• Dose response relations for gastro-instestinal pathogens in an animal model

      Havelaar AH; Garssen J; Takumi K; Koedam M; Dufrenne JB; Leusden FM van; Fonteyne L de la; Vos JG; MGB (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2000-03-31)
      Dose-response models ar an essential part of quantitative microbiological risk assessment, but not many appropriate data are available for this purpose. Human volunteer studies provide only limited information. Therefore, an animal model for infection with human enteropathogenic bacteria is being developed. Adult, male WU rats were exposed to different doses of three enteropathogenic bacteria (Salmonella enterica serovar Enteritidis, Escherichia coli 0157, and Campylobacter jejuni) after overnight starvation and neutralisation of gastric acid. A relationship between the dose and probability of infection was demonstrated for all three bacteria, with C. jejuni being more infectious than E.coli 0157, and CS. Enteritidis being least infectious. S. Enteritidis induced a systemic infection, and dose-dependent effects were observed for some haematological parameters (notably and increase in neutrophils), for histopathological changes in the gastro-intestinal tract and for the delayed-type hypersensitivity reaction. The reproducibility of experiments with S. Enteritidis was good; in contrast, experiments with C. jejuni demonstrated poor reproducibility.
    • Dose response relations for gastro-instestinal pathogens in an animal model

      Havelaar AH; Garssen J; Takumi K; Koedam M; Dufrenne JB; van Leusden FM; de la Fonteyne L; Vos JG; MGB (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2000-03-31)
      Dosis-respons modellen zijn een belangrijk onderdeel van de kwantitatieve microbiologische risicoanalyse, maar er zijn slechts weinig bruikbare kwantitatieve gegevens. Experimenten met vrijwilligers geven slechts beperkte informatie. Daarom wordt een diermodel voor infectie met enteropathogene bacterien ontwikkeld. Volwassen, mannelijke WU ratten werden na overnacht vasten en neurtralisatie van maagzuur blootgesteld aan verschillende doses van drie enteropathogene bacterien (Salmonella enterica serovar Enteritidis, Escherichia coli 0157 en Campylobacter jejuni). Er werd een relatie gevonden tussen de dosis en de kans op infectie voor alle onderzochte bacterien. C. jejuni was meer infectieus dan E.coli 0157 en S. Enteritidis was het minst infectieus. S.Enteritidis veroorzaakte ook systemische effecten. Een dodis-respons relatie werd gevonden met sommige hematologische parameters (met name een toename van neurofielen), met de vertraagd type overgevoeligheidsreactie (OTV) en met histopathologische veranderingen in het darmkanaal. De reproduceerbaarheid van de experimenten met S.Enteritidis was goed, in tegenstelling tot C.jejuni<br>
    • Dose-response relations for gastro-intestinal pathogens in an animal model

      Garssen J; Havelaar AH; Dufrenne JB; Koedam M; de Jong WH; Takumi K; Teunis PFM; van Leusden FM; Vos JG; LPI (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1999-01-04)
      Dosis response modellen zijn een essentieel onderdeel van de kwantitatieve microbiologische risicobepaling maar er zijn slechts weinig geschikte gegevens beschikbaar. Vrijwilligersstudies geven slechts beperkte informatie. Daarom wordt een diermodel voor infectie met humane enteropathogene bacterien ontwikkeld. Pasgeboren muizen waren weinig gevoelig voor infectie met Salmonella enteritidis en er was geen dosis response relatie. Volwassen ratten konden worden geinfecteerd met hoge doses Salmonela enteritidis E.coli 0157 en Campylobacter jejuni. Overnacht vasten en neutralisatie van maagzuur verhoogden de gevoeligheid van de dieren voor orale infectie aanmerkelijk. Onder deze omstandigheden produceerde Salmonella enteritidis enstige systemische ziekten terwijl E.coli O157 en Campylobacter jejuni het maagdarmkanaal koloniseerden zonder klinisch waarneembare symptomen. Hoewel geen diarree werd gezien was het vochtgehalte van met C.jejuni geinfecteerde dieren verhoogd en vertoonden enkele dieren tekenen van typhlitis/colitis.<br>
    • The fate of Bacillus cereus in the gastrointestinal tract

