• Beoordeling ruimtebehoefte voor 60 000 ha groen om de stad

      Farjon JMJ; Lammers GW; MNV; Alterra (2002-11-08)
      Naast de jaarlijkse Natuurbalansen en de vierjaarlijkse Natuurverkenningen van het Milieu- en Natuurplanbureau is er een toenemende behoefte aan tussentijdse adviezen over actuele beleidsthema's. Een van die thema's is groen in en om de stad. Het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij wil een goed onderbouwde taakstelling voor dit beleidsthema in het Tweede structuurschema groene ruimte opnemen. Daarom heeft het Ministerie aan het Milieu- en Natuurplanbureau gevraagd om de vraag en het aanbod van groen in en om de stad te beoordelen. Dit rapport is een achtergronddocument bij het briefadvies "Groen in en om de stad" van het Milieu- en Natuurplanbureau aan het Ministerie. Het geeft een beoordeling van de onderbouwing van een voorstel van de ANWB om 60000 ha bos, kleine landschapselementen en paden aan te leggen binnen 10 kilometer van de bebouwde kom.
    • Beoordeling ruimtebehoefte voor 60 000 ha groen om de stad

      Farjon JMJ; Lammers GW; MNV; Alterra (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2002-11-08)
      The Ministry of Agriculture, Nature Management and Fisheries is preparing the Second structure plan for the rural areas. One of the policy topics to address is the need of greenbelts in the urban fringe to provide recreational facilities for the urban population. Several organisations have indicated that these recreational facilities are inadequate. For this reason the Ministry considers to adapt the task for greenbelts in the urban fringe of the First Structure plan for the rural areas. The Nature Policy Assessment Office was asked to evaluate the need for recreational facilities in the urban fringe. This report evaluates a proposal to develop 60000 hectares new forests, hedges, line plantings and public paths within 10 kilometre from the urban fringe. This proposal is based on a method to compare the demand for recreational activities with the actual recreational capacity. The demand was calculated for each residential area as the capacity for the whole area within 10 kilometre from that residential area. This 10-kilometre radius is chosen as it corresponds with the length of a normal short bicycle trip or walking tour starting at home.The evaluation of the proposal and the underlying methodology starts with a description of the assumptions and restrictions of the proposal. Next the calculation and comparison of demands and recreation capacity is analysed. There are two uncertain parameters in the calculation with a considerable impact on results: the estimation of the recreational capacity of agricultural land and the radius of the area considered. Both parameters were tested on their sensitivity. It is concluded that the method to compare the demands with recreational capacity is adequate to estimate a task for greenbelts in the urban fringe. Two adaptations however are necessary: The method improves when a 5-km radius is considered in stead of 10-km. This 5-km radius fits better with the actual behaviour of people. The future task for greenbelts in the urban fringes should be presented as a range of values in stead of one value. This range indicates the uncertainty in assessing the recreational capacity of agricultural land.Depending on the policy restrictions chosen the deficit of greenbelts in the urban fringe ranges from 20 000 to 120 000 hectares.
    • Berekeningsmethode voor de emissie van fijn stof vanuit de landbouw

      Chardon WJ; Hoek KW van der; Alterra; LVM; Alterra (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2003-04-29)
      EU standards have been set to regulate levels of particulate matter in ambient air. Particulate matter, defined as particles with an aerodynamic diameter of less than 10 mu m, can cause health problems. Since it is necessary to know how much particulate matter is emitted by the various sources, accurate estimation methods are needed. Uncertainties about the methods prompted the Ministry of Environment to assign Alterra and RIVM the task of improving the inventory of particulate matter emissions originating from agricultural activities. The literature review and ensuing consultation among experts led to the conclusion that animal housing systems were probably the main source of particulate matter emissions. Minor contributions came from application of pesticides and fertilizers, and the delivery of feed concentrates on the farm. Wind-driven erosion from uncultivated arable land is probably also a large emission source, but this type of emission varies within the year and from year to year. Estimating the amount of emission per year is, however, difficult.
    • Dutch Environmental Indicator for Plant Protection Products - Description of input data and calculation methods

