gerealiseerd.<br>
    • Nitraat in het bovenste grondwater in de zandgebieden van Nederland; een geografisch beeld op basis van monitoringgegevens en een vergelijking met de resultaten van procesmodellen

      Boumans LJM; Drecht G van; LBG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1998-02-28)
      Models relating nitrogen supply and nitrate leaching are based upon scientific knowledge and experiments. These deterministic models are used for scenario analysis to reduce nitrate leaching. The models also give a geographical view of nitrate in the uppermost groundwater. Because of the difference in scale between experimental fields and a geographical view, systematic differences between reality (measurements) and model calculations can occur. Our goal is to make a geographical view of the Netherlands for the occurence of nitrate in the uppermost groundwater of agricultural land and of forests, by statistical interpolation of measurements. Indications will be given of magnitude and origin of the differences between deterministic and statistical models.
    • Nitraat in het bovenste grondwater in de zandgebieden van Nederland; een geografisch beeld op basis van monitoringgegevens en een vergelijking met de resultaten van procesmodellen

      Boumans LJM; van Drecht G; LBG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1998-02-28)
      In dit rapport wordt een geografisch beeld gegeven van normoverschrijding door nitraat in het bovenste grondwater bij landbouw, bos en heideveld in de zandgebieden onder omstandigheden van een gemiddeld neerslagoverschot. Het beeld is verkregen met behulp van een groot aantal metingen die het RIVM de afgelopen jaren heeft verzameld met diverse monitoringprogramma's , en die statistisch geinterpoleerd worden. Volgens het statistische model wordt de norm voor nitraat overschreden op 77-85% van de oppervlakte landbouw, bos en heideveld. Het statistische nationale beeld, dat is gebaseerd op metingen in de praktijk, is vergeleken met NLOAD, een procesmodel welke is gebaseerd op proefveldonderzoek. NLOAD is o.a. gebruikt voor de Milieubalans en Milieuverkenning. De nitraatconcentraties volgens NLOAD zijn lager dan volgens het statistische model. Volgens het statistische nationale beeld is minstens 94% van het landbouwoppervlak boven de norm. Volgens NLOAD is dit ongeveer 70%. Als mogelijke oorzaken voor de verschillen worden genoemd: 1- verouderde informatie over de grondwaterstand op de bodemkaart; 2- efficienter gebruik van stikstof op proefvelden dan in de praktijk; 3- stikstofgiften zijn te weinig gedetailleerd bekend om te gebruiken als invoer voor NLOAD. De geconstateerde verschillen indiceren dat het oppervlak aan landbouwgrond in de zandgebieden, waar de nitraatnorm in het bovenste grondwater wordt overschreden, in werkelijkheid enkele tientallen procenten hoger is dan gerapporteerd in de Milieuverkenningen.<br>
    • Nitraat in het bovenste grondwater onder natuurgebieden op zandgrond in Nederland

      Boumans LJM; LBG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1994-11-30)
      Nitraatconcentraties van het ondiepe grondwater onder de natuurgebieden op zandgrond zijn van invloed op de kwaliteit van het toekomstige diepere grondwater en het oppervlaktewater. Nitraat in het ondiepe grondwater van oligotrofe natuurgebieden is indicatief voor het stikstofoverschot dat is veroorzaakt door atmosferische stikstofdepositie van NHx en NOx. Nitraatconcentraties in het ondiepe grondwater zijn gemakkelijker te meten dan in het bodemvocht van de onverzadigde zone. Het doel van het onderzoek is om de oorzaken en de geografie van de nitraatconcentraties aan te geven. Daarom is het grondwater onderzocht onder natuurgebieden op zandgrond in Nederland. Het grondwater onder 155 ruiten (500 x 500 m2) met zandgrond, waarin zich 0,1 tot 25 ha bos en of heideveld bevindt, is eenmalig bemonsterd in de periode november 1989 tot en met april 1990. Per ruit zijn 10 grondwatermonsters genomen van de bovenste meter van het freatische grondwater van het natuurgebied. Natuurgebieden met een grondwaterstand dieper dan 5m beneden het maaiveld, zijn om technische redenen niet bemonsterd. Om organisatorische redenen zijn alleen natuurgebieden bemonsterd die in beheer zijn bij de overheid. In totaal zijn er 26467 ruiten met een oppervlak van 287000 hectares aan bos en heideveld op zandgrond. Uit de waarnemingen van de nitraatconcentraties blijkt dat de streefwaarde (5,6 mg/l aan nitraat-stikstof) en de drinkwaternorm (11,3 mg/l) in respectievelijk 37% en 20% van de 1526 waarnemingen wordt overschreden. De ruitgemiddelde nitraatconcentraties, die zijn berekend uit de afzonderlijke waarnemingen, overschrijden de streefwaarde en de drinkwaternorm in respectievelijk 50% en 19% van de 155 onderzochte ruiten. Mogelijke oorzaken voor hogere nitraatconcentraties zijn uitgedrukt in variabelen, die voorkomen in geografische gegevensbestanden over Nederland. Er is een relatie afgeleid tussen de gemeten nitraatconcentraties enerzijds en de variabelen anderzijds. Het is waarschijnlijk dat de ruitgemiddelde nitraatconcentraties worden beinvloed door: 1) het bodemtype. De nitraatconcentratie neemt toe in de volgorde: a -veenachtig (gooreerden, beekeerden en broekeerden), b -arm (humuspodzolen, vlakvaaggronden), c -droog en rijk (moderpodzolen, enkeerden). 2) de NHx-depositie en vegetatie. De nitraatconcentratie neemt toe bij meer NHx-depositie, hogere vegetatie en een groter aandeel naaldbomen in de vegetatie. 3) de oppervlakte van het natuurgebied ten opzichte van ander landgebruik. De nitraatconcentratie neemt toe naarmate de oppervlakte natuurgebied kleiner is. Dit wil zeggen dat dan lokale landbouwinvloeden en/of andere randeffecten groter zijn. Vervolgens is de relatie gebruikt om kansen op normoverschrijding te schatten voor nitraatconcentraties van niet bezochte lokaties en om een geografisch beeld te geven. Voor de nitraatconcentratie van het grondwater van bos en heide op zandgrond in Nederland, met uitzondering van de duinen, is geschat dat deze in ; - tenminste 48% en ten hoogste 58% van de 26467 ruiten hoger is dan de streefwaarde, - tenminste 46% en ten hoogste 56% van de 287000 hectares hoger is dan de streefwaarde, - tenminste 23% en ten hoogste 33% van de 26467 ruiten hoger is dan de drinkwaternorm, - tenminste 21% en ten hoogste 30% van de 287000 hectares hoger is dan de drinkwaternorm. Hoge concentraties komen vooral voor in het zuiden en oosten van het land en aan de randen van de Gelderse Vallei. Lage concentraties komen vooral voor in het noorden en midden van het land, met name op de Utrechtse Heuvelrug en de Veluwe.<br>