• Addressing combined effects of chemicals in environmental safety assessment under REACH - A thought starter

      van Broekhuizen FA; Posthuma L; Traas TP; ICH; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-02-13)
      In de huidige beoordeling van stoffen en producten worden de risico's voor mens en milieu veelal per stof bekeken. In het milieu zijn echter altijd meerdere chemische stoffen tegelijk aanwezig. Het is daarom van belang om mee te wegen welke effecten deze stoffen samen kunnen hebben. De Europese Commissie concludeerde in 2009 dat in de huidige risicobeoordelingen van stoffen en producten onvoldoende rekening wordt gehouden met deze combinatie-effecten. Het RIVM reikt in dit discussiestuk een optie aan voor het meewegen van combinatie-effecten in de milieurisicobeoordeling van stoffen onder de REACH regelgeving. Voorgesteld wordt om bij de beoordeling van de risico's van stoffen een zogenoemde Mixture Assessment Factor (MAF) toe te passen die is afgeleid op basis van veldgegevens. De factor drukt uit hoeveel stoffen bij de risicobeoordeling moeten worden meegewogen om voor een enkele stof te beoordelen of de productie en het gebruik uiteindelijk veilig zijn. Op deze manier wordt beoogd te bereiken dat alle stoffen samen, na emissie naar het milieu, geen milieurisico veroorzaken. Naast deze generieke aanpak onder REACH is er de ruimte om lokale situaties waar nodig individueel aan te pakken. Het voorstel voor een mogelijke methode om combinatie-effecten van stoffen in het milieu mee te nemen in de risicobeoordeling is niet nieuw. Hij wordt binnen Nederland al geruime tijd gebruikt om risicogrenzen voor stoffen in het milieu te bepalen. De precieze invulling van de MAF moet nog nader worden uitgewerkt. Aandachtspunt hierbij is in welke mate milieueffecten acceptabel worden gevonden, bijvoorbeeld omdat het ecosysteem ervan kan herstellen. Ook is het van belang te bepalen tot op welke hoogte er binnen REACH op generiek Europees niveau rekening gehouden dient te worden met combinatie-effecten. Zo kan het bijvoorbeeld efficiënter zijn om locatie specifieke risico's lokaal, of nationaal aan te pakken
    • Annex to: A model for environmental risk assessment and standard setting based on biomagnification. Top predators in terrestrial ecosystems