      Linden AMA van der; Deneer JW; Luttik R; Smidt RA; LDL; SEC; Alterra (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2005-03-15)
      The Dutch Environmental Indicator for plant protection products (NMI) is a software package used for calculating the potential environmental impact of plant protection products, which are used in agriculture. The software package can be used for calculations at the regional and national scale, amongst other for calculations for the Environmental Balance of the Netherlands and the Emission Registration. It is foreseen that the software package will be used in the evaluation of the current policy on plant protection products. This report gives an overview of input data and calculation procedures used to estimate the emissions and potential impacts of these products.
    • Dutch Environmental Indicator for Plant Protection Products - Description of input data and calculation methods

      van der Linden AMA; Deneer JW; Luttik R; Smidt RA; LDL; SEC; Alterra (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2005-03-15)
      De Nationale MilieuIndicator (NMI) voor gewasbeschermingsmiddelen is een softwarepakket dat wordt gebruikt voor de berekening van emissies en milieubelasting van deze middelen. Het pakket kan worden ingezet voor berekeningen op regionale en nationale schaal, voor onder andere de MilieuBalans en de EmissieRegistratie. Een uitgebreide toepassing van het pakket is voorzien in de evaluatie van het gewasbeschermingsbeleid voor de periode 2001 - 2010. Dit rapport geeft een beschrijving van benodigde invoergegevens van het softwarepakket en de concepten van de gebruikte berekeningswijzen.
    • Locatiespecifieke ecologische risicobeoordeling. Praktijkonderzoek met de TRIADE-benadering: deel 3

      Schouten AJ; Dirven van Breemen EM; Bogte JJ; Rutgers M; Baerselman R; Bloem J; Didden WAM; Dimmers W; Groot A de; Keidel H; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2004-04-14)
      The TRIAD approach was tested for its applicability in assessing actual ecological risks on five sites around the zinc factory near the city of Budel, in The Netherlands. The TRIAD method offers the possibility of a tiered approach to actual risks for the local ecosystem. Risk assessment is derived on the basis of three elements, i.e. chemistry, toxicology and ecology. It is meant as an improvement for the present remediation urgency systematics. Three of the five sites were contaminated with zinc and cadmium at different levels, that did not exceed the Dutch 'intervention values'. Besides total soil contents, mobile soil metal fractions and pore-water concentrations were measured during the chemical assessment. Several variants of the toxic pressure calculations were compared. In the toxicological assessment several bioassays were performed, which showed different sensitivities to heavy metals and influence of soil-pH and nutrients. There are still very few tests that can be used for acid sandy field soil. Many soil biological analyses (microbial and soil fauna groups) and a vegetation inventory were used for the ecological assessment. In this field study they showed a larger deviation from the reference site than the chemical and toxicological indicators. From the overall TRIAD assessment it can be concluded, among others, that selection of a non-contaminated reference site is both crucial as well as difficult. Polluted sites generally differ in more aspects from a local reference site than just in the concentration of contaminants. Although the TRIAD approach is relatively time consuming, uniformity and the scientific basis of the actual ecological assessment have improved considerably. Therefore the TRIAD approach is recommended for the future as a standard tool to assess actual ecological risks of contaminated soil.
    • Locatiespecifieke ecologische risicobeoordeling. Praktijkonderzoek met de TRIADE-benadering: deel 3

