• Afstandentabel ammoniak koelinstallaties

      Uijt de Haag PAM; CEV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2005-09-22)
      An operator of an establishment using large quantities of dangerous substances, like ammonia, is obliged to carry out a risk assessment, in which the mortality risk to the surrounding population in the case of an accident has to be calculated. The results of the assessment are used to derive an acceptable distance between the establishment and the neighbouring dwellings. Such establishments in the Netherlands include refrigerating installations using ammonia as cooling medium. To avoid carrying out large numbers of similar risk analyses, a few representative installations have been defined. Risk analyses were carried out for these installations and results summarized in conversion tables relating the type of installation to the acceptable risk distance. The conversion table is set up for installations with a maximum of 10,000 kg of ammonia as cooling medium and a limited pump flow of less than 2 kg/s. The installations must also be in compliance with the safety recommendations of the Committee for the Prevention of Disasters. The risk to the surroundings is caused mainly by the installation parts situated outside the engine room. Therefore installations are distinguished into three types with different combinations of installation parts situated outside the engine room. Calculations show the acceptable distance to vary between zero metres for a small installation completely situated in an engine room to 95 metres for a large installation situated completely in open air. The acceptable risk distances calculated here were implemented in Dutch legislation in 2004.
    • Afstandentabel ammoniak koelinstallaties

      Uijt de Haag PAM; CEV (2005-09-22)
      Bedrijven met aanzienlijke hoeveelheden gevaarlijke stoffen, zoals ammoniak, moeten een risicoanalyse maken voor de externe veiligheid. In deze analyse wordt berekend wat de risico's voor de omwonenden zijn ten gevolge van een mogelijk ongeval bij het bedrijf. De resultaten van de risicoanalyse worden vergeleken met de risiconormering en hieruit wordt een acceptabele afstand tussen het bedrijf en de omwonenden bepaald.In Nederland is een groot aantal ammoniakkoelinstallaties in gebruik. Om te voorkomen dat voor elke installatie afzonderlijk een risicoanalyse moet worden gemaakt, zijn voor een aantal representatieve installaties berekeningen uitgevoerd en is een afstandentabel samengesteld. Voor de meest voorkomende ammoniakkoelinstallaties worden nu geen aparte risicoberekeningen meer uitgevoerd, maar wordt de acceptabele afstand tot woningen uit de tabel afgelezen. De afstandentabel is opgesteld voor een ammoniakkoelinstallatie met maximaal 10.000 kg systeeminhoud, die voldoet aan de CPR richtlijnen en met een beperkt pompdebiet (minder dan 2 kg/s). Het externe veiligheidsrisico wordt voornamelijk bepaald door de onderdelen van de installatie die buiten liggen. Daarom is er onderscheid gemaakt in verschillende typen installaties, afhankelijk van de onderdelen van de installatie die buiten zijn opgesteld. De resultaten van de berekeningen laten zien dat de acceptabele afstand tussen een ammoniak koelinstallatie en woningen varieert van nul meter voor een kleine installatie die volledig in een machinekamer is opgesteld tot 95 meter voor een grote installatie die volledig buiten is opgesteld.De resultaten van de berekeningen zijn opgenomen in de Regeling Externe Veiligheid Inrichtingen (Staatscourant 23 september 2004, nr 183).
    • Beoordelingskader milieu-effecten schaliegaswinning

