• Ad hoc ringonderzoek cadmium in kalvernieren en gevriesdroogde runderlever

      Vaessen HAMG; ARO (1994-09-30)
      Een beperkt ringonderzoek werd uitgevoerd voor cadmium in monsters gehomogeniseerde kalvernieren en het gevriesdroogde referentiemateriaal SRM 1577 "Bovine Liver" waarvan het cadmiumgehalte is gecertificeerd. Deelnemers aan dit onderzoek waren het laboratorium van Denkavit Nederland BV te Voorthuizen, de Inspectie Gezondheidsbescherming (IGB) te Amsterdam en het Laboratorium voor Analytisch Residu-onderzoek (ARO) van het RIVM. Aanleiding voor dit onderzoek waren de grote twijfels die waren gerezen bij de Veterinaire Inspectie (VI) en de Veterinaire Hoofdinspectie (VHI) over de kwaliteit van de cadmium metingen in kalvernieren waarbij sprake was van verschillen oplopend tot een factor 10 gemeten door laboratoria voor nieren van hetzelfde slachtdier. De drie deelnemers aan het ringonderzoek voerden duplo-bepalingen uit voor vijf kalvernier homogenisaten en het referentiemateriaal SRM 1577. Uit de gerapporteerde duplo-resultaten blijkt dat er geen significant verschil is tussen de cadmiumgehalten gerapporteerd door de drie laboratoria. Wel is de herhaalbaarheid en de nauwkeurigheid van de meetresultaten van een laboratorium iets minder dan die der andere twee. Op grond van de inmiddels beschikbaar gekomen aanvullende gegevens en correspondentie wordt geconcludeerd dat de uitspraak dat "de meetresultaten voor het cadmiumgehalte van kalvernieren gemeten door laboratoria tot een factor 10 kunnen verschillen" onjuist is en vermoedelijk berust op een misverstand.
    • Arseen, ijzer, selenium en tin opname per persoon en per dag, bepaald via analyse van duplicaat 24-uurs voedingen bemonsterd in 1984/1985

      Vaessen HAMG; Ooik A van (1988-03-31)
      Onderzocht is de dagelijkse inneming met de voeidng en drank van arseen, tin, ijzer en selenium van 18-74 jarige Nederlanders uit de regio Utrecht. Aan het onderzoek namen 52 vrouwen en 58 mannen deel die qua groep een zo getrouw mogelijk beeld vormen van de Nederlandse volwassen bevolking. Bemonsterd werd in oktober 1984 (N=56) en in maart 1985 (N=54). Er zijn geen grote verschillen in inneming in beide perioden zodat de resultaten als een studie beschouwd kunnen worden. Voor totaal arseen is de gementen inneming <0,005-0,111 mg per dag. Voor beide elementen is de belasting aanzienlijk gedaald in vergelijk met het 1976/1978 onderzoek. De tin inneming lig ver beneden hetgeen door de WHO/FAO toelaatbaar wordt geacht ; de totaal arseen inneming daarentegen komen incidenteel tot op 80% van hetgeen WHO/FAO voor anorganisch arseen toelaatbaar acht. Dagelijks wordt 1,7-21,5 mg ijzer opgenomen, gemiddeld 8,8 mg, en 0,012-0,145 mg selenium, gemiddeld 0,041 mg. De selenium inneming nu is lager dan in 1976/1978 ; ijzer werd toen niet gemeten. Gemiddeld is de dagelijkse voorziening met ijzer en selenium te laag vergeleken met in ons land bestaande resp. in discussie zijnde aanbevelingen.
    • Basisdocument PAK

      Slooff W; Matthijsen AJCM; Montizaan GK; Ros JPM; van den Berg R; Eerens HC; Goewie CE; Janus JA; Kramers PGN; van de Meent D; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1989-03-31)
      Dit rapport bevat een systematisch overzicht en een kritische evaluatie van de belangrijkste gegevens over de prioritaire stofgroep PAK ten behoeve van het effectgericht milieubeleid.<br>
    • Bepaling van anorganisch- en organisch- gebonden en totaal arseen in duplicaten van 24-uurs voeding

