• Monitor Productsamenstelling voor zout, verzadigd vet en suiker : RIVM Herformuleringsmonitor 2014

      Temme EHM; Milder IEJ; Westenbrink S; Toxopeus IB; van den Bogaard CHM; van Raaij JMA; P&V; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2015-02-23)
      Het zoutgehalte in brood is sinds 2011 met 21 procent gedaald. In kaas is het zoutgehalte met circa 11 procent ook afgenomen ten opzichte van 2011. Het zoutgehalte verschilt echter aanzienlijk per soort kaas. In vleeswaren bedoeld als broodbeleg is het zoutgehalte in 2014 vergelijkbaar met dat van 2011 en 2013. De vleeswarensector heeft volgens afspraak tot in 2015 de tijd het gehalte aan zout en aan verzadigd vet te verlagen. Bewerkte groente en peulvruchten, zoals doperwten of bonen in blik of glas, hebben ook een lager zoutgehalte. Aangezien brood een grote bijdrage levert aan de inname van zout, draagt de daling van het zoutgehalte in deze productcategorie er in belangrijke mate aan bij dat mensen dagelijks minder zout binnenkrijgen. Voor verzadigd vet en suiker verschillen de productsamenstellingen niet. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM. Hierin wordt per productgroep gevolgd wat de gehalten aan zout, suiker en verzadigd vet zijn en hoe deze zich door de jaren heen ontwikkelen. Aanleiding hiervoor is het 'Akkoord Verbetering Productsamenstelling', dat de minister van Volksgezondheid en de brancheorganisaties van de voedingsmiddelenindustrie, retail, horeca en catering begin 2014 getekend hebben. Hierin is afgesproken de gehalten aan zout, (verzadigd) vet en energie (suiker, vet) in voedingsmiddelen stapsgewijs te verlagen. Dit akkoord loopt tot 2020. Voor dit onderzoek worden diverse gegevens gebruikt over de samenstelling van producten: gegevens die fabrikanten en de desbetreffende sectoren aanleverden, en onafhankelijke analyses door de Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit (zout en verzadigd vet). Deze gegevens zijn gecombineerd en vervolgens vergeleken met gegevens uit de publicaties van het Nederlands Voedingsstoffenbestand (NEVO 2011 en 2013). In 2012 is de verandering van de productsamenstelling van voedingsmiddelen voor het eerst op deze manier in kaart gebracht. De 'Herformuleringsmonitor' was toen toegespitst op zout (natrium) en verzadigd vet. Sinds 2014 is dit uitgebreid met suiker (mono- en disachariden). De herformuleringsmonitor wordt uitgevoerd in opdracht van het ministerie van VWS.
    • Mono- en disacharidengehalten van voedingsmiddelen : Uitgangssituatie voor het bepalen van veranderingen in productsamenstelling

      Milder IEJ; Toxopeus IB; Westenbrink S; P&V; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2015-02-23)
      Zuivelproducten, (fris)dranken, banket en zoetwaren dragen het meeste bij aan de hoeveelheid toegevoegde suikers die mensen dagelijks binnenkrijgen. Het RIVM onderzoekt, in opdracht van het ministerie van VWS, hoe de suikergehalten in voedingsmiddelen zich in de komende jaren ontwikkelen. Hiervoor is nu eerst in kaart gebracht wat het suikergehalte van diverse productcategorieën is. Deze 'nulmeting' maakt het mogelijk om te kijken in hoeverre fabrikanten erin slagen om het gehalte aan toegevoegde suiker in producten in de komende jaren stapsgewijs te verlagen. Aanleiding voor de nulmeting is het 'Akkoord Verbetering Productsamenstelling', dat de minister van Volksgezondheid en vertegenwoordigers van de voedingsmiddelenindustrie, retail, horeca en catering begin 2014 hebben getekend en loopt tot 2020. Daarin is afgesproken de gehalten aan zout, (verzadigd) vet en energie (suiker, vet) in voedingsmiddelen te verlagen. De nulmeting is uitgevoerd bij productgroepen die meer dan drie procent bijdragen aan de dagelijkse inname van suikers in Nederland. Behalve zuivelproducten, (fris)dranken en banket en zoetwaren zijn dit broodbeleg, brood- en graanproducten, en bewerkte groenten en fruit. Het betreft producten die niet uitsluitend van nature aanwezige suikers bevatten. Binnen de productgroepen is aangegeven welke producten veel of weinig suiker bevatten. Bij de producten met een hoog suikergehalte, zoals zuivel waar suiker aan is toegevoegd, zijn immers aanpassingen mogelijk. De resultaten van de nulmeting kunnen door de voedingsmiddelenindustrie worden gebruikt worden bij het maken van (sectorbrede) afspraken om het suikergehalte in voedingsmiddelen te verlagen.
    • Natrium en verzadigd vet in beeld : Veranderingen in samenstelling van voedingsmiddelen in 2012