      Tangena BH; van Beelen P; Spijker J; Verschoor AJ; Uijt de Haag PAM; de Gruijter DG; Lolkema DE; Ruyssenaars PG; van Kempen E; DDB; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2016-02-25)
      In de zomer van 2015 heeft het ministerie van Economische Zaken het milieu-effectrapport over schaliegaswinning (de planMER schaliegas) uitgebracht. Daarin wordt beschreven welke gevolgen de eventuele winning van schaliegas kan hebben voor het milieu. Om te kunnen beoordelen of deze gevolgen binnen de wettelijke milieunormen of andere richtlijnen blijven, heeft het RIVM een overzicht gemaakt van de bijbehorende normen en richtlijnen. Aan de basis van het overzicht liggen de milieu-effecten die in de planMER in beeld zijn gebracht. Voorbeelden zijn verontreinigingen van lucht, bodem en water, en gevolgen voor lichthinder, geluidhinder, externe veiligheid en klimaat. Uit de inventarisatie blijkt dat voor veel van deze milieugevolgen grenswaarden bestaan, maar niet voor alle. Er bestaan bijvoorbeeld wettelijke normen voor een aantal stoffen die bij de schaliegaswinning kunnen vrijkomen en de kwaliteit van lucht, grondwater en oppervlaktewater kunnen aantasten. Voor veel stoffen is dat echter niet het geval. Voor andere soorten milieu-effecten zijn al dan niet wettelijk vastgestelde kaders beschikbaar. Zo bestaan er wettelijke richtlijnen voor de door schaliegaswinning veroorzaakte geluidhinder en de kans op brand en explosies. Voor opgewekte trillingen en lichthinder bestaan alleen niet-wettelijk vastgestelde aanbevelingen. Er zijn ook milieu-effecten waarvoor geen normen of andere toetsingskaders bestaan, zoals de kans op aardbevingen en bodemdaling. Als zo'n kader ontbreekt, is het niet eenvoudig om deze effecten te beoordelen. Aan het overzicht worden geen adviezen of conclusies verbonden.
    • A Comparison of Different Options for Electricity Production: Environmental Indicators for Application in a Multi Attribute Utility Analysis

      Jeeninga H; Uijt de Haag PAM; Lembrechts JFMM; LSO (1996-03-31)
      Het project "Vergelijking van de risico's van electriciteits-produktie" heeft als doel een methode te vinden voor het vergelijken van zowel gezondheidseffecten als milieu-effecten van verschillende manieren van elektriciteitsproduktie. Hiertoe zijn twee voorbeelden gekozen: een kolencentrale in Duitsland en een kerncentrale in Frankrijk die vergeleken worden op basis van een multicriteria analyse. Dit rapport beschrijft een mogelijke set van milieu-indicatoren voor deze vergelijking. Voor een beperkt aantal milieuthema's als verandering van klimaat, verspilling, verzuring en verspreiding (zware metalen en radionucliden), zijn de indicatoren verder uitgewerkt met voorbeeldberekeningen. De voorbeeldberekeningen laten zien dat het mogelijk is indicatoren, die gebaseerd zijn op de concentraties waarbij nog geen effect optreedt, eenvoudig uit te rekenen en onderling te vergelijken. De vergelijking van de verschillende soorten indicatoren moet nog worden uitgevoerd in de multicriteria analyse.
    • A Comparison of Different Options for Electricity Production: Environmental Indicators for Application in a Multi Attribute Utility Analysis

      Jeeninga H; Uijt de Haag PAM; Lembrechts JFMM; LSO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1996-03-31)
      The project "Comparative Assessment and Management of Radiological and Non-Radiological Risks Associated with Energy Systems" aims to develop a method for the comparison of environmental and human health impacts of electricity generating systems. Two energy systems serve as cases: the coal fuel cycle in Germany and the nuclear fuel cycle in France ; they are compared on the basis of a Multi Attribute Utility Analysis (MAUA). This report presents a set of indicators to describe the environmental impacts. The indicators are described in more detail for a limited number of environmental concerns, i.e. climate change, depletion of natural resources, acidification and eutrophication, contamination with radionuclides and with heavy metals ; they are illustrated with sample calculations. The examples show that it is possible to define environmental indicators based on no-effect levels which can be easily calculated and intercompared. However, problems arise in the comparison of the pressure indicators, on the one hand, and chemical-state indicators on the other. This comparison should be executed in the MAUA, where the different indicators are weighted.
    • Consequentieonderzoek SAFETI-NL : 8 Verschillen in uitkomsten ten opzichte van SAFETI-NL 6.54 en impact daarvan

