• Effects of ultraviolet-B exposure on the resistance to Listeria monocytogenes in the rat

      Goettsch W; Garssen J; de Klerk A; Herremans MMPT; Dortant P; de Gruijl FR; van Loveren H; LPI; VIR; UU (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1996-01-31)
      Een Listeria monocytogenes infectiemodel in de rat werd gebruikt om de immuunsuppressieve activiteit van ultraviolet-B straling (UVB) te onderzoeken. Ratten werden dagelijks blootgesteld aan suberythemale hoeveelheden UVB straling gedurende 5 of 7 opeenvolgende dagen. Twee verschillende UV bronnen werden gebruikt ; de Kromayer lamp en de FS40 lamp. Na de UVB blootstelling werden de ratten subcutaan of intraveneus geinfecteerd met Listeria. UVB blootstelling leidde tot een toegenomen hoeveelheid bacterien in de milt 4 dagen na infectie. Daarnaast werd met behulp van specifieke lymfocyt- en overgevoeligheidstesten aangetoond dat UVB vooral de cellulaire immuniteit tegen Listeria verminderde 4 en 8 dagen na infectie. Ook werd de fagocyterende activiteit van perifere bloedmacrofagen door UVB straling verminderd. Deze studie gaf aan dat lage hoeveelheden van UVB straling een vertraging in de klaring van Listeria bacterien uit de milt kon veroorzaken. Dit wordt waarschijnlijk veroorzaakt door een verminderde aspecifieke fagocytose van Listeria door macrofagen in combinatie met een verminderde activiteit van de specifieke cellulaire immuunrespons.<br>
    • Heavy metal toxicity in Eisenia andrei exposed in soils from a gradient around a zinc smelter (Budel), and comparison with toxic effects in OECD-artificial soil

      Posthuma L; Boonman H; Mogo FC; Baerselman R; ECO; UU; TUD (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1994-11-30)
      De bruikbaarheid van de resultaten van laboratorium-toxiciteits experimenten, bijvoorbeeld voor risicoschattingsmethodieken, is afhankelijk van de accuratesse waarmee toxische effecten onder veldcondities voorspeld worden. Dit rapport beschrijft de vergelijking tussen toxische effecten van zware metalen bij de worm Eisenia andrei in OECD-kunstgrond en in grond verzameld in een gradient rond de zinksmelter in Budel. Voor beide grondtypen werden concentratie-effect studies gedaan. In de Budelgrond werd de toets uitgevoerd bij de natuurlijke pH van elke grond-batch, en bij een pH gesteld op ca. 5.5. Vergelijkingen werden gemaakt met de reproduktie in OECD-kunstgrond zonder metalen (een van de proefgroepen, pH ca. 5.5), en met literatuur gegevens over OECD-reproduktie toetsen met E. andrei. De mortaliteit van de wormen werd niet beinvloed door de metalen, ook niet in de grond met de hoogste metaalconcentraties. De groei van de wormen werd sterk beinvloed door de pH, terwijl er geen duidelijke invloed van de metaalconcentraties was. De coconproduktie werd sterk beinvloed door de pH, door de metalen, en door andere bodemfactoren. Een logistische afstands-effect relatie werd gevonden voor coconproduktie in de gradient van Budelgrond met de op 5.5 gestelde pH. Omgerekend naar zink-concentratie is er in Budelgrond een vier maal zo hoge zinkconcentratie nodig om dezelfde reproduktie-effecten te veroorzaken als in OECD kunstgrond. Dit effect werd toegeschreven aan een lagere biologische beschikbaarheid en aan antagonistische interacties tussen de metalen die in Budelgrond aanwezig zijn.<br>
    • Milieu en ruimte. Verkenning van concepten, illustraties en onderzoeksvelden

