• Aanbod van interventies gericht op het verbeteren van de voeding van ouderen

      van den Berg SW; de Bruin SR; Rompelberg CJM; Boer JMA; DCZ; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2014-08-26)
      Het RIVM heeft geïnventariseerd welke interventies vanuit bijvoorbeeld de GGD en zorginstellingen bevorderen dat ouderen goed eten. Daaruit blijkt dat het aanbod beperkt is. De inventarisatie laat verder zien dat het aanbod niet goed aansluit bij de praktische problemen die ouderen kunnen ervaren, bijvoorbeeld bij het boodschappen doen of bereiden van de maaltijd. De interventies zijn er vooral op gericht om ziekten bij zelfstandig wonende ouderen te voorkomen, bijvoorbeeld door voorlichting over gezonde voeding. Twee derde van alle 65- plussers heeft echter al één of meer chronische ziekten. Naast de genoemde interventies bestaan er ook maatschappelijke initiatieven die praktische ondersteuning bieden, zoals de boodschappenbus die ouderen naar een supermarkt rijdt. Deze initiatieven zijn niet in dit onderzoek meegenomen. Wel zijn er aanwijzingen dat deze voorzieningen niet goed bekend zijn, bij de ouderen zelf maar ook bij zorgverleners, mantelzorgers en gemeentes. Aanbevolen wordt om de interventies en maatschappelijke initiatieven die in de praktijk succesvol lijken, te onderzoeken op effectiviteit, zichtbaar te maken en te promoten. Het ministerie van VWS kan dit faciliteren. Gemeenten, zorgverleners en ouderen zelf kunnen de resultaten van dit onderzoek onder andere aangrijpen om inzicht te krijgen in het aanbod. Het is van belang dat ouderen goed eten, omdat dit kan bijdragen aan hun gezondheid en functioneren, en daarmee aan hun kwaliteit van leven. Door te weinig of ongezond te eten kunnen ouderen ondervoed raken. Hierdoor kunnen ze minder fit of mobiel zijn, en vatbaarder voor ziekten. Van de thuiswonende ouderen is 12 procent ondervoed. Van de ouderen die van de thuiszorg gebruikmaken is 35 procent dat. Vanwege het overheidsbeleid om ouderen langer thuis te laten wonen is het extra van belang dat ouderen zelfredzaam blijven.
    • The adaptive pathways process: benefits and potential hurdles from a Dutch perspective

      Vonk RAA; Hoebert; EVG; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2016-10-27)
      Patiënten vragen steeds vaker om versneld toegang te krijgen tot nieuwe, innovatieve geneesmiddelen die nog niet zijn geregistreerd of waarvan de vergoeding via de zorgverzekering nog niet is geregeld. Om aan deze wens tegemoet te komen, heeft de Europese geneesmiddelenautoriteit (EMA) een nieuwe 'zienswijze' voor de markttoelatingsprocedure voorgesteld, adaptive pathways geheten. Dit houdt in dat bestaande flexibele markttoelatingsprocedures, zoals een 'voorlopige markttoelating', effectiever worden ingezet. Daarnaast is het de bedoeling om de procedures van markttoelating en vergoeding, die nu na elkaar komen, zo veel mogelijk parallel te laten lopen. Verder worden patiënten en zorgverleners vroegtijdig en structureel betrokken bij het proces van markttoelating en vergoeding. Het belangrijkste instrument om adaptive pathways mogelijk te maken is om in een vroegtijdig stadium een brainstormsessie te organiseren met fabrikanten, markttoelatings- en vergoedingsautoriteiten, patiënten en zorgverleners. Samen kijken deze partijen naar de klinische studieopzet, het ontwikkelingstraject en de beoogde registratie- en vergoedingsroute. Het RIVM onderzocht de voordelen en de knelpunten van het voorgestelde marktoelatingsconcept. Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat de Nederlandse partijen die betrokken zijn of beïnvloed worden door adaptive pathways er de meerwaarde van inzien. Zij verwachten dat medicijnen beter op de wensen van de patiënt kunnen worden afgestemd en wellicht goedkoper kunnen worden gerealiseerd. Tegelijkertijd vinden deze partijen ook dat er meer moet worden geïnvesteerd om de veiligheid en kwaliteit van geneesmiddelen te bewaken na de toelating tot de markt. Dat kan bijvoorbeeld door geschikte patiëntenregistraties en monitoringssystemen. Daarnaast signaleren zij dat het erg ingewikkeld is om de kloof tussen de (internationaal ingestoken) markttoelating en (nationaal opgezette) vergoedingssystematiek te overbruggen. Hiervoor is volgens hen veel afstemming en samenwerking op internationaal niveau nodig. Bovendien vergt een flexibele toelating van geneesmiddelen tot het verzekerde pakket er volgens de betrokken partijen ook toe dat er duidelijke afspraken moeten worden gemaakt over of geneesmiddelen van de markt kunnen worden gehaald als zij de verwachte meerwaarde niet kunnen waarmaken.
    • Additieven in Nederlandse tabaksproducten : analyse van de gegevens over 2011