      Schouten AJ; Dirven-van Breemen EM; Bogte JJ; Rutgers M; Baerselman R; Bloem J; Didden WAM; Dimmers W; de Groot A; Keidel H; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2004-04-14)
      Het doel van het onderzoek was de beproeving van de TRIADE methodiek voor de inschatting van locatiespecifieke ecologische risico's in een praktijksituatie. De TRIADE geeft de mogelijkheid om trapsgewijs effecten van verontreinigingen te bepalen voor de aspecten chemie, toxicologie en ecologie. Deze methodiek moet een verbetering opleveren ten opzichte van de ecologische risicoschatting in de huidige saneringsurgentie-systematiek. Het onderzoek werd uitgevoerd op vijf locaties rond de zinkfabriek te Budel. Twee van deze locaties lagen op grotere afstand en werden als (lokale) referentie gebruikt. Drie locaties in de nabijheid van de zinkfabiek hadden verhoogde gehaltes aan zink en cadmium. Interventiewaarden werden niet overschreden. Het chemische onderzoek richtte zich op totaal-gehaltes, extraheerbare fracties en poriewaterconcentraties van zware metalen. Op basis daarvan werd de toxische druk berekend. Het ecotoxicologisch onderzoek bestond uit bioassays met algen, springstaarten en radijsplanten. De gebruikte testorganismen vertoonden verschillende gevoeligheden voor zware metalen, mede als gevolg van bodemeigenschappen als zuurgraad en voedingsstoffenbeschikbaarheid. Het TRIADE-onderdeel "ecologie" werd ingevuld met indicatoren uit de Bodembiologische Indicator (BoBI) en met een vegetatie-inventarisatie. Verontreinigde locaties verschillen bijna altijd in meer eigenschappen van de referentie dan alleen de concentratie van de contaminanten. Het vaststellen van een simpele oorzaak-gevolg relatie voor ecologische effecten zal daarom meestal niet mogelijk zijn. Uit het TRIADE-onderzoek kan worden geconcludeerd, dat de keuze van de locale referentie aanzienlijke invloed heeft op het berekende ecologisch risico. De TRIADE-systematiek geeft de ecologische risicoschatting desondanks een aanzienlijk bredere basis dan de huidige urgentiesystematiek. De methodiek is gebaseerd op het 'multiple weight of evidence' principe en biedt een kwantitatieve maat voor ecologische risico's. Aangezien ook het bodembeschermingsbeleid zich ontwikkelt naar een meer locatiespecifieke benadering, wordt verder inpassing van de TRIADE-methodiek aanbevolen.
    • Natuurverkenning 2, evaluatie van inhoud, vorm en proces

      Eggink GJ; Wiertz J; NLB; LEI-DLO; Alterra; IZA; RIKZ (2003-07-18)
      Dit rapport bevat een evaluatie van het project Natuurverkenning 2, naar inhoud, vorm en proces. Het is geschreven door de projectleiders die daarbij gebruik hebben gemaakt van commentaar van leden van hun projectteam. Het rapport is bedoeld voor het projectteam dat een volgende Verkenning gaat maken, maar het kan ook van belang zijn bij het maken van andere planbureauproducten en het programmeren van onderzoek. Speciale aandacht wordt geschonken aan de scenario-methodiek in het bijzonder de mogelijke synthese tussen de modelmatige en de ontwerpende scenario-verkenningsmethodiek. Het rapport sluit af met een aantal aanbevelingen. Meer gedetailleerde aanbevelingen voor meetnetten, modellen, graadmeters en scenario-kaarten worden gegeven in de desbetreffende achtergrondrapporten en evaluaties per deelproject. Het product NVK2 valt op door de brede beleidsanalyse (ook milieu-, water en ruimtelijke plannen), de graadmetersystematiek, de interactief tot stand gekomen scenario- en grondgebruikkaarten, en de doorrekening van effecten. Het proces NVK2 kenmerkt zich door een zoektocht naar een goede combinatie van integrale en thematische verkenning, model en ontwerpbenadering, gesloten en interactieve werkprocessen, wetenschappelijke en aansprekende visuele presentatie. In de aanbevelingen wordt benadrukt dat het planbureau in deze helder keuzes moeten maken en dat in geval in 2006 een volgende integrale scenariostudie voor de Natuurverkenning 3 moet verschijnen, in 2003 de eerste stappen genomen moeten worden
    • Natuurverkenning 2, evaluatie van inhoud, vorm en proces

