• Development of ex vivo/in vitro immune function tests in flounder, Platichthys flesus

      Boonstra A; Grinwis GCM; Wester PW; van Loveren H; Vaal MA; Vethaak AD; Vos JG; LWD; LPI (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1996-03-31)
      De stand van zaken betreffende de ontwikkeling van immuunfunctie testen voor de bot, Platichthys flesus is beschreven. Epidemiologische veldstudies hebben aangetoond dat deze platvis species een hoge prevalentie aan infectieuze ziekten heeft, hetgeen gecorreleerd kan worden met de aanwezigheid van contaminanten in het aquatische milieu. Om een mogelijk causaal verband vast te kunnen stellen en om de bot als indicator species te kunnen gebruiken, zijn immuunfunctie-testen ontwikkeld. Het rapport beschrijft de ontwikkeling en toepassing van assays voor het bepalen van niet-specifieke cytotoxie, lymfocytenstimulatie en de immunohistochemische identificatie van leukocyt populaties in de bot. Deze assays, tezamen met andere testen die momenteel in ontwikkeling zijn, zullen gebruikt worden om de immuunstatus van de bot te 'peilen' in immunotoxicologische experimenten.<br>
    • A further look at zinc - A response to the Industry addendum to the integrated criteria document zinc

      Janus JA; Beelen P van; Vaal MA; Senhorst HAJ; Guchte C van de; ACT; LAE; RIZA (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1996-07-31)
      This report comprises a response to the 'Industry addendum' (IA), published in 1995, in which comments are given on the 'Integrated Criteria Document Zinc' (ICDZ) published in 1992 by RIVM. It is focused on the main points of criticism: (i) the ecotoxicological data (NOEC values) used in deriving maximum tolerable concentrations (MTC values) in surface water and soil, (ii) the value of the MTC in surface water and soil, in relation to the background concentration in these compartments, and (iii) the estimate of the emission due to atmospheric corrosion of zinc and galvanized steel. With respect to the ecotoxicological data the comments in the IA are largely rejected. Hence, the current MTC values for zinc in surface water and soil, derived in the ICDZ, are still considered to be valid. Therefore and because of the fact that the MTC values for metals, zinc included, are currently being re-evaluated in the framework of RIVM-project 'Setting Integrated Environmental Quality Objectives', this report gives no specific proposal for a revision of the current MTC values. With respect to the corrosion-related zinc emissions from inland sources, the ICDZ overestimated the corrosion load, with a value of 4,125 tonnes/year. In more recent RIZA/RIVM publications the corrosion load has already been corrected downwards to approximately 1,600-1,700 tonnes/year. The current RIZA/RIVM estimates are in agreement with a recent estimate of the Dutch Central Bureau of Statistics (1,340 tonnes/year), but are still considerably higher than the industry estimates (IA: 490 tonnes/year, recently revised to 560 tonnes/year).
    • A further look at zinc - A response to the Industry addendum to the integrated criteria document zinc

      Janus JA; van Beelen P; Vaal MA; Senhorst HAJ; van de Guchte C; ACT; LAE; RIZA (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1996-07-31)
      In dit document wordt een reactie gegeven op het in 1995 uitgebrachte 'Industrie addendum' (IA), waarin commentaar wordt geleverd op het in 1992 door het RIVM uitgebrachte 'Basisdocument Zink'. Het rapport gaat vooral in op de belangrijkste kritiekpunten: i) de ecotoxicologische gegevens (NOEC-waarden) die zijn gebruikt bij de afleiding van maximaal toelaatbare risiconiveaus (MTR-waarden) in oppervlaktewater en bodem, ii) de hoogte van het MTR in oppervlaktewater en bodem, in relatie tot de achtergrondconcentraties in deze compartimenten, en iii) de schatting van de emissie door atmosferische corrosie van zink en verzinkt staal. Met betrekking tot de ecotoxicologische gegevens wordt de in het IA vermelde kritiek grotendeels verworpen. De huidige MTR-waarden, afgeleid in het basisdocument, worden daarom nog steeds geldig geacht. Om deze reden en vanwege het feit dat er momenteel in het kader van het project 'Integrale Normstelling Stoffen' een her-evaluatie plaatsvindt van MTR-waarden voor metalen, waaronder zink, wordt in dit rapport geen concreet voorstel gedaan voor een herziening van de huidige MTR-waarden. Met betrekking tot de emissies door corrosie is in het basisdocument een totale corrosievracht vanuit binnenlandse bronnen geschat van 4125 ton/jaar, hetgeen volgens de huidige inzichten inderdaad een overschatting is. In recentere RIZA/RIVM-publicaties is de corrosievracht reeds naar beneden bijgesteld, naar ca. 1600-1700 ton/jaar. De huidige RIZA/RIVM-schattingen zijn in overeenstemming met een recente schatting van het Centraal Bureau voor de Statistiek (1340 ton/jaar), maar zijn nog steeds aanzienlijk hoger dan de schattingen van de industrie (IA ; 490 ton/jaar ; recentelijk bijgesteld naar 560 ton/jaar).<br>
    • Kortdurende toxiciteit van polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK&apos;s) in de bot (Platichthys flesus): orienterende studies met benzo[a]pyreen en 7,12-dimethylbenz[a]anthraceen