      Jongbloed RH; Pijnenburg J; Mensink BJWG; Traas TP; Luttik R; ACT; LWD; RIKZ (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1994-10-31)
      Bodemverontreinigende stoffen kunnen via accumulatie in voedselketens toxische effecten hebben op vogels en zoogdieren (doorvergiftiging). In de huidige procedure voor doorvergiftiging in de normstelling wordt de maximaal toelaatbare concentratie (MTR) van een stof in de bodem alleen gebaseerd op de voedselketen: bodem --> worm --> vogel/zoogdier en berekend met MTR(bodem) = NOEC(vogel of zoogdier) / BAF(voedsel), waarbij BAF de bioaccumulatiefactor is, en NOEC is de hoogste concentratie in het voedsel waarbij nog geen effect optreedt. In het onderhavige onderzoek is het bovengenoemde algoritme uitgebreid met: 1. de belangrijkste terrestrische voedselketens, 2. correctiefactoren voor de NOECs met betrekking tot verschillen tussen laboratorium en veld omstandigheden, 3. het genereren van een kansverdeling voor de MTR uit stochastische, in plaats van constante, BCFs, BAFs en NOECs. Voedselwebben zijn gemodelleerd voor acht soorten roofvogels en twee soorten roofdieren met onderling verschillende voedselkeuze. Zes stoffen zijn geselecteerd op basis van de beschikbaarheid van gegevens voor bioaccumulatie en toxiciteit: DDT, dieldrin, lindaan, pentachlorofenol (PCP), cadmium en (methyl)kwik. Modelberekeningen zijn uitgevoerd met gemiddelde waarden voor voedselkeuze en correctiefactoren. Het model kan aangepast worden aan specifieke locaties, seizoenen en levensstadia door deze inputparameters te varieren. Uit literatuurgegevens kan afgeleid worden dat er gecorrigeerd moet worden voor calorische waarde en assimilatie-efficientie van voedseltypen, en bovendien voor metabolische snelheid (energieverbruik) van vogels en zoogdieren. Van de assimilatie-efficientie van stoffen en van soortsgevoeligheid is erg weinig bekend. De beschikbare informatie geeft geen aanleiding om te corrigeren voor deze beide factoren. Soorten die zich voor een belangrijk deel voeden met vogels (sperwer, havik) en kleine carnivore zoogdieren (buizerd, kerkuil) worden in grotere mate blootgesteld dan de soorten die zich bijna uitsluitend voeden met kleine herbivore zoogdieren (torenvalk, ransuil). De volgende aanbevelingen kunnen worden gedaan met betrekking tot de huidige procedure voor afleiding van normen op basis van het risico van doorvergiftiging. De voedselketen bodem --> worm --> vogel/zoogdier kan worden gebruikt voor de risicoschatting van doorvergiftiging. Daarnaast moet bij persistente en sterk lipofiele stoffen aandacht worden gegeven aan toppredatoren, vooral vogels, blootgesteld via de routes bodem --> worm en insekt --> vogel --> toppredator. De risico-analyse voor toppredatoren wordt voor de meeste stoffen echter bemoeilijkt door een gebrek aan QSARs en experimentele gegevens voor bioaccumulatie in zowel ongewervelde als gewervelde dieren. Correcties moeten worden aangebracht voor verschillen tussen laboratorium- en veldomstandigheden met betrekking tot metabolische snelheid, calorische waarde en assimilatie-efficientie van voedseltypen. De correctie voor assimilatie-efficientie is kwantitatief veel minder belangrijk dan de correcties voor metabolische snelheid en calorische waarde. NOECs, BCFs, BAFs moeten wanneer mogelijk als stochastische variabelen worden gebruikt, hetgeen waardevolle informatie over de variatie in de MTR oplevert.<br>
    • Application of CATS models for regional risk-assessment of toxicants

      Traas TP; Aldenberg T; LWD (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1996-01-31)
      Application of CATS models for regional assessment of bioaccumulation risks proved feasible. Case studies on heavy metals and organotin showed that initial concentrations, toxicant loading of the system and sorption coefficients strongly influence the prediction of bioaccumulation risks. Consistent quality objectives for soil, water and sediment allow a comparison between different ecosystems or regions. The evaluation of foodweb bioaccumulation for different toxicants is much less consistent since critical concentrations, NOECs etc. are not always available for the same organisms within food webs. Exceedance of quality objectives for food webs can be calculated on a routine basis by simplification of the procedure presented here.
    • Application of CATS models for regional risk-assessment of toxicants

      Traas TP; Aldenberg T; LWD (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1996-01-31)
      Toepassing van CATS modellen voor een regionale risicobeoordeling van bioaccumulatie bleek mogelijk. Voorbeeldstudies voor zware metalen en organotin lieten zien dat beginconcentraties, de belasting van het systeem en sorptieconstantes de berekening van platrisico's sterk beinvloeden. Consistente milieunormen voor land, water en sediment maken een vergelijking mogelijk tussen verschillende ecosystemen en/of regio's. Het beoordelen van bioaccumulatie van verschillende stoffen in voedselwebben is minder consistent omdat kritische concentraties, NOECs etc. vaak niet voor dezelfde organismen voorhanden zijn. De overschrijding van bestaande normen voor voedselwebben kan routinematig worden berekend door de hier getoonde berekeningswijze te vereenvoudigen.<br>
    • CATS-1: A model for predicting contaminant accumulation in a meadow ecosystem. The case of cadmium