      Eggink GJ; Wiertz J; NLB; LEI-DLO; Alterra; IZA; RIKZ (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2003-07-18)
      This report evaluating the Second National Nature Outlook focuses on the product, form and process. Written by de project managers, the report, which incorporates the project team's comments, is directed to future teams. However, it may also be useful for those who are involved in creating other primary products of the Office for Environmental Assessment (MNP in Dutch) or planning future research to be carried out by this Office. The National Nature Outlook contains a broad analysis of nature, water and land-use policy, along with four integrated scenarios, and their effects both on land use (with maps) and on nature and landscape. Calculations were performed using several models. The process which took place here can be characterised as a search for the optimal combination of integrated and thematic exploratory methods, for model-based and design-oriented scenario development, for closed and open interactive working processes and, finally, for a scientific and visually attractive presentation of information. The evaluation emphasises the value of synthesising different scenario techniques, both model-based and design-oriented. The report also comprises several recommendations. More detailed recommendations are found in other background documents to National Nature Outlook 2. Those given here emphasise that the Office for Environmental Assessment should make clear choices. This means that an Outlook to be published in 2006 requires the first steps to be taken in 2003.
    • The new decision tree for the evaluation of pesticide leaching from soils

      Linden AMA van der; Boesten JJTI; Cornelese AA; Kruijne R; Leistra M; Linders JBHJ; Pol JW; Tiktak A; Verschoor AJ; Alterra; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2004-12-01)
      The Dutch decision tree on leaching from soil has been re-designed to be more in line with EU guidelines on the assessment of the leaching potential of substances. The new decision tree explicitly defines reasonable worst-case conditions as the 90th percentile of the area to which a substance is applied. The tree also determines whether the median annual leaching concentration over a period of 20, 40 or 60 years complies with the EU-drinking water limit, with the length of the period depending on the application frequency. The FOCUS Kremsmnster scenario, officially adopted in the Netherlands as the national scenario, is, in the first tier, used to identify substances with a negligible leaching risk, which can then be registered without further assessment. The core of the decision tree is the second tier, in which the spatially distributed model, GeoPEARL, is used to calculate the leaching. The third tier considers the water-saturated zone up to a depth of 10 m below soil surface. As this tier did not need an update, the new approach is expected to have very little influence on the number of registered substances. Comparing the new approach with the old, we found the new first tier to be almost as strict as the old one, at least when the safety factor of 100 was not used, as in the old tree. For substances for which the leaching concentration was calculated at around 0,1 ug dm-3 using the old procedure, GeoPEARL yielded results that were approximately 10 times higher. This difference was mainly due to the annual application of the substances in the new procedure.
    • The new decision tree for the evaluation of pesticide leaching from soils

      van der Linden AMA; Boesten JJTI; Cornelese AA; Kruijne R; Leistra M; Linders JBHJ; Pol JW; Tiktak A; Verschoor AJ; LDL; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMAlterraCTB, 2004-12-01)
      Dit rapport beschrijft een nieuwe beslisboom voor de beoordeling van uitspoeling van gewasbeschermingsmiddelen naar het grondwater. Een nieuwe beslisboom was nodig om aansluiting te houden met Europese beoordelingsrichtlijnen. In de EU-beoordeling staat het begrip 'reasonable worst case' centraal. In de nieuwe beslisboom wordt dit begrip expliciet gedefinieerd als het 90-percentiel van de uitspoelingsconcentratie in het gebied waarin het gewasbeschermingsmiddel mogelijk wordt toegepast. In de eerste stap van de beoordeling wordt het model PEARL toegepast op een enkel scenario. Deze stap is bedoeld om stoffen met een verwaarloosbaar risico op uitspoeling te identificeren. Om aan te sluiten bij de EU-beoordeling wordt in deze stap gebruik gemaakt van een scenario dat ook in de EU-beoordeling gebruikt wordt, namelijk het 'FOCUS Kremsmunster scenario'. Indien het uitspoelingsrisico niet verwaarloosbaar klein is, kan de tweede stap in werking treden. In deze stap wordt met behulp van het ruimtelijk verdeeld uitspoelingsmodel GeoPEARL het 90-percentiel van de uitspoelingsconcentratie berekend. Ook biedt de tweede stap de mogelijkheid om meer realistische waarden voor stofparameters te introduceren, bijvoorbeeld stofparameters verkregen op basis van lysimeter- of veldstudies. Als in de tweede stap blijkt dat er een risico voor uitspoeling bestaat, dan kan in de derde stap van de beoordeling worden nagegaan of in de waterverzadigde zone tot op een diepte van 10 m voldoende afbraak plaats vindt en het risico van uitspoeling naar het diepere grondwater beneden de geaccepteerde norm blijft. In vergelijking met de oude beslisboom blijkt de nieuwe beslisboom in de eerste stap ongeveer even streng te zijn als de oude, zonder dat een veiligheidsfactor gebruikt hoeft te worden. In de nieuwe tweede stap worden, op het kritische niveau van 0,1 ug dm-3 (in de oude procedure), concentraties berekend die tot ongeveer een factor 10 hoger liggen. Het hanteren van herhaalde toepassing in de nieuwe beslisboom is de belangrijkste oorzaak voor dit verschil. Hoewel dit niet is onderzocht, wordt verwacht dat de nieuwe beslisboom op korte termijn geen invloed heeft op de breedte van het middelenpakket. De reden is dat de laatste - uiteindelijk beslissende stap - in de beoordeling niet is veranderd.
    • Technisch ontwerp Natuurwaarde 1.0 en toepassing in Natuurverkenning 2

