• De analyse van aldehyden in lucht; methodebeschrijving en validatieonderzoek

      Linders SHMA; Stil GH; Kootstra PR; Gort SM; Bos HP; Regts TA; Uiterwijk JW; van der Velde EG; LOC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1997-06-30)
      Aldehyden in lucht zijn de laatste jaren steeds meer in de belangstelling komen te staan vanwege het voorkomen in uitlaatgassen van gemotoriseerd verkeer, hun rol in fotochemische smogvorming en hun toxiciteit. In dat kader is bij het Laboratorium voor Organisch-analytische Chemie (LOC) een methode ontwikkeld voor de bepaling van aldehyden (en ketonen) in lucht, gebaseerd op on-line SPE-HPLC analyse met UV detectie. De reproduceerbaarheid van de analysemethode is voor formaldehyde 6%. Deze methode is toegepast in een eenjarig monitoringprogramma op twee plaatsten in Nederland, waarbij de gevonden gehalten varieren van 0.3 tot 7 ug/m3 voor formaldehyde en van 0.2 tot 7 ug/m3 voor acetaldehyde; crotonaldehyde en benzaldehyde zijn vrijwel niet aangetoond. Bij de uitvoering van het validatie onderzoek is gebruik gemaakt van een ijkgasinstallatie voor het verkrijgen van bekende aldehyde concentraties in lucht, zodat de invloed van verschillende parameters, die een rol spelen bij de bemonstering onderzocht kon worden. De modellen voor de componenten formaldehyde, benzaldehyde en crotonaldehyde beschrijven de variantie in de recovery met respectievelijk 77, 49 en 61% met een fout van 14, 22 en 15%. Voor een aantal parameters zijn de effecten groot, dit kan aanleiding zijn het lineaire model in verder onderzoek te vervangen door een niet-lineair model. Uit de resultaten blijkt dat met name een groot bemonsteringsvolume gunstig is voor de recoveries van de componenten, waarbij het volume belangrijker lijkt dan de snelheid en/of tijd van bemonsteren. Daarnaast hebben de bemonsteringsvolgorde en het gebruik van de bemonsteringskoffer een negatief effect en de bewaartijd van de cartridges voor bemonstering een positief effect op de recoveries van de aldehyden. Opvallend is dat enkele andere onderzochte parameters, waaronder de relatieve luchtvochtigheid, het concentratieniveau, de bewaartemperatuur voor en na bemonstering, de bewaartijd na bemonstering en de bemonsteringstemperatuur vrijwel geen invloed hebben. Opvallend is ook dat de resultaten vrijwel niet overeenkomen met de vooraf gestelde verwachtingen.<br>
    • Bijdragen veeteeltbedrijven aan fijnstofconcentraties. Tussentijdse evaluatie LOG De Rips

      Bloemen HJT; Uiterwijk JW; LVM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2009-03-26)
      De bijdrage van emissies uit intensieve varkenshouderijen aan fijnstof- en ammoniakconcentraties kan worden vastgesteld met metingen in de directe omgeving. Hiermee kunnen in de toekomst de effecten van het reconstructie beleid in Landbouw Ontwikkelingsgebieden worden gevolgd. Het onderzoek is gericht op het effect van beleidsmaatregelen in het kader van de reconstructie van de veeteeltsector waarbij verdichting van veeteeltbedrijven en toepassing van technische installaties zullen leiden tot veranderingen van de emissies. Metingen in de directe omgeving van het Landbouw Ontwikkelingsgebied De Rips, waar vooral varkenshouderijen zijn gevestigd, toonden een duidelijke bijdrage van stalemissies aan ammoniak. De bijdrage van fijn stof is geringer maar wel waarneembaar. Met dit resultaat wordt de beslissing voor voortzetting van het project onderbouwd en de uitbreiding naar het Landbouw Ontwikkelingsgebied in de Gelderse Vallei (vooral pluimveebedrijven) gerechtvaardigd.
    • Bijdragen veeteeltbedrijven aan fijnstofconcentraties. Tussentijdse evaluatie LOG Gelderse Vallei, november 2008 - juni 2009