      Vaessen HAMG; Ooik A van (1988-10-31)
      Het rapport beschrijft de resultaten van het onderzoek van 20 duplicaat 24-uurs voedingen op gehalte aan anorganisch, organisch en totaal arseen. Van de 311 duplicaatvoedingen uit de 1976/1978 en 1984/1985 studies zijn de 20 monsters die het hoogst waren in gehalte aan totaal arseen, tot meer dan 7-maal de ADI, onderzocht op gehalte aan anorganisch en organisch arseen: de arseenspeciering. Uit de arseenbalans blijkt dat alle drie de onderzoekmethoden goed voldoen ; de som van het gemeten anorganisch en organisch arseengehalte verschilt ten hoogste 7% van het gemeten totaal arseengehalte. Een hoge inneming van totaal is veelal gecorreleerd aan de consumptie van vis en/of visprodukten. Deze verhoging is echter vrijwel geheel ter herleiden tot de aanwezigheid in deze produkten van organisch gebonden arseen. De inname van anorganisch arseen varieerde van 15 mug tot 58 mug per persoon en per dag en bedroeg in alle onderzochte gevallen minder dan 50% van de ADI van 2 mug anorganisch arseen per kg lichaamsgewicht.
    • De bepaling van foliumzuur - een evaluatie van de recente literatuur met speciale aandacht voor voedsel

      Melis PHAM; Vaessen HAMG; BDA; ARO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1994-04-30)
      The literature from 1985 up to 1994 has been studied for folic acid in biological substrates and for the group of compounds similar to folic acid in respect of chemical structure and biological activities ("folates"). Emphasis in the evaluation was on nomenclature, occurrence, physiology, dietary recommendations and in particular on the determination of folates in food. Data on the determination of these compounds in food are collected in Table 1, in Table 2 for body fluids and in Table 3 for other matrices. It was found that determination of folates in food is still predominantly done by microbiology in combination with the test organism Lactobacillus casei. However, from collaborative studies it is evident that there is an urgent need to much further standardize this procedure than achieved sofar, to improve the comparability of laboratory results. In addition, the advice is to discontinue the use of the term "free" folate since this is deceptive and ambiguous. HPLC methods fit best to the present and future needs of the folate determination. However these procedures also require further optimalization towards a method in which, after actraction with optional hog kidney deconjugase, the extracts are cleaned (anion exchange) and enriched (affinity chromatography) and subsequently assayed for folates by HPLC in combination with fluorescence- and UV-detection in series. <br>
    • De bepaling van N-nitrosodimethylamine (NDMA) in bier via extractie met vaste stof matrix dispersie en GC-TEA meting

      Koole A; Vaessen HAMG; ARO (1994-08-31)
      Voor de bepaling van N-nitrosodimethylamine (NDMA) in bier is een methode onderzocht die is gebaseerd op extractie via vaste stof matrix dispersie aan Celite en GC-TEA meting. De hieruit voortgekomen werkwijze is beschreven in de bijlage en is voorzien van prestatiekenmerken verkregen uit onderzoek van 11 monsters bier die zo veel mogelijk verschilden in matrix. Alle monsters zijn tenminste in duplo onderzocht. Het NDMA-gehalte varieerde van gemiddeld 0,09 tot gemiddeld 0,26 mug/kg. Voor monster 93M0198 werd een gemiddeld NDMA-gehalte gemeten van 0,13 mug/kg (N=6) met een variatiecoefficient van 9,5 %. Voor de overige 10 monsters is de herhaalbaarheid, uitgedrukt als het procentuele verschil van de individuele meetresultaten t.o.v. het gemiddelde meetresultaat per monster, gelijk aan of beter dan 15%. In totaal zijn 15 opbrengstexperimenten uitgevoerd waarbij het niveau van verrijken met NDMA respectievelijk 0,2 ; 0,5 en 1,0 mug/kg bedroeg. De gemiddelde terugwinning bedroeg 100 +/- 6%. De grenzen van detectie en bepaalbaarheid zijn berekend op basis van 4 blanco-bepalingen met als resultaat dat de voorlopige detectiegrens wordt geschat op ca. 0,05 mug/kg en de grens van bepaalbaarheid op ca. 0,1 mug/kg. De NDMA-bepaling in bier via vaste stof matrix dispersie en GC-TEA meting is eenvoudig uit te voeren en is aanzienlijk sneller, maar minder gevoelig, dan de tot nu toe gebruikte combinatie van vacuumdistillatie en GC-TEA meting.
    • Biobeschikbaarheid in de hond van anorganisch arseen uit ijzeroerhoudende grond

