• 3D-printing, een nieuwe dimensie voor de 3V's : Over 3D-printing, innovatie en alternatieven voor dierproeven

      van Zijverden M; van Kesteren PCE; Deleu S; NKA; V&Z (Nationaal Kenniscentrum Alternatieven voor dierproeven (NKCA), 2014-03-28)
    • Advies maximale geluidsniveaus voor muziekactiviteiten : Voorstel maximale geluidsniveaus voor openbaar toegankelijke locaties met versterkte muziek

      Gommer AM; Verweij A; Snijders BEP; VVG; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-03-28)
      Sinds 2014 is het convenant preventie gehoorschade muzieksector van kracht. Dit convenant geldt voor een groot aantal evenementen, poppodia en festivals en dat loopt tot 2018. Hierin is afgesproken maatregelen te nemen over onder andere maximale geluidsniveaus om het gehoor van bezoekers te beschermen. Niet alle openbare locaties met versterkte muziek, waaronder clubs, discotheken, cafés en scholen, vallen onder het convenant. Op verzoek van het ministerie van VWS heeft het RIVM een advies uitgewerkt over maximale geluidsniveaus in deze locaties. <br> <br>Het blijkt onmogelijk om maximale geluidsniveaus te adviseren die voor ieder individu absoluut veilig zijn, en dus geen risico op gehoorschade opleveren. Dat komt omdat de mate waarin mensen gevoelig zijn voor harde muziek per individu verschilt. Ook is de totale hoeveelheid (hard) geluid waaraan mensen blootstaan, ook los van muziek, niet voor iedereen gelijk. <br> <br>Jonge kinderen zijn minder goed in staat zelf maatregelen te nemen om gehoorschade te voorkomen. Het advies maakt daarom onderscheid tussen maximale geluidniveaus voor jonge kinderen tot en met 13 jaar (gemiddeld 91 decibel over een kwartier), kinderen van 14 en 15 jaar (gemiddeld 96 decibel over een kwartier) en mensen vanaf 16 jaar (gemiddeld 102 decibel over een kwartier). <br> <br>De geadviseerde maximale geluidsniveaus zijn niet gegarandeerd veilig voor het gehoor. Daarom is het van belang bezoekers van muziekactiviteiten te informeren hoe zij zelf het risico op gehoorschade kunnen beperken. Dit kan door gehoorbescherming te dragen, afstand te nemen van de geluidsbron (speaker) en door zogenoemde oorpauzes in te lassen. Als muzieklocaties voorzien in geluidsluwe zones en/of gehoorbescherming, kunnen bezoekers zelf invloed uitoefenen op de hoeveelheid geluid waaraan zij worden blootgesteld. <br> <br>Het advies is opgesteld door een werkgroep, bestaande uit Nederlandse deskundigen op het gebied van akoestiek en de oorzaken, gevolgen en preventie van gehoorschade door hard geluid, met een focus op harde muziek. <br> <br>In Nederland is er geen landelijke wet- of regelgeving die bezoekers van uitgaansgelegenheden beschermt tegen gehoorschade door te harde muziek. <br>
    • Dietary exposure to cadmium in the Netherlands