      Schenk E; Kienhuis AS; Talhout R; VTS ; PRS; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2013-12-20)
      Tabaksfabrikanten voegen additieven aan tabaksproducten toe om het product te verbeteren. Additieven worden meestal toegevoegd als smaakstof, ze kunnen de eigenschappen van een product optimaliseren (zoals de houdbaarheid) en het product een eigen karakter geven. Daarmee maken ze het tabaksproduct aantrekkelijker om te consumeren. Additieven kunnen echter als bijeffect hebben dat ze de gezondheid van de consument schaden. Ze maken het tabaksproduct, dat giftig en verslavend is, namelijk aantrekkelijker om te gebruiken. Bovendien kunnen verbrandingsproducten van additieven zelf giftig zijn of zelfs verslavend. Bij de productie van tabaksproducten voor de Nederlandse markt worden 1077 verschillende additieven gebruikt. Van alle tabaksproducten bevatten sigaretten de meeste additieven; gemiddeld 30% van een sigaret bestaat uit additieven. Daarvan wordt 5 procent aan tabak toegevoegd, 25 procent aan het filter en papier. Aan tabak worden vooral de smaakstoffen suiker, cacao en vanilline toegevoegd. Ook de tabaksbevochtigers glycerol en propyleenglycol worden hiervoor veel gebruikt. Andere toevoegingen aan tabak zijn bindmiddelen en vulstoffen, die zowel in grote hoeveelheden toegevoegd als in veel verschillende merken worden gebruikt. Aan het filter en papier worden vooral filtermaterialen, vulstoffen, lijmen, kleurstoffen en weekmakers toegevoegd. Tabaksfabrikanten (en -importeurs) zijn wettelijk verplicht ieder jaar voor elk tabaksproduct alle additieven op te geven, inclusief de hoeveelheden, functies en gezondheidseffecten. Dit rapport is het resultaat van de analyse van deze gegevens over het jaar 2011, uitgevoerd door het RIVM. Dit is de tweede keer dat het RIVM de additieven in tabaksproducten verkennend geïnventariseerd heeft; eerder gebeurde dat in 2010. Als ook de gegevens over 2012 en 2013 geanalyseerd zijn, zal het RIVM een meerjarenanalyse doen om trends in het gebruik van additieven in diverse producten en productsoorten, zoals sigaretten, sigaren en cigarillos, zichtbaar te maken.
    • Additieven in Nederlandse tabaksproducten : Trendanalyse gegevens 2010-2013

      Schenk E; van de Nobelen S; Pennings JLA; Kienhuis AS; Talhout R; PRS; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2015-04-30)
      Fabrikanten voegen additieven aan tabaksproducten toe om het product te verbeteren. Additieven worden meestal gebruikt als smaakstof. Daarnaast kunnen ze de conditie van het product verbeteren (zoals de vochtigheidsgraad en de houdbaarheid) en het product een eigen karakter geven. Additieven kunnen echter ook schadelijk zijn voor de gezondheid. Ze maken het tabaksproduct, dat giftig en verslavend is, namelijk aantrekkelijker om te consumeren. Bovendien kunnen verbrandingsproducten van additieven zelf giftig zijn, of verslavend. Tabaksfabrikanten gebruiken in totaal 673 verschillende soorten additieven in tabaksproducten. Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat er per productsoort een stijging is te zien in het totaal aantal verschillende additieven; dit geldt vooral voor sigaren en pijptabak. Daarnaast blijkt dat voor sommige sigaren dezelfde additieven worden gebruikt als voor sigaretten, met als doel om van sigaren een aantrekkelijker product te maken. In landen zoals de VS, Duitsland en China nemen deze zogenaamde "little cigars" in populariteit toe. Verder blijkt dat de samenstelling van additieven in sigaretten binnen een merk door de jaren heen niet zoveel verandert. Wel verschilt de samenstelling van additieven tussen grote fabrikanten en kleine fabrikanten. De bevochtiger propyleenglycol bijvoorbeeld wordt door kleine en grote fabrikanten in verschillende hoeveelheden toegevoegd. De meest gebruikte additieven zijn smaakstoffen, zoals vanille en cacao, gevolgd door bevochtigers. Tabaksfabrikanten (en -importeurs) zijn wettelijk verplicht ieder jaar voor elk tabaksproduct alle additieven op te geven, inclusief de hoeveelheden, functies en gezondheidseffecten. Voor zover bekend heeft het RIVM als eerste een trendanalyse van tabaksproducten over de jaren 2010 tot en met 2013 uitgevoerd. Hiervoor is een methode ontwikkeld om de grote hoeveelheid data te kunnen verwerken. Voor dit onderzoek is de samenstelling van additieven tussen productsoorten, zoals sigaar en sigaret, vooralsnog alleen vergeleken tussentabaksproducten die in 2013 op de Nederlandse markt waren. In de toekomst is dat voor meerdere jaren mogelijk.
    • Additieven in Nederlandse tabaksproducten : Trendanalyse gegevens 2010-2014