      Velde RJ van de; Dauvellier PL; Reijs ThAM; Waals JFM van der; Bouwman AF; Wee GP van; LBG; Dauvelier Planadvies; TNO-INRO; UU; et al. (1998-01-31)
      Binnen het Ministerie van VROM bestaat de wens om te komen tot een verdergaande afstemming en integratie van het milieubeleid en het ruimtelijk beleid. Inzicht in de inhoudelijke samenhang tussen milieu en ruimtelijke ordening is in dit kader van belang. In dit rapport wordt deze samenhang in beeld gebracht. Dit gebeurt in eerste instantie door een verkenning van concepten. Een synthese van deze concepten leidt tot een model met als vier hoofdelementen doelen, activiteiten, eigenschappen (van de omgeving) en kwaliteiten, waarbij elk element een 'stroom'- en een 'gebieds'-aspect heeft. Vervolgens worden twee meer concrete cases uitgewerkt. Deze cases illustreren enerzijds hoe ruimtelijke ontwikkelingen de milieukwaliteit beinvloeden en anderzijds hoe de milieukwaliteit invloed heeft op de ontwikkelingsmogelijkheden voor ruimtelijke functies. In de eerste case wordt de relatie tussen verstedelijking en mobiliteits- en milieu-effecten behandeld. De tweede case bespreekt de vermestingsproblematiek in relatie tot ruimtelijke ordening in het landelijk gebied. Hierbij komen de internationale, nationale en regionale dimensie aan de orde. De cases zijn mede bedoeld om het conceptuele model te illustreren.
    • Population-attributable risks and the health of the Dutch population

      Verschuren WMM; Achterberg PW; Bijnen FCH; Bueno de Mesquita HB; Feskens EJM; Leer EM van; Peeters PHM; Seidell JC; Smit HA; Verkleij H; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-01-31)
      In this report population-attributable risks (PARs) are reported, which quantify the contribution of several determinants (lifestyle factors such as smoking, alcohol consumption, physical activity and dietary factors, as well as biological risk factors such as total serum cholesterol, HDL-cholesterol, blood pressure, glucose tolerance and body mass index) to mortality from a number of chronic diseases (coronary heart disease, stroke, COPD, diabetes and some forms of cancer). Relative risks and prevalences of risk factors are needed for calculations of PAR's. Relative risks were taken from the international literature and risk factor prevalences (mainly for the age range 20-59 years) were derived from the 1987-1991 Dutch Monitoring Project on Cardiovascular Disease Risk Factors. Some important assumptions and difficulties in calculating and interpreting the PAR's and PAR like measures are summarized in chapter 2. Chapter 3 contains a description of PAR calculations for a series of determinants, later summarized (chapter 4) from the viewpoints of both diseases and determinants. PAR's for individual determinants ranged from 10 to 90 percent. From a Public Health point of view, intervention in a determinant which has a moderately strong influence one or more frequently occurring diseases, will lead to more gain in health than intervention in a determinant which has a strong influence on a rare disease. From the results it is clear, that cigarette smoking is the determinant causing the greatest health loss: the prevalence of cigarette smoking is still high (about 40 percent in men and women aged 20-59 years) in the Netherlands. Cigarette smoking influences mortality from a number of indicators (cancer of the lung, larynx, oral cavity and oesophagus, coronary heart disease, stroke and chronic respiratory disorders). Coronary heart disease has the largest number of determinants for which it was possible to calculate PARs. The general conclusion is that for the health problems mentioned in the Netherlands a substantial health gain is at least theoretically possible. As a large part of these risk factors are made up of life style factors there are important individual and collective choices involved in trying to further improve the health status of the Netherlands. The PARs calculated here for the individual determinants are a simplification of reality, because interactions between determinants have not been taken into consideration. Mathematical models are now being constructed which take these interactions into account. In addition, more attention will have to be paid to the health gains that may be achieved in old age.
    • Population-attributable risks and the health of the Dutch population