      Sprong RC; Boon PE; VVH; V&amp;Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2015-06-09)
      Het RIVM heeft in 2015 berekend hoeveel cadmium mensen binnen kunnen krijgen via voeding in Nederland. Uit de berekening blijkt dat kinderen tot de leeftijd van ongeveer 10 jaar gemiddeld meer cadmium binnen krijgen dan wenselijk is. De hoeveelheid cadmium die mensen gemiddeld gedurende hun leven via de voeding binnenkrijgen is echter zodanig laag dat het risico op schadelijke gezondheidseffecten verwaarloosbaar is. Kinderen krijgen naar verhouding meer cadmium binnen, omdat zij per kilogram lichaamsgewicht meer eten dan volwassen. De voedselgroepen granen, aardappels, groente en fruit dragen het meeste bij aan de totale blootstelling (circa 80 procent).<br> <br>Cadmium komt vooral via de bodem in voeding terecht. De stof kan nadelig zijn voor de gezondheid doordat het stapelt in de nieren. Wanneer de concentratie te hoog wordt, kan het de werking van de nieren schaden.<br> <br>Voor de innameberekening van cadmium zijn voldoende concentratiegegevens beschikbaar voor producten als melk, granen, groente, fruit en aardappelen. Van een aantal voedingsmiddelen zijn deze gegevens niet of slechts beperkt beschikbaar, waaronder vlees, pindaproducten, bewerkte cacao, oliezaden (vooral zonnebloempitten), ananas, runder- en varkenslever en bepaalde vissoorten (koolvis, kabeljauw, zalm en haring). Met deze gegevens zou de innameberekening verder kunnen worden geoptimaliseerd.<br> <br>De beschikbare concentratiegegevens van cadmium in producten zijn gecombineerd met voedselconsumptiegegevens van de Voedselconsumptiepeiling (VCP). Daarna is de berekende inname vergeleken met de gezondheidslimiet die voor deze stof geldt. Deze limiet is gebaseerd op de gemiddelde hoeveelheid van een stof waar mensen langdurig dagelijks aan mogen worden blootgesteld, zonder dat dit nadelige gevolgen heeft voor de gezondheid.<br> <br>De gemiddelde cadmiuminname varieert van 0,57 microgram per kilo lichaamsgewicht per dag bij 2-jarigen tot ongeveer 0,20 microgram per kilo lichaamsgewicht per dag op volwassen leeftijd.<br>
    • Dietary sources of exposure to Bisphenol A in the Netherlands

      Boon PE; te Biesebeek JD; Brants H; Bouwmeester MC; Hessel EVS; VTS; V&amp;Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-04-09)
      Bisfenol A (BPA) is een chemische stof die wordt gebruikt om een transparant plastic te maken (polycarbonaat), dat onder andere wordt gebruikt in voedselverpakkingsmaterialen. Verder wordt BPA gebruikt in coatings om de kwaliteit van ingeblikt voedsel en dranken te beschermen (de witte laag aan de binnenkant van het blik). Onder andere via deze verpakkingen kan BPA in voedsel terechtkomen. Producten als kassabonnen, bouwmaterialen (verf en coatings) en medische hulpmiddelen kunnen ook BPA bevatten. <br> <br>Uit berekeningen van het RIVM blijkt dat de totale hoeveelheid BPA die mensen in Nederland via het voedsel binnenkrijgen zeer beperkt is. Zelfs onder de meest ongunstige omstandigheden ligt de blootstelling nog 30 keer onder de huidige tolereerbare dagelijkse inname (TDI). Het onderzoek maakt ook duidelijk dat niet één voedselbron een grote bijdrage levert, maar alle voedselbronnen afzonderlijk hun eigen individuele 'kleine' bijdragen hebben. De focus in het RIVM-onderzoek is op voedselbronnen gelegd, omdat voedsel voor de gemiddelde consument de belangrijkste bron is van blootstelling aan BPA. <br> <br>Dit onderzoek volgt op eerder onderzoek van het RIVM (2016) waarin aandacht gevraagd werd voor nieuwe informatie over de TDI. De European Food Safety Authority (Europese voedselveiligheidsautoriteit, EFSA) is momenteel bezig met een nieuwe beoordeling van deze gezondheidsnorm. In afwachting van dit onderzoek vroeg het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) het RIVM om te onderzoeken via welke bronnen mensen in Nederland het meest worden blootgesteld aan BPA en om welke hoeveelheden het daarbij gaat. <br>
    • Estimation of the socio-economic consequences of regulatory measures on toxic substances in food : A proposed framework: SEATS