      Grinwis GCM; van den Brandhof EJ; Leewis RJ; Wester PW; Vaal MA; Vethaak AD; Vos JG; LWD; LPI; ECO; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1997-06-30)
      Dit rapport beschrijft een aantal pilot studies waarin de bot (Platichthys flesus) onder gecontroleerde laboratoriumomstandigheden kortdurend werd blootgesteld aan twee PAK's, te weten benzo[a]pyreen (BaP) en 7,12-dimethylbenz[a]anthraceen (DMBA). Blootstelling vond plaats met hoge concentraties in de waterfase of via injectie in de lichaamsholte. Effecten op uiterlijk en gedrag werden geregistreerd. Met behulp van histopathologisch onderzoek werd een inventarisatie gemaakt van de effecten op diverse organen waaronder kieuwen, thymus, hepatopancreas, maagdarmkanaal, pro- en mesonephros, milt, ovaria of testikels. Hierbij werd tevens gekeken naar inductie van het enzym cytochroom P450 1A1 (CYP 1A1) als maat voor de biotransformatie van de PAKþs en de vorming van biologisch actieve metabolieten. Blootstelling van de botten aan de PAK's resulteerde ondanks de hoge concentraties in de waterfase niet in sterke effecten. Slechts een geringe toename van immunoreactiviteit voor CYP 1A1 in levercellen van geinjecteerde botten werd geconstateerd. De bot blijkt dus bij deze experimentele opzet weinig gevoelig voor PAK's te zijn. Daarom spelen de PAK's mogelijk een weinig belangrijke rol bij het ontstaan van ziektes bij botten in het veld.<br>
    • Laboratory maintenance, topographical anatomy and histology of flounder, Platichthys flesus

      Grinwis GCM; Wester PW; Kamstra A; van den Brandhof EJ; van Dijk JE; Leewis RJ; Vaal MA; Vethaak AD; Vos JG; PAT; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-05-31)
      Diverse veldonderzoeken suggereren een relatie tussen watervervuiling en enkele ziekten (b.v. huidzweren, vin-rot, lymphocystis infectie en levertumoren) bij vissen. Onderzoeken met de bot (Platichthys flesus), gehouden onder semi-veld (mesocosmos) condities, wijzen op een mogelijk causaal verband tussen watervervuiling, de inductie van lever tumoren en lymphocystis virus infectie. Onderzoek onder gecontroleerde laboratorium omstandigheden blijft echter noodzakelijk om een causaal verband tussen vervuiling met specifieke xenobiotische stoffen en de inductie van deze ziekten aan te tonen. Voor gebruik in laboratorium onderzoek is de bot gedurende anderhalf jaar zonder grote problemen gehouden en opgekweekt. Er wordt een korte beschijving gegeven van de huisvesting en verzorging van de botten onder laboratoriumomstandigheden. De botten worden in een multi-stress project (chemische- en microbiologische stress) gebruikt om de carcinogene- en immunotoxische effecten van polyclisch aromatische koolwaterstoffen te evalueren. In dit rapport wordt de normale histologie van de bot beschreven om pathologische veranderingen te kunnen interpreteren waarbij de nadruk wordt gelegd op de organen die betrokken zijn bij de immunologische afweer (thymus, nier, milt, melanomacrofagen-centra en het bloed), de lever, huid en kieuwen. Verschillen in anatomie en histologie tussen de bot, andere teleosta en zoogdieren worden beschreven aan de hand van literatuurgegevens en eigen waarnemingen.<br>
    • Methoden voor de extrapolatie van toxiciteitsgegevens uit laboratorium-studies naar doel- of aandachtssoorten