      Kooi ES; Zonneveld M; Boxman AMC; van Vliet AAC; Uijt de Haag PAM; MSO; VLH (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-07-05)
      De externe veiligheidsrisico's van bedrijven en transportleidingen met gevaarlijke stoffen moeten berekend worden met het rekenprogramma SAFETI-NL. De uitkomsten van de risicoberekeningen worden gebruikt voor vergunningverlening en ruimtelijke ordening. In zones met een hoog risico gelden bouwbeperkingen. Hier zijn bijvoorbeeld geen woningen toegestaan. De huidige versie van het rekenprogramma, 6.54, is verouderd. Daarom wil RIVM, als beheerder van het rekenprogramma, overgaan op een nieuwe versie, SAFETI-NL 8. Met de nieuwe versie kunnen uitkomsten van risicoberekeningen en de daarbij horende zones met bouwbeperkingen veranderen. RIVM heeft voor 149 situaties bekeken wat de invoering van SAFETI-NL 8 betekent voor de bedrijven en de omgeving. Bij twee op de drie onderzochte situaties wordt de zone met bouwbeperkingen kleiner. Bij de overige situaties wordt de zone groter. In combinatie met andere factoren kan dan een ontoelaatbare situatie ontstaan waarvoor bedrijven of lokale overheden maatregelen moeten nemen. Bij 2 van de 149 onderzochte situaties was dit het geval. Het is voor het eerst dat de impact van een nieuwe versie op deze gedetailleerde manier is onderzocht. Daarbij is nauw samengewerkt met bedrijven en omgevingsdiensten
    • Evaluatie van de RIVM/LSO-organisatie voor kernongevallenbestrijding

      Pruppers MJM; Tax RB; Uijt de Haag PAM; de Vries LJ (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1993-10-31)
      The accident at the Chernobyl nuclear power station in April 1986 and its consequences were reason for the Dutch government to evaluate and improve the facilities and the preparedness for nuclear emergency management in the Netherlands. The results of the evaluation have been elaborated in operational terms in the National Plan for Nulear Emergency Planning and Response (EPR). At RIVM, in particular at the Laboratory of Radiation Research, the organization for emergency planning and responce, which has been realised in the period from 1988 to 1991, plays a central role in the EPR-organization for technical information. The RIVM emergency organization has to provide technical information which is necessary to advise decision makers about possible countermeasures. The purpose of this study is to evaluate the RIVM emergency organization. The tracing of the weak elements in the organization is done by comparing the present situation (January, 1st 1993) with the desirable situation. This resulted in a list of recommendations which will be subject of a RIVM-project entitled 'Development of the Emergency Organization'.<br>
    • Evaluation of the Dutch QRA directives for storage and transportation of flammable liquids

      Kooi ES; Spoelstra MB; Uijt de Haag PAM; CEV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2010-08-16)
      Voor opslag en transport van brandbare aardolieproducten moet volgens de Nederlandse wetgeving worden bepaald of er ongevallen kunnen optreden waarbij dodelijke slachtoffers kunnen vallen. Als onderdeel hiervan moet ook de grootte en de ligging worden vastgesteld van het gebied waarbinnen mensen kunnen overlijden in geval van een ernstig ongeval. Voor deze risicobeoordeling is een methodiek vastgesteld. In deze methodiek blijkt de mogelijkheid van een explosie bij activiteiten met brandbare aardolieproducten voldoende te zijn verdisconteerd. Wel zijn enkele verbeteringen in de methodiek gewenst. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM in opdracht van het ministerie van VROM. Aanleiding voor het onderzoek was een onverwacht grote explosie bij een opslagfaciliteit van aardolieproducten in Hemel Hempstead, Engeland, in 2005. Een goede rekenmethodiek is gewenst omdat op basis van de berekende risico's veiligheidsafstanden worden vastgesteld voor bebouwing in de omgeving van dergelijke bedrijven. Met dergelijke veiligheidsafstanden wordt voorkomen dat kwetsbare bestemmingen, zoals woningen en scholen, op locaties staan waar de kans op overlijden door dergelijke ongelukken groot is. Aanbevolen wordt om in de rekenmethodiek beter te specificeren hoe de effecten van vrijkomende mengsels moeten worden berekend. Ook zijn verbeteringsvoorstellen gedaan voor enkele specifieke modelonderdelen. In de evaluatie zijn naast het genoemde ongeval in Hemel Hempstead, ook andere ongevallen bij opslag en transport van brandbare aardolieproducten meegenomen.
    • Evaluation of the Dutch QRA directives for storage and transportation of flammable liquids