      Brink BJE ten; Hinsberg A van; Heer M de; Hoek DCJ van der; Knegt B de; Knol OM; Ligtvoet W; Rosenboom R; Reijnen MJSM; LBG; et al. (AlterraRIZARIKZCBS, 2003-08-07)
      Dit rapport bevat het technisch ontwerp van de graadmeter Natuurwaarde en de realisatie ervan in het signaleringsdeel van de Tweede Nationale Natuurverkenning. Het is een nadere uitwerking van het globaal ontwerp dat beschreven is in het rapport Natuurgraadmeters voor de behoudoptiek van het RIVM, CBS en Alterra (Ten Brink et al., 2000). De directie van het RIVM en het Natuurplanbureau gaven de opdracht voor dit rapport. Dit rapport is tevens een achtergronddocument voor de Tweede Nationale Natuurverkenning. Het doel van dit rapport is een onderbouwing te geven van de vele keuzes die aan dit technisch ontwerp ten grondslag liggen en deze expliciet vast te leggen zodat de Natuurwaarde reproduceerbaar en verbeterbaar is. Het gaat om een eerste versie, de Natuurwaarde 1.0. Dit rapport is uitgevoerd met behulp van de inbreng van diverse PGO's, instituten en onderzoeksbureaus waaronder: Alterra, CBS, RIZA, RIKZ, FLORON, SOVON, Vlinderstichting, VZZ, RAVON, Nationaal Herbarium Nederland, Wageningen-UR, RIVO, OVB en STOWA. Dit rapport:Deelt Nederland in in 27 gebieden, zogenaamde natuurtypen per fysisch-geografische regio (NT/FGR), waarvoor begrenzing, referentie en abiotiek zijn gespecificeerd. Selecteert voor de 27 NT/FGR's in totaal 980 kenmerkende soorten aan de hand van 9 overwegingen, voor het bepalen van de natuurkwaliteit. Bepaalt voor de 27 NT/FGR's de ligging, het areaal, de natuurkwaliteit en de Natuurwaarde. Idem voor het gehele agrarische en natuurlijke gebied. Geeft de berekeningsmethodiek hiervoor weer;doet aanbevelingen voor op te nemen soorten, monitoring, modellering en referentie-onderzoek. De huidige kwaliteit voor natuurlijke gebieden bedraagt momenteel 44%, de natuurkwantiteit bedraagt 40% en de Natuurwaarde bedraagt 18%. De natuurkwaliteit voor agrarische gebieden bedraagt momenteel 36%, de natuurkwantiteit bedraagt 48 %, waardoor de Natuurwaarde op17% uitkomt. In 1950 bedroeg deze naar schatting 51%. De kwaliteit van het natuurtype open duin is het hoogst (55%), die van vennen het laagst (31%). De Natuurwaarde versie 1.0 moet gezien worden als een eerste schatting van de voorraad biodiversiteit of ecologisch kapitaal in Nederland. Hoewel de Natuurwaarde 1.0 naar verwachting een van de best onderbouwde nationale biodiversiteitschattingen ter wereld is, is op verschillende onderdelen verbetering gewenst. Evenzeer is een verbeterde aansluiting gewenst op het beleid zoals de indeling in gebieden en de vertaling van enkele beleidsdoelen in Natuurwaarde-termen. Dit is een proces van enige jaren. De Natuurwaarde zal stapsgewijs verder worden uitgebreid en verbeterd, in samenhang met de ontwikkeling van meetnetten, modellen, referenties en beleidsdoelen. Ook dient de huidige koppeling met het Biodiversiteitsverdrag te worden behouden. Met name bossen en de regionale en rijkswatersystemen vragen de nodige aandacht voor de keuze van kwaliteitsvariabelen en het specificeren van de referentiewaarden. Deze uitbreidingen zullen als nieuwe versies worden vastgesteld in geactualiseerde rapporten. De uitwerking van de andere natuurgraadmeters van het Milieu- en Natuurplanbureau (Soortgroep Trend Index, EHS-Doelrealisatie Graadmeter en de Rode Lijst Indicator) zullen op termijn de beoordeling van de natuur volgens verschillende invalshoeken mogelijk maken.
    • Technisch ontwerp Natuurwaarde 1.0 en toepassing in Natuurverkenning 2