      Pielaat A; Wijnands LM; Takumi K; Nauta MJ; Leusden FM van; MGB (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2006-03-31)
      This report presents a mathematical dynamical model for the behaviour of Bacillus cereus in the gastro-intestinal tract. Biological processes and system dynamics are simultaneously incorporated in this mechanistic model. Variability in growth characteristics and physical traits of different B. cereus strains are expressed through the incorporation of a range of reasonable parameter values obtained from experiments. Different hypotheses concerning initial ingestion of B. cereus microbes and subsequent in vivo processes leading to a potential infection are tested. Model outputs show the course of (attached) vegetative cells and/or spores in the stomach and small intestine during the digestion of food containing B. cereus microbes. Results show the minor influence of the stomach on the ultimate number of vegetative cells in the small intestine. A "mild" exposure (10^3 cfu g^-1) still causes an increased probability on food intoxication when 100 g of food containing, at least, slightly mesophilic B. cereus strains is consumed. Exposure to levels just above the Dutch standard (set at < 10^5 cfu g^-1) will, according to this model, always form a food hazard problem. Furthermore, this model gives insight in the uncertainty of some parameter values that need elaborated experimental investigation to come to an improved hazard characterisation and, with that, to improved suggestions for food microbiological criteria.
    • The fate of Bacillus cereus in the gastrointestinal tract

      Pielaat A; Wijnands LM; Takumi K; Nauta MJ; van Leusden FM; MGB (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2006-03-31)
      Dit rapport presenteert een wiskundig dynamisch model waarmee het gedrag van Bacillus cereus in het maag-darmkanaal beschreven wordt. Microbiologische processen en processen in het maag/darmkanaal vormen samen de basis voor dit mechanistische model. Variabiliteit in groeikarakteristieken en fysieke eigenschappen van B. cereus-stammen komen tot uitdrukking in de parameterwaarden verkregen uit experimenten. Met het model zijn verschillende hypothesen getest betreffende initiele inname van B. cereus microben en daaropvolgende "in vivo" processen welke tot een potentiele infectie kunnen leiden. Modeluitkomsten laten het lot van vegetatieve cellen en/of sporen in de maag en dunne darm tijdens de vertering van een maaltijd met B. cereus-microben zien. Hieruit blijkt dat de maag weinig invloed heeft op het uiteindelijke aantal vegetatieve cellen in de dunne darm. Een "milde" blootstelling [10ˆ3 kolonievormende eenheden (kve) gˆ-1] geeft nog steeds een verhoogde kans op een toxico-infectie wanneer 100 g voedsel wordt geconsumeerd met daarin, tenminste, licht mesofiele B. cereus stammen. Blootstellingsnivo's juist boven de Nederlandse gestelde norm van < 10ˆ5 kve gˆ-1 vormen volgens dit model altijd een potentieel gevaar. Verder geeft dit model inzicht in de onzekerheid van bepaalde parameterwaarden welke nader experimenteel onderzocht zouden moeten worden om tot een betere risicobeoordeling te kunnen komen. Integratie van experimentele data in een dynamisch model met daarin de belangrijkste componenten voor voedselinfectie zal uiteindelijk leiden tot verbeterde suggesties voor voedselmicrobiologische criteria.
    • Inventarisatie Screening carbapenemase-producerende bacteriën in dieren en dierlijke producten: is de huidige screening toereikend?