      Kooi ES; Spoelstra MB; Uijt de Haag PAM; CEV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2009-04-16)
      Voor opslag en transport van brandbare aardolieproducten moet volgens de Nederlandse wetgeving worden bepaald of er ongevallen kunnen optreden waarbij dodelijke slachtoffers kunnen vallen. Als onderdeel hiervan moet ook de grootte en de ligging worden vastgesteld van het gebied waarbinnen mensen kunnen overlijden in geval van een ernstig ongeval. Voor deze risicobeoordeling is een methodiek vastgesteld. In deze methodiek blijkt de mogelijkheid van een explosie bij activiteiten met brandbare aardolieproducten voldoende te zijn verdisconteerd. Wel zijn enkele verbeteringen in de methodiek gewenst. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM in opdracht van het ministerie van VROM. Aanleiding voor het onderzoek was een onverwacht grote explosie bij een opslagfaciliteit van aardolieproducten in Hemel Hempstead, Engeland, in 2005. Een goede rekenmethodiek is gewenst omdat op basis van de berekende risico's afstanden worden vastgesteld voor bebouwing in de omgeving van dergelijke bedrijven. Met dergelijke afstanden wordt voorkomen dat kwetsbare bestemmingen, zoals woningen en scholen, op locaties staan waar de kans op overlijden door dergelijke ongelukken groot is. Aanbevolen wordt om in de rekenmethodiek beter te specificeren hoe de effecten van vrijkomende mengsels moeten worden berekend en om de voorschriften voor opslag en transport van brandbare vloeistoffen beter op elkaar af te stemmen. Ook zijn verbeteringsvoorstellen gedaan voor enkele specifieke modelonderdelen. In de evaluatie zijn naast het genoemde ongeval in Hemel Hempstead, ook andere ongevallen bij opslag en transport van brandbare aardolieproducten meegenomen.
    • Executive summary validatie van modellen en internationale samenwerking

      Hassanizadeh SM; Leijnse A; Richardson-van der Poel MA; Uijt de Haag PAM; Weerd H van de (1993-10-31)
      Abstract niet beschikbaar
    • Gezondheidsrisico's brand EL AL-Boeing

      van Bruggen M; Janssen PJCM; Kliest JJG; Meulenbelt J; Smetsers RCGM; Uijt de Haag PAM; de Mik G; Elzinga G; IEM; CSR; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1998-11-30)
      Op verzoek van het ministerie van VWS heeft het RIVM onderzoek verricht naar mogelijke gezondheidsrisico's van de verbranding of verspreiding van stoffen en goederen die zich aan boord bevonden van de in 1992 verongelukte El Al-Boeing. Allereerst heeft het RIVM de in de ladinglijst genoemde stoffen geevalueerd en de overige in het vliegtuig aanwezige stoffen, zoals verarmd uranium, kerosine, kunststoffen en vlamvertragers. Vervolgens is, met behulp van verspreidingsmodellen, de concentratie van die stoffen op leefniveau berekend. Op basis van deze concentraties kon worden vastgesteld dat van de blootstelling geen blijvende gezondheidsschade verwacht mag worden. Wel is het aannemelijk dat er acute effecten zijn opgetreden, zoals irritatie van ogen en ademhalingswegen en gevoelens van benauwdheid. De kans op het ontstaan van kanker is als gevolg van de ramp wel toegenomen. Voor verarmd uranium met een extra geval van kanker op 100.000.000 blootgestelden. Voor de pak's en zware metalen met een tot twee extra gevallen van kanker per 10.000 blootgestelden. Dit laatste getal is vergelijkbaar met het niveau van het Maximaal Toelaatbaar Risico dat in het Nederlandse milieubeleid voor chemische stoffen wordt gehanteerd. Het "bij gebrek aan meetgegevens" grote aantal aannames en de lange periode die verlopen is tussen de brand en het onderzoek, maken dat de resultaten met het nodige voorbehoud moeten worden bezien.<br>
    • Gezondheidsrisico's brand EL AL-Boeing