      Verschuren WMM; Achterberg PW; Bijnen FCH; Bueno de Mesquita HB; Feskens EJM; van Leer EM; Peeters PHM; Seidell JC; Smit HA; Verkleij H; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-01-31)
      Dit rapport gaat over populatie attributieve risico's (PAR's) die de bijdrage van verschillende risicofactoren (leefstijlfactoren, zoals roken, alcoholconsumptie, lichamelijke activiteit, en voeding, alsmede biologische factoren, zoals totaal serum cholesterol, HDL-cholesterol, bloeddruk, glucosetoleratie, en lichaamsgewicht naar lengte) aan mortaliteit ten gevolge van een aantal ziekten (coronaire hartziekten, beroerte, CARA, diabetes, en sommige vormen van kanker) kwantificeren. Relatieve risico's en prevalenties van risicofactoren zijn nodig om PAR's te berekenen. Relatieve risico's zijn ontleend aan de internationale literatuur en prevalenties van risicofactoren (voornamelijk in de leeftijdsklasse van 20-59 jaar) zijn ontleend aan het MONITORING project 1987-1991. In hoofdstuk twee worden belangrijke aannamen en problemen voor het berekenen van PAR's en PAR-achtige maten uiteengezet. Hoofdstuk drie bevat een beschrijving van PAR berekeningen voor een aantal determinanten, later samengevat in hoofdstuk vier vanuit het perspectief van zowel ziekten als determinanten. PAR's voor individuele determinanten varieerden van 10 tot 90%. Vanuit volksgezondheidsperspectief levert ingrijpen in een determinant met een matige tot grote invloed op een of vaak voorkomende ziekten, meer winst op dan interventie op een determinant met een grote invloed op een betrekkelijk zeldzame ziekte. Het roken van sigaretten blijkt het grootste gezondheidsverlies te bewerkstelligen: de prevalentie van roken is in Nederland hoog (40% van de mannen en vrouwen van 20-59 jaar). Het roken van sigaretten beinvloedt de mortaliteit van een aantal indicatoren (longkanker, keelkanker, slokdarmkanker, coronaire hartziekten, beroerte, en CARA). Coronaire hartziekten heeft het grootste aantal determinanten waarvoor PAR's konden worden berekend. De algemene conclusie is dat er voor genoemde gezondheidsproblemen in Nederland, althans theoretisch, nog een aanzienlijke gezondheidswinst is te boeken. Aangezien een groot gedeelte van de risicofactoren bestaat uit leefstijlfactoren, zijn er belangrijke individuele en collectieve keuzeproblemen met een verdere verbetering van de volksgezondheid gemoeid. De PAR's berekend voor individuele determinanten zijn een vereenvoudiging van de werkelijkheid, omdat interacties tussen determinanten niet in de beschouwing zijn opgenomen. Wiskundige modellen worden thans ontworpen om deze interacties wel in de beschouwing te betrekken. Ook zal meer aandacht worden besteed aan gezondheidswinst te behalen op hoge leeftijd.<br>
    • De Ruimteclaims en ruimtelijke ontwikkelingen in de zoekgebieden voor de toekomstige nationale luchtvaartinfrastructuur (TNLI). Quick scan met Ruimtescanner

      Velde RJ van de; Schotten CGJ; Waals JFM van der; Boersma WT; Oude Munnik JM; Ransijn M; LBG; VU; Geodan; UU (1997-12-31)
      De keuze van een vestigingsplaats voor een nieuwe nationale luchthaven vraagt om een analyse van de effecten van deze aanleg op het ruimtegebruik in de regio. Dit rapport beschrijft hoe het geografisch informatiesysteem De Ruimtescanner dit simuleert op basis van databestanden van het huidige gebruik en aannames over veranderingen van ruimteclaims en attractiviteit onder invloed van de luchthaven. De Ruimtescanner berekent de ruimte die toekomstige woon- en werkgebieden opeisen op basis van onder meer de schatting van de toename van het aantal (in)directe arbeidsplaatsen, de ruimte die deze arbeidsplaatsen vragen en beoordeling van de aantrekkelijkheid van de regio voor wonen en werken die onder andere door de geluidsbelasting verandert. Uitgaande van deze aannames simuleert Ruimtescanner het ruimtegebruik in de diverse regio's na aanleg van de luchthaven en -ter vergelijking- volgens het European Coordination scenario. Deze kaarten geven een eerste indruk van het effect van de aanleg en laten zien waar dit conflicteert met het huidige beleid en de criteria aangebracht door de begeleidingscommissie.
    • Short term toxicity of bis(tri-n-butyltin)oxide in flounder(Platichthys flesus) ; pathology and immune function

      Grinwis GCM; Brandhof EJ van den; Dormans JAMA; Engelsma M; Kuiper R; Leewis R; Loveren H van; Wester PW; Vaal MA; Vethaak AD; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1997-03-31)
      Field studies in various polluted coastal areas in Europe and the United States of America clearly indicate a relation between pollution and the increase in prevalence of tumours and infectious diseases in fish. One of the chemicals of interest in the myriad of xenobiotics found in polluted waters and sediments is the organotin compound tributyltin (TBT), originating mainly from antifouling paints used on the hulls of ships. This report describes a study in which flounders (Platichthys flesus) were exposed to bis(tri-n-butyltin)oxide (TBTO) in the water under controlled laboratory conditions. The possible histopathological effects on several organs (gill, skin, eye, liver, mesonephros, ovary/testis, spleen, and gastrointestinal tract) were examined and morphometric analysis of the thymus was performed to assess the target organ(s) for TBTO in this fish species. Also the function of the non specific and specific resistance was studied using ex vivo/ in vitro immune function tests. Exposure of flounder to TBTO, in concentrations which are in the same order of magnitude as maximum TBT levels measured in the field (experiment: 17.3 mug TBT ; field: 7.2 mug TBT), caused mortality after 7-12 days, decreased the condition factor, resulted in gill lesions, and induced significant reduction of the non specific resistance. No marked effects on the relative thymus volume, or the specific immune system were noted after exposure to TBTO.
    • Short term toxicity of bis(tri-n-butyltin)oxide in flounder(Platichthys flesus) ; pathology and immune function