      Brink BJE ten; Hinsberg A van; Heer M de; Hoek DCJ van der; Knegt B de; Knol OM; Ligtvoet W; Rosenboom R; Reijnen MJSM; Alterra; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2003-08-07)
      This report presents a detailed, technical design of the Natural Capital Index framework (NCI), version 1.0. It provides information on the state of natural and agricultural ecosystems to support policy makers in nature conservation at the national level. The Natural Capital Index is defined as the product of the size of an ecosystem (quantity) and its quality. Ecosystem quality is defined as the ratio between the current state and a postulated baseline state set in pre-industrial times. The NCI has been determined for 15 ecosystem types (ET). For each, a core set of characteristic species has been selected to determine its quality. The species selection is based on nine criteria. Currently a total of 980 species has been chosen. A calculation procedure to determine the NCI on various spatial scales has been worked out. The quantity of natural aquatic and terrestrial ecosystems in the Netherlands has declined to 40% of its total territory, while the average quality of these ecosystems is estimated at a modest 44%. The resulting NCI of these natural ecosystems is thus 18%, the product of quantity and quality. So roughly speaking, 18% of the average abundance of the characteristic species remains in comparison with the baseline state. In 1900 and 1950 the NCI was been estimated about 55% and 30% respectively. The current NCI for agricultural land is 17%. In 1950 this was about 50%. Recommendations for improving the current NCI, version 1.0, include the following: a better underpinning of baseline values, extension of the core set of species, adjustment of the monitoring programme, a better understanding of the NCI representativeness, and finally, extension of its policy orientation to focus on specific ecosystem types and translation of policy targets into NCI terms.
    • Toets van STONE versie 2.0. Samenvatting en belangrijkste resultaten

      Tiktak A; Beusen AHW; Boumans LJM; Groenedijk P; Haan BJ de; Portielje R; Schotten CGJ; Wolf J; Alterra; RIZA; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2003-07-24)
      The STONE model for nitrogen and phosphorus emission to the groundwater and surface waters has been developed to evaluate the environmental consequences of policies regarding manure and agriculture. In 2000, an advisory body ('The Spiertz Commission') explicitly asked for validation of the Dutch eutrophication models. This report summarises the most important findings of the so-called 'STONE test'. STONE results were compared with monitoring data at different spatial scales from the field scale up to the national scale. At the field scale, conclusions were drawn on process descriptions and temporal dynamics. At the national scale, spatial patterns and frequency distributions were investigated. Here, STONE slightly underestimated the median nitrate concentrations in the upper groundwater. Also, the correlation between measured and simulated concentrations of nitrogen in the groundwater was good. Large differences were, however, found at the regional scale. These differences might be attributed to errors in the manure transport and application module. This suggests that STONE is not yet suitable for applications at the regional scale. The predicted concentration of nitrate and phosphorus in drain water was higher than the actual concentration of these compounds in surface waters. This was expected, because riparian retention and loss processes in surface waters were not modelled. Future research should be directed towards (i) improving the model performance at the regional scale, and (ii) further validation of the surface water component of STONE by combining the model with a surface water model.
    • Toets van STONE versie 2.0. Samenvatting en belangrijkste resultaten