      Bruggen M van; Janssen PCJM; Kliest JJG; Meulenbelt J; Smetsers RCGM; Uijt de Haag PAM; Mik G de; Elzinga G; IEM; CSR; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1998-11-30)
      In May 1998, the Dutch government asked RIVM to make an assessment of the human exposure that could have resulted from the 1992 airplane crash in Amsterdam. The request was prompted by persistent health complaints of the bystanders of the crash. Starting point of the health risk assessment was the latest version of the list of Airway Cargo Bills. In addition to this , the amount of kerosine at the moment of the crash was calculated and the quantity of depleted uranium that was not recovered after the crash. These data were completed with an estimate of the amount of synthetics, heavy metals and flame retardants in the plane. After dispersion-modelling it was concluded that environmental concentrations immediately following the crash could have resulted in acute effects, like irritation of eyes and bronchi , but that no persistent health complaints had to be expected. There was however an increased risk to develop cancer as a result of the exposure. For depleted uranium this amounted to 1 additional case of cancer per 1 x 109 persons exposed and for PAH's and heavy metals to 1 - 2 additional cases of cancer per 1 x 104 persons exposed. Caution is needed in interpreting these data, due to the lack of measurements in the acute phase and the long period between exposure and the study.
    • Handrekenmethode voor het groepsrisico bij Externe Veiligheid

      Ale BJM; Laheij GMH; Uijt de Haag PAM; LSO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1996-01-31)
      It has proved to be difficult to use information regarding societal risk in physical planning around hazardous installations. The main problem is the necessity to recalculate the risks for every alternative physical plan. On request of the ministry of Housing, Physical Planning and Environment (VROM) it has been investigated whether a simplified method for the estimation of the required zoning distances is feasible. This report describes a methodology which has been developed to allow local planning authorities to judge the societal risk consequences of proposed housing developments around major hazard establishments without the need to perform a new risk analysis. The method uses information out of the EVR report which is available to the authorities. The information used is the Potential Loss of Life, the F-N curve and the position of the individual risk contours.
    • Handrekenmethode voor het groepsrisico bij Externe Veiligheid

      Ale BJM; Laheij GMH; Uijt de Haag PAM; LSO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1996-01-31)
      Het gebruik van informatie met betrekking tot het groepsrisico bij het ontwikkelen van ruimtelijke ordeningsplannen rond potentieel gevaarlijke bedrijven is op praktische bezwaren gestoten. Het belangrijkste bezwaar is de noodzaak om voor elk alternatief plan een nieuwe risico-analyse uit te voeren. Daarom is in opdracht van het ministerie van VROM onderzoek uitgevoerd naar de mogelijkheden van een eenvoudige schattingsmethode voor de vereiste zoneringsafstand. Dit rapport beschrijft de generieke groepsrisicomethodiek die is ontwikkeld voor de lokale ruimtelijke ordening autoriteiten voor het inschatten van het effect op het groepsrisico van bouwplannen rond EVR-plichtige inrichtingen zonder het opnieuw uitvoeren van een risico-analyse. De methode maakt gebruik van informatie uit het externe veiligheidsrapport (EVR) welke voor de autoriteiten beschikbaar is. Deze informatie betreft de Potential Loss of Life, de F-N curve en de ligging van de individuele risicocontouren.<br>
    • Invoering van het luchtverspreidingsmodel NPK-PUFF, versie 1.0, voor toepassing in de NPK-organisatie