      Groen K; Vaessen HAMG; Kliest JJG; de Boer JLM; van Ooik A; Timmerman A; Vlug R (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1992-11-30)
      In some parts of the Netherlands, bog-ore containing soils prevail which naturally contain arsenic concentrations that exceed, by a factor of ten, existing standards for maximum allowable concentrations of inorganic arsenic in soil. These standards are based on the assumption that in humans the bioavailability of arsenic from ingested soil is 100%. In view of the regulatory problem presented by these soils, the validity of this assumption was questioned. To obtain a more realistic estimate, the bioavailability of inorganic arsenic from soil in a suitable animal model was studied. In this report, a study performed in six dogs in a two-way cross-over design is presented. The dogs received in random order arsenic both as intravenous solution and as arsenic-containing soil. During a 120-hour period after administration, urine was collected in fractions. Concentrations of arsenic were determined using a method of wet digestion of arsenic to As(III), isolation and complexation of arsine followed by molecule absorption spectrometry. Within 120 hours after intravenous administration, 88 +/- 16% of the dose was excreted renally. After oral administration of arsenic-containing soil, only 7.0 +/- 1.5% was excreted renally. From the urinary excretion data for these two ways of administration, the calculated bioavailability of inorganic arsenic from soil was 8.3 +/- 2.0%. The results from this study show the necessity to reconsider the present regulation for As in soil in living areas.<br>
    • Brood - gehalte aan ijzer en selenium

      Vaessen HAMG; Ooik A van (1990-01-31)
      Abstract niet beschikbaar
    • Brood - Gehalte aan koper, mangaan en zink

      Vaessen HAMG; Ooik A van; Tolsma K; Loon JW van (1991-10-30)
      Abstract niet beschikbaar
    • Brood - Gehalte aan natrium en kalium

      Vaessen HAMG; Ooik A van (1990-04-30)
      Abstract niet beschikbaar
    • Brood-Gehalte aan fosfor, calcium and magnesium

      Vaessen HAMG; Ooik A van (1990-04-30)
      Abstract niet beschikbaar
    • Brood-Gehalte aan kwik, lood en cadmium

      Vaessen HAMG; Ooik A van; Loon JW van; Tolsma K (1991-11-30)
      Abstract niet beschikbaar
    • Duplicaat 24-uurs voeding onderzoek 1994 - Verzamelen en bewerken van het monstermateriaal