      Pennings J; Kienhuis A; Schenk E; van de Nobelen S; Visser W; Talhout R; PRS; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2016-03-08)
      Fabrikanten voegen additieven toe aan tabaksproducten om producteigenschappen zoals smaak en vochtigheidsgraad te beïnvloeden. Additieven kunnen het gebruik van tabaksproducten aantrekkelijker, verslavender en schadelijker maken. Fabrikanten van tabaksproducten moeten daarom elk jaar opgeven welke additieven dat zijn en in welke hoeveelheden. Het RIVM analyseert sinds 2011 in hoeverre deze gegevens verschillen tussen producten, en of het gebruik van additieven door de jaren heen is veranderd. In 2014 is het aantal tabaksproducten op de Nederlandse markt verder gestegen tot 4212. Dat is een stijging van 5 procent ten opzichte van 2013. Het totale aantal additieven ligt redelijk stabiel op 1214. Bij de meeste tabaksproducten is het gebruik van additieven in de periode 2010-2014 niet of weinig veranderd. De meeste additieven worden als smaakstof aan de tabak toegevoegd. Dit zijn vaak zoete smaken zoals suikers, cacao, vanille of zoethout. Sigaretten bevatten naast zoete smaken vaak specifieke toevoegingen met smaken als koffie, kaas en selderij. Sigaren met een gewicht van minder dan 3 gram (cigarillo's en 'little cigars') lijken soms sterk op sigaretten, zowel in hun productnaam als in de samenstelling. Bij dit type sigaren komen ook buiten de tabak smaakstoffen voor, bijvoorbeeld in de filter. Dit type sigaren kan op de markt gezet worden als alternatief voor sigaretten, bijvoorbeeld om regelgeving over smaken voor sigaretten te omzeilen. Waterpijptabak verschilt duidelijk van pijptabak. Waterpijptabak, dat vooral bevochtigers, zoete en fruitsmaken bevat, heeft een hoger gehalte aan additieven dan pijptabak. In 2016 komt er vanuit de Europese tabaksproductenrichtlijn een verbod op sigaretten en shag met een 'kenmerkende smaak', zoals menthol. Voor het toezicht op dit verbod zijn gegevens over additieven niet toereikend. Daarvoor kan ook geur- en smaakbeoordeling door consumenten in zogeheten smaakpanels worden gebruikt.
    • Advies opdrachtverstrekking bloedonderzoeken neonatale hielprikscreening : Ontwikkelingen en planning

      Dekkers EHBM; van der Stee MJ; Klein AW; Desmet ESM; CVB; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2016-07-01)
      Voor de uitvoering van het bloedonderzoek voor de neonatale hielprikscreening heeft het RIVM tot 31 december 2016 overeenkomsten met meerdere laboratoria. Voor het afsluiten van nieuwe overeenkomsten dient rekening gehouden te worden met de nieuwe aanbestedingswet en een goede balans tussen de kosten en baten van de uitvoering van de bloedonderzoeken. Daardoor kunnen ook andere laboratoria in aanmerking komen. Laboratoria kunnen pas een goed aanbod doen als de eisen waar ze aan moeten voldoen volledig bekend zijn. De komende jaren zijn echter veel veranderingen te verwachten, waardoor die eisen aan de bloedonderzoeken nu nog niet duidelijk zijn. Dat komt onder andere doordat onderzoek gedaan moet worden naar de uitbreiding van de hielprik met 14 nieuwe, zeldzame aandoeningen. In april 2015 heeft de minister van VWS toegezegd de hielprikscreening hiermee gefaseerd uit te willen breiden. Daarnaast zal bekend worden aan welke kenmerken een nieuw ICT-systeem én vernieuwde apparatuur moeten voldoen. Om die reden wordt geadviseerd om de huidige laboratoria een overbruggingsovereenkomst van vijf jaar aan te bieden. Hiermee kan de kennis en ervaring van de huidige laboratoria worden gebruikt om het screeningsprogramma te innoveren.
    • Alternatieve tabaksproducten: harm reduction? : Tabaks- en aanverwante producten die mogelijk minder schadelijk zijn dan sigaretten

      Staal YCM; Talhout R; PRS; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2016-09-08)
      Stoppen met roken is de beste optie voor de gezondheid, maar toch roken er nog steeds veel mensen. Fabrikanten brengen daarom producten op de markt met een directe of indirecte claim dat ze minder schadelijk zijn voor de gezondheid dan conventionele tabaksproducten. De meningen over deze zogeheten harm reduction-middelen zijn verdeeld, omdat de effecten op de gezondheid van de gebruiker nog niet duidelijk zijn. Om die te kunnen beoordelen is kennis nodig over de samenstelling van het product, het rookgedrag (hoeveel wordt ervan gerookt en hoe diep wordt geïnhaleerd) en de gezondheidseffecten van het product. Het RIVM heeft daarom een eerste inventarisatie gemaakt van harm reduction-producten en wat er over het gebruik en de gezondheidseffecten bekend is. Voorbeelden van harm reduction-producten zijn tabak die in de mond wordt gestopt zoals de 'snus', de e-sigaret en een product waarin tabak wordt verhit maar niet verbrand (heat not burn). Bij deze vormen staan gebruikers niet aan schadelijke verbrandingsproducten bloot. De e-sigaret bijvoorbeeld verdampt een vloeistof die meestal nicotine bevat. De gebruiker krijgt hiermee minder schadelijke stoffen binnen dan bij het roken van een tabakssigaret. De effecten op de langere termijn en de effecten op de gehele bevolking zijn echter nog onduidelijk. Ook tabak-verhittingsproducten lijken minder schadelijk te zijn voor de gezondheid dan conventionele sigaretten. Meer kennis is nodig, zoals over het rookgedrag van de gebruiker, om een afgewogen oordeel over de schadelijkheid te kunnen geven. Voorstanders van harm reduction-middelen vinden dat verstokte rokers ze beter kunnen gebruiken dan gewone tabak. Tegenstanders vrezen dat niet-rokers ze zullen gaan gebruiken vanwege het imago dat ze minder schadelijk zijn. Daarnaast bestaat de zorg dat ze een opstapje kunnen zijn naar het gebruik van conventionele tabaksproducten. Ook zouden ze mensen ervan kunnen weerhouden om te stoppen met roken, of het negatieve imago rond roken als 'stom en ongezond' wegnemen (renormaliseren).
    • Analysis of complaints in the Netherlands on Essure® : Health problems following a non-surgical sterilization procedure for women

