• Actualisering van model NLOAD voor de nitraatuitspoeling van landbouwgronden; beschrijving van model en GIS-omgeving

      Drecht G van; Scheper E; LBG; Adviesbureau ARIS; Utrecht (1998-01-31)
      Voor de Milieubalans 1995 en 1996 is het model NLOAD, dat de nitraatuitspoeling van landbouwgrond in een evenwichtssituatie berekent, geactualiseerd en opnieuw beschreven. Enige hoofdpunten uit het onderzoek zijn: conceptuele verbetering van het model, toetsing van het model aan metingen en de toepassing van het model in een GIS-omgeving. Modelconcept: Met het model NLOAD wordt de uitspoeling van nitraat_stikstof berekend als de som van de basisuitspoeling, de bemestingsuitspoeling van werkzame stikstof, de extra uitspoeling van stikstof in dierlijke mest en de uitspoeling van stikstof, die bij het beweiden op grasland terecht komt. De basisuitspoeling in het model is verlaagd, omdat hierin tijdafhankelijke bijdragen door beweiding, atmosferische depositie en mineralisatie van organisch gebonden stikstof in dierlijke mest verwerkt waren. Een van de consequenties is dat nu de atmosferische N_depositie bij de N_kunstmestgift moet worden opgeteld. De fractie werkzame stikstof in dierlijke mest is verhoogd, teneinde beter rekening te houden met de nalevering van stikstof op de lange termijn. Het uitspoelingspercentage van de werkzame N neemt nu bij bouwland progressief toe met de hoeveelheid werkzame stikstof. De urine_N productie van weidend rundvee is afhankelijk gemaakt van het N_bemestingsniveau en de vaste mest wordt beschouwd als in het groeiseizoen uitgereden dierlijke mest. Resultaten en validatie model: NLOAD_MB (versie Milieu Balans) geeft betere resultaten dan NLOAD. NLOAD_MB onderschat de gemeten uitspoeling van proefvelden bij een extreem hoge bemestingsintensiteit. Het model kon worden gevalideerd voor beweid en gemaaid grasland op zandgrond. Voor de overige vormen van grondgebruik en grondsoort is NLOAD_MB niet gevalideerd. De modelresultaten hebben in het algemeen slechts indicatieve betekenis, d.w.z. zijn goed te gebruiken voor kwalitatieve interpretatie (alleen de richting en de orde van grootte). De modelresultaten voor grasland op zandgrond zijn ook goed te gebruiken als kwantitatieve schattingen.
    • Description of a transport chemistry toolbox: a new implementation of Moguntia

      The THP; LLO; Metropolis Software; Utrecht (1997-10-31)
      Een programmeer toolbox, geschreven in C en ontwikkeld op het RIVM, is geschikt gemaakt voor het onderzoeken van 3D transport en chemie op mondiale schaal. De toolbox is ontwikkeld om op een eenvoudige manier om te kunnen gaan met verschillende chemieschema's en voor het creeren van emissiescenario's. Het onderliggende transport model is gebaseerd op het Moguntia model met een 10 x 10 graden resolutie en maandgemiddelde data. De toolbox bevat functies voor de basis programma-structuur voor transport- en chemiestudies, functies om emissiescenario's samen te stellen m.b.v. scripts, functies voor het berekenen en vernieuwen van reactieconstanten en verschillende algemene functies. Verder beschrijft dit rapport hoe een chemieschema geschreven in fortran ingebouwd kan worden in een toolbox-toepassing. De algemene toolbox-structuur wordt beschreven; tevens wordt een gedetailleerde functionele beschrijving van de procedures gepresenteerd.
    • Project Surveillance Ziekenhuisinfecties regio Utrecht ; een studie naar de haalbaarheid van surveillance van ziekenhuisinfecties in een netwerk van registrerende ziekenhuizen