      Wit B; Veldman K; Hordijk J; Heuvelink A; Vellema P; Dierikx CM; Backer JA; Takumi K; van Duijkeren E; I&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-07-17)
      In dit onderzoek is gekeken of de huidige monitoring van carbapenemase-producerende bacteriën (CPE) voldoende is om betrouwbare uitspraken te kunnen doen over het vóórkomen van deze bacteriën in dieren en/of dierlijke producten. De conclusie van dit rapport is dat méér en gerichter monsters van dieren en dierlijke producten genomen zouden moeten worden om lage prevalenties (vóórkomen) van CPE te kunnen monitoren. Daarmee wordt tevens de kans verhoogd besmettingen met CPE te ontdekken, voordat het verspreid is naar meerdere bedrijven, dieren en/of (dierlijke) producten. Het gaat om antibioticaresistente bacteriën die resistent zijn tegen het soms nog laatste redmiddel bij infecties, carbapenem antibiotica. Deze bacteriën worden gezien als bedreiging voor de volksgezondheid. Gelukkig komen deze nog niet zo vaak bij mensen in Nederland voor. Als dit type bacteriën in ziekenhuizen wordt aangetroffen, worden maatregelen getroffen om ervoor te zorgen dat ze zich niet verder kunnen verspreiden naar risicogroepen. Hoewel CPE tot nu toe in Nederland nog niet in dieren en/of dierlijke producten zijn aangetroffen, kunnen ook dieren en/of dierlijke producten een rol spelen bij de verspreiding ervan naar de mens. CPE zijn in het buitenland al wel incidenteel gevonden bij dieren. In de Nederlandse veestapel, onder gezelschapsdieren en in (dierlijke) producten vindt op dit moment een monitoring plaats naar CPE. Het is echter onzeker of deze monitoring voldoende is om veranderingen in het vóórkomen van CPE te bepalen en om CPE te vinden, op het moment dat deze nog niet verspreid zijn naar meerdere bedrijven, dieren en/of (dierlijke) producten. Daarom heeft het ministerie van VWS het RIVM gevraagd voorliggend onderzoek te doen. Het brengt de huidige monitoring van CPE in de Nederlandse veestapel, gezelschapsdieren en dierlijke producten gedetailleerd in kaart, geeft een overzicht van de betrouwbaarheid van deze metingen en inventariseert mogelijke verbeteringen. Uit het onderzoek blijkt dat de aantallen monsters die van dieren en producten genomen worden te klein zijn om betrouwbare uitspraken te doen over de afwezigheid van CPE in de veestapel en om veranderingen bij een lage prevalentie te kunnen waarnemen. Daarom wordt aanbevolen om in de monitoring meer monsters te onderzoeken. Ook is het zinvol om te analyseren waar de grootste risico's voor introductie van CPE in dieren en/of dierlijke producten liggen, zodat de aanvullende metingen zo gericht mogelijk kunnen worden uitgevoerd. Een eerste verkennende risico inventarisatie laat zien dat import van dieren en/of dierlijke producten uit gebieden waar CPE voorkomt, een mogelijk risico is voor invoer van CPE naar Nederland. Productiedieren kunnen ook besmet worden door overdracht vanuit bedrijven hoger in de productieketen, waar op dit moment geen monitoring plaatsvindt. Daarnaast kan er ook overdracht plaats vinden via besmette mensen. Door méér en gerichter monsters van dieren en (dierlijke) producten te nemen kan de afwezigheid van CPE met een betere betrouwbaarheid worden bepaald. Daarmee wordt tevens de kans verhoogd besmettingen met CPE te ontdekken, voordat het verspreid is naar meerdere bedrijven, dieren en/of (dierlijke) producten.
    • Modellering van de risico&apos;s van blootstelling aan pathogene micro-organismen via voedsel, dieren en water. Een definitiestudie

      Havelaar AH; Evers EG; Nauta MJ; Schijven JF; Takumi K; MGB (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2000-02-29)
      Het doel van deze definitiestudie is sturing van toekomstig onderzoek door de modelleringsgroep van het Microbiologisch Laboratorium voor Gezondheidsbescherming (MGB), dat deel is van het RIVM. De missiestatement van de groep is: kwantitatieve schattingen van het volksgezondheidsrisico van pathogene micro-organismen in water, voedsel en dieren. Kerntaken zijn: ontwikkelen en toepassen van wiskundige modellen; verwerven en integreren van systeemkennis en gegevens; participeren in experimenteel en observationeel onderzoek; adviseren van beleidsmakers over de effectiviteit van risicoreducerende maatregelen. Het onderzoeksgebied is onderverdeeld in vijf onderzoeksvelden: Dier, Voedsel, Water / Land, Mens en Volksgezondheid. Inhoud en verdere aanpak van deze velden wordt beschreven. Ter co6rdinatie van deze onderzoeksvelden werden afspraken gemaakt over grenzen en interacties tussen deze velden. Het modelleringswerk binnen het MGB maakt onlosmakelijk deel uit van de laboratoriumstrategie van integrale risico-bepaling, met als einddoel effectmodellering op individu- en populatieniveau. De belangrijkste modelleringsonderwerpen van het recente verleden (bacteri6le zo6nosen, protozoa en virussen in water, dosis-respons relaties en effecten op de volksgezondheid) zullen gehandhaafd worden waarbij er naar gestreefd wordt om het aantal te onderzoeken micro-organismen te beperken. Modelleringstechnieken kunnen niet a priori gekozen worden, omdat deze bepaald worden door de precieze vraagstelling en de databeschikbaarheid. Stochastische en mechanistische modellen hebben de voorkeur. De informatiebehoefte wordt beschreven per onderzoeksveld. Dit bevestigt dat modellering een informatie-intensieve activiteit is die multidisciplinair aangepakt moet worden.<br>
    • Modellering van de risico's van blootstelling aan pathogene micro-organismen via voedsel, dieren en water. Een definitiestudie