      van Drongelen AW; van Elk M; Moltó-Puigmartí C; Janssen SWJ; PRV; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2016-09-15)
      Het RIVM heeft klachten geanalyseerd van vrouwen die zijn gesteriliseerd met Essure®. Dit zijn metalen veertjes die via de baarmoeder in beide eileiders worden gebracht waardoor deze na ongeveer 3 maanden dichtgroeien. Het voordeel van deze sterilisatiemethode is, in vergelijking met de traditionele afsluiting van de eileiders, dat er geen chirurgische ingreep voor nodig is. Het aantal gemelde klachten komt van ruim 1,5 procent van de circa 30.000 vrouwen die in Nederland met Essure® zijn behandeld. De meest genoemde klachten zijn pijn en vermoeidheid. Bij de pijnklachten gaat het vooral om de buik, de rug en het hoofd. Daarnaast worden hevige bloedingen tijdens en tussen de menstruatie, stemmingswisselingen, geheugenverlies en concentratieproblemen gemeld. Het werkelijke aantal vrouwen met klachten is onbekend. Veel vrouwen geven aan dat deze klachten hun dagelijks leven negatief beïnvloeden. Ze voelen de veertjes zitten of ervaren beperkingen bij het bewegen. Verder kunnen ze de dagelijkse taken en de zorg voor kinderen vaak minder goed uitvoeren. Er zijn ook vrouwen die aangeven dat hun relatie lijdt onder de ontstane problemen. Bij 16 procent van de vrouwen die klachten gemeld hebben, is Essure® verwijderd naar aanleiding van de klachten. 38 procent van de vrouwen in dit onderzoek heeft een afspraak gemaakt om dat te laten doen. De klachten zijn gemeld nadat hieraan via diverse kanalen aandacht is besteed. De Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG) heeft de resultaten van de analyse medisch geduid. Sommige klachten zijn mogelijk toe te wijzen aan de plaatsing van Essure®, zoals bepaalde pijnklachten. Bij andere klachten is het moeilijker om een direct verband te leggen omdat er ook andere zaken van invloed kunnen zijn, zoals stoppen met de pil waardoor menstruatieklachten kunnen verergeren. Daarnaast komen verschillende klachten, bijvoorbeeld gewichtsschommelingen en urinewegproblemen, ook met enige regelmaat voor bij vrouwen die geen Essure® hebben. De gemelde klachten komen van vrouwen die tussen 2001 en 2016 het implantaat hebben gekregen. Hun gemiddelde leeftijd was 37 jaar op het moment van de sterilisatie.
    • Application of personalized medicine : Opportunities and challenges for policy

      Schooneveldt BC; Veldwijk J; Weda M; EVG; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2016-08-29)
      De behandeling met medicijnen op basis van individuele kenmerken van een patiënt, zoals erfelijke eigenschappen, biedt veel kansen om therapieën per patiënt effectiever te maken maar staat ook nog voor veel uitdagingen. Zo vormt erfelijke informatie van een persoon bijvoorbeeld maar een deel van de puzzel om een ziekte effectief te behandelen met medicijnen. Ook andere factoren kunnen een rol spelen, zoals leeftijd, geslacht, eetgewoonten, aanwezigheid van andere ziekten en het gebruik van meerdere medicijnen tegelijk. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM, uitgevoerd in opdracht van het ministerie van VWS, naar de kansen en uitdagingen van personalized medicine. Personalized medicine (PM), de behandeling van de patiënt op basis van zijn unieke kenmerken, is een relatief nieuw begrip in de medische wereld. PM is sterk in opkomst nu het steeds duidelijker wordt welke invloed individuele eigenschappen kunnen hebben op het ontstaan van ziekten en op de werking van medicijnen. Sommige mensen hebben door hun erfelijke eigenschappen een grotere kans op ernstige bijwerkingen bij gebruik van bepaalde medicijnen. Anderen zijn veel gevoeliger voor een medicijn en hebben daardoor een andere dosis nodig. Ook genetische eigenschappen van tumoren bij kanker kunnen per patiënt verschillen en dat biedt mogelijkheden om beter op het individu afgestemde behandelingen aan te bieden. Een van de uitdagingen is om alle beschikbare gegevens en eigenschappen van patiënten optimaal voor onderzoek te benutten. Dit geldt ook voor de vertaling van onderzoeksresultaten naar de behandeling in de praktijk. Daarnaast zal de opleiding van artsen en apothekers afgestemd moeten worden op de ontwikkelingen rondom PM. Ook moet goed worden nagedacht over privacy en beheer van patiëntgegevens en of de wijze waarop de zorg nu in Nederland is geregeld wel geschikt is voor PM.
    • Autorisatie van de koppeling van referentietermen uit de DT2014 aan de ICD-10 2014

      van Mens JTh; ten Napel H; van Gool CH; VVG; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2015-03-11)
      De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) verplicht medisch specialisten in Nederland per 1 juli 2015 om een internationale codering voor ziekten en aandoeningen (ICD-10) te gebruiken. Op die manier kunnen schattingen van kosten van zorg beter met andere landen worden vergeleken. De behandelend artsen kunnen hierbij als hulpmiddel de diagnosethesaurus (DT) gebruiken, die de stichting Dutch Hospital Data (DHD) heeft ontwikkeld. Hierin zijn medische termen over ziekten (zogeheten referentietermen), zoals hepatitis, gerubriceerd en gekoppeld aan een ICD-10 diagnosecode, bijvoorbeeld K75.9 ontstekingsproces van de lever, niet gespecificeerd. In opdracht van de NZa heeft het RIVM onderzocht of DHD de termen op de juiste manier en volgens de codeerregels aan de diagnosecodes heeft gekoppeld. In 85 procent van de 11.000 onderzochte referentietermen gevallen blijkt dat het geval te zijn. In 15 procent van de gevallen wordt een andere koppeling voorgesteld, bijvoorbeeld omdat de koppeling niet volgens de ICD-10 codeerregels plaatsvond of omdat aan een specifiekere klasse gekoppeld kon worden. Over 50 koppelingen vindt nog afstemming plaats. Het RIVM heeft de aangepaste en goedgekeurde koppelingen in een bestand verzameld en aan DHD ter beschikking gesteld.
    • Beleid rondom mentale gezondheid in de werksetting