      Grinwis GCM; van den Brandhof EJ; Dormans JAMA; Engelsma M; Kuiper R; Leewis R; van Loveren H; Wester PW; Vaal MA; Vethaak AD; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1997-03-31)
      Veldonderzoeken uitgevoerd in diverse verontreinigde kustwateren in zowel Europa als de Verenigde Staten laten een duidelijke relatie tussen vervuiling en een toegenomen prevalentie van tumoren en infectieziekten bij vissen zien. Een van de chemische verbindingen in de veelheid van xenobiotica die gevonden kunnen worden in vervuilde wateren en sedimenten is de organotinverbinding tributyltin (TBT), hoofdzakelijk afkomstig van verf waarmee scheepshuiden worden behandeld om ongewenste aangroei van onder andere algen en schelpdieren tegen te gaan. Dit rapport beschrijft een onderzoek waarin botten (Platichthys flesus) via het water werden blootgesteld aan bis(tri-n-butyltin)oxide (TBTO) onder gecontroleerde laboratoriumomstandigheden. De mogelijke histopathologische effecten aan diverse organen (kieuw, huid, ogen, lever, buiknier, ovarium/testikel, milt en maagdarmkanaal) werden onderzocht en tevens werd er een morfometrisch onderzoek van de thymus (zwezerik) uitgevoerd om de doelorganen van TBTO bij de bot vast te stellen. Daarnaast werd het functioneren van zowel de specifieke- als aspecifieke afweer onderzocht door gebruik te maken van ex vivo / in vitro immuun functietesten. Blootstelling van botten aan TBTO gehaltes in dezelfde orde van grootte als de maximaal gemeten TBT gehaltes in de veldsituatie (experiment: 17.3 mug TBT ; veld: 7.2 mug TBT) veroorzaakte sterfte na 7-12 dagen, een vermindering van de conditiefactor, kieuwlaesies en een significante onderdrukking van de aspecifieke weerstand. Er werden geen duidelijke effecten waargenomen op het relatieve volume van de thymus en op het specifieke immuunsysteem na blootstelling aan TBTO.<br>
    • Source apportionment and quantification of nitrogen transport, and retention, in the River Rhine

      Dijk S van; Knoop J; Wit MJM de; Leewis RJ; LWD; UU (1997-04-30)
      Voor het opstellen van effectieve maatregelen ter reductie van de toevoer van nutrienten naar zee middels rivieren, is een brontoebedeling van de nutrientvracht naar zijn oorsprong (van diffuse of puntbronnen) benodigd. Het doel van de studie was het toebedelen van de stikstofvracht naar zijn oorsprong van punt- en diffuse bronnen en het quantificeren van de stikstof vracht, emissie en retentie in de supranationale rivier de Rijn en zijn voornaamste zijrivieren. Deze overkoepelende doelstelling houdt onderzoek in naar de verschillen tussen 30 sub-stroomgebieden met betrekking tot de bijdrage van punt- en diffuse bronnen van stikstof, oppervlakspecifieke emissie en retentie. Daarbij is een vergelijking gemaakt tussen twee methoden van brontoebedeling en vrachtanalyse. Het onderzoek richt zich op de periode 1990-1995.
    • Source apportionment and quantification of nitrogen transport, and retention, in the River Rhine

      Dijk S van; Knoop J; Wit MJM de; Leewis RJ; LWD; UU (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1997-04-30)
      One of the first steps needed to allow efficient measures for a reduction of the riverine input of nutrients to surface water and the sea, is apportionment of the total load to its origin (either diffuse or point sources). The objective of the investigation carried out in 1990-1995 was to determine source apportionment of the observed nitrogen load (to the source, either point or diffuse) and to quantify nitrogen transport, emission and retention in the supranational River Rhine and its main tributaries. This overall objective comprised investigating the differences between 30 sub-catchments for the contribution of diffuse or point sources of nutrients, and the (area-specific) emission of these sources and nutrient retention. Furthermore, two fundamentally different types of approaches to source apportionment, riverine and input-output, were investigated with respect to concept, results and applicability. This was done as well for nutrient load analysis. A qualitative source apportionment and a retention calculation based on mass balances were also carried out.