      Bloemen HJT; Uiterwijk JW; van der Hoek KW; CMM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2010-06-17)
      In 2008 droeg de intensieve pluimveehouderij in de Gelderse Vallei voor circa 10 procent bij aan de concentraties fijn stof in de omgeving van deze bedrijven. De concentratie fijn stof in deze regio is vergelijkbaar met die in regionale locaties in Nederland zonder pluimveehouderijen waar het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit metingen verricht. De bijdrage van de intensieve pluimveehouderij aan ammoniakconcentraties was 50 procent. Deze concentraties behoren tot de hoogste van het land. Dit blijkt uit een tussentijdse evaluatie van de opzet van metingen in het landbouwontwikkelingsgebied De Gelderse Vallei. Het RIVM heeft het onderzoek uitgevoerd in opdracht van het ministerie van VROM als onderdeel van het Programma Gecombineerde Luchtwassers. De Gelderse Vallei is een van de circa tien LOG's in Nederland die zijn ingesteld om de fijnstofemissies uit de landbouw terug te dringen. In deze regio's worden landbouwbedrijven vergroot (geintensiveerd) om hun kracht in deze gebieden te versterken en landbouw daarbuiten af te remmen. Ook zijn technische maatregelen genomen, zoals de gecombineerde luchtwasser die ammoniak en fijn stof uit de lucht in stallen filtert. De meetresultaten vormen de nulmetingen voor het onderzoek naar fijnstofconcentraties in de Gelderse Vallei dat van 2008 tot 2011 loopt. Met de nulmetingen kunnen de effecten van technische maatregelen en de intensivering van veeteeltbedrijven in de nabije toekomst worden gevolgd. In de toekomst zullen de evaluaties worden aangevuld met specifieke gegevens over de landbouwactiviteiten in het LOG en de mate waarin de technische voorzieningen zijn gerealiseerd. Hiermee kunnen de effecten van het beleid worden beoordeeld en de bevindingen worden geextrapoleerd na andere LOG's.
    • Development and evaluation of 2 prototype instruments for the measurement of ammonia in an automated network

      Elzakker BG van; Putten EM van; Straalen D van; Uiterwijk JW; Waa C van der; LLO (1996-01-31)
      Ontwikkeld, getest en geoptimaliseerd zijn 2 verschillende meetsystemen voor de meting van ammoniak (NH3) in de buitenlucht. Doelstelling hierbij was het beschikbaar krijgen van een prototype operationele monitor die geschikt zou zijn voor produktie en implementatie op een achttal meetstations van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit (LML). Uitgegaan is van een experimentele WO3-thermodenudersysteem, zoals ontwikkeld door KEMA en een zogenaamde continue-flow natte denuder, ontwikkeld door ECN. Deze beide instrumenten waren door deze instituten reeds gebouwd in een experimentele uitvoering. De experimentele uitvoering van de continue-flow natte denuder is door RIVM vanaf augustus 1992 ingezet in het interim meetnet ammoniak. Voor 'permanente' inzet in het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit wordt door het RIVM een zekere functionele en operationele performance vereist. Enerzijds zijn dat eisen ten aanzien van meetbereik, nauwkeurigheid, tijdsresolutie etc., anderzijds eisen t.a.v. onder andere minimale beschikbaarheid van meetdata en controleerbare kwaliteit. De ontwikkeling en optimalisatie betrof primair de operationaliteit van de apparatuur. De functionele performance van de experimentele apparatuur diende hierbij minimaal gehandhaafd te blijven. De basis-prototypes, gebouwd door KEMA en ECN, werden bij RIVM in het laboratorium (onder controleerbare condities) en in het LML (onder veldomstandigheden) uitvoerig getest en geoptimaliseerd. De ontwikkeling van het KEMA prototype instrument verliep voorspoedig totdat in de testfase in het laboratorium bleek dat de vereiste functionele performance in de daartoe beschikbare doorlooptijd van het project niet haalbaar bleek. Dit betrof met name de meetnauwkeurigheid voor concentraties < 10 ug/m3 en de lage precisie in het gehele meetbereik van 0 - 500 ug/m3 NH3. Besloten moest daarom worden het contract met de KEMA voortijdig te beeindigen. De ontwikkeling van het ECN instrument verliep voorspoediger. Alhoewel ook hier tijdens de testfase diverse problemen optraden, met name met betrekking tot de temperatuursgevoeligheid van het instrument, werd de uiteindelijke realisatie haalbaar geacht. De optimalisatie werd daarom gecontinueerd. Dit leidde uiteindelijk in 1994 tot een prototype instrument dat in de laboratorium en veldtesten grotendeels bleek te voldoen aan de door RIVM vereiste functionele en operationele perfomance en dus geschikt is voor implementatie in het LML ter vervanging van de experimentele apparatuur. Een punt van aandacht blijft de temperatuursgevoeligheid van dit instrument, ook na optimalisatie. Geadviseerd wordt daarom nog een klein aantal additionele modificaties aan het prototype uit te voeren en de temperatuurscondities in de meetstations verder te verbeteren (luchttemperatuur lager dan of gelijk aan 30 graden C).
    • Dry deposition monitoring over the Speulder forest. Description of the equipment and evaluation of the measuring methods