      Pas LW; Busch MLM; Proper KI; P&V; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2014-06-30)
      Nederlandse werkgevers vinden de mentale gezondheid van hun werknemers belangrijk. Acht van de tien werkgevers beschouwen het als belangrijke indicator voor het succes van het bedrijf. Hier tegenover staat dat ongeveer vier van de tien Nederlandse bedrijven (continu of vaak) daadwerkelijk preventiemaatregelen treffen die gericht zijn op de mentale gezondheid van de werknemers. Werkgevers geven aan dat ze vooral geen actie ondernemen, omdat de effectiviteit en de kosten-baten van maatregelen niet bekend zijn. Inzicht hierin kan bevorderen dat dergelijk gezondheidsbeleid wel wordt uitgevoerd. Dit blijkt uit een enquête die ruim 3100 werkgevers uit verschillende sectoren hebben ingevuld en die in opdracht van de ministeries van VWS en SZW is uitgevoerd. Het voornaamste doel was in kaart te brengen hoeveel bedrijven binnen welke sectoren beleid voeren op het gebied van mentale gezondheid. Dit varieert van beleid dat gericht is op werkhervatting van zieke werknemers, tot het bevorderen van de mentale gezondheid van alle (gezonde) werknemers. In dit project ligt de focus op beleid dat erop gericht is om psychosociale arbeidsbelasting te voorkomen, zoals het tegengaan van werkdruk, agressie en pesten, en de mentale gezondheid te bevorderen, zoals het stimuleren van bevlogenheid, persoonlijke groei en veerkracht. De maatregelen die werkgevers treffen, zijn zeer divers en variëren van persoonlijke ontwikkelplannen, coaching, health-checks, aandacht voor balans werk-privé tot programma's om stress te verminderen, yoga, e-health of andersoortige structurele mentale gezondheidsprogramma's. Grote bedrijven treffen over het algemeen vaker maatregelen dan kleine bedrijven. Wat de sectoren betreft gebeurt dat het meest binnen het onderwijs en de gezondheidsen welzijnszorg. Binnen de sector 'vervoer en opslag' worden het minst vaak maatregelen getroffen. Gezondheid van de werknemers en goed werkgeverschap gelden voor werkgevers als de belangrijkste redenen om in maatregelen te investeren die de mentale gezondheid bevorderen. Financiële motieven, zoals minder ziekteverzuim, zijn ook veel genoemd.
    • Beleidskader Bevolkingsonderzoeken naar Kanker

      Klein A; van Velzen R; CVB; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2016-12-15)
      Het Beleidskader Bevolkingsonderzoeken naar Kanker (BBK) geeft een overzicht van de wettelijke en beleidsmatige kaders voor de drie bevolkingsonderzoeken in Nederland naar kanker: borst-, baarmoederhals- en darmkanker. Daarnaast beschrijft het de samenwerking en onderlinge verhoudingen van partijen die betrokken zijn bij de voorbereiding, besluitvorming en uitvoering van deze bevolkingsonderzoeken. Op deze manier werken de betrokken partijen optimaal samen. Het Beleidskader is opgeteld door het RIVM en is vastgesteld door het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). Het document wordt regelmatig getoetst en zo nodig aangepast aan de actualiteit. Het RIVM ziet er als landelijke regiehouder op toe dat de bevolkingsonderzoeken voor de deelnemers een hoge kwaliteit hebben, en goed bereikbaar en betaalbaar zijn. Op die manier ontstaat een optimaal 'aanbod' voor de deelnemers aan de bevolkingsonderzoeken. Het Beleidskader is een instrument om de regie te voeren. Het vormt ook de basis voor de zogeheten uitvoeringskaders, waarin per bevolkingsonderzoek de precieze wijze waarop en door wie de bevolkingsonderzoeken worden uitgevoerd, is uitgewerkt. De bevolkingsonderzoeken bestaan uit een reeks van opeenvolgende handelingen die door verschillende partijen worden uitgevoerd en gecoördineerd (de uitnodiging voor het onderzoek, het onderzoek zelf, de beoordeling van de uitslag, de communicatie, en de eventuele doorverwijzing). Deze handelingen moeten goed op elkaar aansluiten en efficiënt gestructureerd zijn om de kwaliteit van het bevolkingsonderzoek te waarborgen.
    • Beleidskader Pre- en Neonatale Screeningen