      Severijnen AJ; Verbrugh HA; Mintjes-de Groot AJ; Vandenbroucke-Grauls CMJE; Klokman-Houweling R; Gruteke P; Schellekens JFP; van Pelt W; CIE; LBA; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM(Streeklaboratorium voor de VolksgezondheidNieuwegein), 1995-04-30)
      In het Project Surveillance Ziekenhuisinfecties regio Utrecht (PSZU) is de haalbaarheid van surveillance van ziekenhuisinfecties (ZHI) in een netwerk van registrerende ziekenhuizen onderzocht. Doel van een netwerk van ziekenhuizen voor de registratie van ZHI is het bevorderen van de opsporing en bestrijding van ZHI in de deelnemende ziekenhuizen. Uit de terugrapportage van de eigen resultaten, gespiegeld aan de geaggregeerde gegevens van alle ziekenhuizen, komen verschillen naar voren die het individuele ziekenhuis op het spoor brengen van situaties waar verbeteringen mogelijk zijn. Het onderzoek richtte zich met name op logistieke aspecten: de standaardisatie van het verzamelen van ZHI-gegevens en de bruikbaarheid van ziekenhuisopnamegegevens uit een landelijkbestand. Hiertoe is een gestandaardiseerde vorm van surveillance van ZHI in 8 ziekenhuizen in de regio Utrecht opgezet. Ziekenhuishygienisten spoorden door actieve surveillance alle typen ZHI op bij gynaecologische en orthopedische patienten gedurende een periode van 9-16 maanden tussen maart 1992 en juni 1993. De gerapporteerde (geanonimiseerde) surveillance-gegevens werden op een centraal punt (het RIVM) verzameld en bewerkt. Gegevens van alle opgenomen gynaecologische en orthopedische patienten werden betrokken van de Landelijke Medische Registratie, Utrecht. De gegevens uit beide bestanden werden op persoonsniveau gekoppeld en na analyse werd gerapporteerd aan de deelnemende ziekenhuizen. Surveillance van ZHI op een gestandaardiseerde manier in een groep van samenwerkende ziekenhuizen bleek goed mogelijk: patienten met een ZHI werden correct geidentificeerd door de hygienisten, de ZHI-gegevens werden voldoende juist geregistreerd en met regelmaat naar het RIVM gezonden en konden daar correct aan de LMR-noemergegevens gekoppeld worden. Totaal werden bij 8992 patienten 526 ZHI opgespoord. De totale incidentie van ZHI was 5,9 per 100 patienten of 6,3 per 1000 verpleegdagen. De incidentie van postoperatieve wondinfecties en urineweginfecties was bij gynaecologische patienten significant hoger dan bij orthopedische patienten. Patienten met een ZHI waren ouder en verbleven veel langer in het ziekenhuis dan patienten zonder ZHI. De incidentie van het ZHI steeg naarmate de tijdsduur tussen opname en operatie toenam. Tussen de afzonderlijke ziekenhuizen bleek de incidentie van ZHI sterk te verschillen: zo liep de incidentie bij gynaecologische patienten uiteen van 1,0 tot 23,3 per 100 opnamen. Ook in andere opzichten (leeftijd, uitgevoerde operaties, antibioticumprofylaxe) bleken ziekenhuizen te verschillen, met consequenties voor het optreden van ZHI. Enkele knelpunten kwamen aan het licht. Niet in alle ziekenhuizen was bij de patienten dezelfde set van microbiologische onderzoeken beschikbaar. Ondanks het hanteren van dezelfde ZHI-inclusiecriteria verschilde daardoor tussen de ziekenhuizen de kans om bij eenzelfde patient een ZHI vast te stellen. De opnamegegevens van de LMR dekten de patienten die door de hygienisten gezien waren, niet goed: 8% van de volgens de LMR opgenomen patienten werden niet door de hygienist gezien. Dit kan leiden tot onderschatting van de incidentie van ZHI. Van de patienten die door de hygienist gezien waren kwamen 5% niet voor in het LMR-bestand, deels omdat deze patienten nog niet ontslagen waren bij de afsluiting van de registratie. De vertraging in de levering van LMR-gegevens, loopt uiteen van 3-12 maanden na ontslag van de patient. Dit is met name een probleem als de terugrapportage gebruikt wordt om het opsporings- en bestrijdingsbeleid voor ZHI bij te stellen. Geconcludeerd wordt, dat het mogelijk is om in een groep ziekenhuizen een gestandaardiseerde vorm van surveillance van ziekenhuisinfecties uit te voeren en de gegevens centraal te aggregeren en te analyseren. De LMR-ontslaggegevens bleken bruikbaar als noemergegevens. De resultaten van deze haalbaarheidsstudie geven aan dat ook een landelijk netwerk van peilstation-ziekenhuizen voor de registratie van ZHI realiseerbaar is. Het rapport sluit af met een aantal aanbevelingen voor continuering of uitbreiding van een netwerk van ziekenhuizen voor de registratie van ZHI.<br>