• The effects of vaccination, the incidence of the target diseases

      Hof S van den; Conyn-van Spaendonck MAE; Melker HE de; Geubbels ELPE; Suijkerbuijk AWM; Talsma E; Plantinga AD; Rumke HC; CIE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1998-07-09)
      As a result of improved socio-economic state and related hygiene, and the introduction of the National Vaccination Programme (RVP), the incidence of the target diseases of the RVP is low nowadays. Insight in the occurrence of the diseases remains necessary in order to be able to signal possible secondary effects at an early stage. The vaccination coverage is very high in the Netherlands, but considerable geographic differences exist within the country. Especially in municipalities where groups that reject vaccination on religious ground are clustered, the vaccination coverage is low. Herd immunity can be broken in socially and geographically clustered non-vaccinated groups. On the basis of the occurrence results of the target diseases of the RVP, we give recommendations for the future surveillance of the target diseases of the RVP and invasive meningococcal and pneumococcal infections. Besides continuation of the surveillance, additional research in case of outbreaks and epidemics is recommended, in order to obtain more insight into the circulation of the pathogens.
    • The effects of vaccination, the incidence of the target diseases

      van den Hof S; Conyn-van Spaendonck MAE; de Melker HE; Geubbels ELPE; Suijkerbuijk AWM; Talsma E; Plantinga AD; Rumke HC; CIE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1998-07-09)
      Door verbetering van sociaal-economische omstandigheden en de daarmee samenhangende hygiene, en de invoering van het Rijksvaccinatieprogramma (RVP), komen de doelziekten uit het RVP tegenwoordig weinig meer voor. Inzicht in het voorkomen van de ziekten blijft nodig om zo tijdig mogelijke secundaire effecten van het vaccinatieprogramma te herkennen. De vaccinatiegraad is erg hoog in Nederland maar er zijn grote geografische verschillen binnen het land. Vooral in gemeenten, waar groepen die vaccinatie om religieuze redenen afwijzen, zijn geclusterd, is de vaccinatiegraad laag. De groepsimmuniteit kan worden doorbroken in sociaal en geografisch geclusterde niet-gevaccineerde groepen. Op basis van de resulaten van het voorkomen van de doelziekten uit het RVP geven wij aanbevelingen voor de surveillance van de doelziekten uit het RVP en invasieve meningo- en pneumokokken infecties in de toekomst. Naast voortzetting van de surveillance zoals deze er op dit moment is, wordt aanbevolen additioneel onderzoek te doen bij outbreaks en epidemieen om zodoende meer inzicht te krijgen in de circulatie van de ziekteverwekkers.<br>
    • Paediatric surveillance of invasive infections by Haemophilus influenzae in 1995 in the Netherlands

      Talsma E; Conyn-van Spaendonck MAE; Geubbels ELPE; Suijkerbuijk AWM; CIE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1996-10-31)
      Ter voorkoming van sterfte, morbiditeit en blijvende schade als gevolg van invasieve Hib-infecties heeft de Gezondheidsraad geadviseerd vaccinatie tegen Hib in het Rijksvaccinatieprogramma op te nemen, hetgeen in 1993 is gerealiseerd. Om de effectiviteit van deze immunisatie te beoordelen is de surveillance door het Nederlands Surveillance-Centrum Kindergeneeskunde (NSCK) uitgevoerd. In deze rapportage wordt het voortschrijdende effect van Hib vaccinatie duidelijk. Eenenveertig gevallen van invasieve Hi infectie werden geregistreerd: 28 meningitis, 8 epiglottitis, 2 artritis en 3 sepsis. Dit betekent een belangrijke vermindering vergeleken met 1994 (129 gevallen) en de geschatte aantallen van voor de start van vaccinatie. Drie gevallen van echt vaccin-falen werden geregistreerd maar geen gevallen van mogelijk of schijnbaar vaccin-falen. Sinds 1 januari 1995 werd de casus-definitie veranderd naar invasieve Hi infecties ongeacht het serotype. Als gevolg hiervan is het ook mogelijk om invasieve Hi ziektebeelden veroorzaakt door niet serotype b stammen te bestuderen. Op 1 januari 1995 werd cellulitis in de casus-definitie opgenomen, er werden geen gevallen gerapporteerd met als het enige teken van invasieve Hi infectie cellulitis. De dekkingsgraad van de paediatrische surveillance werd geschat door vergelijking van gevallen van meningitis in de NSCK met gevallen van isolaten uit liquor van het Nederlands Referentie Laboratorium voor Bacteriele Meningitis (RBM).<br>
    • PREZIES: PREventie van ZIEkenhuisinfecties door Surveillance. Deelcomponent lijnsepsis, pilot 1999