      Traas TP; Aldenberg T (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1992-12-31)
      A model has been developed for the ecological risk assessment of cadmium accumulation in meadow ecosystems. Foodweb structure is based on functional groups, which implies that variability within the group exists with respect to both physiological and toxicokinetic parameters. A probabilistic treatment of model outputs, e.g. concentrations is used, to account for inherent biological variability and model uncertainty, and to assess ecotoxicological risks. The Maximum Permissible Concentration (MPC) in soil, with regard to protecting 95% of the species, is exceeded at all cadmium load reduction scenarios in 2015 and 2050. Because of the high accumulation of earthworms, environmental standards for cadmium in food of moles and meadowbirds are exceeded at all loading scenarios. The probability that more than 5% of herbivorous species are unprotected against sublethal effects of cadmium, is predicted to be 45% in 2015 and 85% in 2050 at the present cadmium load. This example shows that with CATS models, a broad range of environmental quality standards can be compared in an integrated modelling effort.<br>
    • CATS-2: een model ter voorspelling van accumulatie van microverontreinigingen in sedimentatiegebieden van rivieren

      Traas TP; Kramer PRG; Aldenberg T; Hart MJ 't; LWD (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1994-06-30)
      CATS is an acronym for Contaminants in Aquatic and Terrestrial ecoSystems. CATS models have been developed for the prediction of fate and risks of toxicants. The aim of these models is to predict future risk levels of toxic substances for food webs. CATS-2 describes the behaviour of toxicants in sedimentation areas of main rivers in the Netherlands, such as Hollands Diep, Haringvliet and Ketelmeer. Bio-availability of toxicants to aquatic organisms is influenced by many biotic and abiotic characteristics of an ecosystem. Therefore, we integrated fate of toxicants in the abiotic environment with a food web model based on biomass cycling. Cycling of organic matter is the backbone of the model, acting as carrier for the toxicant. The food web consists of algae, zooplankton, bivalves, chironomid larvae, tubificid worms, whitefish, predatory fish, benthivorous fish, diving ducks and fish eating birds (Fig. 1). Cadmium and lindane (gamma-HCH) were selected to predict future risk levels in an example ecosystem, the Hollands Diep/Haringvliet area. Risk levels were calculated for two situations. First for the year 2000, with no additional clean-up of the river Rhine, and second for the year 2000 with additional clean-up according to the Rhine Action Programme. Model calculations predict that risks for both cadmium and lindane decrease, caused by the improvement of water quality in the River Rhine that feeds the area. The high cadmium load of the river Rhine in the past is responsible for high cadmium concentrations in the sediment. Even with additional clean up, sediment quality does not meet the Dutch quality objective of 2 mg/kg d.w. in the year 2000. Except for benthivorous fish, risks for the food web are low in the year 2000 indicating that in general the Rhine Action Plan is successful if its original emission-reduction goals can be achieved.
    • Ecologische risicobeoordeling van verontreinigde (water)bodem - voorstellen ter verbetering van de urgentiesystematiek

      Rutgers M; Aldenberg T; Franken ROG; Jager DT; Lijzen Peijnenburg WJGM; Schouten AJ; Traas TP; Zwart D de; Posthuma L; ECO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2001-04-27)
      In the Netherlands the application of a decision support system to determine the urgency for remediation (hereafter the urgency system) when a site is contaminated above the standards for soil contamination (intervention values combined with criteria for polluted volume and surface area) is advised by the Soil Protection Act. The urgency system is now in function for about 5 years. New technical and scientific insights, bottlenecks in the application of the urgency system, and new soil protection policy are pressing towards reflection and reformulation of the current practice. The aim of this study is to create applicable proposals for site-specific ecological risk assessment possibly to improve the current urgency system, accommodating the current trends. The first proposal is focussed on a central role of the calculation of the toxic pressure per chemical and of the combined toxic pressure of all chemicals together at the site, rather than comparison of concentrations of chemicals with HC50 values or soil quality standards. The second proposal is focussed on elaboration of the assessment with site specific biological information such as the results from bioassay testing and ecological field observations. The combination of three disciplines in a Triad approach (environmental chemistry, bioassay testing, ecological field observations) will improve the reliability of the assessment, because it will efficiently eliminate intrinsic and conceptual uncertainties in assessment techniques.
    • Ecologische risicobeoordeling van verontreinigde (water)bodem - voorstellen ter verbetering van de urgentiesystematiek