      Uijt de Haag PAM; Geertsema GT; Kroonenberg FC; Aldenkamp FJ; LSO; KNMI (Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI)De Bilt, 1998-02-28)
      Na het ongeval van Chernobyl hebben het KNMI en RIVM gezamenlijk een model ontwikkeld voor het berekenen van de verspreiding van radioactieve stoffen in de atmosfeer op Europese schaal, het RIVM/KNMI PUFF-model. Het model wordt onder andere toegepast in het Nationaal Plan voor de Kernongevallenbestrijding (NPK). Het KNMI en het RIVM beschikken beide over een versie van het model. Door voortschrijdende modelontwikkeling zijn er in de loop van de tijd verschillen ontstaan tussen beide modelversies. Daarom is besloten om voor de toepassing van het PUFF model in de ongevalsorganisatie een nieuwe versie van het model te ontwikkelen. Dit model, het NPK-PUFF model, combineert de beste elementen van beide versies, en maakt gebruik van de meer gedetailleerde HIRLAM- en ECMWF-meteovelden. Het NPK-PUFF model is nu operationeel bij het KNMI en het RIVM. Voor toepassing van het model in de NPK-organisatie moet gecontroleerd worden of de beide operationele versies van NPK-PUFF gelijke resultaten geven. Dit rapport beschrijft het testplan en de resultaten van de vergelijking. Het testplan bestaat uit een berekening voor een hypothetische lozing op 17 november 1994 met verschillende combinaties van meteorologische invoergegevens, en een berekening voor een actuele weersituatie in juni 1997. Ook zijn in het testplan criteria opgenomen voor de vergelijking van de resultaten en de acceptatie hiervan. De resultaten van de verschillende testberekeningen laten zien dat de overeenkomst in de beide operationele versies van NPK-PUFF in het algemeen goed is. De geconstateerde afwijkingen zijn gering, niet systematisch en niet van invloed op de rapportage aan de NPK-organisatie. Enkele berekeningen voldoen voor een beperkt aantal tijdstippen niet volledig aan de criteria, maar deze afwijkingen zijn niet essentieel. Met de resultaten van deze test wordt voorgesteld versie 1.0 van NPK-PUFF te accepteren voor toepassing in de NPK-organisatie.
    • Invoering van het luchtverspreidingsmodel NPK-PUFF, versie 1.0, voor toepassing in de NPK-organisatie

      Uijt de Haag PAM; Geertsema GT; Kroonenberg FC; Aldenkamp FJ; Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI), De Bilt; LSO; KNMI (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1998-02-28)
      Following the accident at the nuclear power station in Chernobyl, KNMI and RIVM developed a model for the long-range atmospheric transport of radionuclides. This model, the RIVM/KNMI PUFF model, is in use for application in the National Plan for Nuclear Emergency Planning and Response. The PUFF-model is used at KNMI and RIVM. However, differences exist between the two versions of the model due to new model developments. It is therefore decided to create a new version of the PUFF model, the NPK-PUFF model. This model combines the best elements of the two versions , especially in the use of the more detailed HIRLAM- and ECMWF- meteorological data. The NPK-PUFF model is now operational at KNMI and RIVM. However, before the model can be used in the National Plan for Nuclear Emergency Planning and Response, it is necessary to check whether the two operational versions of the NPK-PUFF model give similar results. This report describes the tests performed and the results. The tests consist of a calculation for a hypothetical release on 17 November 1994, using different combinations of meteorological data, and a calculation with actual data in June 1997. Various criteria are used to compare the results and to accept or reject the results. The results of the two operational versions of the NPK-PUFF model appeared to be similar. The differences in model results were small and the deviations were not systematically. For some calculations, at a few moments the criteria were not fulfilled completely. However, these deviations are considered not to be crucial. With these results, it is proposed to accept the NPK-PUFF model, version 1.0, for application in the National Plan for Nuclear Emergency Planning and Response.
    • Kwantitatieve risicoanalyse voor arbeidsveiligheid. De ontwikkeling van een risicomodel en software