      Talsma E; Mintjes-de Groot AJ; Batenburg LA; Geubbels ELPE; Berg JMJ van den; Boer AS de; CIE (Kwaliteitsinstituut voor de gezondheidszorg CBO Utrecht, 2000-02-09)
      Doel: Het evalueren van de haalbaarheid van de surveillance component lijnsepsis in het PREZIES-netwerk. Het uiteindelijke streven is het invoeren van gestandaardiseerde landelijke surveillance van lijnsepsis in ziekenhuizen en het genereren van referentiegegevens voor individuele ziekenhuizen en de overheid.Opzet: De haalbaarheid van de deelcomponent lijnsepsis werd onderzocht in een pilot in 10 ziekenhuizen. Methode: Een landelijke kerngroep van deskundigen ontwikkelde een surveillance protocol. De deelnemende ziekenhuizen registreerden gedurende 3 maanden centraal veneuze en arteriele lijnen. De pilot werd geevalueerd in telefonische interviews, door de verzamelde gegevens te analyseren, de literatuur te bestuderen en de pilot te bespreken in een landelijke workshop. Resultaten: Het was mogelijk het protocol te implementeren. De surveillance bleek redelijk arbeidsintensief te zijn. De telefonische enquete bracht verschillen in de sensitiviteit van de surveillance tussen deelnemende ziekenhuizen aan het licht, die te wijten zijn aan verschillen in beleid wanneer bloed- en lijnkweken worden gedaan en hoe bloedkweken worden afgenomen. Verbeteringen van het protocol op het gebied van de casus-definitie, patient- en cathetergebonden risicofactoren, het computerprogramma, en de logistiek van de surveillance worden voorgesteld. Analyse van de gegevens over 874 patienten met een of meerdere lijnen leverde 29 (3,3%) gevallen van lijnsepsis op. Hiervan werden 15 als zeker en 14 als waarschijnlijk geclassificeerd. Het aantal gevallen van lijnsepsis was 1,6 per 1000 lijndagen (95%BI 0,8-2,5), voor waarschijnlijke lijnsepsis was het aantal 1,5 infecties per 1000 lijndagen (95%BI 0,7-2,3). Het meest frequent werden infuuscatheters gesurveilleerd (880), gevolgd door Swan-Ganz catheters (184), sheaths (110) en lijnen gebruikt voor dialyse (81). Stratificatie naar risicofactoren liet zien dat infuuscatheters in de arteria/vena femoralis, meervoudig lumen catheters, het gebruik van catheters voor parenterale voeding, en een verblijfsduur van de catheter langer dan 48 uur waren geassocieerd met een verhoogd aantal gevallen van lijnsepsis.Conclusies: De surveillance van lijnsepsis binnen het PREZIES-netwerk is haalbaar. De kwaliteit van de surveillance kan worden verbeterd door de voorgestelde aanpassingen in het protocol door te voeren. Verbetering van de vergelijkbaarheid van gegevens tussen ziekenhuizen blijft een uitdaging.
    • PREZIES: PREventie van ZIEkenhuisinfecties door Surveillance. Deelcomponent lijnsepsis, pilot 1999

      Talsma E; Mintjes-de Groot AJ; Batenburg LA; Geubbels ELPE; Berg JMJ van den; Boer AS de; Kwaliteitsinstituut voor de gezondheidszorg CBO Utrecht; CIE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2000-02-09)
      Objective: To evaluate the feasibility of the surveillance component catheter associated (CA) sepsis within the PREZIES-network of Dutch hospitals. The ultimate goal is the introduction of standardised surveillance of CA sepsis in hospitals and the generation of reference figures for individual hospitals and the government. Design: The feasibility of the surveillance of CA sepsis was studied in a pilot in 10 hospitals. Methods: A national expert group for CA sepsis developed a surveillance protocol. The participating hospitals registered central venous and arterial lines for three months. The pilot was evaluated in telephone interviews, by analysing the gathered data, by studying literature study and discussing the pilot in a national workshop. Results: It was possible to implement the protocol. The surveillance appeared to be reasonably labour intensive. The telephone inquiry showed differences in sensitivity of the surveillance between participating hospitals, based on different policies when blood and catheters are to be cultured and how blood cultures are taken. Improvements in the protocol regarding the case definition, patient and catheter associated risk factors, the computer programme and the logistics of the surveillance are proposed. Analysis of the data of 874 patients with one or more catheters revealed 29 (3,3%) cases of CA sepsis. Of these, 15 were classified as certain and 14 as probable cases. The number of CA sepsis cases was 1,6 per 1000 catheter days (95%CI 0,8-2,5), the number of probable CA sepsis cases was 1,5 infections per 1000 catheter days (95%CI 0,7-2,3). Most frequently infusion catheters were registered (880), followed by Swan-Ganz catheters( 184), sheaths (110) and catheters used for dialysis. The median and average length of stay of catheters was 5 and 7 days respectively. Stratification for risk factors showed that catheters in the femoral artery or vein, multiple lumen catheters, the use of catheters for parenteral feeding, and length of stay of catheters over 48 hours were associated with an increased number of CA sepsis cases by infusion catheters. Conclusions: The surveillance of CA sepsis within the PREZIES-network is feasible. The quality of the surveillance can be improved by implementing the proposed changes to the protocol. Improving the comparability of data between hospitals remains a challenge.