      Temme EHM; Westenbrink S; Toxopeus IB; Hendriksen MAH; Werkman AM; Klostermann VLC; P&V; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMVoedingscentrum Nederland, 2013-02-18)
      Dit rapport bevat een erratum op de laatste pagina (01-07-2013) De overheid heeft de voedingsmiddelensector opgeroepen om de gehalten aan natrium en verzadigd vet in voedingsmiddelen te verlagen. Uit de rapportage van het RIVM en het Voedingscentrum blijkt dat de natriumgehalten in brood en in groenteconserven in 2012 significant zijn afgenomen. Het gemiddelde natriumgehalte nam ook af voor kaas, koude sauzen, pindasauzen en chips, maar deze daling was niet significant. In vlees en soepen is geen verschil in het natriumgehalte waargenomen. Inspanningen om het verzadigd vetgehalte te verlagen waren afkomstig van de olie- en vetsector en de aardappelverwerkende industrie. Zij hebben het gebruik van vloeibare vetten gestimuleerd en de vetzuursamenstelling van hun producten verbeterd. Vanwege de negatieve gezondheidseffecten van een te hoge inname van natrium en verzadigd vet wil de minister van VWS dat het voor de consument makkelijker wordt om gezondere voedingsmiddelen te kiezen. In dat verband volgen het RIVM en het Voedingscentrum kritisch de gehalten van natrium en verzadigd vet van voedingsmiddelen. Dat gebeurt op basis van recente gegevens die fabrikanten en de desbetreffende sectoren vrijwillig aanleveren, plus onafhankelijke natriumanalyses door de NVWA. Deze gegevens zijn vervolgens vergeleken met de gegevens over de samenstelling van voedingsmiddelen in het Nederlandse Voedingsstoffenbestand (NEVO) 2011 (http://nevo-online.rivm.nl/). Voor de komende jaren bereiden bedrijven (producenten en een supermarktketen) zich erop voor de natriumgehalten van vleeswaren en vleesbereidingen, kaas, hartige snacks, diverse sauzen, soep, kant- en klaarmaaltijden, pizza's en bewerkte visproducten stapsgewijs (verder) aan te passen. Dit blijkt uit de plannen die zij tot eind 2015 hiervoor hebben opgesteld.
    • Vergelijking van zout-, verzadigd vet- en suikergehalten in voedingsmiddelen tussen 2011 en 2016 : RIVM Herformuleringsmonitor 2016

      Brants HAM; Toxopeus IB; Westenbrink S; Temme EHM; P&V; VPZ (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-04-06)
      Het RIVM heeft in kaart gebracht wat de gehalten aan zout, suiker en verzadigd vet in voedingsmiddelen zijn ten opzichte van 2011. Het zoutgehalte in brood is gemiddeld 19 procent lager dan in 2011. Ook bepaalde soorten sauzen, soepen, groenten en peulvruchten in blik of glas en chips hebben een lager zoutgehalte. De gehalten zijn tussen de 12 en 26 procent lager. Daarnaast hebben enkele productgroepen een lager verzadigd vetgehalte gekregen. Het suikergehalte is in alle onderzochte productgroepen gelijk gebleven. De afgelopen jaren zijn vanuit het Akkoord Verbetering Productsamenstelling afspraken gemaakt over het maximumgehalte aan zout, verzadigd vet en calorieën (suikers, vet) in voedingsmiddelen. De lagere gehalten zijn vooral te zien bij productgroepen waarvoor deze afspraken zijn gemaakt. De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft dit akkoord begin 2014 afgesloten met brancheorganisaties van de voedingsmiddelenindustrie, retail, horeca en catering. Het doel is om het voor de consument gemakkelijker te maken voor gezonde producten te kiezen. Dit onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het ministerie van VWS. Dergelijke onderzoeken zijn ook in 2012 en 2014 uitgevoerd, zodat kan worden gevolgd hoe deze gehalten zich ontwikkelen. Hiervoor zijn gegevens over de samenstelling van voedingsmiddelen gebruikt die afkomstig zijn van analyses door de Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit (NVWA), de Levensmiddelendatabank (een database van het Voedingscentrum en het RIVM met etiketgegevens) en monitoring door brancheorganisaties. Deze gegevens zijn gecombineerd en vergeleken met de samenstelling van voedingsmiddelen in het Nederlands Voedingsstoffenbestand (NEVO) 2011.
    • Wat ligt er op ons bord? : Methodologisch achtergrondrapport bij 'Veilig, gezond en duurzaam eten in Nederland'