      Havelaar AH; Evers EG; Nauta MJ; Schijven JF; Takumi K; MGB (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2000-02-29)
      This definition study was set up to guide future research by the modelling group of the Microbiological Laboratory for Health Protection (MGB) at the National Institute of Public Health and the Environment in the Netherlands. The mission of the group is to make quantitative estimations of the public health risk of pathogenic micro-organisms in water, food and animals. Primary tasks are to develop and apply mathematical models, obtain and integrate system knowledge and data, participate in experimental and observational research and advise policy makers on the effectiveness of risk-reducing measures. The research was spread over five research fields: Animal, Food, Water & Land, Man and Public Health. Research fields are described, along with future approaches to them and will be coordinated on the basis of agreements on limits to and interactions between these fields. Modelling is an essential component of the overall MGB strategy of integrated risk assessment with effect modelling at individual and population level as an endpoint. The major modelling research areas of the recent past (bacterial zoonoses, protozoa and viruses in water, dose response and public health effects) will be maintained, while attempting to limit the number of micro-organisms to be investigated. Modelling techniques cannot be chosen a priori, as these will be determined by the specific research objective and data availability. Stochastic and mechanistic models are preferred. The information needs are described per research field and modelling is comfirmed as an information-intensive activity with a multidisciplinary approach.
    • Risk assessment of Shiga-toxin producing Escherichia coli O157 in steak tartare in the Netherlands

      Nauta MJ; Evers EG; Takumi K; Havelaar AH; MGB (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2001-11-30)
      The methodology of quantitative microbiological risk assessment (QMRA), a tool to evaluate food related health risks, is rapidly developing. As a contribution to this development, a QMRA of Shiga-toxin producing E. coli (STEC) O157 in steak tartare in the Netherlands is conducted, using the Modular Process Risk Model (MPRM) concept. STEC O157 has caused a number of large-scale outbreaks in several industrial countries with severe public health consequences, often associated with the consumption of beef products. An exposure model was constructed, covering the whole food pathway from farm animals to human consumption. This model was linked with a newly developed dose response model of STEC O157 based on Japanese outbreak data. It resulted in estimates of steak tartare contamination (prevalence and concentration) and the incidence of STEC O157 associated illness by steak tartare consumption. As in other QMRAs, these estimates are highly uncertain as a consequence of a lack of adequate data all over the food pathway. Expert opinion was used to obtain estimates of several model parameters. Compared with independent data, the model estimate of the prevalence of contaminated raw tartare patties (0.3%) is low, whereas the estimated incidence rate of diarrhoeal illness (8 per 100.000 person years) is high. The QMRA approach allows for an overall scenario analysis. It was found that intervention at the farm or during slaughter is probably more efficient to reduce STECO157 health risks than intervention at the consumer stage. Furthermore, important data gaps could be identified.
    • Risk assessment of Shiga-toxin producing Escherichia coli O157 in steak tartare in the Netherlands

      Nauta MJ; Evers EG; Takumi K; Havelaar AH; MGB (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2001-11-30)
      Kwantitatieve microbiologische risicoschatting (QMRA) is een middel om voedselgerelateerde gezondheidsrisico's te evalueren. De QMRA-methodiek is volop in ontwikkeling. Als bijdrage aan deze ontwikkeling is een QMRA van Shigatoxine producerende E. coli (STEC) O157 in rundertartaar in Nederland uitgevoerd, waarbij gebruik is gemaakt van het 'Modular Process Risk Model (MPRM)' concept. STEC O157 heeft een aantal grote explosies veroorzaakt met ernstige gevolgen voor de volksgezondheid, in verschillende geindustrialiseerde landen. Deze explosies waren vaak geassocieerd met de consumptie van rundvleesproducten. Er is een blootstellingsmodel gebouwd dat de hele keten van boerderijdieren tot humane consumptie bestrijkt. Dit model is gekoppeld aan een nieuw ontwikkeld dosis respons model van STEC O157, gebaseerd op gegevens van een Japanse explosie. Dit heeft geresulteerd in schattingen van de mate van besmetting van rundertartaartjes (uitgedrukt in prevalentie en concentratie) en de incidentie van STEC O157- geassocieerde ziekte ten gevolge van de consumptie van rundertartaar. Evenals in vergelijkbare QMRA's, zijn deze schattingen erg onzeker, vanwege een gebrek aan bruikbare gegevens over de hele voedselketen heen. Meningen van experts zijn gebruikt om schattingen te krijgen van modelparameters die niet op andere wijze te verkrijgen waren. Vergeleken met onafhankelijke data, is de modelschatting van de prevalentie van besmette rauwe tartaartjes laag (0.3%), terwijl de geschatte incidentie van gastro enteritis (8 per 100.000 persoonsjaren) juist aan de hoge kant is. Met de QMRA benadering is een scenario-analyse uit te voeren over de hele keten. Hieruit bleek dat om STEC O157 gerelateerde gezondheidsrisico's te verlagen, interventie op de boerderij of tijdens de slacht waarschijnlijk efficienter is dan interventie bij de consument. Daarnaast zijn belangrijke hiaten in kennis geidentificeerd.<br>
    • Vossenlintwormonderzoek in Groningen en Drenthe : 2016-2017