      Vaessen HAMG; Ooik A van; Loon JW van; Vliet JJH van; Kieft AJ; Burg G van den; Ritsema R; ARO (1995-12-31)
      In 1994 is door 123 vrijwilligers elk een duplicaat verzameld van hun voeding inclusief drank en drinkwater. De deelnemers aan deze studie zijn via een quota-steekproef geselecteerd door het voedings-enquetebureau AGB Fresh Foods in een gebied met een straal van circa 50 km rond Bilthoven en vormen een afspiegeling van de Nederlandse bevolking van 18-74 jaar. De studie is uitgevoerd in twee onderzoeksessies van telkens een week beginnend op maandag en eindigend op de daaropvolgende zondag. De eerste onderzoeksessie vond plaats in maart 1994, de tweede in september daaropvolgend. In maart namen 31 mannen en 31 vrouwen deel, in september waren dat 29 mannen en 32 vrouwen. De gemiddelde leeftijd van alle deelnemers was 44 jaar, het gemiddelde lichaamswicht 75 kg. De samenstelling van de quota-steekproef sluit zeer goed aan bij die van de 24-uurs duplicaat voeding studie uitgevoerd in 1984/1985 waaraan 110 vrijwilligers deelnamen. Het gemiddelde gewicht van de verzamelde monsters duplicaat 24-uurs voeding was 2603 gram, bereik 1491 tot 4449 gram. Door de vrouwen (N=63) werd gemiddeld 2452 gram totaal dieet verzameld met een bereik van 1491 tot 4160 gram. Deze getallen waren voor mannen (N=60) res-pectievelijk 2761 gram en 1639 tot 4449 gram. Een invloed van het seizoen op de gemiddeld verzamelde hoeveelheid voeding werd niet geconstateerd. Na het homogeniseren is elk verzamelmonster gesplitst in meerdere deelporties en is per verzamelmonster een portie van ca. 1 kg gevriesdroogd. Ten opzichte van het duplicaat 24-uurs voeding onderzoek 1984/1985 werd nu gemiddeld 16,5% meer voeding verzameld. De deelnemers aan de 1994 studie waren echter gemiddeld 5 kg zwaarder dan die in 1984/1985.
    • Duplicaat 24-uurs voedingen 1994 - ijzerinname -

      Ooik A van; Burg-van Essen G van den; Ritsema R; Loon JW van; Vaessen HAMG; LAC (1996-03-31)
      Beschreven worden de resultaten van het onderzoek naar de dagelijkse ijzerinname met de voeding, inclusief drank en drinkwater. Hiervoor zijn 123 duplicaten van 24-uurs voedingen verzameld in de regio Utrecht waarbij twee groepen vrijwilligers zijn geselecteerd die, sociaal en qua leeftijd, een zo getrouw mogelijk beeld vormen van de Nederlandse volwassen bevolking. Een groep (n=62) bemonsterde hun voeding in maart 1994 en de tweede groep (n=61) in september 1994. De voedingen zijn verzameld en gehomogeniseerd waarna deelporties zijn gevriesdroogd. Het gehalte aan ijzer is bepaald in het gevriesdroogde materiaal door analyseporties te ontsluiten, het ijzer vervolgens te complexeren met bathofenanthroline en het complex te meten met molecuul absorptie spectrometrie. Herhaalde analyses van enkele monsters 24-uurs voeding alsmede analyse van porties referentiemateriaal 'Brown Bread' (BCR 191) bevestigden dat de resultaten van deze bepalingen voldeden aan de prestatiekenmerken van de methode. De voedingen verzameld in het voorjaar verschillen als bron voor de ijzervoorziening nauwelijks met de voedingen die in het najaar zijn verzameld. Derhalve zijn de voedingen samengevoegd tot een studie met 123 monsters. Ten opzichte van de vergelijkbare studie uit 1984/1985 is nu gemiddeld meer 24-uurs voeding geconsumeerd hetgeen heeft geleid tot een enigszins grotere ijzerinname door respondenten. De ijzerinname bedroeg in 1994 gemiddeld 9,6 mg per persoon en per dag met een bereik van 3,9 tot 24,5 mg. Ten opzichte van de aanbevolen hoeveelheden, zoals de Voedingsraad die heeft vastgesteld, is de dagelijkse ijzervoorziening voor volwassen mannen en voor vrouwen van 50 jaar en ouder gemiddeld voldoende. Voor volwassen vrouwen jonger dan 50 jaar is de ijzerinname aanzienlijk lager dan wordt aanbevolen. Voor deze groep bedraagt de ijzervoorziening gemiddeld zelfs minder dan 60% van de wenselijk geachte hoeveelheid. De relatie tussen de ijzerinname en de gezondheidstoestand verdient voor deze groep derhalve nadere bestudering.
    • Duplicaat 24-uurs voedingonderzoek 1994 - Nitraat en nitriet: methode-ontwikkeling en inname per persoon per dag