      Posthuma L; Aldenberg T; Luttik R; Traas TP; Vaal MA; Willemsen A; ECO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-08-31)
      Voor de milieuverkenningen van het RIVM zijn geaggregeerde indicatoren nodig die een beschrijving geven van milieu-effecten van menselijk handelen. In dit rapport wordt geinventariseerd op welke wijze bestaande ecotoxicologische data gebruikt kunnen worden bij de constructie van indicatoren voor effecten van stoffen in ecosystemen. Dit betreft zowel enkelvoudige effecten van stoffen op biota in het veld, als effecten van meervoudige stress op een selectie van de doelsoorten van het Nederlandse natuurbeleid. Er blijken nauwelijks of geen ecotoxicologische data voor deze soorten te bestaan. Daardoor is extrapolatie noodzakelijk, zowel van standaard-toetssoorten naar de doelsoorten, als van laboratorium- naar veldcondities. Twee typen extrapolatiemetoden worden in detail geanalyseerd op hun bruikbaarheid voor de constructie van geaggregeerde indicatoren. Bij het eerste type methoden wordt gecorrigeerd voor verschillen tussen blootstelling in laboratorium en veldcondities door het afleiden van correctiefactoren voor calorische inhoud van het voer, voor assimilatie-efficientie van voer en toxicant, en voor metabolische snelheden. Bij het tweede type methoden worden toxische effecten in veldcondities voorspeld aan de hand van ecosysteem-modellen waarin de trofische structuur opgenomen is. De methoden kunnen gebruikt worden bij de productie van geaggregeerde indicatoren voor actuele en potentiele effecten van toxicanten, inclusief situaties met meervoudige-stress. De operationalisatie van de methoden hangt echter af van de beschikbaarheid van data over de ecologische en ecotoxicologische eigenschappen van de betreffende soorten, en van data over lokale concentraties van toxische stoffen in Nederland. Daarnaast is operationalisatie afhankelijk van de ruimtelijke schaal waarop de modellen geparametriseerd moeten worden. Door verschillen in ontwikkelingsstadia is alleen een gefaseerde operationalisatie voor de milieuverkenningen mogelijk.<br>
    • Microbiotests as tools for environmental monitoring

      Willemsen A; Vaal MA; Zwart D de; ECO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-01-31)
      In this study the usefulness of small-volume rapid aquatic toxicity tests (microbiotests) as environmental monitoring devices is reviewed. The individual tests are evaluated and a test battery is designed with the objective to be able to detect most classes of toxicants at low concentrations with a high reliability. Most of the discussed tests are bacterial luminometric or colorimetric assays for general toxicity determination. An algal microplate assay is also included as well as some miniaturized invertebrate LC50 tests (Toxkits). Additionally, invertebrate in vivo enzyme inhibition assays and a frog teratogenicity assay are evaluated. For the determination of genotoxicity, two bacterial assays are compared. For every test the following evaluation is made: 1. Convenience (ease of operation, test duration, required manpower capacity and skill), 2. Completeness of documentation, 3. Costs, 4. Reproducibility, 5. Level of standardization, 6. Influences of experimental conditions, 7. Sensitivity to environmental samples, 8. Sensitivity to a variety of single compounds. The results indicate that most tests are insufficiently documented. The designed battery includes the Microtox assay, the algal microplate assay, and the anostracan Thamnotoxkit F. Genotoxicity may be measured reliably and cost-effectively by the Mutatox assay if the Microtox assay is also used.
    • Microbiotests as tools for environmental monitoring

