• Integratie stromings- en gedragsmodellen voor grondwaterkwaliteit

      Taat J; Boumans LJM; van Drecht G; Leijnse A; Lieste R (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1987-09-30)
      Locale verontreinigingsbronnen, zoals bijvoorbeeld vuilstorten en gasfabrieken, vormen een van de bedreigingen van de grondwaterkwaliteit in Nederland. Grondwaterkwaliteitsmodellen kunnen een hulpmiddel zijn voor de voorspelling van de verspreiding van verontreinigingen uit deze locale bronnen. Het doel van dit onderzoek is het operationaliseren en aanpassen van bestaande grondwaterkwaliteitsmodellen. Het eindrapport bevat drie onderdelen: 1. aanpassing van het programma SWIP-II aan niet-lineaire adsorptie; 2. vergelijking tussen adsorptie isothermen en een chemisch speciatie model (MINEQL). 3. Koppeling van SWIP-II aan een model voor de onverzadigde zone (ONZAT). Tevens is aandacht besteed aan de mogelijkheden en de beperkingen van grondwaterkwaliteitsmodellen en worden aanbevelingen gedaan met betrekking tot modelgebruik en ontwikkeling, in het bijzonder de koppeling van speciatiemodellen en stromingsmodellen.<br>
    • Veldonderzoek naar de uitloging van een met fosforzuurgips, vliegas en cement gestabiliseerde wegfundering

      Taat J; Jeths R; Maaren HLJ van (1987-11-30)
      In Nederland wordt circa 2 miljoen ton fosforzuurgips geproduceerd. Een nuttig gebruik van dit afvalgips kan de toepassing in stabilisatiemateriaal voor de wegenbouw zijn, als mengsel met vliegas en cement. Aangezien dit mengsel zwarte lijst stoffen zoals cadmium bevat, dienen de milieuhygienische consequenties van deze toepassing onderzocht te worden. Hiertoe wordt een uitlogingsonderzoek in het laboratorium uitgevoerd. Aanvullend op het laboratoriumonderzoek zijn in dit onderzoek veldmetingen uitgevoerd bij twee proefvakken in Noord-Brabant. In dit rapport wordt de inrichting van de meetpunten, de monstermeetmethoden voor de bodem- en watermonsters en de analysemethoden beschreven. De gemeten concentraties zijn gegeven als absolute waarden en als relatieve waarden ten opzichte van het gemiddelde. De relatieve concentraties zijn grafisch weergegeven om een verspreidingspatroon te kunnen herkennen. Tevens worden referentiewaarden van de gemeten stoffen gegeven. Twee jaar na aanleg van de proefvakken kan nog geen uitloging van verontreinigingen uit het stabilisatiemateriaal aangetoond worden. De gebruikte meet- en monstermethoden voldeden goed. Een probleem vormde echter andere verontreinigingsbronnen in de omgeving van de proefvakken, wast de interpretatie van de metingen bemoeilijkte. Vrijwel alle gemeten concentraties waren lager dan de referentiewaarden.