      Vliet JJH van; Vaessen HAMG; Schothorst RC; Burg G van den; ARO (1996-02-29)
      In het voor- en najaar van 1994 zijn door 123 respondenten duplicaten verzameld van alle geconsumeerde voeding. Elke respondent verzamelde een duplicaat van zijn voeding, inclusief drank en drinkwater, in een aaneengesloten periode van 24 uur. Gevriesdroogde deelporties van de verzamelde 123 monsters duplicaat 24-uurs voeding zijn onderzocht op nitriet- en nitraatgehalte en hieruit is de nitriet- en nitraatinname per persoon en per dag berekend. Voor het bepalen van nitriet en nitraat is een HPIC/UV-methode ontwikkeld en gevalideerd. Het monster werd verdund met water, onteiwit met Carrez-reagentia, chromatografisch gezuiverd over een SPE C18-kolom en vervolgens gechromatografeerd over een analytische ionenwisselaarkolom en gedetecteerd bij 208 nm. Voor alle deelnemers was de mediaan van de nitrietinname 0,1 mg/persoon/dag en de gemiddelde nitraatinname 80 mg/persoon/dag. Zowel de gemeten nitriet- als nitraatinname is groter dan die gemeten in de 1984/1985 duplicaat 24-uurs voedingstudie. De nitrietbelasting is in het algemeen laag met slechts 7 respondenten met een inname van meer dan 10% van de ADI van 0,13 mg nitriet/kg lichaamsgewicht. Van 23 deelnemers is de nitraatbelasting groter dan 50% van de ADI van 3,67 mg nitraat/kg lichaamsgewicht. In 1 geval wordt de nitriet ADI overschreden en in 5 gevallen die voor nitraat. Een nitraatinname van meer dan 50% van de ADI komt, bij een endogene conversie van gemiddeld 6,5% nitraat naar nitriet, overeen met een potentiele endogene nitrietbelasting van 0,12 mg /kg lichaamsgewicht. Gebleken is dat bladgroente de grootste bijdrage levert aan de nitraatinname. Verrassend is echter dat ook sperziebonen hieraan aanzienlijk kunnen bijdragen.
    • Duplicaat 24-uurs voedingonderzoek 1994 sterolen ; methode ontwikkeling en inname per persoon per dag

      Jekel AA; Vaessen HAMG; Schothorst RC; ARO (1997-04-30)
      In het voor- en najaar van 1994 hebben 123 respondenten deelgenomen aan een duplicaat voedingenonderzoek. Elke respondent verzamelde een duplicaat van zijn voeding, inclusief drank en drinkwater, in een aaneengesloten periode van 24 uur. Voor het bepalen van de sterolen is een gaschromatografische methode ontwikkeld en gevalideerd. De sterolen in het cyclohexaanextract werden bepaald met behulp van GCGC met FID detectie. Gevriesdroogde deelmonsters zijn onderzocht op het gehalte aan cholesterol, coprosterol, brassicasterol, campesterol, stigmasterol en beta-sitosterol. De gemiddelde inname aan cholesterol bedroeg 202 mg/persoon/dag, aan brassicasterol 1 mg/persoon/dag, aan campesterol 27 mg/persoon/dag, aan stigmasterol 15 mg/persoon/dag en aan beta-sitosterol 102 mg/persoon/dag. Coprosterol is in geen enkel monster aangetoond. De gemiddelde inname aan plantsterolen bedroeg 146 mg/persoon/dag en de gemiddelde totale inname aan sterolen was 348 mg/persoon/dag. Van 32 respondenten was de cholesterolinname hoger dan de huidige aanbeveling van de Voedingsraad van maximaal 33 mg/MJ. De gemiddelde inname aan cholesterol bleef met 25 mg/MJ echter onder deze aanbeveling. De nu bepaalde totale inname aan sterolen kwam goed overeen met de in het 24-uurs duplicaatvoedingenonderzoek van 1984/1985 gevonden inname. Wordt de inname aan sterolen uitgedrukt per energie-eenheid, dan komen de resultaten van de studie goed overeen met die van onderzoeken gebaseerd op Voedselconsumptiepeiling (VCP) en het Market Basket onderzoek.
    • Duplicaat 24-uurs voedingonderzoek 1994 sterolen ; methode ontwikkeling en inname per persoon per dag