      Mennen MG; Uiterwijk JW; Putten EM van; Hellemond J van; Wiese CJ; Regts TA; Hogenkamp JEM; Erisman JW; Bosveld FC; Wyers GP; et al. (1997-03-31)
      Dit rapport maakt deel uit van een serie rapporten, die geschreven zijn als afsluiting van de projecten Speuld (RIVM project 722108) en EC LIFE (93/NL/A23/NL/3547). Het rapport bevat een uitgebreide beschrijving van de opstelling voor de continue bepaling (monitoring) van droge depositiefluxen van verzurende componenten in het Speulderbos, en een evaluatie van de instrumenten en van de opstelling als geheel. Ook wordt een gedetailleerde foutenanalyse gegeven van de gas- en deeltjesfluxen die uit de meetgegevens zijn afgeleid, en worden enkele suggesties voor verbeteringen en correctieprocedures voor de fluxberekeningen gedaan. Uit de foutenanalyse volgt dat de fluxen van SO2, NH3 en NO met voldoende nauwkeurigheid kunnen worden bepaald. De onzekerheden in jaargemiddelde fluxen bedragen slechts een paar procent. Voor NOx en NO2 zijn de onzekerheden in uur- en jaargemiddelde fluxen veel groter, vooral door systematische fouten veroorzaakt door interferenties van HNO2, HNO3 and NH3, waardoor de fluxen 50% tot 100% overschat worden. In de toekomst kunnen de onzekerheden aanzienlijk worden gereduceerd door frictiesnelheden en sensibele warmtefluxen te corrigeren voor obstructie van de flow ; door sensibele warmtefluxen te corrigeren voor de invloed van vocht en windsnelheid ; en door gasconcentraties te corrigeren voor drukeffecten en interferenties. Voor dit laatste is het noodzakelijk de concentraties en gradienten van de interfererende componenten ook continu te meten ; eventueel kunnen de gradienten worden geschat uit geparametriseerde depositiesnelheden. De correctieprocedures worden in dit rapport beschreven. De onzekerheden in fluxen van HNO2, HNO3, HCl en deeltjesvormige componenten werden geschat op 30% voor de zure gassen, 40% voor de zure aerosolen en basische kationen en 50% voor de zware metalen. Ze worden vooral bepaald door onzekerheden in geparametriseerde depositiesnelheden.
    • Evaluatie en selectie van een nieuwe ozonmonitor ten behoeve van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit

      Uiterwijk JW; Regts TA; Meulen A van der (1990-06-30)
      Abstract niet beschikbaar
    • Evaluatie, selectie en acceptatie van een nieuwe stikstofoxydenmonitor ten behoeve van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit

      Uiterwijk JW; Regts TA; Meulen A van der; LLO (1995-02-28)
      Ten behoeve van de vervanging van de huidige stikstofoxydenmonitoren in het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit werd een drietal mogelijk geschikte monitortypes geevalueerd. Zowel in het laboratorium als in een veldtest werden de functionele en operationele aspecten beoordeeld. Daarnaast werd ook de vergelijkbaarheid met de huidige stikstofoxydenmonitor onderzocht.Gezien de geringe onderlinge verschillen in prestaties onder normale meetcondities en de noodzaak van modificaties voor alle onderzochte fabrikaten, is er, mede vanwege de uniformiteit in het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit, gekozen voor de Thermo Environmental Instruments model 42. Van dit gemodificeerde instrument, het model 42W, zijn in totaal 58 stuks aangeschaft. Deze zijn alle onderworpen aan een acceptatie procedure. De resultaten hiervan worden eveneens in dit rapport vermeld.
    • Locale Invloed Scheepvaart Emissies - LISE, Een verkenning

      Bloemen HJTh; Uiterwijk JW; Putten EM van; Verboom JH; LVM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2006-10-23)
      Emissions of intensive inland shipping at the river Waal up-stream of Nijmegen result in noticeable contributions to air pollution levels of nitrogen dioxide (NO2) in the direct surroundings whereas no contribution could be detected for particulate matter. At all of the other inland shipping routes the intensity is less and substantially lower contribution for NO2 is anticipated. With this survey the insight in the contribution of inland shipping to air pollution levels is improved and enables a better evaluation of its impact in comparison with other sources of air pollution such as road traffic. To illustrate the comparison with road traffic at a high way the road traffic intensity is estimated that will have a similar impact on the direct surroundings as does the shipping on the river Waal (4-5 microgram/m3 NO2 at 200-300 meter from the center of the river). This equivalent intensity is approximately 100,000 vehicles daily The time pattern of the concentrations at the bank of the river indicate clearly the passages of ships and the peak concentrations approach or even exceed the odor limit of NO2. The results of this investigation are in agreement with previous research using dispersion models and the ratio of the contribution of other monitored substances (sulfur dioxide and Black Smoke) are comparable with published emissions of these substances by inland shipping.
    • Locale Invloed Scheepvaart Emissies - LISE, Een verkenning

      Bloemen HJTh; Uiterwijk JW; van Putten EM; Verboom JH; LVM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2006-10-23)
      Emissies van hoog intensieve binnenvaart op de Waal bij Nijmegen leiden tot duidelijke bijdragen aan de luchtverontreiniging met stikstofdioxide (NO2) in de directe omgeving van de vaarroute terwijl voor PM10 geen duidelijke bijdrage kan worden aangetoond. Op veel andere binnenvaart routes in Nederland is de scheepvaart minder intensief en daar wordt een substantieel geringe bijdrage voor NO2 verwacht. De resultaten van dit orienterende onderzoek hebben het inzicht in de bijdrage van binnenvaart op de directe omgeving van de vaarroute verder verbeterd. Hiermee kan een betere inschatting worden gemaakt van de bijdrage van scheepvaart op de NO2 concentraties in relatie tot andere bronnen van NO2 zoals wegverkeer. Om een vergelijking van de binnenvaart met het wegverkeer inzichtelijk te maken is de intensiteit berekend van een snelweg die een gelijke invloed op de lokale omgeving heeft als de scheepvaart op de Waal (4-5 microgram/m3 NO2 op 200-300 meter van het midden van der rivier). Deze komt overeen met een intensiteit van circa 100.000 voertuigen per etmaal. Het verloop van de concentraties op de oevers van de Waal laat duidelijk de passages van schepen zien en de piekconcentraties bereiken of overschrijden op sommige momenten de geurgrens van NO2. De bevindingen van dit onderzoek zijn in overeenstemming met eerder uitgevoerd modelonderzoek. Verder komt de verhouding van de verschillende stoffen (zoals zwaveldioxide en Zwarte Rook) in de emissie van binnenvaart schepen overeen met de gevonden bijdragen op de oevers van de Waal.
    • Meetcampagne &quot;De nationale strontdag&quot;

