• Interventieradiologie - Inventarisatie van de Nederlandse praktijk met speciale aandacht voor stralingsbescherming van de patiënt

      Bijwaard H; Valk D; ABI; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-07-04)
      Bij sommige medische ingrepen, zoals dotteren, wordt gebruikgemaakt van radiologie. Het RIVM doet enkele aanbevelingen om het stralingsniveau zo laag mogelijk te houden. Een daarvan is om altijd zogeheten Medisch Beeldvormings- en Bestralingsdeskundigen in te zetten om een optimale dosis te bereiken. Vooral bij ingrepen op afdelingen Cardiologie zijn zij vaak niet betrokken. Daarnaast is het verstandig om patiënten van tevoren te screenen op bijvoorbeeld straling gerelateerde gevoeligheden, en hen achteraf te volgen of er klachten zijn ontstaan. Dit gebeurt in Nederland weinig. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM, als vervolg op een studie uit 2007. De aanbevelingen die toen zijn gegeven, blijken grotendeels te zijn opgevolgd. De ziekenhuizen gebruiken redelijk nieuwe apparatuur en de betrokken interventieradiologen bezitten doorgaans een diploma stralingsbescherming. Mogelijkheden om de stralingsdosis te beperken zijn in de ziekenhuizen ruim aanwezig en worden veel ingezet. Wel worden complicaties na de interventie, zoals rode huid en haaruitval, weinig opgenomen in een daarvoor opgezet register. Bovendien wordt in de helft van de onderzochte ziekenhuizen niet geprobeerd om minder vaak gebruik te maken van opties die de dosis verhogen. Het onderzoek is in opdracht van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) uitgevoerd. Hiervoor is in de wetenschappelijke literatuur de state of the art van interventieradiologie onderzocht en een digitale enquête onder 18 ziekenhuizen gehouden.
    • Inventarisatie mogelijke bestaande blootstellingssituaties in Nederland : Onderzoek voor de implementatie van richtlijn 2013/59/Euratom

      van der Schaaf M; Folkertsma E; Valk D; M&M; VLH (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-10-04)
      Het RIVM heeft situaties in kaart gebracht die sinds 6 februari 2018 mogelijk onder de stralingsregelgeving vallen en waarin mensen kunnen blootstaan aan ioniserende straling. Dergelijke situaties worden 'bestaande blootstellingsituaties' genoemd. Deze inventarisatie is nodig voor eventuele beleidskeuzes over dergelijke situaties. Het gaat dus niet om situaties die nu al onder toezicht staan van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS), zoals kerncentrales of röntgentoestellen. Sinds 6 februari 2018 moeten lidstaten bestaande blootstellingsituaties inventariseren op grond van nieuwe Europese voorschriften over stralingsbescherming. Deze voorschriften zijn geïmplementeerd in het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming (Bbs). In dit onderzoek zijn 24 blootstellingsituaties geïnventariseerd waarvan er vijftien zijn aangemerkt als mogelijke bestaande blootstellingsituatie. De overige negen zijn situaties waarop het Bbs niet van toepassing is, of situaties die al onder het controlestelsel blijken te vallen ('geplande blootstellingsituaties'). De blootstelling in gebouwen aan radon en thoron, en aan externe straling behoren sinds de nieuwe wetgeving tot mogelijke bestaande blootstellingsituaties. Deze drie blootstellingsituaties leiden voor een gemiddelde inwoner van Nederland gezamenlijk tot een dosis van ongeveer 1 millisievert per jaar. Dit komt overeen met circa 40 procent van de totale gemiddelde jaarlijkse blootstelling aan ioniserende straling in Nederland. Een blootstelling van 1 millisievert per jaar is relatief laag in vergelijking met de in Europese regelgeving gebruikte 'referentieniveaus', die tussen de 1 en 20 millisievert per jaar moeten liggen. Voor de resterende twaalf mogelijke bestaande blootstellingsituaties is de mate van blootstelling aanzienlijk lager, en in bijna alle gevallen lokaal van aard. De inventarisatie is uitgevoerd in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS).
    • Radiologisch onderzoek bij kinderen : Inventarisatie van de Nederlandse praktijk met de focus op dosis-reducerende maatregelen

      Bijwaard H; Valk D; ABI; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2015-06-02)
      In opdracht van de Inspectie voor de Gezondheidszorg heeft het RIVM onderzoek gedaan naar stralingsbescherming in de kinderradiologie. Volgens recente wetenschappelijke inzichten zijn de risico's van ioniserende straling voor kinderen namelijk groter dan eerder werd gedacht. Ten eerste valt op hoe verschillend ziekenhuizen te werk gaan. Zo worden in kinderziekenhuizen speciale kinderprotocollen voor radiologische verrichtingen gebruikt, in algemene ziekenhuizen gebeurt dat niet altijd. Ook zijn er grote verschillen in het gebruik van tegen straling beschermende maatregelen. Daarnaast is het aantal verrichtingen waarbij relatief hoge doses straling worden gebruikt de afgelopen jaren sterk gestegen. Voorbeelden zijn CT-scans en zogenoemde doorlichtonderzoeken, waarbij de patiënt real time wordt bekeken tijdens een ingreep. Vooral de toename met grofweg 80% van het aantal CTscans ten opzichte van 2005 is opmerkelijk. Overigens doet deze stijging zich ook onder volwassenen voor. Ten slotte worden in ongeveer de helft van de ziekenhuizen de gebruikte doses niet vergeleken met de zogeheten Diagnostische Referentieniveaus (DRN's) voor kinderen. Dit komt waarschijnlijk door het geringe aantal kinderen dat wordt onderzocht; voor deze toets is een minimaal aantal van twintig kinderen nodig. In de ziekenhuizen waar die vergelijking wel wordt gemaakt, worden deze waarden in gemiddeld een op de vijf gevallen overschreden. DRN's zijn bedoeld als indicatie voor een aanvaardbare dosis waarmee een goed radiologisch beeld kan worden verkregen bij radiologische handelingen. Bij zware patiënten en complexe procedures kunnen DRN's overschreden worden. Afdelingen radiologie zijn niet verplicht zich aan de waarden te houden. De redenen van het toegenomen aantal verrichtingen bij kinderen zijn niet bekend. Het is van belang dit nader uit te zoeken. Ook het geringe aantal vergelijkingen met de DRN's en de regelmatige overschrijding ervan verdienen aandacht. Verder wordt aanbevolen om de kennis bij de kinderziekenhuizen breder uit te dragen naar de algemene ziekenhuizen, opdat alle ziekenhuizen bij kinderen gebruik maken van state-of-the-art-kinderradiologie. Voor deze studie is literatuuronderzoek gedaan naar de state of the art in kinderradiologie. Daarnaast is een digitale enquête gehouden onder alle zeven kinderziekenhuizen in Nederland en bij 22 algemene ziekenhuizen.