      Rutgers M; Aldenberg T; Franken ROG; Jager DT; Lijzen JPA; Peijnenburg WJGM; Schouten AJ; Traas TP; de Zwart D; Posthuma L; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2001-04-27)
      De systematiek voor de bepaling van de saneringsurgentie in de Wet bodembescherming (Wbb; kortweg urgentiesystematiek) is nu ongeveer 5 jaar operationeel. Een van de onderdelen in de urgentiesystematiek betreft de afleiding van actuele ecologische risico's van (water)bodemverontreiniging. In dit rapport zijn voorstellen geformuleerd voor eenvoudige methodieken om locatiespecifieke ecologische risico's af te leiden op basis van de technisch-wetenschappelijk ontwikkelingen anno 2000. De voorgestelde methodieken kunnen in principe worden gebruikt ter vervanging van de rekenregels in de urgentiesystematiek of als een aanvullend instrumentarium. Het eerste voorstel is uitsluitend gebaseerd op een inschatting van de ecologische risico's op basis van de aanwezigheid van verontreinigende stoffen en literatuurgegevens voor toxiciteit. Bij het tweede voorstel wordt de beoordeling volgens de uitgangspunten van een Triade-benadering uitgevoerd, waarbij de milieuchemische benadering van voorstel 1 wordt aangevuld met biologische gegevens, zoals meetbare toxiciteit in monsters van de verontreinigde locaties m.b.v. bioassays, en ecologische veldwaarnemingen. De combinatie van drie typen gegevens in de Triade-benadering (milieuchemische gegevens, resultaten van bioassays en ecologische waarnemingen) vermindert de conceptuele onzekerheden van individuele beoordelingsparameters waardoor de beoordeling betrouwbaarder wordt.<br>
    • Ecosysteemgerichte risicobeoordeling van stoffen. Eindrapport Ecosysteemrendement

      Traas TP; Klijn F; Aldenberg T; LWD/CML (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiene (RIVM)Centrum voor milieukunde Leiden (CML), 1995-08-31)
      Dit rapport is een afsluiting van het project Ecosysteemrendement. Doel van dit project is de ontwikkeling van een onderzoeksinstrument om prioriteiten te kunnen stellen in het gebiedsgerichte stoffenbeleid door het berekenen van effecten op ecosystemen als gevolg van stoffenbelasting. Het onderzoeksinstrument bestaat uit twee hoofdonderdelen: ecosysteemclassificaties en een risico-georienteerde voorspellingsmethodiek. Bij de classificatie van ecosysteemeenheden bleek de onderbouwing vanuit empirische onderzoeksgegevens tijdrovend, zodat de indeling vooral het kwantificeren van allerlei proceskenmerken en bijbehorende voedselwebstructuren behoeft. Het grootste knelpunt bij het berekenen van natuurwinst en -verlies blijkt het ontbreken van dosis-effectrelaties van "voldoende" stoffen op "voldoende" biotische compartimenten. Voor de meeste stoffen zal een gebiedsgerichte risico-analyse de kans berekenen op overschrijding van bestaande normen en/of grenswaarden in zowel het abiotisch milieu als in het voedselweb.
    • Ecosysteemgerichte risicobeoordeling van stoffen. Eindrapport Ecosysteemrendement

      Traas TP; Klijn F; Aldenberg T; Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiene (RIVM), Centrum voor milieukunde Leiden (CML); LWD/CML (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-08-31)
      This is the final report of the project 'Ecosysteemrendement'. The goal of the project was the development of an instrument for risk assessment of toxic chemicals, by comparing calculated ecological risks. The instrument consists of two parts: ecosystem classification and a risk-based ecosystem model. The underpinning of the ecological classification was time consuming and needs further quantification of processes and food web structures. The main problem in calculating ecosystem effects proved to be a lack of appropriate dose-response relationships. A regional risk assessment for most toxicants will result in calculated probabilities at exceeding environmental quality criteria or toxicological limit values in both the exposure media (soil, water, sediment) and the food web.
    • Ecotoxicological Hazard Assessment of Genotoxic Substances