      Vermeulen HM; van Velzen R; Abbink F; CVB; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2016-05-30)
      Het Beleidskader Pre- en Neonatale Screeningen geeft een overzicht van de wettelijke en beleidsmatige kaders voor vijf screeningen die tijdens de zwangerschap en kort na de geboorte preventief worden aangeboden. Deze kaders zijn door het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) vastgesteld. Er zijn drie screeningen voor het ongeboren kind: op het syndroom van down, op enkele infectieziekten zoals hiv, en lichamelijke afwijkingen. De screeningen vlak na de geboorte betreffen het gehoor van het kind en de hielprik. Het RIVM voert sinds 2006 de regie op de bevolkingsonderzoeken en bewaakt vanuit die rol de kwaliteit, bereikbaarheid en betaalbaarheid ervan. Het beleidskader is een instrument om de regie te voeren. De uitvoering ligt bij de uitvoeringsorganisaties. Het beleidskader beschrijft eveneens hoe partijen samenwerken die betrokken zijn bij de voorbereiding van, besluitvorming over en uitvoering van de pre- en neonatale screeningen. Voor een goede kwaliteit van de screening is het immers van belang dat alle logistieke en inhoudelijke processen goed op elkaar aansluiten. Vooral de 'overgang' van een uitslag van een bevolkingsonderzoek naar een diagnose en behandeling is een belangrijke stap, waarvoor partijen binnen het bevolkingsonderzoek en de zorg gezamenlijk verantwoordelijk zijn. Daarnaast worden de kaders weergegeven die relevant zijn voor de nadere uitwerking van de draaiboeken van de screeningen. Deze draaiboeken zijn vooral gericht op de wijze waarop de screeningen worden uitgevoerd. Het beleidskader zal regelmatig worden getoetst en indien nodig aangepast aan de actualiteit.
    • Belemmeringen en drijfveren voor sport en bewegen bij ondervertegenwoordigde groepen

      Hoogendoorn MP; de Hollander EL; P&V; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-03-31)
      Bepaalde groepen mensen in Nederland bewegen en sporten minder vaak. Dit zijn vooral mensen met een lage opleiding en/of laag inkomen, met een migratieachtergrond, ouderen, chronisch zieken, en mensen met een lichamelijke of verstandelijke beperking. Stimulansen om meer in beweging te komen zijn onder meer aanmoediging en ondersteuning vanuit de directe omgeving (naasten en begeleiders), een goede trainer, en een op maat gemaakt aanbod waar de doelgroep van op de hoogte is. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM. Belemmeringen voor deze doelgroepen zijn onder andere een laag inkomen, culturele opvattingen over sport en bewegen, een gebrek aan ervaring met sporten, en gezondheidsklachten of beperkingen. Vooral mensen met lichamelijke of verstandelijke beperkingen zijn vaak afhankelijk van anderen om te kunnen bewegen of naar de activiteit te kunnen gaan. Ook bleken de doelgroepen vaak niet op de hoogte te zijn van het beschikbare aanbod. Toegankelijke faciliteiten en goede trainers, die met (kleine) aanpassingen ervoor kunnen zorgen dat het aanbod aansluit bij de doelgroep, zijn belangrijk om het aanbod op maat te maken. Zo kan bewegen voor ouderen aantrekkelijker worden gemaakt door het sociale aspect ervan te benadrukken in plaats van het sportieve. Ook is het belangrijk dat er een verbindende partij is, bijvoorbeeld een buurtsportcoach, om de samenwerking tussen partijen rondom de doelgroep zoals de gezondheidszorg, school, sociale wijkteams en sportaanbieders te versterken en het aanbod bij hen kenbaar te maken. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). Om te stimuleren dat mensen meer bewegen wilde de Directie Sport weten welke belemmeringen en drijfveren mensen hierbij ervaren. Hiervoor is literatuuronderzoek gedaan en zijn experts geraadpleegd.
    • Beschikbaarheid, specialisatie en bereikbaarheid van Spoedeisende hulp in Nederland : Analyse gevoelige ziekenhuizen

      Kommer GJ; Gijsen R; Lemmens LC; Kooistra M; Deuning C; VZP; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2015-06-03)
      Het RIVM heeft gedetailleerd in beeld gebracht welke ziekenhuizen in Nederland zowel overdag als 's nachts spoedeisende hulp bieden. Dit is ook voor de acute verloskunde gedaan. Uit een analyse van de resultaten blijkt dat 99,8 procent van de inwoners binnen 45 minuten naar een spoedeisende hulpafdeling (SEH) of een ziekenhuis met acute verloskunde kan worden vervoerd. Sinds de vorige bereikbaarheidsanalyse in 2013 zijn drie SEH's gesloten. Hierdoor is één ziekenhuis extra als 'gevoelig' aangewezen. Als een gevoelig ziekenhuis wordt gesloten, neemt het aantal mensen toe dat er langer dan 45 minuten over doet om een SEH te bereiken. Ziekenhuizen mogen daarom alleen stoppen met het aanbieden van acute zorg als de bereikbaarheid daardoor niet verslechtert. De richtlijn van 45 minuten betreft de tijd waarin een ambulance naar de plaats van een incident rijdt, de patiënt in de ambulance overbrengt en vervoert naar het dichtstbijzijnde SEH. Voor het onderzoek is de aanwezigheid en beschikbaarheid geïnventariseerd van onder meer specialisten, verpleegkundigen en faciliteiten om op de SEH's diagnoses te stellen en behandelingen te bepalen. Eind 2014 waren er 95 ziekenhuislocaties die spoedeisende basiszorg bieden. Hiervan waren 91 locaties 24 uur per dag, 7 dagen per week geopend. Op 84 ziekenhuislocaties werd 24/7 acute verloskunde aangeboden. Ook is gekeken naar de samenwerking tussen SEH's en huisartsenposten (HAP's). Een HAP kan op het terrein van een ziekenhuis zijn gevestigd. In een ruime meerderheid van deze gevallen werkten de HAP en de SEH met elkaar samen.
    • Betrouwbare geneesmiddeleninformatie beter toegankelijk voor de gebruiker! : Een gezamenlijke inspanning van CBG, Lareb, RIVM en Zorginstituut Nederland