      Willemsen A; Vaal MA; de Zwart D; ECO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-01-31)
      In deze literatuurstudie is nagegaan hoe microbiotestsystemen toepasbaar zijn als toxiciteitsindicatoren in milieumeetnetten. Onder microbiotestsystemen worden hier geminiaturiseerde aquatische ecotoxiciteitstoetsen begrepen die relatief snel, eenvoudig en goedkoop kunnen worden uitgevoerd. De uit de internationale literatuur verkregen testsystemen worden geevalueerd en op basis van deze evaluatie wordt een minimum testbatterij van microbiotests voorgesteld. Deze testbatterij is zo ontworpen dat met grote zekerheid de meeste klassen van toxicanten kunnen worden gedetecteerd. De meeste behandelde testsystemen zijn gebaseerd op bacterien die als respons op blootstelling aan toxische stoffen een vermindering van hun luminescentie laten zien, of een verandering vertonen in de aanmaak van bepaalde enzymen, hetgeen een kleurreactie teweeg brengt. Eveneens zijn onderzocht: een "microplate" algentoets, enkele geminiaturiseerde LC50 toetsen met evertebraten (Toxkits), enkele toetsen waarbij in evertebraten in vivo een enzymremming wordt gemeten, een teratogeniteitstoets met de larven van klauwpadden en een tweetal bacteriele genotoxiciteitstoetsen. Van elke test zijn de volgende eigenschappen onderzocht: 1. het toetsgemak, 2. de volledigheid van de documentatie, 3. de kosten, 4. de reproduceerbaarheid van de resultaten, 5. de mate van standaardisatie van de test, 6. de beinvloeding van de resultaten door de toetscondities, 7. de relatieve gevoeligheid voor milieumonsters en enkelvoudige zuivere stoffen. Het onderzoek toont aan dat de meeste toetsen in de literatuur onvoldoende zijn gedocumenteerd. De geselecteerde testbatterij omvat het Microtox toetsysteem, de algen "microplate" toets, de Thamnotoxkit F met larven van een kreeftachtige en een bacteriele mutageniteitstoets (Mutatox of SOS-chromotest).<br>
    • Modelling the sensitivity of aquatic organisms to toxicants, using simple biological and physico-chemical factors

      Vaal MA; Hoekstra JA; ECO (1994-12-31)
      Een eenvoudig mechanistisch model is onderzocht op de bruikbaarheid voor het verklaren van de verschillen in gevoeligheid tussen soorten voor toxische stoffen. Lichaamsgewicht, lichaamsoppervlakte en vetgehalte van het organisme in relatie tot de lipofiliteit van de stof zijn modelparameters die de verschillen tussen soorten beschrijven. Het rapport is onderdeel van een project dat gericht is op de ontwikkeling van Quantitative Species Sensitivity Relationships (QSSR's), modellen die de gevoeligheid van soorten voor toxische stoffen voorspellen.Een vergelijking is gemaakt tussen modelvoorspellingen en experimentele toxiciteitsdata verzameld uit de literatuur voor twee stoffen (1,2,4-trichloorbenzeen en lindaan) en verschillende aquatische soorten. Het model blijkt bruikbaar voor het voorspellen van de toxische effecten van kortdurende blootstelling aan hydrofobe stoffen. Voor stoffen met een specifiek werkingsmechanisme kan het model alleen worden toegepast op soorten vergelijkbaar met die waarvoor het model was gecalibreerd. Door het model uit te breiden met toxicologisch relevante biologische eigenschappen of empirische relaties die intrinsieke verschillen in gevoeligheid tussen soorten beschrijven, kan het worden gebruikt voor een groot aantal stoffen.
    • Mutagene stoffen en risico&apos;s voor natuurlijke populaties. Onderzoek met Daphnia magna als modelorganisme. II. Experimenten met een mutagene stof

      Vaal MA; Breedijk I; Dekker MP; Mout HCA; Kramers PGN; Roghair CJ (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1992-12-31)
      Daphnia magna is used as a model organism to study the consequences of the impact of mutagenic chemicals to natural populations. Adult daphnids were exposed to a mutagenic test compound to test whether their offspring showed effects of induced mutations at exposure levels lower than the No Observed Effect Concentration for growth and reproduction. Life-history parameters were used as test parameters. A concentration-related toxic effect to reproduction could be measured reproducibly in the exposed adult daphnids. However, no indication of a mutagenic effect could be detected in their offspring. This may have been due to the inadequateness of the system to detect induced genetic change.<br>
    • Ordering birds and mammals by their sensitivity to chemical compounds: a principal component analysis of acute toxicity data