      Roex EWM; Traas TP; Slooff W; CSR (2001-10-11)
      De huidige kennis over de ecologische relevantie van mutagene stoffen wordt beschreven. Mutaties kunnen worden verdeeld in somatische en kiemcelmutaties. De huidige screeningsmethoden binnen de genotoxicologie hebben bescherming van de mens als doel, met als gevolg dat somatische mutaties het belangrijkst zijn. In het veld zijn somatische mutaties echter alleen een gevaar voor soorten met een lage reproductieve capaciteit. Deze soorten worden verwacht beschermd te worden met de huidige testen. Kiemcelmutaties lijken in dit verband relevanter, maar screening voor deze mutaties vindt niet of nauwelijks plaats. Waarschijnlik is de frequentie van deze mutaties veel lager dan die voor somatische mutaties. Kiemcelmutaties kunnen worden verdeeld in letale en niet-letale mutaties. Alleen niet-letale mutaties vormen een risico, daar zij zich in de populatie kunnen vestigen. Echter alleen als zij de fitness van het fenotype verminderen, vormen zij een reeel risico. De huidige screeningsmethoden voor somatische mutaties worden verondersteld ook te beschermen tegen overerfbare effecten. Er kan dus geconcludeerd worden dat de huidige testen waarschijnlijk als een redelijk basis dienen voor de bescherming tegen mutagene testen.
    • Ecotoxicological Hazard Assessment of Genotoxic Substances

      Roex EWM; Traas TP; Slooff W; CSR (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2001-10-11)
      The current knowledge about the ecological relevance of mutagenic substances is described. Mutations can be divided in somatic and germ-line mutations. Current screening methods in genotoxicology are focussed on the protection of man, and therefore somatic mutations are the most crucial. In the field, these mutations are only a hazard for natural populations of species with a low reproductive output. These species are supposed to be protected by the current screening methods. Germ-line mutations seem to be more relevant for natural populations, but screening on these mutations does not take place in the regular testing of substances. However, the frequency of germ-line mutations is probably much lower. Germ-line mutations can be divided between non-lethal and lethal mutations. Lethal mutations do not pose a risk, as they disappear in the next generation. Non-lethal mutations only pose a risk when genes are affected that influence the fitness of the phenotype negatively. However, the current screening methods for somatic mutations are supposed to act as a safeguard for heritable effects. It is concluded that the methods in the regular hazard assessment of substances likely provide a base for protecting natural populations against mutagenic substances.
    • Ecotoxicological models for Dutch environmental policy - Models to be addressed in the Stimulation Program System-Oriented Ecotoxicological Research (NWO/SSEO)

      Posthuma L; Klok C; Vijver MG; Brink P van den; Ende FP van den; Traas TP; Hendriks AJ; Alterra; RIZA; Radbout Universiteit Nijmegen; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2006-02-14)
      Ministries have each their own models to assess risks of chemicals. This report gives an overview of models used in environmental policy to asses risks on ecosystems. Nowadays, many locations deal with contamination that exceeds the risk limits. It therefore becomes crucial for environmental policy to determine real ecological risks of diffuse and chronic stress caused by single contaminants and by mixtures thereof. Effects of diffuse, chronic stressors are difficult to identify in the field. These issues triggered the development of the Stimulation Program Systems-Oriented Ecotoxicological Research (SSEO). Within the SSEO program, data are collected from diffuse and chronic contaminated fields. These data will be used in the next research phase to validate the eco(toxico)logical models used for policy formulation. The validation of models gives insight on the fact if policy measures should be (partially) intensified or relaxed for reaching the environmental policy targets.
    • Ecotoxicological models for Dutch environmental policy - Models to be addressed in the Stimulation Program System-Oriented Ecotoxicological Research (NWO/SSEO)

