• Biobeschikbaarheid in beleid ... wat er aan vooraf ging en wat nog komt. Resultaten van een workshop en het beleidsvervolg

      Sijm D; Lijzen J; Peijnenburg W; Sneller E; Traas T; Verbruggen E; RIZA; CSR; ECO; LBG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2002-06-19)
      Bioavailability of chemicals in the environment has been the topic of scientific research for a number of years. Following up on requests from within the field of risk assessment and standard setting, the Stearing Group "Integral Standard Setting" (INS) asked for an advice on the future role of biological availability in standard setting and risk assessment. A workshop was organised in response to this request. In this report the main recommendations of the workshop are given. In addition, a number of policyrelated advises are incorporated, including an assessment of the time frames needed. The aim of the report is to review the utility of bioavailability-related research for standard setting and risk assessment and to put the expected applicability of the results of this research in a realistic time frame. It is foreseen that implementation of the topics with potential for future implementation in risk assessment or standard setting, will result in a more realistic risk assessment. The reliability of the present policy on chemical substances will benefit without defecting the environment. An active attitude from regulating bodies is essential for implementing the potentially favourable options and to stimulate researchers to focus their research activities on those topics that are most relevant from a policy making point of make. In addition to these general conclusions, detailed information on all options dealing with bioavailability of metals and organic substances in water, sediment and soil is given in the report.
    • Biobeschikbaarheid in beleid ... wat er aan vooraf ging en wat nog komt. Resultaten van een workshop en het beleidsvervolg

      Sijm D; Lijzen J; Peijnenburg W; Sneller E; Traas T; Verbruggen E; CSR; ECO; LBG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMRIZA, 2002-06-19)
      Al jaren wordt er wetenschappelijk onderzoek gedaan naar de biologische beschikbaarheid van stoffen in het milieu. Vanuit de praktijk van de risicobeoordeling is er een sterke wens geuit om na te gaan of biologische beschikbaarheid in de normstelling en risico-beoordeling waar nodig verduidelijkt of geimplementeerd kan worden. De Stuurgroep INS (Integrale Normstelling Stoffen) heeft die wens vertaald in de vraag om een advies over de rol van biologische beschikbaarheid in de normstelling en risico-beoordeling. Medewerkers van RIVM en RIZA hebben met de hulp van experts uit verschillende Nederlandse onderzoeksinstituten en universiteiten een workshop voorbereid om de vraag van de Stuurgroep INS te kunnen beantwoorden. In dit rapport wordt verslag gedaan van de voorbereidingen en de uitkomsten van de workshop. Op basis van de uitkomsten is een aantal beleidsadviezen geformuleerd ter beantwoording van de vraag van de Stuurgroep INS. In het rapport wordt ingegaan op de biologische en chemische aspecten van biobeschikbaarheid en op de huidige mogelijkheden om deze aspecten in risicobeoordeling en/of normstelling te verdisconteren. Er kan geconcludeerd worden dat het concept van chemische beschikbaarheid in het algemeen beter ontwikkeld is dan het concept van biologische beschikbaarheid. Koppeling van chemische beschikbaarheid aan biologische beschikbaarheid (relatie met daadwerkelijke effecten) is een belangrijk knelpunt voor de implementatie van chemische beschikbaarheid. Op dit moment lijkt de potentie voor implementatie van biobeschikbaarheid in 1e lijnsbeoordeling in het algemeen gering te zijn. Dit betekent in algemene zin dat het 'vangnet' van de 1e lijnsbeoordeling voldoende effectief dient te zijn om ook in geval van een hoge beschikbaarheid het optreden van vals-negatieven te voorkomen. De potentie voor implementatie van biobeschikbaarheid in normstelling/risicobeoordeling ligt voornamelijk in de 2e lijns risicobeoordeling. Dit rapport plaatst de vele ideeen in de bruikbaarheid op korte en lange termijn. Implementatie van de verschillende mogelijkheden (op termijn) zal een meer realistische risico-beoordeling tot gevolg hebben die ten goede zal komen aan de betrouwbaarheid van het stoffenbeleid en de risicobeoordeling van het milieu, zonder het milieu te kort te doen. Een actieve opstelling vanuit het beleid is gewenst om de in deze rapportage gesignaleerde kansrijke ontwikkelingen te helpen implementeren en het juiste klimaat te scheppen waarin zij tot volwassen en geaccepteerde methoden kunnen uitgroeien. Dit helpt het beleid om met de normstelling en risicobeoordeling een stap verder te komen en helpt het reeds lopende (en nieuw te starten) onderzoek op dit gebied te focussen op aspecten die beleidsmatig het meest relevant zijn. De verdere benodigde stappen zullen vanuit de overheid dienen te worden geinitieerd en gecoordineerd. Met name de Stuurgroep INS en, in geval van bodemnormstelling, de werkgroep UI zijn hiervoor naar het oordeel van de opstellers van dit rapport, het juiste forum. Alvorens de uit deze workshop voortvloeiende adviezen geimplementeerd kunnen worden zal er ook nog een praktische toets moeten plaatsvinden met betrekking tot uitvoerbaarheid en hanteerbaarheid van de voorgestelde wijzigingen.<br>
    • Maximum Permissible Concentrations for polychlorinated biphenyls