      Wal JT van der; Luttik R; Vaal MA; Hoekstra JA; ECO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-11-30)
      In this study the variation in sensitivity of birds and mammals for pesticides is analyzed. It is part of a project aimed at the development of Quantitative Species-Sensitivity Relationships (QSSRs). A statistical technique is used to detect sensitivity patterns in sets of acute toxicity data of birds and mammals. As in previous studies, patterns in compound toxicity are less complex than patterns in species sensitivity. Ranking of compounds by their over all species averaged toxicity explains most of the variation in the data set. Sensitivity differences within the birds and mammals are limited. For risk assessment purposes this indicates that testing of more than one bird or mammal will have little influence on the outcome of the final assessment, due to other sources of uncertainty in the assessment procedures.
    • Ordering birds and mammals by their sensitivity to chemical compounds: a principal component analysis of acute toxicity data

      van der Wal JT; Luttik R; Vaal MA; Hoekstra JA; ECO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-11-30)
      Dit rapport maakt deel uit van een project om Quantitative Species-Sensitivity Relationships (QSSRs) te ontwikkelen. QSSRs kunnen de gevoeligheid van soorten voor chemische stoffen voorspellen. Daarvoor wordt de variatie in de gevoeligheid van soorten voor chemische stoffen bestudeerd. Voor deze studie zijn acute toxiciteitsgegevens van stoffen (pesticiden) voor vogels en zoogdieren gebruikt. Een statistische patroonherkenningstechniek, Principale Componenten Analyse, is gebruikt om patronen in de gegevens te vinden. De volgende conclusies kunnen worden getrokken. Net als in voorgaande studies kunnen de patronen in de toxiciteit van stoffen eenvoudig worden beschreven. Een ordening van stoffen van lage naar hoge toxiciteit verklaart ongeveer 65% van de totale variatie in de dataset. Voor de vogels waren fensulfothion en fenitrothion respectievelijk de meest en de minst toxische verbinding. Voor de zoogdieren waren dat respectievelijk isobenzan en carbaryl. Patronen in de gevoeligheid van soorten zijn complexer. Meerdere componenten zijn nodig om meer dan 60% van de totale variatie te verklaren. De patronen laten zien dat soorten uit dezelfde taxonomische groep, klasse of orde, meer op elkaar te lijken, dan soorten uit verschillende groepen van hetzelfde taxonomische niveau. In het algemeen zijn vogels gevoeliger dan zoogdieren. Dit is het duidelijkst voor pesticiden die acetylcholine-esterase remmen (organofosfaten en carbamaten). Het verschil tussen vogels en zoogdieren is het kleinst voor neurotoxische stoffen. Om vogels en zoogdieren veilig te stellen voor pesticiden in het milieu, op basis van acute toxiciteitsgegevens, kan in principe volstaan worden met toetsresultaten van vogels. Als de stof neurotoxisch is, is het raadzaam tevens gebruik te maken van gegevens van zoogdieren. De meest gevoelige soort bestaat niet. Voor vogelsoorten zijn de Californische kwartel (Callipepla californica) en de roodsnavel-quelea (Quelea quelea) representatieve toetsorganismen. Voor de zoogdieren blijven de uitspraken speculatief, omdat slechts enkele soorten vertegenwoordigd waren in de dataset. De hond (Canis domesticus) en de cavia (Cavia dorcella) lijken gevoeligheidspatronen te hebben die als typisch voor zoogdieren beschouwd kunnen worden. De spreiding in soortgevoeligheid per stof was zowel bij de vogels als bij de zoogdieren klein. De Sensitivity Ratio 95:5 zijn kleiner dan 100. De gevoeligheid van een andere soort vogel of zoogdier ligt naar verwachting binnen een factor 10. Voor risico-beoordelingsdoeleinden is het testen van meer dan een soort vogel of zoogdier niet nodig. Door andere bronnen van onzekerheid in de beoordelingsprocedures zal een nauwkeuriger bepaalde gevoeligheid van een soort, slechts een zeer kleine invloed op de uiteindelijke beoordeling hebben.<br>
    • Ordering chemical compounds by their chronic toxicity to aquatic species. A principal component analysis