      Maas M; van Roon A; Broek I van den; Franssen FFJ; Takumi K; de Melker HE; D&V; Z&O (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-12-05)
      The National Institute for Public Health and the Environment (RIVM) has investigated the spread and incidence of the fox tapeworm in the north-east of the Netherlands. From 1 October 2016 to 31 March 2017, 171 red foxes in the provinces of Groningen and Drenthe were examined. The fox tapeworm was discovered in two foxes, both of which originated from the province of Groningen. This is in accordance with the results from previous studies, although the area in which the fox tapeworm is prevalent seems to have expanded slightly. The fox tapeworm (Echinococcus multilocularis) is a parasite that occurs in foxes. If humans ingest the eggs of the fox tapeworm, they can develop a disease known as alveolar echinococcosis, a severe disease of the liver. In the Netherlands, the tapeworm has so far been found in foxes in Limburg and East Groningen.
    • Winters in Nederland zijn niet te koud voor overleving van diapauze-competente Aziatische tijgermuggen

      Takumi K; Braks M; Scholte EJ; Reusken C; LZO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2008-12-31)
    • Zoönotische pathogenen bij de wasbeerhond en wasbeer in Nederland

      Maas M; Mulder J; Montizaan M; Dam-Deisz WDC; Jaarsma RI; Takumi K; van Roon A; Franssen FFJ; van der Giessen JWB; Z&O (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-03-06)
      De wasbeerhond en de wasbeer worden in Nederland steeds vaker waargenomen, vooral in het oostelijke grensgebied. De komst van nieuwe diersoorten als deze kan ziekteverwekkers (her)introduceren of invloed hebben op de mate waarin reeds aanwezige ziekteverwekkers voorkomen. Zo leggen wasbeerhonden grote afstanden af en kunnen ze zich in meerdere leefomgevingen handhaven. Zowel wasbeerhonden als wasberen kunnen ziekteverwekkers bij zich dragen waar mensen ziek van kunnen worden. Bij onderzoek in 2014-2015 werd bij één van negen onderzochte wasbeerhonden Trichinella spiralis gevonden en bij één wasbeerhond Echinococcus multilocularis. Daarnaast is bij twee wasberen, die eind 2014 dood werden gevonden in de omgeving van Doetinchem, Baylisascaris procyonis aangetoond. Daarom heeft het RIVM in 2016-2017 12 wasbeerhonden en 5 wasberen onderzocht om meer inzicht te krijgen in de mate waarin een aantal ziekteverwekkers voorkomt: Echinococcus multilocularis (vossenlintworm), Trichinella spp. en Francisella tularensis bij wasbeerhonden en Baylisascaris procyonis (wasberenspoelworm) bij wasberen. Vossenlintworm, Trichinella spp. en Francisella tularensis zijn niet gevonden. Bij één wasbeer is Baylisascaris procyonis aangetroffen. De wasbeer was afkomstig uit Limburg. Het is nog onduidelijk of de wasberen die worden gevonden in Nederland uit wilde populaties komen of dat ze ontsnapte of losgelaten huisdieren zijn. Dit maakt het lastig om de vondst van Baylisascaris procyonis in Limburg (Elsloo) te duiden. Bij besmette wasberen worden spoelwormeieren via de ontlasting uitgescheiden in de omgeving, waar zij lange tijd kunnen overleven. Wanneer mensen deze eieren binnenkrijgen, ontwikkelen zich larven die zich door het lichaam kunnen verplaatsen naar onder andere de hersenen en dan neurologische klachten kunnen veroorzaken. Die kans lijkt nu nog klein, maar meer inzicht in de verspreiding van besmette wasberen is van groot belang om een goede risico-inschatting te maken.