      Toxopeus IB; Hoeymans N; Geurts M; Mengelers MJB; Temme EHM; Ocke MC; V&G; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-09-04)
      In de studie 'Wat ligt er op ons bord? Veilig, gezond en duurzaam eten in Nederland' heeft het RIVM de maatschappelijke uitdagingen voor gezonde, veilige en duurzame voeding - nu en in de toekomst - in kaart gebracht. Daarnaast biedt de studie bouwstenen voor voedselbeleid in Nederland, waarbij naast een integrale benadering van deze vraagstukken ook rekening wordt gehouden met de uiteenlopende waarden van voedsel, zoals gemak, betaalbaarheid en dierenwelzijn. Dit rapport is de methodologische verantwoording hiervan en beschrijft de gebruikte methoden. Als eerste wordt besproken hoe met behulp van kwalitatieve analyses trendscenario's voor de veiligheid, gezondheid en duurzaamheid van het voedingspatroon zijn opgesteld. Vervolgens wordt beschreven hoe de effecten van drie toekomstscenario's zijn geschat. En hoe daaruit kansen en keuzen zijn gedestilleerd die zich voordoen bij integraal voedselbeleid. Tot slot wordt een casestudy besproken waarin met behulp van een zogeheten multicriteria-analyse de effecten van alternatieven voor dierlijke eiwitten zijn gewogen. De resultaten van de casestudy en hoe ze zijn gebruikt in 'Wat ligt er op ons bord?' zijn eveneens beschreven.
    • Wat ligt er op ons bord? : Veilig, gezond en duurzaam eten in Nederland

      Ocke MC; Toxopeus IB; Geurts M; Mengelers MJB; Temme EHM; Hoeymans N; M&B; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-01-24)
      Uitdagingen en ambities zijn groot De meeste Nederlanders zijn gezond en de levensverwachting stijgt. Tegelijkertijd heeft de helft van de Nederlanders overgewicht; in lagere sociaaleconomische groepen is dit nog meer. Ook eten 9 van de 10 mensen te weinig groente en fruit en is bijna 30 procent van ons eten van dierlijke oorsprong. Het voedingspatroon van een gemiddelde Nederlander leidt niet alleen tot gezondheidsverlies, maar vormt ook een grote belasting voor het milieu. Het zorgt voor een uitstoot aan broeikasgassen die vergelijkbaar is met die van vervoer. Jaarlijks verspillen Nederlanders per persoon 47 kilogram voedsel. Voedsel in Nederland is overwegend veilig: ongeveer 1 op de 24 mensen maakt jaarlijks een voedselinfectie door, die meestal niet ernstig verloopt. Voor de meeste chemische stoffen in voedsel is het risico voor de volksgezondheid verwaarloosbaar. Nederland wil voorop lopen in de internationale ambitie voor een gezond, duurzaam en veilig voedingspatroon. Om dat te realiseren is integraal beleid nodig gericht op veiligheid, gezondheid en duurzaamheid tegelijkertijd. Kansen In dit onderzoek heeft het RIVM de feiten en cijfers over de veiligheid, gezondheid en ecologische duurzaamheid van voedsel in Nederland verzameld en geanalyseerd welke kansen en dilemma's er zijn voor een integraal voedselbeleid. Niet teveel eten, een voedingspatroon met meer plantaardige en minder dierlijke producten en minder suikerhoudende en alcoholische dranken: dat zijn drie kansen voor een gezonder en duurzamer voedingspatroon. Deze veranderingen verminderen het aantal chronisch zieken, verkleinen de gezondheidsverschillen en beperken de milieubelasting van voedsel. In de meeste gevallen wordt het voedsel daarmee ook veiliger; zo gaat de consumptie van minder vlees samen met minder voedselinfecties. Dilemma's Er zijn ook dilemma's. Niet alle maatregelen voor gezonde voeding zijn duurzaam en veilig, en vice versa. Zo is het duurzaam om bij vleesconsumptie het hele dier van kop tot staart te eten. Dit betekent ook bewerkte vleesproducten, zoals worst, die weer minder gezond zijn. Daarnaast bestaat er een spanningsveld tussen abstracte doelstellingen op lange termijn ('gezonder, duurzamer en veilig') en concrete keuzen in het dagelijks leven. Veel burgers en bedrijven vinden gezondheid en duurzaamheid belangrijk, maar in de winkel letten consumenten toch vooral op prijs en gemak. Bedrijven willen op hun beurt deze consument dienen en winst maken. Keuzen maken De spanning tussen duurzaam, gezond en veilig voedsel, en het gemak, de betaalbaarheid en de economie vraagt om keuzen. Om hier een uitweg in te vinden is een actieve rol van de overheid gewenst, die samen optrekt met de agrarische sector, bedrijven, burgers en maatschappelijke organisaties. Daarbij is niet alleen een goede informatievoorziening voor de consument nodig, maar ook een gezonder en duurzamer aanbod. Hetzelfde geldt voor een omgeving die gezond en duurzaam gedrag stimuleert. Partijen die hier veel invloed op hebben, zoals inkooporganisaties voor supermarkten en de detailhandel, kunnen een belangrijke partner zijn. Dat veel burgers en bedrijven duurzaam, gezond en veilig voedsel belangrijk vinden, creëert legitimiteit voor deze actieve rol. Kansen benutten Kansen voor een integrale aanpak zijn er. De Nederlandse maatschappij kenmerkt zich door ondernemingsgeest en innovatievermogen. Er zijn al burgerinitiatieven gaande die werk maken van verantwoord voedsel. Bedrijven en de agrarische sector willen hieraan bijdragen door slimme oplossingen waarmee winst te maken is. Als de overheid deze ontwikkelingen stimuleert en faciliteert, worden de maatschappelijke ambities, de ondernemingsgeest en het innovatievermogen van alle partijen benut
    • What is on our plate? : Safe, healthy and sustainable diets in the Netherlands