      Wal JT van der; Vaal MA; Hoekstra JA; Hermens JLM; ECO; RITOX (1995-04-30)
      Dit onderzoek maakt deel uit van een project dat inzicht wil verschaffen in de variatie in de gevoeligheid van soorten voor toxicanten. Patronen in de chronische toxiciteit van chemische stoffen voor aquatische soorten worden daartoe onderzocht met een multivariate statistische techniek, principale componenten analyse. Het is een vervolg op een vergelijkbare studie met acute toxiciteitsgegevens. In deze studie is een gegevensset geanalyseerd met chronische toxiciteitsgegevens (NOECs) voor groei voor 15 aquatische soorten en 22 chemische stoffen. De soorten behoren tot verschillende taxonomische klassen: algen, vaatplanten, protozoen, kreeftachtigen, vissen en amfibieen. De organische verbindingen zijn in te delen in verschillende toxicologische groepen: niet-polair narcotische, polair narcotische of reactieve verbindingen en verbindingen met een specifiek werkingsmechanisme. Drie zware metalen, een halogeen en een detergent zijn ook in de gegevensset opgenomen. De toxiciteitsgegevens zijn verzameld uit de Aquire-database van de EPA en uit aanvullend literatuuronderzoek. Principale componenten analyse is toegepast om patronen te onderkennen in de variatie van toxiciteit voor soorten. De ratio van acute over chronische toxiciteit is berekend voor elke toxicant. Ook wordt een vergelijking gemaakt tussen de gemiddelde toxiciteit van een stof en de octanol-water partitie-coefficient. De belangrijkste conclusies van deze studie zijn: 1. Het grootste gedeelte van de variatie in soortgevoeligheid wordt veroorzaakt door de toxiciteit van de verbindingen en niet door intrinsieke verschillen tussen de soorten. 2. De stoffen kunnen op eenduidige wijze geordend worden naar hun chronische toxiciteit. Deze ordening is hetzelfde voor bijna alle soorten in de analyse en vergelijkbaar met de ordening gebaseerd op acute toxiciteit. 3. Er zijn geen duidelijke patronen in de soortgevoeligheid gevonden. 4. De ratio van LC50 over NOECgroei is vergelijkbaar voor alle verbindingen. Deze acuut/chronisch-ratio heeft een gemiddelde waarde van 4. Voor deze ratio is een 95% betrouwbaarheidsinterval berekend dat loopt van 1 tot 50 voor de 13 stoffen in deze studie waarvoor zowel acute als chronische toxiciteitsgegevens beschikbaar waren. 5. De gemiddelde toxiciteit van verbindingen met een niet-specifiek werkingsmechanisme vertoont een sterke relatie met de octanol-water partitie-coefficient (Kow) en, zoals verwacht, zijn verbindingen met meer specifieke werkingsmechanismen toxischer dan voorspeld op basis van hun Kow.
    • Ordering chemical compounds by their chronic toxicity to aquatic species. A principal component analysis

      Wal JT van der; Vaal MA; Hoekstra JA; Hermens JLM; ECO; RITOX (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-04-30)
      This report is part of a project studying the variation in the sensitivity of species to toxicant's. Patterns in the chronic toxicity of compounds to aquatic species are studied using a multivariate statistical technique called principal componant analysis. The matrix consists of 15 aquatic species and 22 compounds. The species belong to different taxonomic classes: algae, plants, protozoans, crustaceans, fishes and amphibians. The organic chemicals belong to several toxicological classes: nonpolar narcotics, polar narcotics, reactive compounds and compounds with a specific mode of action. Three heavy metals, a halogen and a detergent are also included. The data was obtained from the EPA-database Aquire and additional literature surveys. The results show that: The major part of matrix variation is determined by the overall toxicity of compounds and not by differences between species. The compounds can be ordered unambiguously by their average chronic toxicity. This is valid for all species considered and similar to results found earlier for acute toxicity data. No clear patterns in the sensitivity of the species are observed. Comparison with acute toxicity data shows that the ratio of acute to chronic toxicity is similar for all compounds and has a mean value of 4. For the acute to chronic ratio a 95% confidence interval stretching from 1 to 50 has been calculated for the 13 compounds in this study where both acute and chronic toxicity data were available. Mean toxicities of chemicals with a nonspecific mode of action show a strong relation with their octanol-water partition coefficient (Kow) and chemicals with more specific modes of action are more toxic than predicted by their (Kow).
    • Report on the seminar &quot;Performing aquatic toxicity tests with poorly soluble substances&quot;

