• Basisdocument radon

      Vaas LH; Kal HB; Jong P de; Slooff W (eds); Blaauboer RO; Bartstra RW; Jansen JTM; Zoetelief J; Ackers JG (1991-09-30)
      Abstract niet beschikbaar
    • Cumulatie in de blootstelling aan bronnen van ioniserende straling

      Vaas LH; Blaauboer RO; Leenhouts HP (1990-02-28)
      Abstract niet beschikbaar
    • Factors in the physical environment and the health of the Dutch population

      Hollander AEM de; Pruppers MJM; Eggink GJ; Slaper H; Vaas LH; Leenhouts HP; Havelaar AH; CCM; LSO; LWL (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-01-31)
      The number of factors in the physical environment possibly having an adverse effect on human health is very substantial. There are, for example, all kinds of pathogenic micro-organisms, countless substances which have been shown to be carcinogenic in laboratory animals, as well as various forms of radiation. In addition, many hazardous activities, such as motoring, skiing or diving, may pose a threat to our health. In this document, which was previously published in Dutch as part of the Public Health Status and Forecasts document, a structured overview is given of factors in the physical environment which may adversely affect human health. In addition the chain of events from exposure to health effect is described in terms of different types of environmental health risk indicators. Methodologies for health risk identification and quantitative assessment will be discussed briefly, as well as the possible health gain of risk reducing policy measures. After this general introduction examples of chemical (indoor and outdoor air pollution), physical (noise, radiation) and biotic (microorganisms in drinking water) factors will be elaborated in successive contributions (chapter 2 to 4). In all contributions topics of the relationship with other determinants of health, intervention and policy (possible health gain), data and information requirements are addressed.
    • Factors in the physical environment and the health of the Dutch population

      de Hollander AEM; Pruppers MJM; Eggink GJ; Slaper H; Vaas LH; Leenhouts HP; Havelaar AH; CCM; LSO; LWL (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-01-31)
      Er is naar alle waarschijnlijkheid een groot aantal factoren in de fysieke omgeving met een schadelijk effect op de gezondheid. Zo zijn er talrijke pathogene micro-organismen, talloze stoffen die voor laboratorium dieren kankerverwekkend bleken, en verschillende vormen van straling. Daarenboven vormen vele activiteiten zoals autorijden, skien, of duiken een mogelijk gevaar voor onze gezondheid. In dit rapport dat is ontleend aan eerder gepubliceerd materiaal in de volksgezondheid toekomstverkenning, wordt een overzicht gegeven van factoren in de fysische omgeving die een schadelijk effect op de volksgezondheid hebben. De keten van gebeurtenissen van blootstelling aan de desbetreffende factor tot effect op de gezondheid wordt beschreven in termen van verschillende soort risico-indicatoren. Methoden voor het opsporen van gezondheidsrisico's en kwantitatieve schattingen worden kort besproken, alsmede mogelijke gezondheidswinst door risicoverlagende maatregelen. Na een algemene inleiding volgen voorbeelden van chemische (luchtvervuiling binnen en buiten het huis), fysische (geluid, straling), en biotische (micro-organismen in het drinkwater) factoren (hoofdstuk 2, 3 en 4). In alle bijdragen worden relaties aan de orde gesteld met andere determinanten van gezondheid, interventiemogelijkheden en beleid (mogelijke gezondheidswinst), gegevens- en informatiebehoefte.<br>
    • De geschatte stralingsbelasting in Nederland in 1986. (eerste interimrapport)

      Blaauboer RO; Vaas LH (1988-04-30)
      In het kader van het project Stralingshygienische Verslaglegging (STRAVE) wordt onderzoek verricht naar de stralingshygienische situatie in Nederland. In deze eerste rapportage wordt een overzicht gegeven van de blootstelling van de bevolking aan diverse ioniserende stralingsbronnen in 1986. Van deze bronnen wordt gedetailleerde informatie gegeven over brontermen, belastingspaden, kritieke groepen, doses, dosisverdelingen en trends. Tevens wordt voor enkele bronnen voor wat betreft de dosis een vergelijking gemaakt met de situatie in het buitenland. Het totale collectieve effectieve dosisequivalent voor de Nederlandse bevolking bedroeg in 1986 ca. 35000 mens SV ; dit is gemiddeld 2,4 mSv/a per capita. De collectieve dosis wordt veroorzaakt door radon en thoron (41%), medische stralingstoepassingen (17%), natuurlijke radioactiviteit in het menselijk lichaam (15%), technologisch verrijkte natuurlijke stralingsbronnen (13%), kosmische straling (8%), de gevolgen van het reactorongeval in Tsjernobyl (3%), terrestrische straling 2% en overige stralingsbronnen (minder dan 1%).
    • De geschatte stralingsbelasting in Nederland in 1987