      Posthuma L; Klok C; Vijver MG; ten Brink P; van den Ende FP; Traas TP; Hendriks AJ; LER (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMAlterraRIZARadbout Universiteit Nijmegen, 2006-02-14)
      Elk ministerie heeft zijn eigen modellen voor inschatting van risico's van stoffen. Dit rapport bevat een selectie van modellen die gebruikt worden om risico's voor planten en dieren te schatten. De resultaten van veldmetingen worden vergeleken met normen. De laatste tijd is het aantal gevallen waarin milieunormen worden overschreden gegroeid. De volgende vragen moeten worden beantwoord: Hoe erg is normoverschrijding? Zijn de normen streng genoeg, om effecten van mengsels van stoffen te voorkomen? Het aantonen van effecten veroorzaakt door mengels van verontreinigingen is moeilijk. Daarom is een onderzoeksprogramma opgezet: "Stimulerings-programma Systeemgericht Ecotoxicologisch Onderzoek" (SSEO). In het SSEO programma zijn metingen verzameld op plaatsen met langdurige verontreinigingen met mengsels van stoffen in lage concentraties. De gemeten concentraties zullen in de volgende onderzoeksfase worden gebruikt om de toepasbaarheid van de modellen te onderzoeken. Er wordt nagegaan, of het beleid gelijk kan blijven of veranderd moet worden om de gestelde beleidsdoelstellingen kunnen halen.
    • Environmental Risk Limits for alcohols, glycols, and other relatively soluble and/or volatile compounds. 2. Integration of human and ecotoxicological risk limits

      Traas TP; Bontje D; UU/IRAS; SEC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2005-12-08)
      Environmental risk limits are concentrations of a substance in water, air, sediment and soil that are expected to be protective of the environment. In this report environmental risk limits (ERLs) are derived, based on a comparison of human and ecotoxicological risk limits. Ecotoxicological risk limits, derived previously, were compared to risk limits for human health for the following substances: 1-butanol, n-butyl acetate, cyclohexylamine, diethylene glycol, ethylene glycol, ethyl acetate, methanol, methyl ethyl ketone (MEK), methyl tert-butyl ether (MTBE), tribromomethane and triethanolamine. The lowest value (human health or ecosystems) determines the final risk limit of a substance. Environmental risk limits based on ectoxicological information were calculated in part 1 of this report (RIVM report 601501016). The scientific basis for the human risk evaluation model Humanex is described in a companion report (RIVM report 601501022).
    • Environmental Risk Limits for alcohols, glycols, and some other relatively soluble and/or volatile compounds 1. Ecotoxicological evaluation

      Verbruggen EMJ; Rila JP; Traas TP; Posthuma-Doodeman CJAM; Posthumus R; SEC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2006-01-09)
      In this report, maximum permissible concentrations (MPC), negligible concentrations (NC) and serious risk concentrations (SRCeco) are derived for the following compounds: 1-butanol, 2-butanol, n-butyl acetate, cyclohexylamine, diethylene glycol, ethyl acetate, ethylene glycol, methanol, methyl ethyl ketone, tribromomethane and triethanolamine. These environmental risk limits are derived for the water, soil and sediment compartments and are based on environmental chemistry data and data on ecotoxicology, mainly for the aquatic environment. These risk limits serve as the basis for an estimation of the potential risks of substances to an ecosystem. This report has a companion report by Traas and Bontje, published in 2005, in which the exposure model Humanex is used to calculate maximum permissible concentrations for humans, to derive risk limits that protect both humans and ecosystems.
    • Environmental Risk Limits for alcohols, glycols, and other relatively soluble and/or volatile compounds. 2. Integration of human and ecotoxicological risk limits

      Traas TP; Bontje D; SEC (UU/IRAS, 2005-12-08)
      Milieurisicogrenzen zijn concentraties van een stof in water, bodem, sediment en lucht waarbij geen nadelige effecten van die stof worden verwacht. In dit rapport worden milieurisicogrenzen bepaald die zowel de mens als ecosystemen beschermen tegen nadelige effecten van chemische stoffen. Hiertoe werden eerder afgeleide ecotoxicologische risicogrenzen vergeleken met die voor de mens, voor de volgende 11 stoffen: 1-butanol, n-butylacetaat, cyclohexylamine, diethyleenglycol, ethyleenglycol, ethylacetaat, methanol, methyl ethyl keton (MEK), methyl tert-butyl ether (MTBE), tribroommethaan en triethanolamine. De laagste waarde (mens of ecosystemen) bepaalt de uiteindelijke risicogrens voor een stof. De milieurisicogrenzen op basis van de ecotoxicologie zijn berekend in deel 1 van dit rapport (RIVM rapport 601501016). De milieurisicogrenzen voor de mens die in dit rapport zijn gerapporteerd zijn berekend met behulp van het model Humanex. Humanex is beschreven in RIVM rapport 601501022.
    • Environmental Risk Limits for alcohols, glycols, and some other relatively soluble and/or volatile compounds 1. Ecotoxicological evaluation