      Hegger I; Janssen SWJ; EVG; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2014-10-01)
      De 'Geneesmiddelenketen' bestaat uit verschillende organisaties die ervoor zorgen dat er veilige en effectieve geneesmiddelen beschikbaar zijn. In het verlengde daarvan hebben zij gezamenlijk de taak om te zorgen voor goede en betrouwbare informatie over geneesmiddelen. Momenteel is die informatie versnipperd. Onder leiding van het RIVM is in kaart gebracht hoe de diverse websites aan elkaar kunnen worden gekoppeld en welke acties daarvoor nodig zijn. Op die manier wordt de beschikbare informatie over medicijnen toegankelijker gemaakt voor professionals. De resultaten zijn in onderliggend verslag weergegeven. De geneesmiddelenketen bestaat uit verschillende organisaties, elk met een eigen taak en een eigen website. Hiertoe behoren het Agentschap College ter beoordeling van geneesmiddelen (aCBG), de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ), het Nederlands bijwerkingencentrum Lareb, de Centrale Commissie Mensgebonden Onderzoek (CCMO), het ministerie van VWS en het RIVM. Het streven is de koppeling in 2014 te realiseren. Aan de basis ligt het Farmacotherapeutisch Kompas (FK), dat wordt uitgegeven door het Zorginstituut Nederland (voorheen: College voor zorgverzekeringen). Het FK bevat informatie over het juist gebruik van geneesmiddelen: welk middel is het meest effectief bij een bepaalde patiënt met een bepaalde aandoening, én het laagst geprijsd. Zorgprofessionals raadplegen de onafhankelijke informatie op deze website veelvuldig. Bij elk geneesmiddel zal een directe link worden toegevoegd naar informatie over geregistreerde geneesmiddelen op de geneesmiddeleninformatiebank (GIB). Op de GIB zijn ook de officiële registratiedocumenten van een geneesmiddel te raadplegen, zoals de wetenschappelijke productinformatie, het openbare beoordelingsrapport en de patiëntenbijsluiter. De GIB wordt beheerd door het aCBG. Dezelfde koppeling zal gemaakt worden voor informatie over bijwerkingen, die staan vermeld op de website van Lareb.
    • Beweeg- en sportgedrag van mensen met een chronische aandoening of lichamelijke beperking

      de Hollander EL; Milder IE; Proper KI; P&V; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2015-04-23)
      Volwassenen met gezondheidsproblemen bewegen minder dan volwassenen zonder deze problemen. Ook doen zij minder vaak aan sport dan mensen die deze problemen niet hebben. Bij gezondheidsproblemen gaat het om chronische aandoeningen, zoals gewrichtsklachten en hart- en vaatziekten, en om een slechtere psychische gezondheid. Daarnaast gaat het om lichamelijke beperkingen, waaronder motorische, gezichts- en gehoorbeperkingen. Dit blijkt uit onderzoek dat het RIVM heeft uitgevoerd in opdracht van het ministerie van VWS. Hierbij is gebruik gemaakt van zelfgerapporteerde data van ruim 380.000 volwassenen uit de Gezondheidsmonitor Volwassenen GGD'en, CBS en RIVM 2012. Voor een goede gezondheid geldt de Nederlandse Norm voor Gezond Bewegen (NNGB): tenminste vijf dagen per week gedurende dertig minuten matig intensief bewegen. De berekening van de NNGB heeft lagere afkapwaarden om te bepalen of een activiteit matig intensief is voor 55+'ers dan voor 19-54-jarigen. Daarom is het voldoen aan de NNGB voor 55+'ers minder streng dan voor 19-54-jarigen en zijn de resultaten apart gepresenteerd voor deze leeftijdsgroepen. Van mensen met gezondheidsproblemen in de leeftijd van 19 tot 55 jaar haalt, afhankelijk van het gezondheidsprobleem, 33 tot 52 procent deze beweegnorm, tegenover 55 procent van de gezonde mensen uit deze leeftijdsgroep. Dit percentage is voor mensen van 55 jaar en ouder met gezondheidsproblemen 42 tot 71 procent, tegenover 84 procent van de gezonde mensen van die leeftijd. Het aantal mensen dat wekelijks sport, neemt af naarmate ze ouder worden. Van de gezonde 55+'ers sport 54 procent wekelijks, versus 68 procent onder de gezonde 19- tot 54-jarigen. Dit is bij mensen met gezondheidsproblemen respectievelijk 22 tot 39 procent en 33 tot 56 procent. Fitness wordt door zowel gezonde mensen als mensen met gezondheidsproblemen het meest beoefend. Mensen met een motorische beperking sporten het minst, namelijk 33 en 22 procent (onder 19-54- respectievelijk 55+-jarigen). Ook voldoet deze groep mensen het minst aan de beweegnorm. Het beleid van het ministerie van VWS is erop gericht mensen te stimuleren om te bewegen en te sporten, ongeacht een aandoening of beperking. Nu duidelijk is geworden dat mensen met een aandoening of beperking minder bewegen en sporten, is het van belang om inzicht te krijgen in de redenen daarvan. Inzicht in hun behoeften aan sport of beweging en of het aanbod aansluit bij hun behoeften is van groot belang.
    • Biomonitoring of lead and cadmium : Preliminary study on the added value for human exposure and effect assessment