      Meulen A van der; Elzakker BG van; Uiterwijk JW (1988-09-30)
      Als protest tegen de mestwetgeving was 1 december 1987 uitgeroepen tot "Nationale Strontdag". De bedoeling was de mest van twee maanden in een keer uit te rijden. De actie bleef echter beperkt tot de N.W. Veluwe. Derhalve kon in Bilthoven geen noemenswaardige verhoging van onder andere ammoniakniveaus vastgesteld worden. In het bijzonder bleven deze concentraties beneden het voor NH3 berekende jaargemiddelde voor 1986. Voorts bleken de filterpack en annular denuder methodes voor het meten van verzurende luchtverontreiniging op een redelijke wijze met elkaar overeen te stemmen.
    • Nachgasen von Schaedlingsbekaempfungsmitteln aus Containerguetern

      Knol T; Broekman MH; Putten EM van; Uiterwijk JW; Ramlal MR; Bloemen HJT; Schols E; Veldman W; VROM Inspectie regio Zuid-West; IMD (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2005-05-02)
      Container mit Guetern, die in die Niederlande eingefuehrt werden, sind oft mit einem Schaedlingsbekaempfungsmittel behandelt worden (sogenannte Begasung). Haeufig verwendete Schaedlingsbekaempfungsmittel sind Methylbromid und Chlorpikrin sowie Phosphin. Es besteht die Moeglichkeit, dass diese Gase in die Gueter gelangen und bei der Verwendung der Gueter durch die Verbraucher eine Ausdunstung (Restgasabgabe) erfolgt. Wie die vorliegende Untersuchung gezeigt hat, koennen Gueter wie zum Beispiel Matratzen, Schuhwerk, Taschen und kleine Figuren noch lange Zeit nach der Begasung Schaedlingsbekaempfungsmittel ausdunsten. Dadurch koennen die Verbraucher unbeabsichtigt diesen Restgasen ausgesetzt werden. Ausserdem hat sich herausgestellt, dass bei Nahrungs- oder Arzneimitteln die Begasung zu einer oralen Aufnahme von Schaedlingsbekaempfungsmitteln und moeglicherweise auch zur Veraenderung der chemischen Zusammensetzung des Nahrungs- oder Arzneimittels fuehren kann. Diese Untersuchung wurde im Auftrag der VROM-Inspektion des niederlaendischen Ministeriums fuer Wohnungswesen, Raumordnung und Umwelt durchgefuehrt.
    • Nachgasen von Schaedlingsbekaempfungsmitteln aus Containerguetern

      Knol T; Broekman MH; van Putten EM; Uiterwijk JW; Ramlal MR; Bloemen HJT; Schols E; Veldman W; IMD (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMVROM Inspectie regio Zuid-West, 2005-05-02)
      Containers met goederen die in Nederland worden ingevoerd, zijn vaak behandeld met een bestrijdingsmiddel. Veel toegepaste bestrijdingsmiddelen zijn methylbromide en chloorpicrine, en fosfine. De mogelijkheid bestaat dat deze middelen in de goederen terecht komen en uitdampen bij gebruik door consumenten. In dit onderzoek is gebleken dat goederen zoals matrassen, schoeisel, tassen en beeldjes, nog lange tijd na begassing bestrijdingsmiddelen kunnen uitdampen. Blootstelling van consumenten kan hierdoor onbedoeld optreden. Ook is gebleken dat bij voedingsmiddelen of medicijnen de begassing kan leiden tot orale opname van bestrijdingsmiddelen en wellicht ook tot verandering van de chemische samenstelling van het voedsel of medicijn.
    • Nalevering van bestrijdingsmiddelen uit containergoederen

      Knol T; Broekman MH; Putten EM van; Uiterwijk JW; Ramlal MR; Bloemen HJT; Schols E; Veldman W; VROM Inspectie regio Zuid-West; IMD (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2005-02-24)
      Goods containers imported into the Netherlands are often treated with such pesticides as methyl bromide, chloropicrine and phosphine. There is always a chance that pesticides absorbed in goods during transport will be released into the air by evaporation during consumer use. In this investigation, commissioned by the VROM Inspectorate, goods such as mattresses, footwear, bags and wood-hewn sculptures were found to be prone to evaporation. This evaporation can, in turn, cause consumers to be unintentionally exposed. Furthermore, evaporation from foodstuffs and medicines can lead to oral ingestion of pesticides and perhaps even changes in the chemical composition of a food or medicine.
    • Nalevering van bestrijdingsmiddelen uit containergoederen