      Blaauboer RO; Vaas LH (1989-04-30)
      In het kader van het project Stralingshygiene Verslaglegging (STRAVE) wordt onderzoek verricht naar de stralingshygiene situatie in Nederland. In deze tweede inhterimrapportage wordt een overzicht gegeven van de blootstelling van de bevolking aan diverse ioniserende stralingsbronnen in 1987. Er zijn tot op heden 12 van de aanwezige 22 bronnen volledig behandeld. Deze bronnen zijn kosmische straling, terrestrische stralaing, conventionele energiecentrales, bouwmaterialen, vliegverkeer, rontgendiagnostiek, radiotherapie, isotopendiagnostiek, radioactief afval, grensoverschrijdende rivieren, kernwapenproeven en "Tsjernobyl". Van deze bronnen wordt gedetailleerde informatie gegeven over aantal bronnen, belastingspaden, kritieke groepen, doses, dosisverdelingen en trends. Tevens wordt wat betreft de dosis een vergelijking gemaakt met de situatie in het buitenland. Het totale collectieve effectieve dosisequivalent voor de Nederlandse bevolking bedroeg in 1987 ca. 34000 mens Sv ; dit is gemiddeld 2,3 mSv/a per capita. De grootste bijdrage aan de collectieve dosis wordt veroorzaakt door radon en thoron afkomstig uit de bodem of uit bouwmaterialen (43%). Daarna volgen natuurlijke radioactiviteit in het menselijk lichaam, (16%), medische stralingstoepassingen (15%), technologisch verrijkte natuurlijke stralingsbronnen (13%), kosmische straling (9%), terrestrische straling (2%) en de gevolgen van het reactorongeval in Tsjernobyl (1%). De overige stralingsbronnen zijn verantwoordelijk voor minder dan 1% van de totale collectieve dosis.
    • Integrated Criteria Document Radon

      Vaas LH; Kal HB; de Jong P; Slooff W (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1993-01-31)
      This document on the subject of radon contains data on sources, emissions, dispersion and risks. Risks are based on a comparison of exposure levels and detrimental effects. The main risk to humans from radon is the induction of lung cancer. Possible techniques to reduce these risks, as well as the costs involved, are discussed. A number of potential policy scenarios for radon are also examined. The mean Rn-222 concentration in Dutch living rooms is 29 Bq m-3 (range 8-140 Bq m-3), which falls within the range of 20-90 Bq m-3 observed in other European countries. The soil (averaging about 70%) and the building materials used (about 30%) are the principal contributors to the Rn-222 concentrations in indoor air. The mean outdoor atmospheric concentrations in the Netherlands is about 3 Bq m-3 (1-10 Bq m-3, depending on the geographical location). The average exposure to radon daughters in the Netherlands corresponds to a lung cancer mortality of 60 (uncertainty interval: 30-120) per million persons per year (80% resulting from Rn-222 and 20% from Rn-220). Knowledge of radon in the Netherlands is still incomplete. Research into Rn-222 exposures in office buildings, factories, schools and day nurseries, and additional field test of the effectiveness of radon control measures are recommended. As knowledge of Rn-220 exposures is virtually non-existent, exploratory research is also recommended.<br>
    • Interim-meetmethode voor de radonexhalatie van bouwprodukten

      Vaas LH; Aldenkamp FJ; Stoop P; Moen JET; LSO (1994-12-31)
      In het Beleidsstandpunt Radon kiest het Ministerie van VROM voor een stand-still tot 1996, gevolgd door een reductie, van de risico's door radon en gammastraling uit bouwmaterialen. Op verzoek van de Directie Stoffen, Veiligheid en Straling van VROM/DGM heeft het RIVM advies uitgebracht over een interim-methode voor het meten van de radonexhalatie van bouwprodukten. Als meetmethode wordt de voorkeur gegeven aan het principe van de drukvrije exhalatiekamer, met een doorgaande stikstofstroom en een radonabsorber in de uitgaande gasstroom. Dit principe benadert het beste de vrije, diffusiegestuurde exhalatie. Tevens wordt, vanwege de betere aansluiting bij de praktijk-situatie, gekozen voor het meten van de een-dimensionale exhalatie van monsters bouwprodukt geconditioneerd bij 50% relatieve vochtigheid en 20 graden C. Aanbevolen wordt door middel van modelberekeningen en praktijkonderzoek het belang van drukgestuurde radonexhalatie vast te stellen. Voorts wordt een aantal aanbevelingen gedaan op het terrein van vergroting van de kennis over radonexhalatie, kwaliteitsborging van de meetmethode en het waarborgen van de optimale bruikbaarheid van de verkregen meetresultaten. Na publikatie van een Nederlandse Voornorm terzake (NVN 5699), naar verwachting medio 1995, vervalt dit RIVM-advies en dient NVN 5699 te worden toegepast bij het meten van de radonexhalatie van bouwprodukten.
    • Onderzoek naar de radioactiviteit van depositie. Resultaten over 1988

      Vaas LH; Smetsers RCGM; Mattern FCM; Drost RMS; Glastra P; Koolwijk AC; Ockhuizen A (1990-04-30)
      Abstract niet beschikbaar
    • Onderzoek naar de radioactiviteit van neerslag. Resultaten over 1986