      Graven C; Zeilmaker MJ; van Gils PF; Verhoeven JK; Jongeneel WP; Evers EG; Ossendorp BC; VVH; V&amp;Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-02-28)
      In Europa gelden strenge eisen voor de veiligheid van voedsel. Zo mag voedsel zo min mogelijk stoffen bevatten die een gezondheidsrisico vormen. Hiervoor zijn onder andere zogenoemde voedselveiligheidstandaarden ingesteld voor de maximaal toegestane concentraties van stoffen in een product. Voedselveiligheidstandaarden worden voornamelijk op internationaal niveau (EU en wereldwijd) bepaald en zijn getoetst door middel van een wetenschappelijke analyse van de schadelijke effecten van stoffen in voedsel. <br> <br>Ook andere factoren dan schadelijke effecten van stoffen kunnen van invloed zijn op de hoogte van de voedselveiligheidstandaarden en worden daarom bij de besluitvorming over de standaarden betrokken. Dit gebeurt nu echter niet op een gestandaardiseerde en transparante manier. Een voorbeeld is maatschappelijke bezorgdheid als gevolg van onzekerheid in de wetenschappelijke analyse. Ook kan een grote economische impact van de vastgestelde voedselveiligheidsstandaard worden verwacht, bijvoorbeeld in de vorm van een hogere prijs. Het RIVM heeft daarom een stappenplan (SEATS) ontwikkeld zodat in de besluitvorming over de voedselveiligheidstandaarden breder wordt gekeken dan alleen naar de schadelijke effecten van stoffen. <br> <br>SEATS combineert een afweging van kosten en baten vanuit een economische invalshoek met maatschappelijke aspecten, zoals risicoperceptie, onzekerheid en vertrouwen. SEATS is voor twee voorbeeldsituaties (lood en pesticiden) uitgewerkt. Er is onderzocht wat de impact is als de voedselveiligheidstandaard wordt verlaagd. Het blijkt dat SEATS goed bruikbaar is. <br>
    • Exposure assessment of the food additive titanium dioxide (E 171) based on use levels provided by the industry

      Sprong C; Bakker M; Niekerk M; Vennemann M; VVH; V&amp;Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2016-03-03)
      Titaniumdioxide (E 171) is een kleurstof die gebruikt wordt om voedingsmiddelen als snoep, sauzen en decoraties van banketwaren, toetjes of ijs (zoals glazuur, fondant of pareltjes) een witte kleur te geven. Het RIVM heeft op basis van de meest recente inzichten berekend aan hoeveel milligram per kilo lichaamsgewicht mensen gemiddeld door de jaren heen blootstaan. Er bestaat geen maximum voor de inname van deze kleurstof. <br> <br>Bij verschillende leeftijdsgroepen is de inname berekend. Mensen van 70 jaar en ouder worden door de jaren heen per dag aan gemiddeld 0,5 milligram per kilo lichaamsgewicht blootgesteld (met een bovenste limiet van 1,1 mg/kg lichaamsgewicht per dag). Bij mensen tussen 7 en 69 jaar is dat ietsje hoger (0,7; bovenste limiet 1,3). Voor kinderen van 2 tot en met 6 jaar is de inname het hoogst doordat zij in verhouding meer binnenkrijgen per kilo lichaamsgewicht: 1,4 milligram per kilo lichaamsgewicht per dag voor kinderen (met als bovenste limiet 3,2 mg/kg lichaamsgewicht per dag). Afhankelijk van de leeftijdsgroep is de hoogste blootstelling een factor 3 tot 4 hoger. Mensen krijgen de kleurstof vooral binnen via (gedecoreerde) banketwaren, toetjes en sauzen.<br> <br>De resultaten zijn gebaseerd op informatie die de industrie heeft aangeleverd over de voedingsmiddelen waarin zij E 171 gebruiken en de hoeveelheid kleurstof die daarin wordt verwerkt. De werkelijke inname is waarschijnlijk wat lager doordat onder meer een bredere range aan producten is meegeteld in de innameberekening (bijvoorbeeld alle cakes in plaats van alleen cake met een wit laagje) dan uitsluitend die producten waar de kleurstof daadwerkelijk aan is toegevoegd. Dit is gedaan omdat gegevens over de consumptie van wit-gekleurde producten ontbreken. De blootstellingschattingen kunnen verder worden verfijnd door de schattingen te preciseren.<br> <br>De studie is uitgevoerd op initiatief van het ministerie van Volksgezondheid, VWS en de Federatie van de Nederlandse Levensmiddelenindustrie (FNLI).<br>
    • General Fact Sheet : General default parameters for estimating consumer exposure - Updated version 2014