      Wezel AP van; Traas T; Polder M; Posthumus R; Vlaardingen P van Crommentuijn T; Plassche EJ van de; CSR (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1999-06-14)
      In this report maximal permissible concentrations (MPCs) and negligible concentrations (NCs) are derived for polychlorinated biphenyls (PCBs). In this derivation probabilistic food-web modeling was used. Toxicity data for aquatic organisms, mammals and birds were recalculated into equivalent toxic concentrations in the organic carbon of sediments or soils. In this way, all types of studies could be readily compared on the same concentration axis and could be integrated into one MPC. As PCBs always occur in a mixture and the planar PCBs are supposed to act via the same toxicological mechanism and thus to be concentration-additive, a mixture-MPC was derived.
    • Maximum Permissible Concentrations for polychlorinated biphenyls

      van Wezel AP; Traas T; Polder M; Posthumus R; van Vlaardingen P; Crommentuijn T; van de Plassche EJ; CSR (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1999-06-14)
      In dit rapport worden voor verschillende polychloorbifenylen een maximaal toelaatbaar risiconiveau (MTR) en verwaarloosbaar risiconiveau (VR) afgeleid. Hiervoor zijn probalistische voedselweb modellen gebruikt. Toxiciteitsdata voor water organismen, zoogdieren en vogels zijn omgerekend in de bijbehorende toxische concentraties in het organisch koolstof van sediment of bodem. Omdat de verschillende typen studies op deze wijze worden uitgedrukt op dezelfde concentratie-as, kunnen ze met elkaar worden vergeleken en geintegreerd in een MTR. Omdat PCBs altijd in een mengsel voorkomen, en de vlakke PCBs worden verondersteld volgens eenzelfde toxicologisch werkingsmechanisme te werken en daarom concentratie-additief te zijn, is een mengsel-MTR afgeleid.<br>
    • Progress report on New or Emerging Risks of Chemicals (NERCs)

      Bakker J; Bruinen de Bruin Y; Hogendoorn E; Kooi M; Palmen N; Salverda J; Traas T; Sijm D; ICH; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2015-03-26)
      Nationale en internationale wetgeving is erop gericht dat chemische stoffen veilig worden geproduceerd, verwerkt en gebruikt. Zo is in de Europese wetgeving REACH (Registratie, Evaluatie, Autorisatie en restrictie van CHemische stoffen) vastgelegd dat de industrie verantwoordelijk is dat de chemische stoffen die ze op de markt brengen, veilig kunnen worden geproduceerd en gebruikt. Toch kunnen er op korte of lange termijn nieuwe risico's van stoffen voor mens of milieu ontstaan. Van stoffen die al langer worden gebruikt, kunnen ongewenste effecten aan het licht komen als de stof via een andere blootstellingsroute (bijvoorbeeld inhalatie) bij de mens binnenkomt. Ook nieuw op de markt gebrachte stoffen die bijvoorbeeld niet voldoende zijn getest, kunnen de gezondheid van mens en milieu schaden. Voor zowel bestaande als nieuwe stoffen geldt bovendien dat een screening vooraf nooit alle mogelijke schadelijke effecten kan onderkennen. Sinds 2012 doet het RIVM onderzoek naar methoden om dergelijke nieuwe risico's van stoffen, ook wel New or Emerging Risks of Chemicals (NERCs) genoemd op te sporen, zodat tijdig maatregelen kunnen worden genomen. Het gaat hierbij om de blootstelling en nadelige effecten van stoffen voor werkers, consumenten en het milieu. Daarbij kan het gaan om onbekende risico's van bestaande stoffen of risico's van nieuwe stoffen. Dit rapport is een voortgangsrapportage van de onderzoeksresultaten die tot nu toe voor de drie beschermingsgroepen verkregen zijn. In dit onderzoek zijn methodieken ontwikkeld voor het vinden van potentiële NERCs. Een voorbeeld hiervan is de signalering van diacetyl als nieuw risico voor Werkers. Blootstelling van werkers via de lucht aan smaakstoffen die diacetyl bevatten kan zeer ernstige luchtwegaandoeningen veroorzaken en kan bijvoorbeeld vrijkomen bij de productie van popcorn. Als maatregel hiervoor wordt aanbevolen om een veilig blootstellingsniveau op te stellen, en beschermingsmaatregelen te treffen, zoals het gebruik van luchtfilters, om de gevolgen te beperken. Een strategie is in ontwikkeling waarbij de methodieken geïntegreerd worden om na te gaan in hoeverre een gesignaleerde NERC ook voor de andere beschermingsgroepen schadelijk kan zijn.