      Knol T; Broekman MH; van Putten EM; Uiterwijk JW; Ramlal MR; Bloemen HJT; Schols E; Veldman W; IMD (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMVROM Inspectie regio Zuid-West, 2005-02-24)
      Containers met goederen die in Nederland worden ingevoerd, zijn vaak behandeld met een bestrijdingsmiddel. Veel toegepaste bestrijdingsmiddelen zijn methylbromide en chloorpicrine, en fosfine. De mogelijkheid bestaat dat deze middelen in de goederen terecht komen en uitdampen bij gebruik door consumenten.In dit onderzoek is gebleken dat goederen zoals matrassen, schoeisel, tassen en beeldjes, nog lange tijd na begassing bestrijdingsmiddelen kunnen uitdampen. Blootstelling van consumenten kan hierdoor onbedoeld optreden. Ook is gebleken dat bij voedingsmiddelen of medicijnen de begassing kan leiden tot orale opname van bestrijdingsmiddelen en wellicht ook tot verandering van de chemische samenstelling van het voedsel of medicijn. Dit onderzoek is verricht in opdracht van de VROM-Inspectie
    • Onderzoek naar 11 ammoniak monitoren voor het interim meetnet ammoniak

      Elzakker BG van; Stuiver J; Uden GJBM van; Uiterwijk JW; LLO (1995-03-31)
      Onderzocht zijn een 11-tal monitoren voor ammoniak (NH3)- immissiemetingen in het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit (LML). Deze continue-flow natte denuders (type AMANDA) zijn ontwikkeld en gefabriceerd door het Energieonderzoek Centrum Nederland (ECN) te Petten. De apparatuur is onder laboratorium condities onderzocht op lineariteit, afwijking, herhaalbaarheid, detectiegrens, precisie, gevoeligheid voor interferenten, temperatuurgevoeligheid, vochtgevoeligheid en gevoeligheid voor netspanningsvariaties. De resultaten zijn als volgt samen te vatten: -de lineariteit in het meetbereik 0 tot 250 mug/m3 is zeer goed (r=1.000) -afwijkingen t.o.v. aangeboden ammoniakconcentraties liggen gemiddeld voor alle instrumenten tussen maximaal +3.5% voor concentraties < 30 mug/m3 NH3 en maximaal -7.3% voor NH3 concentraties > 30 mug/m3. Incidenteel kunnen grotere afwijkingen voorkomen. -de herhaalbaarheid bij nullucht ligt in de orde van 0.5 mug/m3 en bij een concentratie van 168 mug/m3 in de orde van 2% -de detectiegrens (2s) bedraagt 0.05 +- 0.04 mug/m3 -de precisie bij nullucht is 0.03 +-0.02 mug/m3 en voor NH3 concentraties < 2% -de temperatuurgevoeligheid is significant in het onderzochte temperatuurstraject van 10 tot 30 graden C -er is geen interferentie vast te stellen voor concentraties van 86.5 mug/m3 SO2, 135 mug/m3 NO, 207 mug/m3 NO2 en 120 mug/m3 O3 -een geringe vochtgevoeligheid is vastgesteld maar wordt waarschijnlijk geintroduceerd door artefacten buiten de apparatuur -de apparatuur vertoont geen significante gevoeligheid voor te verwachten netspanningsvariaties (200 - 240V) Aanbevolen wordt de apparatuur uitsluitend onder zeer strikte condities in het LML te bedrijven met inzet van veel personele capaciteit van voldoende deskundigheidsniveau. De opzet van een kwaliteitscontroleprogramma is noodzakelijk om de kwaliteit onder veldcondities vast te stellen. Daarnaast wordt aanbevolen aanvullend onderzoek naar de temperatuursgevoeligheid van de apparatuur uit te voeren.
    • Onderzoek naar de uitworp van een PVC-verwerkend bedrijf te Huizen en de mogelijke gevolgen hiervan voor de volksgezondheid