      Tiktak A; Beusen AHW; Boumans LJM; Groenedijk P; de Haan BJ; Portielje R; Schotten CGJ; Wolf J; LDL; IMP; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMAlterraRIZA, 2003-07-24)
      STONE is het landsdekkende nutrientenemissiemodel dat ontwikkeld is voor het evalueren van effecten van milieu- en landbouwbeleid op de belasting met stikstof en fosfaat van het grond- en oppervlaktewater. De commissie Spiertz vroeg in 2000 om validatie van dit model. Om deze reden werd de STONE toets opgezet, waarvan in dit rapport een samenvatting gegeven wordt. Doel van het project was het vergelijken van STONE resultaten met monitoring gegevens op verschillende schaalniveaus. Op de veldschaal werden conclusies getrokken over processen en temporele dynamiek. Op de nationale schaal werden ruimtelijke patronen en frequentiediagrammen beoordeeld. Het bleek dat STONE de mediane nitraatconcentratie in het grondwater onderschatte. De correlatie tussen de metingen en de modelresultaten bleken op de nationale schaal echter goed te zijn. Op de regionale schaal waren er wel grote verschillen, waardoor de inzetbaar van STONE voor regionale vraagstukken beperkt is. Het gebrek aan overeenstemming tussen de gemeten en gesimuleerde nitraatconcentraties op regionale schaal dient onderzocht te worden in een aanvullend toetsingstraject. STONE berekende hogere concentraties in het drainwater dan gemeten in het oppervlaktewater. Dit wordt vermoedelijk veroorzaakt door retentie en verliezen in het oppervlaktewater. Deze hypothese kan getoetst worden door STONE te koppelen aan een oppervlaktewater model.<br>
    • Watertypegerichte normstelling voor nutrienten in oppervlaktewater

      Liere E van; Jonkers DA (eds); LWD; RIZA; RIKZ; Alterra; STOWA (2002-07-08)
      Kentallen zijn geevalueerd, die aangeven bij welke waarde van het kental een verandering optreedt van de geeutrofieerde toestand van een watertype naar de heldere gewenste ecologische toestand. Bij het onderzoek is aangenomen dat nutrienten-reductie de enige sturende factor was. De keuze voor een gewenste ecologisch toestand is gemaakt door de auteurs die het betreffende watertype beschreven. Om benedenstroomse kwetsbare wateren te beschermen werden er tevens voor enige gevallen "afwentelingswaarden" berekend. De belangrijkste resultaten zijn weergegeven in een overzichtstabel. De waarden van de kentallen waren in het algemeen zeer laag. Een indicatie om naast nutrientenreductie ook andere aanvullende maatregelen te bestuderen, om sneller herstel te bewerkstelligen.
    • Watertypegerichte normstelling voor nutrienten in oppervlaktewater

      Liere E van; Jonkers DA; LWD; RIZA; RIKZ; Alterra; STOWA (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2002-07-08)
      Kentallen zijn geevalueerd, die aangeven bij welke waarde van het kental een verandering optreedt van de geeutrofieerde toestand van een watertype naar de heldere gewenste ecologische toestand. Bij het onderzoek is aangenomen dat nutrienten-reductie de enige sturende factor was. De keuze voor een gewenste ecologisch toestand is gemaakt door de auteurs die het betreffende watertype beschreven. Om benedenstroomse kwetsbare wateren te beschermen werden er tevens voor enige gevallen "afwentelingswaarden" berekend. De belangrijkste resultaten zijn weergegeven in een overzichtstabel. De waarden van de kentallen waren in het algemeen zeer laag. Een indicatie om naast nutrientenreductie ook andere aanvullende maatregelen te bestuderen, om sneller herstel te bewerkstelligen.