      te Biesebeek JD; Nijkamp MM; Bokkers BGH; Wijnhoven SWP; VVH; V&amp;Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2014-12-03)
      Om mogelijke risico's van chemische stoffen in consumentenproducten te kunnen beoordelen, is het nodig een goede schatting te maken over de blootstelling aan chemische stoffen tijdens gebruik van het product. Met behulp van het computerprogramma ConsExpo kan voor consumenten berekend worden in welke mate zij binnenshuis tijdens het gebruik van bijvoorbeeld verf, schoonmaakmiddelen of cosmetica aan een bepaalde chemische stof worden blootgesteld. In de Factsheet Algemeen staan 'standaardwaarden' die bruikbaar zijn om de blootstelling aan een stof te schatten. Door deze standaardwaarden te gebruiken, wordt de blootstellingsschatting op een transparante en gestandaardiseerde manier uitgevoerd. Op basis van nieuwe informatie en inzichten heeft het RIVM de Factsheet Algemeen herzien. Deze versie vervangt daarmee de Factsheet Algemeen uit 2006.<br> <br>De Factsheet Algemeen bevat standaardwaarden over de ruimtes waarin het product wordt gebruikt (bijvoorbeeld vloeroppervlak van een huiskamer) en over de persoon die blootgesteld wordt (zoals lichaamsgewicht en het oppervlak van lichaamsdelen). Er is informatie verstrekt over de inhalatiesnelheid van volwassenen en kinderen bij een verschillende mate van inspanning. Verder bevat de factsheet gegevens over de mate waarin verschillende ruimten van woningen worden geventileerd. Nieuw in deze versie van de factsheet zijn data over tijdsbesteding. Het document licht ook toe waarop de waarden zijn gebaseerd en het geeft de betrouwbaarheid van de geboden gegevens weer.<br> <br>Naast de Factsheet Algemeen bestaan er een aantal product-specifieke factsheets voor verf, cosmetica, speelgoed, ongediertebestrijdingsmiddelen, desinfecterende middelen, reinigingsmiddelen en doe-het-zelfproducten. Deze factsheets bevatten voor een bepaalde productcategorie informatie over onder andere de duur van de blootstelling en hoeveelheid gebruikt product. <br>
    • Verkenning aanpak Gezonde Kinderopvang : Verkennend onderzoek naar de mogelijkheden voor een aanpak Gezonde Kinderdagverblijven en Gezonde Peuterspeelzalen

      Bos V; Damhuis RM; van Ruiten RM; Sturkenboom MJT; Veling ML; CGL; V&amp;Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2014-10-09)
      Dit rapport beschrijft de verkenning naar draagvlak voor een aanpak Gezonde Kinderopvang en mogelijkheden voor het ontwikkelen van deze aanpak. Deze met name kwalitatieve verkenning is gebaseerd op informatie verkregen via literatuur- en documentenonderzoek, de afname van een digitale vragenlijst, interviews met stakeholders, kinderopvangorganisaties en ouders én bijeenkomsten met stakeholders. Dit rapport gaat in op de vraag hoe de kinderopvang in Nederland georganiseerd is. Vervolgens wordt de actuele stand van zaken rond gezondheid binnen de kinderopvang beschreven. Als laatste worden de mogelijkheden voor een aanpak Gezonde Kinderopvang en een vignet Gezonde Kinderopvang nagegaan.<br> <br>Uit de verkenning blijkt dat er breed draagvlak is om een aanpak Gezonde Kinderopvang te ontwikkelen. Ook voor een vignet Gezonde Kinderopvang is er draagvlak. Op basis van de resultaten van de verkenning wordt aanbevolen een aanpak Gezonde Kinderopvang te ontwikkelen die:1. kennis biedt over wat een Gezonde Kinderopvang is; - kinderopvangorganisaties helpt bij: - het opnemen van gezondheid in hun beleid ; 2 het verbeteren van huidige activiteiten rond signalering en doorverwijzing ; educatie door middel van aanbieden van (erkende) interventies. Dit sluit aan op het project 'Een gezonde start' van het Voedingscentrum en NJI ; -een gezonde omgeving ; - ouderparticipatie. 2 informatie van relevante partners bij elkaar brengt 3 aansluit bij de aanpak Gezonde School<br>