      van de Wiel HJ; Knaap AGAC; van Apeldoorn ME; Vermeire T; Uiterwijk JW; Bos HP (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1987-06-30)
      Het betreft een bedrijf dat vloerbedekking, wandbekleding en kunstleer op PVC-basis produceert in de situatie dat alle machines met mistfilters zullen zijn uitgerust. Op basis van gemeten uitworp, produktie-pakket en reguliere bedrijfsvoering werd het uitworppatroon van het bedrijf berekend. Met behulp van verspreidingsmodellen werd hieruit de jaargemiddelde verontreiniging en piekverontreiniging van de lucht in de omgeving voor 8 stoffen bepaald. Op basis hiervan is een toxicologische evaluatie uitgevoerd.<br>
    • Performance study of four automatic ammonia monitors under controlled conditions

      Putten EM van; Mennen MG; Regts T; Uiterwijk JW; LLO (1994-09-30)
      Het meetmethodisch functioneren van vier automatische ammoniakmonitoren is onderzocht in een klimaatkamer onder gecontroleerde omstandigheden. Dit onderzoekt maakt deel uit van een procedure voor de selectie van een ammoniakmonitor voor het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit (LML). Vier ammoniakmonitoren zijn onderzocht, namelijk twee thermodenuders (een ontwikkeld door KEMA en een ontwikkeld door ECN), een continuous-flow denuder (ontwikkeld door ECN) en een NOx-monitor met NH3 converter (ontwikkeld door Thermo Environmental Instruments). Van elk instrument werden functionele parameters zoals drift, lineariteit, precisie, detectielimiet, temperatuurs-afhankelijkheid en effecten van enkele interfererende gassen en aerosolen bepaald. De KEMA thermodenuder en de continuous-flow denuder bleken aan bijna alle eisen te voldoen. Beide instrumenten moeten echter technisch verbeterd worden en moeten worden voorzien van een automatische calibratiefaciliteit. De NOx-monitor met NH3 converter voldeed aan de meeste eisen, maar het interfererend effect van ammonium aerosol veroorzaakte onacceptabel grote afwijkingen. Daarom is dit instrument alleen geschikt voor metingen op locaties met hoge ammoniakconcentraties, zoals stallen. De ECN thermodenuder bleek niet geschikt als ammoniakmonitor voor het LML.
    • The release of pesticides from container goods

      Knol T; Broekman MH; Putten EM van; Uiterwijk JW; Ramlal MR; Bloemen HJT; Schols E; Veldman W; IMD (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2005-06-13)
      Goods containers imported into the Netherlands are often treated with such pesticides as methyl bromide, chloropicrine and phosphine. There is always a chance that pesticides absorbed in goods during transport will be released into the air by evaporation during consumer use. In this investigation, commissioned by the VROM Inspectorate, goods such as mattresses, footwear, bags and wood-hewn sculptures were found to be prone to evaporation. This evaporation can, in turn, cause consumers to be unintentionally exposed. Furthermore, evaporation from foodstuffs and medicines can lead to oral ingestion of pesticides and perhaps even changes in the chemical composition of a food or medicine.
    • The release of pesticides from container goods

      Knol T; Broekman MH; van Putten EM; Uiterwijk JW; Ramlal MR; Bloemen HJT; Schols E; Veldman W; IMD (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2005-06-13)
      Containers met goederen die in Nederland worden ingevoerd, zijn vaak behandeld met een bestrijdingsmiddel. Veel toegepaste bestrijdingsmiddelen zijn methylbromide en chloorpicrine, en fosfine. De mogelijkheid bestaat dat deze middelen in de goederen terecht komen en uitdampen bij gebruik door consumenten.In dit onderzoek is gebleken dat goederen zoals matrassen, schoeisel, tassen en beeldjes, nog lange tijd na begassing bestrijdingsmiddelen kunnen uitdampen. Blootstelling van consumenten kan hierdoor onbedoeld optreden. Ook is gebleken dat bij voedingsmiddelen of medicijnen de begassing kan leiden tot orale opname van bestrijdingsmiddelen en wellicht ook tot verandering van de chemische samenstelling van het voedsel of medicijn. Dit onderzoek is verricht in opdracht van de VROM-Inspectie