      Aneziris O; Baedts E de; Baksteen J; Bellamy LJ; Bloemhoff A; Damen M; Eijk V van; Kuiper JI; Leidelmeijer K; Mud M; et al. (WORM Metamorphosis ConsortiumNCSR DemokritosEDBCRondas Safety ConsultancyWhite Queen BVConsumer Safety InstituteRIGORPS Advies BVMinisterie SZWNIFVHCRM Ltd., 2009-08-27)
      Er is een model ontwikkeld om arbeidsrisico's tijdens het werk in Nederland te berekenen. Per activiteit, baan, bedrijf of industrietak kan het risico op ongevallen of overlijden worden berekend. Werkgevers kunnen vervolgens maatregelen kiezen die het risico hierop beperken. Ook kunnen de kosten van deze maatregelen en de behaalde risicobeperking met het model worden berekend. Hiermee is een optimale afweging mogelijk van de kosten en de baten van maatregelen die risico's verminderen. Het model is ontwikkeld in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW). Het RIVM gaf leiding aan het internationale onderzoeksconsortium. Voor het onderzoek is een groot aantal arbeidsongevallen geanalyseerd, op basis van de ongevalrapporten van de Arbeidsinspectie. Deze gegevens zijn in een database gezet, waarbij de arbeidsongevallen werden verdeeld naar 36 typen ongevalscenario's. De ongevalscenario's werden gebruikt om zogenoemde 'vlinderdasmodellen', bow ties, te construeren. Aan de ene kant van dit model staan de onderliggende oorzaken van een ongeval vermeld en aan de anders kant de gevolgen ervan (gewond raken of dodelijk letsel). In een bow tie worden de maatregelen genoemd die een ongeval helpen voorkomen, dan wel helpen om de gevolgen te beperken. De bow ties geven eveneens getalsmatig aan hoe vaak dergelijke maatregelen kunnen falen. Vervolgens is een analyse gemaakt van de activiteiten en arbeidsomstandigheden van de gemiddelde werknemer. Daarmee is bepaald in welke mate werkende personen aan risicovolle activiteiten blootstaan en hoe goed de risicobeperkende maatregelen op de werkplek zijn.
    • Lead in the Dutch environment ; a review of exposure pathways and dispersion models. A pilot study for an integrated chain model

      Eggink GJ; Uijt de Haag PAM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1993-05-31)
      Prognoses of possible effects and risks of chemical emissions into the environment and calculation of the effects of countermeasures are often produced using mathematical models. Most models are developed to describe a part of the total source-to-effect chain or to give results for specific compartments. In this study the models available at the RIVM have been examined for their usefulness in an integrated chain model for the total source-effect-risk chain of lead and lead-210 (a radioactive isotope of lead, Pb-210) in the Dutch environment. An integrated chain model is defined here as a set of relatively complex, deterministic stand-alone models, which have been independently developed and later linked. This report presents a short survey of the emission sources and effects of lead. Inorganic lead is emitted to the atmosphere in rather large quantities by traffic and industrial plants. The source-to effect chain is only partly covered by the available models. On a local scale the incompleteness is restricted to relatively small parts of the chain, like the contamination and transfer of lead from groundwater to terrestrial plants. The development of an integrated chain model is very time consuming, therefore should only be developed if there is a specific demand. Hence it would be advisable to start a follow-up project with an inventory of the demands for integrated models to answer specific questions on lead and to determine what is required: either the development of an integrated chain model or a less detailed but more encompassing integral model.
    • A method to judge the internal risk of establishments with dangerous substances

      Uijt de Haag PAM; Laheij G; Post G; Ale B; Bellamy L; LSO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2002-03-04)
      Er is een methode gemaakt voor het beoordelen van de aanvaardbaarheid van de risico's voor werknemers, zoals beschreven in het veiligheidsrapport. Uitgangspunt van de methode is een inrichting met een adequate veiligheidsbeheerssysteem. De beoordelingsmethode bestaat uit het controleren of alle benodigde informatie gegeven is, het vergelijken van het risico en de interne risiconormen van het bedrijf met een set van risiconormen en het steekproefsgewijs verifieren van de berekende kans van optreden van een scenario en de gevolgen. De beschreven beoordelingsmethode is een aanzet tot een complete en robuuste methode voor het beoordelen van de risico's van een inrichting voor de werknemers.<br>
    • The MiniBIOS model (version 1A4) at the RIVM

      Uijt de Haag PAM; Laheij GMH (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1993-11-30)
      This report is the user's guide of the MiniBIOS model, version 1A4. The model is operational at the Laboratory of Radiation Research of the RIVM. MiniBIOS is a simulation model for calculating the transport of radionuclides in the biosphere and the consequential radiation dose to humans. The transport of radionuclides in the biosphere is described with transfer coefficients between compartments representing soils, river waters, river sediments and marine waters. The radiation dose to humans is calculated via various exposure pathways, including ingestion of water, fish, vegetables, meat and milk, inhalation of suspended soil and external irradiation. The MiniBIOS model is developed by the National Radiological Protection Board (NRPB, England) for use in probabilistic assessments of the radiological impacts in disposing radioactive waste in geological formations. The Laboratory of Radiation Research used the model in the PROSA project, a study on the safety of the disposal of radioactive waste in salt formations.