      Ocke MC; Toxopeus IB; Geurts M; Mengelers MJB; Temme EHM; Hoeymans N; V&G; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-09-04)
      Huge challenges and ambitions Most Dutch people are healthy and life expectancy is growing. Simultaneously, half of the Dutch population is overweight and this rate is even higher in lower socioeconomic groups. In addition, 9 out of 10 people eat too little fruit and vegetables, and nearly 30 percent of our food is of animal origin. The diet of an average Dutch person does not only lead to health losses, but also constitutes a major burden on the environment. It results in greenhouse gas emissions comparable to transport emissions. The annual food waste is 47 kilograms per person. Food in the Netherlands is mostly safe: approximately 1 in 24 people a year have a food infection, which usually is not serious. Most chemicals in food pose a negligible risk to public health. The Netherlands aims to take the lead in the international ambition for a healthy, sustainable and safe dietary pattern. To achieve this aim an integral policy is required, in which safety, health and sustainability are taken into account. Opportunities In this report, RIVM presents facts and figures about the safety, health and ecological sustainability of diets in the Netherlands and analyses the dilemmas and opportunities for an integrated food policy. Avoiding overconsumption, a diet with more plant-based and less animal-based products, and less sugar-containing and alcoholic drinks: these constitute three opportunities for a healthier and more sustainable dietary pattern. Taking advantage of these opportunities will lower the number of chronically ill, reduce health inequalities and contain the impact of food production on the environment. And, it tends to have a positive effect on the safety of our diet, as a lower meat consumption is associated with a lower rate of food infections. Dilemmas There are however dilemmas to be faced. Not all measures related to a healthy diet are sustainable and safe, and vice versa. For example, it is eco-friendly if every part of an animal is used for consumption. This also implies the consumption of processed meat, such as sausage, which in itself is less healthy. Moreover, there is a tension between abstract, long-term goals (healthier, more sustainable and safe) and concrete choices in everyday life. Many citizens and businesses consider health and sustainability to be important, but when shopping for food, consumers' choices are primarily determined by price and convenience. Companies, in turn, want to serve these consumers and make a profit. Making choices The tension between sustainable, healthy and safe diets on the one hand, and convenience, affordability and economy on the other, necessitates choices. To find a way out requires the government to take on an active role, and to cooperate with the agricultural sector, businesses, citizens and social organizations. Not only do consumers need to be well informed, but a healthier and more sustainable food supply is also needed. The same applies to an environment that promotes healthy and sustainable behaviour. Influential parties, such as purchasing organizations for supermarkets and retail, are potentially important partners. The fact that many citizens and businesses attach importance to sustainable, healthy and safe food legitimizes the government taking on this active role. Seizing opportunities There are opportunities for an integrated approach. Dutch society is characterized by entrepreneurship and innovation capacity. Presently, there are citizens' initiatives that focus on responsible diets. Companies welcome these initiatives and contribute through smart solutions that allow them to make a profit. If the government encourages and facilitates these developments, the social ambitions, entrepreneurial spirit and innovative capacity of all parties will be taken advantage of.