      Verbruggen EMJ; Rila JP; Traas TP; Posthuma-Doodeman CJAM; Posthumus R; SEC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2006-01-09)
      In dit rapport zijn maximaal toelaatbaar risiconiveaus (MTR), verwaarloosbaar risiconiveaus (VR) en ernstig risiconiveaus (EReco, Engelse afkorting SRCeco) afgeleid voor 1-butanol, 2-butanol, n-butylacetaat, cyclohexylamine, diethyleenglycol, ethyleenglycol, ethylacetaat, methanol, methylethylketon, tribroommethaan en triethanolamine. Deze milieurisicogrenzen zijn afgeleid voor de compartimenten water, bodem en sediment en zijn gebaseerd op milieuchemische gegevens en ecotoxicologische gegevens voor met name het aquatische milieu. De risiconiveaus vormen de basis voor een schatting van het potentikle risico van stoffen voor een ecosysteem. Dit rapport heeft een bijbehorend deel van Traas en Bontje, gepubliceerd in 2005, waarin het blootstellingsmodel Humanex wordt gebruikt om MTRs voor de mens te berekenen, met als doel om milieurisicogrenzen af te leiden, die beschermend zijn voor zowel de mens als ecosystemen.
    • Environmental Risk Limits for Alkylphenols and Alkylphenol ethoxylates

      Vlaardingen PLA van; Posthumus R; Traas TP; SEC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2004-01-09)
      In this report Environmental Risk Limits (ERLs) are derived for nonylphenol, octylphenol 1+2 ethoxylate (OPEO1+2), octylphenol 3-8 ethoxylate (OPEO3-8), octylphenol >8 ethoxylate (OPEO>8), nonylphenol 1+2 ethoxylate (NPEO1+2), nonylphenol 3-8 ethoxylate (NPEO3-8), nonylphenol >8 ethoxylate (NPEO>8), carboxylated octylphenol 1+2 ethoxylate (OPE1+2C) and carboxylated nonylphenol 1+2 ethoxylate (NPE1+2C). The derived ERLs were shown to be protective for endocrine effects of these compounds, based on the in vivo effect studies available. Nearly all ERLs for soil and sediment were calculated from ERLs for the aquatic environment using equilibrium partitioning theory because soil and sediment toxicity data were virtually absent. Recent (1999, 2001) measurements of nonylphenol or nonylphenol ethoxylates in the Netherlands in rivers, estuaries and sediments showed slight exceedance of the maximum permissible concentration (MPC) in some cases.
    • Environmental Risk Limits for Alkylphenols and Alkylphenol ethoxylates

      Vlaardingen PLA van; Posthumus R; Traas TP; SEC (2004-01-09)
      In dit rapport worden milieurisicogrenzen afgeleid voor nonylfenol, octylfenol 1+2 ethoxylaat (OPEO1+2), octylfenol 3-8 ethoxylaat (OPEO3-8), octylfenol >8 ethoxylaat (OPEO>8), nonylfenol 1+2 ethoxylaat (NPEO1+2), nonylfenol 3-8 ethoxylaat (NPEO3-8), nonylfenol >8 ethoxylaat (NPEO>8), gecarboxyleerd octylfenol 1+2 ethoxylaat (OPE1+2C) en gecarboxyleerd nonylfenol 1+2 ethoxylaat (OPE1+2C). De afgeleide milieurisicogrenzen blijken beschermend te zijn voor endocriene effecten van deze verbindingen, gebaseerd op de beschikbare in vivo gegevens. De milieurisicogrenzen voor bodem en sediment werden bijna alle berekend uit de waarden voor het aquatisch compartiment met behulp van evenwichtpartitie omdat nauwelijks toxiciteitsgegevens voor bodem en sediment gevonden werden. Recente metingen (1999, 2001) van nonylfenol en nonylfenolethoxylaten in Nederland in rivieren, estuarien en sedimenten lieten in enkele gevallen een lichte overschrijding van het MTR zien.