      Vaas LH; Mattern FCM; Drost RMS; Glastra P; Koolwijk AC; Ockhuizen A (1989-08-31)
      De belangrijkste gamma-emitters in 1986 door "Tsjernobyl" te Bilthoven gedeponeerd , waren: Mo-99/mTc-99 (1040 Bq/m2), Ru-103 (8300 Bq/m2), Ru-106 (4100 Bq/m2), I-131 (19000 Bq/m2), Te-132/I-132 (14000 Bq/m2), Cs-134 (1530 Bq/m2), Cs-136 (620 Bq/m2), Cs-137 (3360 Bq/m2) en Ba-140/La-140 (930 Bq/m2). Daarnaast werden geringe hoeveelheden mAg-110, mTe-129, Ce-141 en Ce-144 aangetroffen. De deposities van Sr-89 en Sr-90 bedroegen respectievelijk 230 Bq/m2 en 26 Bq/m2. De totale beta- en gamma-activiteit bedroegen respectievelijk 18.000 Bq/m2 en 104.400 Bq/m2. Meer dan 96% van de depositie vond plaats in de week 2-9 mei. In de neerslag in die periode werden geen Pu-isotopen aangetoond (< 1 Bq/m3). Genoemde nucliden zijn niet homogeen over het land verdeeld. Het landelijk gemiddelde van de depositie lag naar schatting een factor twee lager. De totale alfa-activiteit van de depositie in Bilthoven > 45 Bq/m2. De gemiddelde concentratie van H-3 in regenwater bedroeg 2,9 kBq/m3. "Tsjernobyl" heeft deze waarden niet meetbaar beinvloed. De depositie van de natuurlijke nucliden Be-7, Pb-210 en Po-210 bedroegen respectievelijk > 1040 Bq/m2, 15 Bq/m2 en 3,4 Bq/m2.
    • Onderzoek naar de radioactiviteit van neerslag. Resultaten over 1987

      Vaas LH; Mattern FCM; Drost RMS; Glastra P; Koolwijk AC; Ockhuizen A (1989-09-30)
      In 1987 was het effect van het kernreactorongeval in Tsjernobyl vrijwel afwezig in de depositie van kunstmatige radionucliden. In de neerslag werden de gamma-emitters Be-7, K-40, Cs-134 en Cs-137 aangetroffen. De depositie van het kosmogene radionuclide Be-7 bedroeg 1334 Bq/m2 en was ongeveer gelijk aan die in de voorafgaande jaren. De depositie van Be-7 was gecorreleerd met de hoeveelheid neerslag. De depositie van Cs-134 was <4,8 Bq/m2. In 1986 was dit ten gevolge van "Tsjernobyl" 1530 Bq/m2. De depositie van Cs-137 nam in 1987 nog steeds af. De totale depositie bedroeg 12,3 Bq/m2 en was daarmee vrijwel teruggekeerd op de lage niveaus in de periode 1982-1985. In 1986 was deze depositie door "Tsjernobyl" verhoogd tot 3360 Bq/m2. Het jaargemiddelde van de concentratie van H-3 in regenwater bedroeg in 1987 2,7 kBq/m3. In totaal werd van dit radionuclide 2630 Bq/m2 gedeponeerd, hetgeen weinig afweek van de depositie in 1985 en 1986. De deposities van de van nature voorkomende radionucliden Pb-210 en po-210 waren in Bilthoven resp. 52 Bq/m2 en 6,3 Bq/m2. In 1987 bedroegen de totale alfa- en beta-activiteit van de depositie in Bilthoven resp. 23,7 Bq/m2 en 84,9 Bq/m2. deze deposities zijn ongeveer gelijk aan die in 1985, maar de vergelijking wordt bemoeilijkt door veranderingen in de meetmethodiek. Ca. 27% van de totale alfa-activiteit was afkomstig van Po-210. Bij de totale beta-activiteit was de bijdrage van Pb-210-dochter Bi-210 ca. 60%. De totale gamma-activiteit in de depositie in Bilthoven bedroeg 207 Bq/m2 en was niet meer verhoogd door "Tsjernobyl". Deze depositie was gecorreleerd met de hoeveelheid neerslag. Ca. 65% van de totale gamma-activiteit was afkomstig van Be-7. De totale gamma-activiteit was hierdoor sterk gecorreleerd met die van Be-7.
    • Scopingsreport Radon

      Blaauboer RO; Vaas LH; Hesse JM; Slooff W (1989-09-30)
      Dit scopingsrapport vormt een onderdeel van de voorbereiding tot het opstellen van het basisdocument radon. Het doel van dit rapport is het algemene kennisniveau van de deelnemers aan de scopingsbijeenkomst aangaande radon op eenzelfde peil te brengen en discussie- en beslispunten inzake de inhoud van het basisdocument aan te dragen.
    • Stralingsbelasting in Nederland in 1988 (Eindrapport)

      Blaauboer RO; Vaas LH; Leenhouts HP (1991-09-30)
      Abstract niet beschikbaar