      Jekel AA; Vaessen HAMG; Schothorst RC; ARO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1997-04-30)
      In spring and fall 1994, 123 respondents participated in duplicate 24-hour diet study. Each respondent collected one duplicate of the food and drinks, including drinking water he/she consumed in a continuous 24-hour period. A gas chromatographic method was developed and validated for the determination of sterols. The sterols in the extract are determined by GCGC with FID. Lyophilised subsamples were analysed for cholesterol, coprosterol, brassicasterol, campesterol, stigmasterol and beta-sitosterol content. From these data the sterol intake per capita per day was calculated. The average intake was: for cholesterol 202 mg/person/day, for brassicasterol 1 mg/person/day, for campesterol 27 mg/person/day, for stigmasterol 15 mg/person/day and for beta-sitosterol 102 mg/person/day. The coprosterol intake was below the limit of determination for all samples. The average intake for the plantsterols was 146 mg/person/day and the average total sterol intake was 348 mg/person/day. The cholesterol intake of 32 respondents was above the recommendation of the Netherlands Food and Nutrition Council of a maximum of 33 mg/MJ. The average intake of cholesterol of 25 mg/MJ is below this recommendation. The total sterol intake found in this study corresponds well with the results found in the 1984/1985 duplicate diet study. The sterol intake in mg/MJ found in this study corresponds well with the results from the Dutch National Food Consumption Survey and the Market Basket study.
    • Het duplicaatvoedingen project 1984/1985 - Uitvoering en enkele resultaten

      Vaessen HAMG; Kamp CG van de; Ooik A van (1987-07-31)
      De opzet, uitvoering alsmede enkele resultaten van het onderzoek van 110 duplicaat porties van de 24-uurs van evenzovele vrijwilligers uit de regio Utrecht worden beschreven. De macro-samenstelling van de onderzochte voedingen verschilt gemiddeld slechts weinig met vergelijkbaar onderzoek uitgevoerd in 1976/1978 toen 201 duplicaat porties van 24-uurs werden verzameld door RIV-vrijwilligers. Een kg "market-basket" voeding (CIVO/TNO 1984/1986) en een kg duplicaat portie voeding verschillen gemiddeld vrijwel niet in macro-samenstelling, gehalte aan spoorelementen en mineralen. In vergelijk met internationale aanbevelingen zou de gemiddelde 24-uurs inneming aan vet en eiwit omlaag moeten en aan complexe koolhydraten omhoog. Wat betreft de spoorelementen wordt alleen voldoende mangaan opgenomen ; de opname aan de mineralen fosfor en natrium is te hoog en aan de krappe kant voor kalium en magnesium.
    • Enkele polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK&apos;s) in gedroogde zuidvruchten

      Vaessen HAMG; Wilbers AAMM; Jekel AA (1991-01-31)
      Abstract niet beschikbaar
    • Enkele polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK&apos;s) in spijsolien

      Vaessen HAMG; Wilbers AAMM (1998-08-25)
      Beschreven worden de resultaten van het onderzoek van 17 monsters spijsolie waarvan 9 olijfolien, op gehalte van 15 PAK's ; alle monsters zijn genomen op de lokale markt. Ter kwaliteitsborging van het onderzoek zijn drie opbrengstexperimenten uitgevoerd en is van 3 monsters meerdere malen het PAK-gehalte bepaald. De uitkomsten van dit kwaliteitsborgingsonderzoek waren bevredigend. De hoogste PAK besmetting, som der 15 PAK's was 58,8 ug/kg en werd gemeten voor koudgeperste ongeraffineerde maiskiemolie. Voor olijfolie varieert de totale PAK-besmetting van 18,8-53,1 ug/kg (N=9) hetgeen goed overeenkomt met recente Duitse gegevens. Er zijn grote verschillen in het PAK-besmettingspatroon. Het aandeel van de carcinogene PAK's in de totale gemeten PAK-besmetting varieert sterk van 13 to 61% en hangt samen met het PAK besmettingspatroon.