      Tiesjema B; Mengelers M; VVH; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-05-15)
      People are exposed to all kinds of substances (for example via food) , which can be harmful to their health. To accurately estimate the health effects, it is important to determine to what extent these substances actually harm the body. In order to do so it may be helpful to measure concentrations of these substances in body fluids and/or tissues (biomonitoring). RIVM chose the substances lead and cadmium to investigate to what extent such measurements show a relationship with the exposure as well as the health effects of these substances. RIVM recommends measuring these substances in a Dutch population group. For the purpose of future research it is recommended to study the internal exposure and the effects of lead and cadmium in blood and urine samples of a representative population group. There were two reasons for choosing lead and cadmium. Firstly, calculations show that for some consumer groups dietary intake may result in values that are close to or slightly above the health based guidance value in question. Secondly, lead and cadmium have one health effect in common: they can both induce kidney damage. Kidney damage can be determined by measuring the presence of certain proteins in urine. Food is not the only exposure route. Lead and cadmium can be absorbed by the body through several routes: inhalation, ingestion, via the skin or via a combination of these routes. The current approach in the Netherlands is to assess these routes separately, or added together. Using biomonitoring, all relevant routes are assessed simultaneously, providing a more complete picture of the exposure.
    • Blood glucose meters : Performance of devices on the Dutch market

      van Drongelen AW; de Bruijn ACP; van Elk M; Lamme EK; van der Maaden T; Roszek B; Schooneveldt BC; Janssen R; PRV; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2016-10-12)
      In 2015 is de meetnauwkeurigheid van bloedglucosemeters voor patiënten met diabetes ter discussie gesteld. Bloedglucosemeters worden door een deel van de patiënten met diabetes gebruikt om de hoeveelheid suiker (glucose) in het bloed in de gaten te houden. Het RIVM onderzocht daarom de technische dossiers over deze medische hulpmiddelen, de betrouwbaarheid van de meting van bloedglucose in de praktijk en eventuele gevolgen voor de gezondheid van patiënten. De technische dossiers, die fabrikanten verplicht moeten aanleggen, bleken tekortkomingen te vertonen. In onafhankelijke laboratoria voldeed, afhankelijk van de gebruikte meter, 21 procent (met een spreiding tussen de meters van 0 tot 44 procent) van de metingen niet aan de nauwkeurigheidseisen die het laboratorium stelde. Volgens experts hoeven er geen gevaarlijke situaties te ontstaan door onnauwkeurige bloedglucosemetingen doordat de Nederlandse diabeteszorg verschillende vangnetten biedt. Patiënten moeten goed geïnformeerd worden over deze vangnetten in de diabeteszorg. Zo wordt het bloed van patiënten periodiek gemeten door de zorgverlener, waardoor de kans klein is dat lange tijd verkeerde hoeveelheden insuline worden ingespoten. Tekortkomingen in technische dossiers betroffen vooral de informatie over de kwaliteit van de meter en over de informatievergaring over het product nadat het op de markt is gekomen (post market surveillance). Volledige en correcte dossiers zijn essentieel om de kwaliteit en veiligheid van het hulpmiddel voor de patiënt te waarborgen. Deze informatie is belangrijk bij de toelatingsprocedure van het product op de markt en moet correct en volledig zijn. Onvolledigheden betekenen overigens niet per definitie dat een product onveilig of onnauwkeurig is. Zowel de meters van nieuwe spelers op de Nederlandse markt als meters van gevestigde marktpartijen vertoonden tekortkomingen in de dossiers of scoorden slechter in de laboratoria. Verder blijkt dat buiten de kwaliteit van het meetinstrument ook andere factoren van invloed zijn op de resultaten van bloedglucosemetingen. Dat kunnen omgevingsfactoren zijn zoals de temperatuur, maar ook het niet naleven van de gebruiksaanwijzing, bijvoorbeeld handen wassen voor gebruik. Europese regelgeving staat toe dat bloedglucosemeters maximaal 15 procent afwijken van de feitelijke waarde in het bloed. Het is wel van belang om alle mogelijke verstorende factoren zo klein mogelijk te houden omdat deze opgeteld tot een grotere afwijking kunnen leiden. Daarnaast is het belangrijk om patiënten die van meter wisselen hier goed bij te begeleiden.
    • Brainstorming opportunities for postmarketing surveillance of chemicals : Workshop report

      Olthof ED; van Drongelen A; Graven C; Herremans J; de Kaste D; Ossendorp B; Piersma AH; GZB; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-01-09)
      On behalf of the Ministry of Health a survey was prepared of possibilities for setting up a 'post-marketing surveillance' (PMS)-system for chemical substances in consumer products, including food. With such a system, (long-term) health effects of substances which are already on the market may be identified. Setting up such a system was advised by the Health Council of The Netherlands (GR) based on a report from 2014. In this report, GR concluded that PMS of chemicals is warranted given that certain health effects in humans may not become visible in animal studies used for risk assessment. First, a preliminary overview of current PMS related activities in different areas of legislation, such as food, drugs and consumer products, was prepared. Existing experience in different legislative frameworks can feed into a new system. Relevant national stakeholders have contributed to the overview, and have discussed short and long-term opportunities for further development of PMS. Possible short-term options included sharing existing information, to connect different existing databases and to share new information about health effects of chemicals on an ad hoc basis. For the longer term, exposure assessment directly in humans or for example in blood samples stored in biobanks were considered. In addition, more extensive registration of the use of compounds in consumer products was advised, as well as international harmonization of PMS data collection. It was advised to establish a working group with stakeholders to expand this initiative and to exchange ad hoc information on a regular basis. stakeholders regulatory framework signaling