      Hooftman R; Vaal MA; Herremans J; ECO (Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek (TNO)Delft, 1996-03-31)
      Dit rapport bevat de lezingen, conclusies en aanbevelingen van het seminar "Performing aquatic toxicity tests with poorly soluble substances", gehouden op 17 maart 1995 te Bilthoven. De grote internationale belangstelling voor het seminar gaf aan dat er dringend behoefte is aan richtlijnen en afstemming tussen regulerende instanties, industrie en contractlaboratoria bij de classificatie en risicobeoordeling van chemicalien die slecht in water oplosbaar zijn. De problemen doen zich met name voor bij de uitvoering van aquatische toxiciteitsexperimenten en bij de interpretatie van de resultaten van deze experimenten, omdat huidige richtlijnen niet blijken te voldoen voor deze stoffen. Doel van het seminar was het uitwisselen van informatie over de technische aspecten van de uitvoering van ecotoxicologische testen met slecht in water oplosbare stoffen en over problemen die zich voordoen bij de interpretatie van zulke gegevens ten behoeve van het beleid. De presentaties door vertegenwoordigers van overheid, contractlaboratoria en universiteiten, betroffen: toepassing van fysisch-chemische en ecotoxicologische testen voor de risico-beoordeling van slecht oplosbare stoffen ; het gebruik van aquatische toxiciteitsgegevens ten behoeve van de classificatie en risicobeoordeling ; de oplosbaarheid van 'moeilijke' stoffen ; de biologische beschikbaarheid van slecht oplosbare stoffen in aquatische toxiciteitsexperimenten ; praktische aspecten bij het vaststellen van de ecotoxiciteit van slecht oplosbare stoffen. Testen uitgevoerd met testconcentraties boven de wateroplosbaarheid of met een grote hoeveelheid oplosmiddel leveren resultaten die, gezien de biologische beschikbaarheid en het oplossingsproces, de werkelijke toxiciteit waarschijnlijk onderschatten. Voor risico-beoordelingsprocedures zijn testen met effecten boven de wateroplosbaarheidsgrens niet bruikbaar en kan om aanvullende testen worden gevraagd. Voor classificatie-doeleinden zou het afkeuren van zulke testen echter leiden tot de ongewenste situatie dat de stof niet wordt geclassificeerd. Voorgesteld wordt om in deze situaties de effecten van de stof te classificeren op het niveau van de oplosbaarheidsgrens van de stof. Geconcludeerd werd dat, gezien de grote hoeveelheid slecht oplosbare stoffen die voor regelgeving wordt aangemeld, aanvullende richtlijnen voor het uitvoeren van toxiciteitstesten (zoals de bereiding en analyse van testconcentraties) en voor de interpretatie van de testresultaten (zoals effectniveau's boven de oplosbaarheidsgrens) gewenst zijn.
    • Sensitivity of microscale ecotoxicity tests and their suitability to measure toxicity of environmental samples

      Vaal MA; Folkerts AJ; ECO (1998-05-31)
      Microbiotesten met waterorganismen zijn geevalueerd op hun bruikbaarheid voor het meten van milieutoxiciteit. Microbiotesten zijn testen met ongewervelde waterorganismen die een kortere blootstellingstijd en een kleiner testvolume vereisen dan de traditionele ecotoxiciteitstesten met waterorganismen. De geevalueerde testen zijn de Thamnotox F test, de Rotox F test, de Algentoxkit F test, de Microtox test en de Daphnia IQ test. Ze zijn getest met een metaalzout, en, behalve de Algentoxkit F, met twee gedefinieerde mengsels van toxische stoffen. Het ene mengsel bevatte toxische stoffen met een niet-specifiek werkingsmechanisme, het andere mengsel bestond uit bestrijdingsmiddelen. De gevoeligheid en reproduceerbaarheid van de microbiotesten werd vergeleken met de traditionele kortdurende testen met de watervlo en de stekelbaars. Het verlies van zelfs matig vluchtige mengselstoffen uit de originele microbiotestvaten bleek behoorlijk groot te zijn. In monitoringsprogramma's kan dat tot een onderschatting van de milieutoxiciteit leiden. Aanpassing van de testvaten van de Thamnotox F en Daphnia IQ test gaf een verbetering van de testresultaten. Samen met de Microtox test zijn zij een goede basis voor een testbatterij. De huidige opzet van de Rotox F test kon niet worden verbeterd en bleek vanwege zijn geringe gevoeligheid minder geschikt. Vanwege hun ecologische functie zou een microbiotest met algen aan de batterij moeten worden toegevoegd, maar momenteel is er geen geschikte methode voorhanden.